Geraniums

’s Ochtends zag ik een man zich laven aan een paar zonnestralen die door de ruit vielen waarachter hij zat. Ik dacht aan iemand anders op leeftijd die er genoeg aan had om alleen maar in zijn fauteuil te zitten. En ook aan nog iemand anders, ruim in de negentig, die vaak alleen maar, vanaf de elfde verdieping, naar het wuiven van de boomtoppen hoefde te kijken. ‘Ga zitten en doe je te goed aan je leven,’ stond in haar handschrift gedrukt op het bedankje na de uitvaart.

’s Avonds was de afwas al vroeg klaar. Ik wist even niet wat aan te vangen, had geen zin in boek, krant of tijdschrift. Ik kon eens doen als die man.

Gedurende het kleine uur dat ik zat kwam niemand langs op het pad voor ons huis. In het park erachter liet een vrouw haar hond uit. Er reed een scooter voorbij. Twee duiven zaten binnen mijn gezichtsveld op een tak. Getuige de plakkaten op de klinkers eronder was het hun vaste plek. Een dag eerder had ik de een boven op de ander zien klimmen. Ze hielden zich nu in op dat gebied.

De lage zon speelde met de lamp van de lantaarnpaal. Het leek of die brandde, veel feller dan normaal. Daar heb ik een foto van gemaakt. Verder niet.

Het viel niet mee om alleen maar te zitten. Het zal vast nog jaren duren eer ik dat makkelijk kan. Dit zag ik maar als voorschotje op mijn oude dag.

Vlaag

Er spande een netwerk samen van mensen die mij op een pijnlijke manier lesjes wilden leren. Keer op keer bleek ik de joker, de dwaas, de schlemiel. Elke ooit opgevangen frase, elk gebaar en iedere blik plaatste ik in een voor de gelegenheid bedachte context, waarbij ze bewijs leverden voor mijn knullige onwetendheid en voortdurende onkunde. Dit leidde tot diepe schaamte. En verdriet.

Dat was vooral ’s nachts. Overdag ervoer ik hulp, vooral van boven, zou je kunnen zeggen, maar het had ook van beneden kunnen zijn, of van opzij. Er was bijvoorbeeld een windvlaag speciaal voor mij. Niets kan de schoonheid evenaren van mystiek, die jij af en toe opmerkt, en die voor mij continu leefde.

Mooi. Tegelijk was het vreselijk, omdat ik in rap tempo grip verloor.

Het is ruim een kwarteeuw geleden dat zoiets me voor het eerst overkwam. Ik meende inmiddels voldoende te hebben geleerd om zo’n aanval te pareren. Dat heb ik ook vaak gedaan, met succes. Het was mijn kunst geworden op tijd te signaleren en adequaat te reageren.

Ik had niet gedacht nog in een psychose te raken. Mis. Want toen kwam deze, een komeet die onverwacht insloeg. Ik had hem niet zien aankomen, anders wellicht dan de oplettende lezer van dit blog.

Ik heb er een hekel aan om te spreken van cirkels die rond zijn. Er hangen altijd nog rafels aan. Toch is het bij deze zo. Klaar. Dit was echt de laatste.

Hoor ik achter in de zaal iemand schateren?

Vrij

Ik kon de invalshoek maar niet bedenken om over de kauwen te schrijven die tijdens de schemering bij de hoogste verdieping rond de flat zwermden.

Op een ochtend zag ik zomaar een viertal putters scharrelen tussen de katjes op straat. Het was mogelijk, volgens een vogelsite, de soort waar te nemen, maar niet waarschijnlijk. Ik hield me in en plaatste niets op de buurtapp.

Aan het eind van de dag maakte ik een wandeling. Op dat moment nam ik het besluit te streven zo vrij te zijn als de kauwen, hoewel het meteen te beperkt overkwam; dat eindeloos heen en weer gezwenk en steeds samen met je partner op zoek moeten naar het beste plekje op de rotswand.

In het park op de heuvel aangekomen drong tot me door dat ik hoog boven alles zweefde. Ik stond er niet lang bij stil, hield mijn pas nauwelijks in. Weer beneden vloog een wolk van meer dan twintig putters voor me op. Hun vlucht tintelde me.

Thuis heb ik nog bedacht of het geloofwaardig zou zijn de zeearend hoog boven de kauwen te laten zweven. Dat zijn snavel de volgende ochtend op de voorpagina van de krant prijkte, verraste me niet eens.

