Weekend

Er zou een recreatieoorlog woeden. De krant berichtte erover. Er is niet genoeg ruimte voor iedereen tegelijk. Hardlopers, wandelaars en skaters zitten elkaar in de weg. Fietsers, e-bikers en wielrenners ook. Motorrijders veroorzaken overlast op dijken. Sluisjes voor pleziervaart liggen overvol.

In het weekend.

Dat kan daarom beter afgeschaft worden. De 24 uurseconomie is met gemak uit te bouwen tot een zeven dagen in de week samenleving. Laat ieder zelf kiezen wanneer hij of zij boodschappen doet, tuiniert of klust, en wanneer ontspanning of juist beweging het beste uitkomt. Met de ruimere openingstijden van de supermarkten en andere winkels is het speciale van die twee dagen toch al om zeep geholpen. Nog maar een enkeling verschijnt in de kerk op de dag die ooit van de Heer was. Vergeet de vrijdagmiddagborrel. Uitkijken naar zaterdag en zondag hoeft ook niet meer. De dip op maandag is voorbij.

Het bestaan daarvan heb ik overigens van horen zeggen.

Nu ik er nog eens over denk, begrijp ik mijn eigen pleidooi niet. Een wandeling op een mooie doordeweekse ochtend is juist plezierig, omdat ik weinig mensen tegenkom. Ik woon aan de rand van Utrecht, met 350.000 inwoners, in de wijk Overvecht, 35.000 inwoners. Tijdens een wandeling van twee uur in het aangrenzende buitengebied kwam ik zeven mensen tegen. Waar was de rest?

In het weekend waarschijnlijk. Laten we dat bij nader inzien zo goed mogelijk in stand houden. Dan blijven de andere vijf dagen beschikbaar voor mensen die niet gebonden zijn aan die twee.

Huisje

We drinken hier hetzelfde speciale bier als thuis. Onze krant wordt bezorgd bij de receptie. Van een overtollige slaapkamer hebben we een meditatieruimte gemaakt, met onze eigen meditatiekussens. Er is redelijk goede wifi. Er is wel tv, maar geen Netflix. Als de nood hoog is, kunnen we een serie of film kijken op de meegebrachte laptop. Ik heb erover gedacht de Nespresso machine achterin de auto te zetten, plek zat, maar meende dat oploskoffie voor een weekje zou volstaan. Dat is dan een klein verschil.

Het grote verschil, los van de locatie, is dat we hier een vaatwasser hebben. Het is iets om tevreden over te zijn, misschien zelfs trots, ik weet niet precies waarom, dat we thuis juist geen vaatwasser hebben. We hebben er echt geen nodig. Er is niks mis mee om met de hand af te wassen, meestal een kleine moeite. Je zou het ook als oefening in aandacht kunnen beschouwen. Gewoon doen. Ik geef toe dat de kinderen het zo niet zien. Dat is vooralsnog geen echt probleem.

Het enige wat we ontberen is een manier om het filter van onze afzuigkap schoon te krijgen. Daar gaat in de loop van de tijd vuil en vet in zitten, waar spons en borstel niet bij kunnen. Een vaatwasser krijgt het er wel uit. De stralen van de machine komen tussen de ruimtes die anders onbereikbaar blijven. Het filter kan daarna weer fris zijn nuttige werk doen. Dat is reden genoeg om eens per jaar een huisje te huren.

Afhaal

Het beste sushirestaurant in de stad bezorgde om onduidelijke redenen niet in mijn postcodegebied. Ik kon wel afhalen en kreeg daarbij in de zomermaanden een korting van maar liefst 25%. Ik had het saldo van mijn rekening bekeken en vond dat het er wel af kon. Zo vaak eet ik niet van de Japanner.

