Geboeid

Mijn tweede prik was binnen en ik mocht een kwartier bijkomen van de invasieve actie. Het was zondagochtend rond negen uur. Een mooi moment voor bezinning, leek me, of om gewoon even te zitten tot de tijd voorbij was. Zo dacht niet iedereen in de hal erover.

Tegenover mij zaten tien mensen, waarvan allen iets met hun telefoon deden, onafgebroken naar het schermpje tuurden. Dat duurde net zo lang als ik het zat te observeren. Als voor iemand de tijd om was, kwam er al gauw een ander voor in de plaats. Schijnbaar zonder tussenkomst van overweging of enige andere gedachte pakten de nieuwelingen een toestel uit jaszak of handtas.

De mensen naast mij waren door schotten aan het zicht onttrokken. Ik kon bedenken waar die zich ledig mee hielden. Het bleef gissen wat er allemaal geraadpleegd en zo nodig gelezen en gereageerd moest worden op dit tijdstip, op dit vrije moment.

Zelf ben ik geen heilige als het om telefoongebruik gaat. Er is veel te wensen over. Het gebeurt al te vaak dat ik me afvraag waar het nou goed voor is dat ik weer de thuisknop indruk. Na een tijdje zonder is het nodig.

Nu besloot ik de zucht te negeren. Mede aangezet door het gedrag van de anderen bleef ik ostentatief voor me uit zitten kijken. Een man van in de dertig tegenover me wrikte zijn blik los van wat hem net zo had geboeid en keek op.

Het zal een bevreemdende aanblik voor hem zijn geweest.

Alias

Aan het begin van deze eeuw vond ik het nodig een pseudoniem aan te nemen. Dat zou mooier staan op de voorkant van mijn bundels, en beter verkopen. Ik schreef in die tijd gedichten die ik nu voor het merendeel als ‘aandoenlijk’ en ‘leuk geprobeerd’ zou willen typeren. Het werpt de vraag op hoe ik over twintig jaar kijk naar wat ik nu schrijf. Dat is van later zorg.

Het verdergaan onder een andere naam lukte me maar matig. Een dappere, halfslachtige poging liep vanaf het begin in het honderd. Mijn makke was dat ik er zo graag ruchtbaarheid aan wilde geven. Op een pamflet deed ik uit de doeken hoe ik al associërend op de alias was gekomen.

Hij prijkte op de voorkant van het eerstvolgende dichtbundeltje dat ik maakte, maar op pagina twee werd het auteursrecht toegeschreven aan Mark Verhoogt. Ik bedoel maar.

Er was een open podium waar ik optrad onder mijn dekmantel. Na afloop kwamen mensen naar me toe met allerhande voorstellen voor samenwerking en optredens elders. Ja, das war einmal. Dat ze me met die naam aanspraken, vond ik zo ongemakkelijk dat ik meteen mijn toneelstukje liet varen en vertelde hoe ik werkelijk heette. Vooral verwarrend.

Later heb ik de schuilnaam nog gebruikt bij blogs op de site van een ggz-instelling. Toen ik eraan toe was mijn ervaringen in een boek vast te leggen, leek het beter ze niet aan iemand anders toe te schrijven. Terwijl de ontboezemingen daarin er wel reden genoeg voor waren.

Spiritueel

Ik lees Verslaafd aan liefde van Jan Geurtz nog eens. Het gaat over hoe vrijwel alle geliefden de ander gebruiken om hun zelfafwijzing toe te dekken en op die manier van elkaar afhankelijk zijn voor hun eigen geluk. En dat dat niet hoeft, liefst wegblijft.

Melanie leest het boek ook. Zodra ze mij ermee zag, leende ze de elektronische versie bij de bieb.

Dit komt op een goed moment. We raken erover in gesprek, een uitstekende aanleiding om onze relatie weer eens grondig tegen het licht te houden. Dat is nog gaande, als het ooit al klaar is.

Omdat ik er meer tijd aan besteed, blijf ik haar in het boek een paar hoofdstukken voor. Ik weet al wat er nodig is voor een ‘spirituele liefdesrelatie’. Mag ik een teiltje? Jan heeft goeie dingen te melden, alleen die termen.

Het komt voor ons goed uit dat de auteur vooral put uit de boeddhistische filosofie. Zijn woorden sluiten aan bij waar we inmiddels een jaar of vijftien mee bezig zijn, ons begeven op het ‘spirituele pad’. Het doet goed te merken dat die activiteit vruchten afwerpt, dat we wat gevorderd zijn, en net zo goed nog een eind hebben te gaan. Er blijft voor ieder genoeg te ontdekken over. Van daaruit gaan we voort, vergezeld door een gezonde, fundamentele onzekerheid om mee om te leren gaan.