Zes doorwaakte nachten volgden. Ze waren schaamtevol, hartbrekend, angstaanjagend en soms onwaarschijnlijk in hun waarheid. Ook bemoedigend vanwege alle hulp van zowel mensen als engelen. Meer dan ooit werd ik ermee geconfronteerd dat er meer is dan wat ik doorgaans waarneem.

Zoals nu met mijn voeten weer op de grond.

Naast

In tijd gemeten stelt mijn werk als e-coach niet veel voor. Het is een vrijwilligersbaantje bij een zelfregiecentrum voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Twee ochtenden per week besteed ik eraan. Ik doe dit online thuis, ook al voordat het noodzakelijk was, solistisch ingesteld als ik ben.

Het draait bij de individuele schrijfcursus om het zogeheten herstelverhaal. Dat is voor mij vooral een goede aanleiding om in gesprek te gaan. Deelnemers maken aan de hand van vaststaande thema’s opdrachten die ze mij toesturen. Daar reageer ik op door terug te koppelen en verbredende of verdiepende vragen te stellen. En iets van mezelf te laten zien.

Mijn ervaringsdeskundigheid schuilt er niet in dat ik intussen wel weet hoe het zit, hoewel die positie makkelijk in te nemen is, en ik ontkom daar nooit helemaal aan. Het kost moeite om iets wezenlijks te delen op de momenten dat het van belang is. Het is verleidelijker achterover te leunen en alleen de ander over de brug te laten komen. Maar daarmee bereik ik maar een fractie van het gewenste, of zelfs het tegenovergestelde. Het is belangrijk echt naast iemand te gaan staan, een stukje samen op pad te gaan, en dat op afstand en in geschreven woord, best een opgaaf.

Vaak is het maar de vraag wie er vooral voor wie is. Mij wordt net zo goed iedere keer een spiegel voorgehouden. Ieder brengt het nodige in vanuit zijn of haar eigenheid. Dat is althans het ideaal om zo dicht mogelijk te naderen.

Raadsel

Er is een boek met klassieke koans, raadsels die bij beantwoording meer vereisen dan alleen het verstand. De eerste koan heb ik met goed gevolg doorlopen, zoals je het oplossen ervan ook kunt noemen. Daarna stokte het. Na een tijdje proberen en een paar gesprekken met de zenleraar heb ik de tweede gelaten voor wat die was, zoals je opgeven ook kunt noemen.

Ondertussen is er een andere puzzel die me al meer dan vijftien jaar bezighoudt. Gezien de beperkte ruimte hier hou ik het voor nu bij een gedeelte ervan.

Ik ga na in hoeverre opgevangen flarden van andermans gesprekken op mij betrekking hebben. Er zijn dagen dat ik er vatbaarder voor ben en dagen dat het meevalt. Hoe dan ook ben ik er continu alert op, of ik wil of niet.

De uitspraken die me raken bevatten in mijn beleving vrijwel altijd een verwijt. Ik ben er bovendien van overtuigd dat ik iets had kunnen doen om de incidenten, zoals ik ze maar noem, te voorkomen. Bijvoorbeeld door goed in mijn vel te zitten en evenwichtig te zijn en kalm en nog wat dingen die ik niet altijd kan controleren. Ik meen echter dat ik die controle wel moet hebben. Maar hoe?

Omdat er veel goeds naast staat, is het te dragen. Het gaat me goed. Het steekt des te meer dat de kwestie blijft zeuren, dat een oplossing uitblijft. Eerlijk gezegd, als het tot de mogelijkheden behoorde, zou ik dit raadsel ook laten voor wat het was.

lees ook Verwarde man, leed en herstel in 40 verhalen (verwardeman.com)

Gedrag

Eerder deze week sloeg ik met vlakke hand een vlieg dood op het keukenraam. Het dier was vanwege de tijd van het jaar nog traag geweest en daardoor een makkelijk doelwit. Vooraf had ik er niet veel over nagedacht. De beweging was bijna een reflex. Meteen daarop was ik even tevreden over de geslaagde actie, over de macht die ik had. Het kadaver bleef aan het glas plakken.

Daarna dacht ik aan de partij die volgende maand op mijn stem kan rekenen, de Partij voor de Dieren. Ja, ik zie de discrepantie. Vanuit hun gedachtegoed zou ik geen vlieg kwaad moeten doen. Dat vind ik zelf eigenlijk ook. Maar mijn gedrag blijft hardnekkig achterlopen bij mijn overtuiging.