De fietstijd bedroeg een minuut of 20, samen met het afhalen zelf en het terugfietsen ongeveer 45 minuten. Dat was geen probleem. Ik had toch niets beters te doen. Zelf een goede maaltijd bereiden duurde bovendien net zo lang. ‘Lekker belangrijk,’ zou mijn vader hierop zeggen.

Ik had het menu in de loop van de week meerdere keren bestudeerd. De namen waren lastig te onthouden, iets met sashimi, maki en nigiri. Welke bij wat hoorde wist ik niet, een gebrek aan ervaring. Ze hadden er op de website gelukkig plaatjes bij.

Ik wist inmiddels wat ik wilde hebben, en het was veel, een hoeveelheid waarvan de bereider zou denken dat die voor minimaal drie personen bedoeld was. Ik kon prima alleen genieten, ging het er goed van nemen, had bedacht dat ik rond vijf uur zou beginnen met bestellen, maar verwachtte niet zo lang te kunnen wachten.

Mijn vakantie was begonnen. ’s Ochtends had ik een laatste druppel vrijwilligerswerk gedaan. De bijdrage was onlangs gestort. Daarmee kon ik het feestmaal bekostigen. Het is maar goed dat ik niet echt veel te besteden heb, anders zou ik dit zo vaak doen dat de lol er vanaf ging.

Locatie

Melanie en ik zijn, naast dat we elkaar dagelijks zagen, maanden verbonden geweest via de app Zoek vrienden. Na het eerste proberen hebben we de functie niet meer uitgezet.

Ik keek het meest. Zij heeft er nooit een gewoonte van gemaakt. Het was niet zo interessant om te zien dat ik nog steeds thuis zat, boodschappen deed of misschien een uurtje bij de plas lag. Als ik dan toch een keer op pad was, dacht ze er meestal niet aan om te kijken.

Dat deed ik altijd wel. Soms stuurde ik haar een schermafbeelding, zodat ze zelf ook kon zien waar ze uithing. Soms was het echt praktisch, bijvoorbeeld om te zien of ze al van haar werk vertrokken was en hoe ver onderweg. Dan wist ik vrij nauwkeurig wanneer het eten op tafel kon. Als ze een avond op stap was, wist ik of het de moeite loonde een nieuwe aflevering te starten. Ja, het was best handig.

Tot we toe waren aan een breuk en recht konden doen aan de gevoelens dat de app belachelijk en afkeurenswaardig is. Zij ging met de kinderen een kleine week fietsen. Ik wist vooraf dat ik er geen genoeg van zou krijgen hun locatie na te gaan en heb haar daarom gevraagd de vriendschap op te zeggen. Alleen zij kon dat, zodat ik haar niet meer kon volgen.

We zijn nu een dag of vier gescheiden. Ik vertrouw erop dat ze is waar ze wezen moet en zie haar wel weer verschijnen.

Naam

Bij een filiaal van koffieketen Starbucks bestelde ik eens een koffie. Uit de meewarige blik van het meisje maakte ik op dat mijn keuze uitzonderlijk was. Ik kon meteen afrekenen en mijn beker meenemen. Andere klanten bestelden gangbaarder en bewerkelijker koffievarianten. Hun namen moesten op het karton. Het omroepen later gaf de zaak iets van een schoolklas.

Dat ik sinds een paar jaar mijn vaste wandelroute schoonhoud, heeft daar niet direct iets mee te maken. Aan het begin van de zomer vul ik drie boodschappentassen, daarna wekelijks ongeveer een halve. De oogst bestaat voornamelijk uit de gebruikelijke verdachten: blikjes, flesjes, sigarettenpakjes.

Een enkele keer raak ik in gesprek met iemand die me bezig ziet. De loftuitingen zijn niet van de lucht. Daarnaast valt de boosheid op. Dat het een schande is dat er zoveel op straat wordt gegooid. Dat je het in hun eigen voortuin zou moeten dumpen. Dat ze smeriger zijn dan honden, bezwoer een vrouw me ook.