Inmiddels ben ik bij een van de laatste hoofdstukken beland, dat over ‘spiritueel vrijen’ gaat. Daar wacht ik even mee tot zij ook zover is.

Bijwerking

Mijn gewicht nam in twee maanden tijd met zes kilo toe. De dosering antipsychoticum was fors omhooggegaan. Die heeft als bijwerking dat je ervan aankomt. Dat gebeurt indirect. Mijn stofwisseling verandert, waardoor ik meer trek krijg. Als het lukt daar niet aan toe te geven, is er niets aan de hand. Dat is niet makkelijk, zeker niet in een wat wiebelige staat. In de nasleep van de manische ontregeling bleek het eerder voor de hand te liggen van alles weg te eten. Overigens was ik tijdens die acute crisis een kilo of twee lichter geworden. Per saldo ging het dus om vier kilo in de plus, met uitzicht op meer.

Om te voorkomen binnenkort als een tonnetje door het leven te gaan, ondernam ik actie. Ik veranderde van de ene op de andere dag een aantal gewoontes; vooral dingen eraf, hier en daar iets vervangen door iets anders. Het is de bedoeling dat het grootste deel van die veranderingen blijvend is.

Na een week nieuw dieet herinnerde ik me dat de buurman onlangs verteld had over de ramadan en hoeveel het zich overdag onthouden van eten en drinken hem geestelijk had gebracht. Mijn aanpak is milder. Toch meen ik te merken dat het matigen meer met me doet. Het gaat ook over wat er achter dat onnodig in mijn mond stoppen en gedachteloos achterover klokken zit. Zonder er heel dramatisch over te doen, zie ik nu duidelijker wat ik wilde verdoezelen. Ik leer van wat ik niet consumeer. Mooi meegenomen.

Walhalla

‘Zo, daar zitten we weer,’ verzucht een vrouw tegen een paar bekenden, nadat ze zich op haar kleedje heeft geïnstalleerd. Zonder het zelf te weten luidt ze daarmee het seizoen in.

Op de eerste dag dat de kleren onbekommerd uit kunnen, verandert de mooiste plek op aarde in een walhalla voor naakte zonaanbidders. Op anderhalve handdoek afstand ligt iemand, aan weerszijden en ook voor en achter mij. Ik heb me erop verkeken hoe druk het zou zijn. Anders was ik ’s ochtends al gaan zwemmen.

Het is jammer dat veel mensen de aantrekkingskracht van dit veld kennen, die ze door hun aanwezigheid grotendeels tenietdoen. De zon en de warmte zijn zeker welkom. Het valt me alleen weer tegen dat ik bij deze omstandigheden niet langer een van de weinigen ben die graag aan het water vertoeft.

Ik mijmer erover dat ik al jaren vergeefs probeer me te verzoenen met dit gebrek, me ertoe te verhouden op een manier dat het ook voor mij aangenaam is. Het blijft een treurige zaak dat ik, buiten de paar mensen om die me na aan het hart liggen, niet alleen op deze wereld ben.

Dan stapt een man die ik niet eerder heb gezien het water uit en kijkt om zich heen. Uit zijn woorden maak ik op dat hij hier voor het eerst is. ‘Er zijn hier alleen maar blije mensen,’ zegt hij. Ik kijk rond en zie dat hij gelijk heeft. Het maakt mij ook blij. Heel even. Voor deze ene keer.

Lezen

Het lukt me niet meer om boeken uit te lezen. Anderhalf jaar geleden boeide en vermaakte een dikke pil me zo dat ik er met een sneltreinvaart, voor mijn doen dan, doorheen ging tot het eind. Dat was de laatste. Van dezelfde schrijver ligt een andere roman op mijn bijzettafeltje, met de boekenlegger op nog geen kwart.

Bij non-fictie, op papier en elektronisch, overkomt het me ook. Soms ligt armoedig taalgebruik, waar ik niet doorheen kan bijten, eraan ten grondslag. Of het duurt te lang voordat een op de achterflap van een levensverhaal beloofde bevrijding begint te gloren. Of het begin is zo goed, dat de tweede helft weinig extra te bieden kan hebben.