Ik vind bijvoorbeeld ook dat vlees eten niet meer kan. Bij aanschaf in de winkel ben ik echter het leed vergeten, en wat de beesten allemaal voor mijn portie moeten eten, wat de koeien en varkens aan vervuiling schijten, hoeveel water er bij de productie komt kijken, plus de druk op landschap en omgeving. Duidelijk.

Met gemak zet ik alles keer op keer opzij voor mijn eigen welbehagen. Soms zie ik mezelf om die reden als zwak. Soms denk ik het zo nooit te redden, iets van buitenaf nodig te hebben.

Er zijn meer redenen voor mijn stemgedrag. Maar vooral zit ik te springen om politici die er zorg voor dragen dat de veestapel de komende jaren wordt gedecimeerd, dierlijk voedsel niet meer te betalen is en het goede doen een stuk makkelijker.

Winterzwemmen

Vogels kondigen al volop het voorjaar aan. De goeddeels verdwenen sneeuw heeft de wegen en paden gezuiverd. Waar het in duinen lag opgehoopt zijn nog wat plukken over.

Op het hevigst van de korte en hevige winter was ik gaan zwemmen, de zondag dat code rood als weeralarm gold. Er waren lage temperaturen voorspeld, die samen met een stevige oostenwind voor nog veel lagere gevoelstemperaturen zouden zorgen. Daar kwam sneeuwjacht bij.

Het zou geen poolexpeditie worden, maar enige uitdaging zat er zeker in. De dag ervoor keek ik er al met spanning naar uit. Het was vooral de vraag of ik per fiets de plas kon bereiken. Eenmaal onderweg viel het mee. Ik had een iets beschuttere route gekozen. Vers gevallen sneeuw is bovendien niet glad: zolang het knerpt, gaat het goed.

Bij het veld aangekomen bleek ik niet de enige te zijn die voor de ontbering had gekozen. Er waren drie andere zwemmers.

Het water was koud als gewoonlijk, hoewel de uiteinden van mijn lijf toch iets eerder en meer pijn leken te doen. Pas bij het aankleden werd het nijpend. De kramp in mijn handen, toenemend bij gebrek aan bescherming tegen de wind, verhinderde me bijna om mijn broek dicht te knopen. Met de rits van mijn jas had ik ook moeite. Maar eenmaal al mijn kleren aan, en dat waren er veel, en met mijn handschoenen, was het goed.

We hebben nog thee gedronken en wat staan keuvelen, daarbij niet nalatend onszelf op de borst te kloppen.

Hype

Het kan bijna niemand ontgaan dat winterzwemmen wint aan populariteit. Er zijn ineens meer mensen die het aantrekkelijke ervan zien, of het een keer willen proberen. Deze activiteit kan tenminste nog onder de coronamaatregelen. De belofte bovendien van een verbeterde weerstand spreekt aan. Het aanzwengelende effect van alle media-aandacht maakt het fenomeen tot een heuse hype.

Geen krant, blad of programma laat de kans voorbijgaan er aandacht aan te besteden: De Telegraaf, NRC, Trouw, De Volkskrant (twee keer), Stadsblad Utrecht, Kampioen, Keuringsdienst van Waarde, Radar, Nieuwsuur, en deze week, waarschijnlijk niet de hekkensluiter, een item bij Jinek. Dit alles nog los van wat aan mijn aandacht is ontsnapt.

Voor ervaren winterzwemmers is er weinig nieuws aan, vooral gedoe over speciale ademhaling en oefeningen voor een warming-up vooraf. Daar maken wij, bij de plas, geen punt van: uitkleden en het water in volstaat.

Een bijdrage in De Volkskrant van Jelle Brandt Corstius is nog wel het noemen waard. Hij kreeg twee en een halve pagina om te berichten dat hij afgelopen najaar wat had geprobeerd en sinds begin dit jaar eens per week zwom. Dit verscheen begin februari, het ging dus om hooguit vier keer.

Het contrast is groot met bijvoorbeeld Kees, dit jaar 93, die sinds ongeveer zijn zeventigste de winters zwemmend trotseert. De laatste tijd doet hij dat niet meer elke dag, maar is nog vaak van de partij. Over hem zouden ze eens een reportage moeten maken, ware het niet dat hij uitgesproken wars is van zulke poeha.

Anticiperen

Tot 1993 was het, bij afwezigheid van een voetpad, verplicht om links te lopen op een weg met ander verkeer. Zo heb ik het ook geleerd, niet omdat het een regel was, maar met een reden: als je daar loopt, dus tegen de stroom van het verkeer in, kun je auto’s en fietsers op jouw weghelft zien aankomen en daarop anticiperen. Daar is geen speld tussen te krijgen.