Als opruimer ken ik die woede niet. Ik ben eerder nieuwsgierig dan boos, nieuwsgierig naar wie zijn omgeving zo achterlaat. Veel aanknopingspunten zijn er niet, patronen zijn nauwelijks te herkennen. De anonimiteit van de werper, tenzij op heterdaad betrapt, is goed gewaarborgd. Een enkele keer kom ik meer te weten. Maar dan nog: wie ben ik om er iets van te zeggen? Ik ben een wandelaar, geen schoolmeester.

Deze buitenkans, na het uit de berm vissen van een koffiebeker met deksel, wil ik toch graag benutten: niet meer doen hè, Daniël.


Dit was de inzending die het niet haalde bij de columnistenjacht van de Volkskrant. Het is een drastisch ingekorte versie van een blog dat eerder op Nooit niks verscheen.

Wedstrijd

Het is vakantie, grotendeels. Vanochtend werd ik wakker en had ik echt geen idee welke dag het was. Met mijn hoofd nog op het kussen deed ik heel hard mijn best het te bedenken. Het duurde zeker een halve minuut voor ik wist dat dit een maandag betrof. Toen vulden mijn gedachten zich al snel met wat me te doen stond: niet heel veel. Ik moest naar de bakker en een supermarkt. Ik zou ’s middags zwemmen. Ik wilde een bestelling doen bij de slager voor de barbecue een dag later, dinsdag dus.

Op die dag zal mijn column in de Volkskrant verschijnen. Daar heb ik echter nog geen zekerheid over. Het is wel een steengoed stukje tekst, geen woord of letter te veel, precies wat het moet zeggen. Het is een ingekorte versie van een blog dat eerder op Nooit niks verscheen en nog veel beter is geworden. Ik heb het ingezonden voor de wedstrijd op de achterpagina. Mogelijk wordt mijn verhaal onderbroken voor een beoordeling. In dat geval wint het niet. Als het in zijn geheel wordt geplaatst, wint het wel. Ik vind het allebei goed. Nog één nachtje slapen. Ik ben er best nerveus over, dat mag blijken.

Morgenochtend hoef ik bij het ontwaken niet lang te denken welke dag het is. Nog voor de wekker stommel ik de trap af om de krant van de mat te rapen en achterop te kijken. De teleurstelling is groot als mijn column daar niet prijkt. Ik reken op succes.

Zusje

Mijn zus en ik schelen anderhalf jaar en dertig centimeter. De eerste herinneringen die me te binnen schieten aan ons samen, zijn onze handen op elkaars armen. Als kleine kinderen mepten we wat af. Ik heb geen idee meer waar onze ruzies mee begonnen. Het zal vaak onbeduidend zijn geweest. Ik zou de wederzijdse aanvallen, waarvan er waarschijnlijk meer van haar kwamen dan van mij, geen klappen willen noemen. Het waren eerder petsen, een woord dat in online woordenboeken nog maar beperkt voorkomt. Van Dale brengt het in verband met vinnig en venijnig. Ze leverden kortstondige rode plekken op, geen blauwe. Als er eentje was uitgedeeld, moest er uiteraard eentje worden teruggegeven, liefst iets harder dan de zojuist ontvangen. Zo ging het heen en weer. Soms renden we achter elkaar aan door het huis. Soms bleven we tegenover elkaar staan om elkaar pets na pets te geven. In de zomer, als we shirts met korte mouwen droegen, kwamen ze harder aan, vlakke hand op blote huid. We zeiden of gilden er vast iets bij: ‘Hier!’ Pets.

We kunnen het terugkijkend natuurlijk zien als liefde. Het was misschien een oefening voor latere relaties, of een huwelijk. Ze is deze week getrouwd. Ik heb in de bijna zeventien jaar met Melanie weinig aan petsen gedaan. Ik zou niet weten hoe dat bij het verse echtpaar zit.