Maar net zo goed dus bij romans, zoals bij eerdergenoemde auteur. Of bij een topschrijver wiens boek als meesterwerk wordt beschouwd. Ik heb het geprobeerd, ook omdat eerder werk van hem me goed was bevallen, maar nee. En er is een boek, erg goed, dat me zo dicht op de huid zit, zoals geen ander ooit, dat ik het weg moest leggen.

Het is een greep, zoals bijvoorbeeld ook drie werken van auteurs die ik bewonder. Daar ligt het niet aan. Ik ga zomaar denken dat het aan mij ligt dat ik de eindstreep niet haal. Ik heb geen zin om lang over oorzaak en uitweg na te denken.

Er is een sprankje hoop. Er is een uitzondering. Er is een boek dat ik kortgeleden uitlas. Maar daar heb ik dan weer het begin van overgeslagen.

Pet

In de diepte van mijn laatste psychose bereikte me een nummer van Nat King Cole: Smile. Anders dan de titel doet vermoeden is het een intens droevig klinkend lied. Het is zoet en rauw tegelijk. De eerste regels gaan zo: Smile, though your heart is aching/ Smile, even though it’s breaking. Met wel meer dat pijn deed en brak, raakte dit een snaar.

Mooi eraan vind ik onder meer dat er geen structuur in zit van couplet en refrein, het meandert wat. En bevat dit: Light up your face with gladness/ Hide every trace of sadness. Zie hoe het drie keer rijmt. Als ik in hem of haar geloofde, zou ik dit als rechtstreeks werk van god beschouwen.

Het lied herinnert me keer op keer aan een zelf bedachte opdracht. In de hoop het een beetje heel te houden sluit ik het gebod in mijn hart. Ik oefen ermee, niet zoals je wellicht verwacht voor de spiegel, maar vooral wandelend en op de fiets. Zo’n beetje voor mezelf, onder de klep van mijn pet. De benodigde spieren blijken in onbruik te zijn geraakt. Ik moet moeite doen om die mondhoeken wat op te trekken.

Nazoeken leert dat de melodie filmmuziek is uit 1936 van ene Charles Chaplin, achttien jaar later van tekst voorzien door John Turner en Geoffrey Parsons. King Cole voerde het geheel als eerste uit. Er volgden daarna nog velen. Het lied is veel bekender dan ik dacht. Hoeveel mensen met mij oefenen op deze wijs hun glimlach?

Lucht

Toen een vriend me erop wees, was ik me er al van bewust. Later hoorde ik het hem zelf zeggen. Ik ging opletten wie zich er nog meer aan bezondigde. Mijn gezinsleden bleken er kwistig gebruik van te maken. Ook mijn schoonouders betrapte ik erop. En mijn eigen moeder. Zelfs een mattie, net als ik een onwankelbare taalpurist, liet zich niet onbetuigd.

‘Zo’n onbeduidend stukje tekst dat alleen dient om stiltes op te vullen,’ noemt de site van van Dale het, een stoplap. Hetzelfde artikel rept van bekende gevallen als ‘wat dat betreft’ en ‘zeg maar’. Dat zijn frasen die er vaak tussen worden gemoffeld.

Mijn ontdekking komt in de regel aan het einde van een zin, of is eigenlijk na de punt een zinnetje op zich. Mensen gebruiken het, en ikzelf dus ook, in de spreektaal als een boodschap gezegd is en er nog wat lucht over is. Je zou het ook kunnen interpreteren als een soort leesteken: het is klaar, maar nog niet helemaal. Het komt daarnaast van pas, is mijn persoonlijke ervaring, om de strekking van een stelling wat te relativeren.

Het is hier niet nodig voorbeelden te noemen. Je gaat er, nadat je dit hebt gelezen, vanzelf op letten. Je komt het binnenkort een keer tegen, is het niet bij jezelf dan bij een naaste of een ander die je spreekt. Het geeft niet dat het gebeurt. Wat dat betreft overkomt het ons zeg maar allemaal. Dat neemt niet weg dat het foeilelijk is. Of zo.

Uitzicht

Wat we werkkamer noemen onderging jarenlang een geleidelijke metamorfose. Terugkijkend is het een fase geweest van onbewust voorsorteren op een nieuwe situatie. Voor het blote oog onzichtbaar werd het meer míjn kamer.

Na een korte, heftige crisis tussen Melanie en mij, waarin we ontdekten ieder meer tijd en ruimte voor zichzelf nodig te hebben, kwam de verandering in een stroomversnelling. Als ik boven zit, is de woonkamer haar domein. Allebei blij.