Rechtslopers, zoals ik ze voor het gemak maar even noem, doen me denken aan de ganzen net buiten de stad langs de Vecht. Die houden zich op bij de waterkant. Soms waggelen een paar, zich van geen gevaar bewust, de weg over. Ik hoef het adjectief niet te vermelden dat vaak aan de dieren wordt toegekend.

Het schijnt voor rechtslopers onnatuurlijk te voelen om de linkerkant van de weg te gebruiken. Het zal op z’n minst onaangenaam voelen als een achteropkomende automobilist verzuimt uit te wijken en een stap in de berm dan niet tot de mogelijkheden behoort. Het is ridicuul om dit risico te blijven nemen, terwijl het eenvoudig te minimaliseren is.

Mijn voorkeur blijft uitgaan naar lopen aan de linkerkant. Dat deden de meeste medewandelaars ook, totdat de massa zich vorig jaar noodgedwongen tot de wandelsport bekeerde. Er is geen houden aan. Het is om de haverklap uitwijken geblazen voor een stel potentiële doodsverachters.

Ondanks de keus van de meerderheid weiger ik om van kant te wisselen, tenzij we met z’n allen afspreken dat het overige verkeer dat ook doet.

Mantra

Bij het leren mediteren, volgens de lessen die ik volgde, is het gebruik de ademhalingen te tellen. Elke uitademing is er één. Het is een oefening waarbij de aandacht kan verschuiven van wat er in je hoofd rondgaat naar wat er in je lijf gebeurt. Dat hoofd blijft een rol spelen, maar wordt minder dominant.

Na jaren training heb ik het tellen losgelaten. Af en toe doe ik het nog, als ik een krachtig middel nodig heb om erbij te blijven. Dan val ik terug op wat ik goed ken.

Een alternatief voor gevorderden is om alleen maar te zitten, verder niets, de aandacht niet op iets in het bijzonder te richten. Dat is nog te lastig voor mij om lang vol te houden, dan gaan gedachten toch met me aan de haal.

Mijn heil vind ik al een tijdje bij een mantra, van één lettergreep. Je kunt dat ook als een hulpmiddel zien, maar dan zou je het tekort doen. Het woord is de reactie op een vraag die niet met alleen het verstand kan worden beantwoord. Het vult, onhoorbaar uitgesproken bij elke in- en uitademing, volledig de ruimte. Dat te realiseren lukt me bij lange na niet altijd, het blijft ook en vooral een oefening.

Dit klinkt best vaag, en is dat vanwege de essentie misschien ook. Voor mij wordt het echter, hoe vaker ik me eraan overgeef, steeds tastbaarder. Dat geluid, of die stilte, is iets wat ik altijd bij me draag. Met mijn adem als instrument.

Keuze

Met de verkiezingen op komst was ik begonnen me te interesseren voor politiek. Het doel daarbij was vooral om kort voor de dag niet afhankelijk te zijn van Stemwijzer of Kieskompas. Mijn aanpak zou grondig zijn.

Eerst maakte ik een schifting op basis van onmogelijkheden en eerdere voorkeuren. Dat leverde een rijtje op van vier partijen. Ik plaatste hun websites bij mijn favorieten. Zo kon ik makkelijk de standpunten en programma’s vergelijken. Overzichtelijk zat.

Er bleek al gauw meer kennis nodig te zijn om gedegen afwegingen te kunnen maken. Ik dook in sociaal-economische vraagstukken, populisme in Europa en een hele reeks andere verontrustende zaken. Naast websites, online beschikbare documentaires en de krant was er De Groene, waar ik een proefabonnement op had genomen, niet geheel toevallig.

Er kwam een overdaad aan problematieken tevoorschijn, meest van enorme complexiteit. En nergens kon ik iets aan doen, ongeacht hoeveel inzicht ik erin verwierf.

Niet alleen die onmacht speelde me parten, maar ook de honger naar meer informatie nu eenmaal een tip van de sluier was opgelicht. Bovendien groeide het plichtsgevoel om me zo goed mogelijk te informeren. Alleen kon ik dat nauwelijks met mate. Als ik ermee bezig ging was het volledig, geen middenweg. Het verdreef mijn rust. En die stelt me juist in staat nog iets te betekenen in deze wereld.

Daarom heb ik de zoektocht maar gestaakt, leek me beter. Van die vier partijen zijn er wel inmiddels twee overgebleven. De laatste keus moet dan maar een mild beredeneerde gok worden.