Ik weet dat mijn zusje van zich af kan bijten. Ze laat niet over zich heen lopen of de kaas van het brood eten. Ze weet hoe ze het hebben wil en laat dat duidelijk merken. Daar is haar man intussen ook van op de hoogte. Ze hebben ruim de tijd genomen alvorens er ringen bij te halen. Zo is de kans op verrassingen kleiner.

Aan de andere kant is er het uiterst zorgzame van mijn zus. Ze kan iemand tegen het lijf lopen en er dan helemaal zijn voor die persoon. Als kind aan het Utrechts Jaagpad in Leiden, onze geboorteplaats, was dat al zo. Een paar buren konden zich verheugen in haar volle aandacht. Een recent voorbeeld is een oudere man bij haar vorige adres in Zeist. Ongetwijfeld is er in haar nieuwe buurt binnenkort iemand die haar zorg te beurt valt. Naast de bruidegom uiteraard, die haar nooit helemaal voor zich alleen zal hebben.

In tijden dat ik het moeilijker had, was ze er voor mij. Niet onbelangrijk. En ze is die ene die elke week een berichtje stuurt in reactie op mijn blogs. (Nu kan ze niet anders dan dat blijven doen.)

Wat ik me nog meen te herinneren van onze venijnige vechtpartijen is dat onze moeder ons op den duur maar liet begaan, niet meer tussenbeide kwam, waarschijnlijk in de hoop dat we het vanzelf zouden afleren. Dat is een goede inschatting geweest. Het gaat er nu een stuk vriendelijker aan toe. We petsen al een tijd niet meer. De rode plekken zijn verdwenen. De liefde is gebleven. Die is bovendien groot genoeg om met een paar anderen te delen.

Dit is blog nummer 100 op Nooit niks. Ik neem een paar weken pauze, ook om aan een bundeling van de blogs te werken. Tot later. Mark

Billy

De vorige keer dat ik de plas overzwom was eind oktober 2004. Het is intussen vaak genoeg gememoreerd dat ik toen op de terugweg zo in paniek raakte dat ik anderhalf decennium niet durfde. Tot nu. Iets om blij over te zijn, het is gelukt.

Het lukte precies een week na het officiële begin van de zomer en drie weken nadat ik in een blog had aangekondigd het deze zomer te proberen. Daar zaten nog wat haken en ogen aan en de nodige tussenstadia. Zo wilde ik eerst dichtbij de oever aan de korte kant overzwemmen en daarna langzaam op het open gedeelte de afstand uitbreiden. Het had best een flink deel van de zomer in beslag kunnen nemen.

Gerrit, de tachtig gepasseerd en een winterzwemmer die alleen ’s zomers zwemt (ja, die zijn er), vertelde eind juni dat hij naar de overkant was gezwommen. Daarbij had hij steun gehad aan een zelf gefabriceerde drijver. Hij is een soort uitvinder, bouwt altijd ingenieuze windschermen om zijn dutjes achter te doen en zijn fameuze massages uit te voeren. Naar voorbeeld van de nieuwerwetse oranje zwemboeien, een enkele keer zie je een roze, had hij het kussen van een luchtbed geknipt, er met een sleutelring een koord aan bevestigd en dat om zijn middel geslagen. Onderweg in het water kon hij bij vermoeidheid even leunen en rusten. Zo ging hij de hele plas over en genoot af en toe van het uitzicht.

Door hem geïnspireerd besloot ik een poging te wagen. Ik ben er de persoon niet naar om zelf iets te maken, gooide er wat geld tegenaan en liet een exemplaar uit internet komen.

De oranje zwemboeien verschenen twee jaar geleden. Vorig jaar waren er al een stuk meer. Nu zie je ze overal. Bij de tocht van Van der Weijden kwam er een tv-beeld voorbij van een man of veertig met ieder een ballonnetje achter zich aan. De drijver heeft meerdere functies. Er kunnen waardevolle spullen droog in mee, die je niet op de oever wilt achterlaten. Zelfs een beetje kleding zou erin kunnen. Daarnaast is de zwemmer goed zichtbaar voor scheepvaartverkeer en in geval van nood voor redders.

