Gevleugeld bezoek

Laat ik vooropstellen dat ik dit niet voor mijn plezier doe. Dit werk is me van hogerhand opgedragen. Liever speur ik vanaf de waterkant naar vis en kreeftjes. Het drassige weiland is mijn habitat. Ik zal me toch naar vermogen van mijn taak kwijten.

De eerste hindernis is er alvast geen. De twee glazen platen schuiven vanzelf uit elkaar. Behoedzaam plaats ik mijn viertenige poten op het linoleum van de hal. Op het bellenpaneel vindt mijn oranje snavel vlot het blinkende knopje naast het huisnummer. Uit de luidspreker van de intercom klinkt een mannenstem, een beetje onzeker met ook iets joviaals: ‘Ja hallo, is de deur open?’ Niemand antwoordt. Hij vraagt het nog eens. Ik ben dan al in het atrium van de seniorenflat. Met die stelten van mij kan ik het best de lift nemen naar de eerste. Als ik vervolgens door de gang schrijd, zie ik in een laag raam mijn slangennek en mijn blauwgrijze verendek voorbijglijden. Niemand laat zich zien. Zijn deur staat op een kier.

Zonder kloppen, zonder enig geluid, betreed ik via het donkere halletje de kamer. De casemanager dementie staat op het punt van vertrekken, ze stopt paperassen in haar tas. Zij ziet me niet, hij wel. Maar hij besteedt geen aandacht aan me als er iemand anders bij is, wacht tot ze de woning heeft verlaten.

Hij vergeet genoeg, maar weet nog goed wat ik kom doen. Ik kom alleen maar halen, niets brengen. Om te beginnen, en dat is nu al jaren terug, hapte ik wat herinneringen weg, gewoon lukraak gaten maken in die grijze massa. Al gauw, misschien al na een paar maanden, morrelde ik aan zijn vermogen om nieuwe dingen te onthouden. Dat heeft intussen een hoge vlucht genomen. Meneer weet na tien minuten al niet meer wat hij even daarvoor heeft gezegd of gedaan of gedacht. Men zal tevreden zijn over mijn werk.

Onlangs heb ik een volgende fase in gang gezet. Dat is eenvoudiger dan je denkt, in ieder geval voor een wezen als ik. Binnenkort kan hij namen en gezichten niet meer thuisbrengen, hoewel ik twijfel of ik de weg kwijtraken voorrang zal geven. Het kan ook allebei tegelijk. Er gaat een zoemer. Het is vandaag een komen en gaan.

Hij staat op, neemt de hoorn van de haak en zegt net als even eerder: ‘Ja hallo, is de deur open?’ Ik kan niet horen of er gereageerd wordt. Hij verwacht iemand, ik zie dat hij dat nog weet. Om te ontdekken wie het is raadpleegt hij de agenda die opengeslagen op tafel ligt. Ik kijk mee. Het zijn zijn oudste zoon en diens vrouw. Ik hoef er niet bij te zijn om te weten hoe het gaat: steeds kortere gesprekken, herhaling van zetten.

Het is voor mij tijd om te gaan. De deur naar het balkon staat open. Ik spring met een vleugelslag op de balustrade. Vanuit het halletje hoor ik nog de begroetingen. Dan vlieg ik op en ben ik weg. Morgen weer een dag.