De boel hoeft niet helemaal om. Het aanpassen zit ‘m in kleine dingen.

Eerder was de stoel, een strak Gispen fauteuil, al van plek gewisseld. Die staat nu met de rugleuning naar de boekenkast, waar ik voorheen naar zat te loeren. Het geeft rust dat de ruggen met auteurs en titels uit mijn blikveld zijn. Er is een uitzicht naar buiten voor in de plaats gekomen, dat ik dik tien jaar over het hoofd heb gezien. In dit jaargetijde verdwijnt het flatgebouw op de achtergrond in hoog tempo achter het groen.

Daarnaast komt er iets nieuws aan de muur. Ik las onlangs dat je bent waar je naar kijkt. Sinds het verschijnen van mijn boek hing het omslag van Verwarde man in de kamer, uitvergroot op een glazen plaat. Ik heb lang genoeg naar dat papieren bootje gekeken. Dat krijgt een minder prominente plek.

De vrijgekomen ruimte benut ik voor de Japanse rolschildering die ik een tijd terug via een veiling kocht. Of ik dan de berg Fuji word, weet ik niet.

Boven het bureau komt een schrijvende monnik.

Eenmalig

In januari begon ik met het fotograferen van bomen met op de achtergrond tienhoog-flats. Van beide zijn er genoeg in onze wijk. Er is bij de aanleg, zo’n vijftig jaar geleden, voor gekozen om veel ruimte te laten tussen de gebouwen. Nu is er een overdadige hoeveelheid groen, overigens tussen een behoorlijke hoeveelheid beton. Het laatste valt een bezoeker en waarschijnlijk ook veel bewoners het meest op. Ondanks de alomtegenwoordigheid moet je een beetje je best doen om het groen te gaan zien, of te blijven zien.

In de winter waren de takken kaal en kwam er wat meer voorstellingsvermogen bij kijken. Het contrast was wel goed zichtbaar, tussen het strakke van de woonlagen en het chaotische groeien ervoor. Ik wist dat het achter de ruiten vol was van veelkleurig leven, en dat leven zag ik weerspiegeld in het gekronkel ervoor dat ongeremd zijn weg vond.

Per keer dat ik met de camera eropuit ging, wilde ik me beperken tot één geschikte foto. Uit de beste heb ik later een selectie gemaakt en voor mezelf af laten drukken in een boekje. Een paar mensen aan wie ik dat liet zien, vonden dat ik er een grotere oplage van zou moeten maken en proberen dat in de wijk te verspreiden. Daar heb ik over nagedacht. Een uitspraak van een filosoof kwam op, dat het soms al voldoende is om een idee alleen maar te denken, meer niet. Dan ben ik hier al een stuk verder mee. Vooralsnog hou ik het erbij.

Tieners

Tijdens een wandeling zagen we op een informatiebord het antwoord: augustus 2009. Een dag eerder op de fiets naast onze jongste had ik me hardop afgevraagd wanneer de grote natuurbrand in de duinen was geweest. Daarbij dacht ik aan een jaar of vijf geleden, hij aan meer. Het bleken er dus bijna twaalf.

Minimaal zo lang hebben we de gewoonte om in de lente dit gebied te bezoeken. Melanie en ik kunnen, ons door het bebouwde gedeelte bewegend, op veel plekken vaststellen dat we daar ooit een huisje hebben gehuurd. We zijn, zou je kunnen zeggen, gevorderde Schoorlgangers.

Ineens zijn we, het hoefde geen verrassing te zijn, met twee tieners op vakantie. Misschien is dit het laatste jaar dat we ze meekrijgen op deze trip, misschien ook niet.

De te ondernemen activiteiten veranderden naar gelang hun leeftijd. De schepjes en emmertjes hoeven niet meer mee naar het strand, een vlieger kan nog wel. Het valt erg mee hoe makkelijk de jongens het huisje verlaten voor een fietstocht of een stuk wandelen. Ze hebben intussen zelf in de gaten dat een hele dag aan hun schermpje gekluisterd niet tot bevrediging leidt. De bereidheid om een gezelschapsspel te doen blijkt ook hoog.

Het is zo vanzelfsprekend en tegelijkertijd een wonder om met een veertienjarige en een zestienjarige op stap te zijn, die zich langzaam beginnen los te weken en het toch heel fijn vinden om een midweek onder de hoede van hun vader en moeder te zijn.

Ook dat gaat onherroepelijk voorbij.

Als dit blog je bevalt, kun je hieronder inschrijven om het te volgen.