Op de verpakking staat uitdrukkelijk vermeld dat het ding niet bedoeld is als ‘life saving device’. Daar wilde ik hem juist wel voor gebruiken. Leven zonder overzwemmen is minder leven. Hij kon net wat extra vertrouwen geven.

Billy, zoals ik hem meteen maar doopte, werd een dag eerder dan verwacht geleverd. Ik zou die donderdagmiddag meteen aan de bak kunnen, maar vond het te plotseling. Het was me plotseling genoeg toen ik de dag erna het koord omsnoerde. Zonder de andere zwemmers vooraf te informeren begon ik aan de tocht. Niet helemaal zonder zenuwen. Op driekwart dacht ik alsnog aan omkeren en keek om. Winterzwemmer Cor bevond zich vlak achter me, bleek, met zijn kalme slag. Ik zette door.

Ik heb het gedaan. Na vijftien jaar. ‘Niet te bevatten,’ zou ik een toegesnelde reporter hebben gemeld. De voornaamste emotie die middag was een stil verdriet.

Spel

Een vriendin en ik maakten de wereld beter. We groetten iedereen tijdens onze wandeling door parkbos Amelisweerd. Ik vertelde haar dat ik er soms een spel van maak, voortgekomen uit de periode dat groeten voor mij problematisch was. Het is simpel. Ik zeg iemand gedag en de reactie gebruik ik voor de volgende die ik tegenkom. Bijvoorbeeld ik: ‘Goedemorgen.’ Ander: ‘Hallo.’ Ik bij de volgende: ‘Hallo.’ Volgende: ‘Hoi.’ Ik daarna: ‘Hoi.’ Die daarna: ‘Dag.’ En zo verder. Ik heb het nauwelijks werkelijk gedaan, het is vooral een leuk idee. Ze kon er wel om lachen. We besloten een poging te doen.

Twee mannen kwamen ons tegemoet op een smal pad. Het zag eruit of ze geen gelijkwaardige relatie hadden, maar bijvoorbeeld coach en cliënt waren. De coach liep van ons af gezien rechts. Het was een forse man, waarmee ik bedoel dat hij een flinke pens had. Over de buik hing een streepjesoverhemd. De man luisterde naar de ander, die een stuk ieler was. Toen de twee zo dichtbij waren dat we konden horen waar het over ging, was de coach nog geen centimeter opzij gegaan. Van een afstandje leek hij dat al niet van plan, maar ik dacht dat hij op het laatst plaats zou maken. Hij deed het niet. Ik had me intussen achter mijn vriendin gemanoeuvreerd. Om een botsing te voorkomen moesten we zelfs een stap in het gras doen.

‘Ha lul,’ zei ik in het voorbijgaan.

‘Pardon?’ Hij stond meteen stil en draaide zich om.

‘Ik zei hallo,’ verduidelijkte ik.

‘Niet wat ik hoorde.’

‘Dat komt doordat je zo breeduit loopt dat we ons langs je moeten wringen. Volgens mij voer je een test uit.’

‘Wat voor test zou dat zijn?’

Ik voelde al dat ik dit ging verliezen, deed een stap naar voren en gaf hem met twee handen tegen zijn borst een duw. Het had nauwelijks effect op zijn houding.

‘Kom Mark, we gaan verder,’ zei mijn vriendin snel.

‘Ik wil eerst dat deze man sorry zegt.’

‘Sorry waarvoor?’ vroeg hij.

‘Sorry voor je onbeschofte gedrag.’

Nu deed hij een stap naar voren en duwde mij op dezelfde manier als ik hem net had geduwd. Ik raakte uit balans en moest een stap in de brandnetels zetten.

‘Mark!’ Een hand op mijn bovenarm.

‘Even nog.’

‘Even nog, ja,’ zei de coach, ‘jij bent eerder aan mij excuses verschuldigd. Je maakt me in het wilde weg uit voor lul, klootzak.’

De cliënt bemoeide zich er nu mee: ‘Laten we verder, Henk.’ Hier had hij niet voor betaald.

‘Ik weet het goed gemaakt,’ begon de coach. Hij had die zin net af, toen mijn rechtervuist op zijn neus landde. Er kraakte iets. Dit leek me een goed moment om onze wandeling te vervolgen. Op een drafje. De adrenaline in mijn lijf had vrij spel. Ik kon wat extra ruimte goed gebruiken.

Even verderop kwamen een man en een vrouw de hoek om.

‘Hallo,’ zei de man in het voorbijgaan.

Ik zei, geheel volgens de regels van het spel: ‘Pardon?’

Deze week verscheen mijn inzending voor een columnwedstrijd over eenzaamheid online. Op de tiende plaats geëindigd (van ca. 300 inzendingen). Over hoe Major Tom helpt: Helemaal alleen in het heelal.

Gips

Buurman Frank had tegen het eind van een donderdagmiddag gebeld. Mijn belsignaal stond uit. Toen ik later de melding zag, vroeg ik me uiteraard af wat hij van me had gewild. Zoals dat gaat liet het los, kwam het terug, liet het los, enzovoorts. Hem bellen ging me te ver. Als het belangrijk was, kwam hij er vast op terug. Maar toch, nieuwsgierigheid. Wat had hij te vragen of te melden dat niet persoonlijk of met een appje kon? Het ging, naar zal blijken, om een roep uit een ander tijdperk.

Toen wij hier negen jaar geleden neerstreken, woonde Frank al in dit straatje. Er zit één huis tussen dat van zijn gezin en het onze. Hele dikke vrienden zijn we niet. We kunnen goed met elkaar overweg. Ik heb een paar keer geholpen met brandhout stapelen. We zien elkaar bij feestelijke buurtaangelegenheden en soms bij de buurtborrel. Hij sleept regelmatig een tablet en een luidspreker mee naar buiten om in de tuin muziek te luisteren. Een enkele keer zit ik erbij. We zagen elkaar afgelopen zomer op Ameland en spraken af voor een genoeglijk samenzijn met onze gezinnen. Dan heb je grofweg een beeld van de relatie.

De vrijdagmiddag na het gemiste gesprek had ik even tijd voor de borrel. Drie mensen rond de picknicktafel wenkten me. Frank en een andere buurman stonden bier te drinken op het dakterras op de schuur. Ik zou niet lang kunnen blijven, maar had een missie. Zonder aarzeling beklom ik de trap. Nog niet boven confronteerde ik Frank al met zijn belgedrag. Na enig denken kwam hij met een verklaring. Zijn telefoon had niet direct begrepen dat hij niet mij wilde bereiken maar een andere Mark, een goede vriend van hem. Het horen van diens achternaam deed bij mij een belletje rinkelen. Die kende ik van vroeger, zoals je dat zegt, niet heel goed, zijdelings. Ik wist dat hij bassist was. Dat beaamde Frank. Daarop kwamen er meer namen. Dat is nog vrij gewoon, maar niet dat we blijkbaar van dezelfde vriendengroep deel hadden uitgemaakt zonder het van elkaar te weten of elkaar destijds te hebben ontmoet. In goed Hollands: what are the odds? Hij ging met ze naar Corsica en Zeeland, ik naar Praag en Noord-Holland. Er kwam een gedeelde geschiedenis boven die we nooit deelden.

Frank bracht ook een Koninginnedag van begin jaren negentig ter sprake, dat ze met de groep roeiboten hadden gehuurd. De tocht ging over de Oudegracht. Dat had ik ook ooit gedaan. Ik was een paar keer samen met vriend Rutger initiator geweest van tripjes die als gedenkwaardig de boeken in zijn gegaan. Eén daarvan was het meest gedenkwaardig. Door enkele zich vlot voltrekkende gebeurtenissen waren onze boten gezonken. Mede daardoor meende ik me die middag goed te herinneren.

Op het dakterras zei ik: ‘Mark was er een keer bij en had toen een arm in het gips, die niet droog was gebleven.’

‘Nee,’ riep Frank uit, ‘dat was ik! En het was mijn béén.’

Bleken we elkaar ineens al veel langer te kennen.

Geduld

Op woensdagochtend maak ik een rondje langs bakker, kaasboer en soms viskraam. Sinds ik Picnic, is de supermarkt uit het rijtje verdwenen. Dat scheelt wachten bij de kassa, terwijl ik mezelf voorhou dat wachten niet erg is. Ik observeer intussen wel. Ik heb geen haast. Idealiter heb ik op zo’n ochtend verder niets gepland.

Deze week was ik wat later op pad. Ik had eerst iets anders en moest tóch langs een supermarkt omdat ik bij Picnic fruit was vergeten. Ik vergeet altijd wel wat, maar hoef niet meer op de fiets met die pakken sap en zuivel en ander zwaar spul. Dat strookt niet helemaal met het beeld dat ik van mezelf heb: een sterke vent, bovendien met stevige fietstassen. Wat heb ik nou te zeuren? Wel wat dus. Dat gesjouw ging me steeds meer tegenstaan. Het is nou eenmaal zo.

Ik blijf wel bij de kaasboer kopen. Het is een kwestie van kwaliteit. Dat geldt ook voor de bakker, die alweer enige tijd een nieuwe eigenaar heeft en tot mijn opluchting een opleving doormaakt en niet meer tegen sluiting aanleunt. Het brood blijft hetzelfde, net als de klantvriendelijkheid. Het is geen probleem als ik bel om te vragen of ze iets voor mij apart willen leggen. Dan grijp ik niet mis, als ik er pas aan het eind van de ochtend ben.

Bij binnenkomst zag ik mijn bestelling al in het daartoe bestemde rek liggen. Ik hoefde alleen nog af te rekenen. Ik kon echter niet meteen met mijn buit naar buiten.

Een moeder (ik schat 80) en een dochter (60) waren voor mij aan de beurt. Ze namen de tijd. De dochter wilde graag die laatste mokkapunt. ‘Weet je dat de gevulde koeken lekker zijn hier?’ zei moeder. ‘O, ik dacht dat je die van de supermarkt bedoelde.’ ‘Nee, deze.’ ‘Doe dan maar twee gevulde koeken erbij. En wat is dat ronde brood? O nee, zonnepit, dat hoef ik niet, doe dan maar…’ Zo ging het nog even door. Daarna maakten de twee ruzie over wie er zou betalen, waarschijnlijk een vast ritueel. Het zou vermakelijk zijn, als ze niet zo zelfingenomen waren met hun toneelstukje. Maar goed, ze vertrokken, ik kon betalen, de winkel verlaten en op naar de volgende.

Daar stonden ze weer. Ik kwam alleen voor kaas. Bij de kaasboer, die eigenlijk een delicatessenwinkel is, is veel meer te krijgen. Ze hielden samen twee medewerkers bezig met hun uitgebreide wensen en speciale eisen. Ze voerden hun eenakter voor moeder en dochter nogmaals op. Ik stond te wachten en dacht: ‘Ik vind het niet erg om te wachten. Ik heb de tijd. Ik ben iemand die geduld op kan brengen.’ Maar ik vond het wel erg. Mijn geduld was op. Zo was het nou eenmaal. Ik wilde voort.

Toen ik eindelijk aan de beurt was en de dames nog in de zaak, lag er iets op het puntje van mijn tong. Bang dat het te onaardig uit mijn mond zou komen, heb ik het maar ingeslikt.