Hinken

Mijn handen trilden veel erger dan gewoonlijk. Er moest een taxi komen. Ik wist het nummer niet en googelde dat op mijn telefoon zo goed als het ging. De chauffeur belde even later dat hij er over drie minuten zou zijn. We verlieten de stoeltjes in de wachtkamer van de huisarts om buiten te wachten. Dat was mijn tweede verkeerde inschatting. Mijn oudste verloor op straat zijn evenwicht en viel om.

De hele situatie was ontstaan door een trap tegen zijn enkel, waardoor hij niet kon lopen. Mijn eerste fout was om, toen de gymleraar hem thuisbracht, de twee aanvankelijk voor de deur te laten staan. De man nam zelf maar het initiatief om de hal te betreden.

Het kippeneindje naar de huisarts deden we op de fiets, jongen achterop. We moesten daarna met voornoemde taxi naar het ziekenhuis. Daar deed misstap drie zich voor. Mijn kind hinkte, door mij ondersteund, door de draaideur naar binnen. Iemand zei dat er rolstoelen beschikbaar waren. Met de eerste hulp in zicht sloeg ik die suggestie af. Wat ben je dan voor vader? Een medewerker kwam met wielen aangesneld. Die bleken kort daarop goed van pas te komen: we moesten door naar radiologie, strompelend een heel eind.

Gelukkig geen breuk. Melanie kon ons ophalen. De druk was eraf.

Ik had weer gemerkt weinig nodig te hebben om de zenuwen te krijgen, maar had toch mooi naar behoren gehandeld. Wie zeurt er dan over een paar kleine missers? Ik zal proberen het niet meer te doen.

Het is bijna zover. Aanstaande maandag verschijnt Er zijn zoete appels zat, een bundel met de beste blogs van de eerste twee jaar Nooit niks. Ik geef je nog wel een seintje.

Druk

Ik rol van het ene project in het andere. Melanie heeft me gewaarschuwd eens een pauze tussendoor te nemen. Ik weet niet in hoeverre dit te maken heeft met haar wens dat ik ook wat aan het huishouden doe. Laten we ervan uitgaan dat het haar om mijn welzijn te doen is. En het hare. Ze zal er soms wel zot van worden om weer iets ter overweging voorgelegd te krijgen, hoewel ze ook vaak te kennen geeft graag mee te denken.

Het laatste project deze week was het maken van een boekje ter nagedachtenis van een winterzwemmer, die vorige week in de plas verdronk. Daar kon ze niet veel bij helpen, al was het maar omdat ik het in no time in elkaar heb gezet. Los van de aanleiding was het leuk werk.

Voor die tijd was ik druk met het ontwerpen van een flyer voor mijn wandelcoachpraktijk. Het slokte me geheel op. Tussendoor was het nog gelukt een blog te schrijven, een matig blog weliswaar. De flyer is nu precies hoe ik hem hebben wil. Ik kijk uit naar de levering van het drukwerk. Het verspreiden ervan zal, hoewel mijn vingers jeuken, even moeten wachten.

Intussen komt de verschijningsdatum van Er zijn zoete appels zat in zicht. Daaromheen is ook de nodige inspanning vereist. Ik dacht alvast te beginnen met het schrijven van een pakkend persbericht en wilde het er met Melanie over hebben. Ik vroeg wat volgens haar mijn unique selling point is. Daar greep ze in.

Winkel

Ik stel me zo voor dat ik na lang dralen de winkel binnenstap. Of wacht, zonder dralen is beter: ik zet mijn fiets op de gracht en betreed resoluut de winkel. Het gaat om de grootste boekhandel van de stad en een van de grootsten van het land. Ooit, toen hij nog in andere handen was, bood ik er een zelf in elkaar gekopieerde dichtbundel aan. Tot mijn verbazing wilde de werknemer meteen vier exemplaren afnemen. Op een door hem verschaft A4-tje improviseerde ik een factuur. Ik moest de verkoopprijs en mijn marge nog bedenken. Daarna kreeg ik contant betaald.

Later kwam ik bij toeval iemand tegen die mijn bundel daar had gekocht. Het was de vriendin van een oudere man met wie ik op een gesloten afdeling verbleef. Ze vertelde dat ze het boekje op de balie had zien liggen bij de afdeling poëzie. Het bleef onduidelijk hoe ze mij als medepatiënt van haar vriend eraan had weten te koppelen.

De man sloeg aan het lezen en vroeg me naar de verschillende lagen in het werk en wat sommige regels en strofen betekenden. Ik had geen idee. De meeste gedichten waren ontstaan tijdens een eerder verblijf op een andere afdeling. Ik had er weinig bij nagedacht. Ze waren rechtstreeks uit mijn hart of andere lichaamsdelen op het papier gekomen.

Toen een psychiater, aan wie ik het boekje cadeau had gedaan, erover zei dat het een moeilijke thematiek was waar ik mee worstelde, begreep ik daar ook niets van.

Naar ik nu vermoed, en het is maar net hoe ik het wil herinneren, vond ik het vooral leuk om de rol van dichter te spelen. Ik deed maar wat en snapte er net zo veel van als mijn lezers. Doordat die man en zijn vriendin het zo serieus namen en mij op een voetstuk plaatsten, ging ik er zelf in geloven. De meest adequate reactie op dat moment was een beetje mysterieus doen en meegaan in het spel. Dat ging me goed af, misschien ook dankzij de staat waar ik in verkeerde.

Het is me niet bekend wat er met de andere drie exemplaren op de afdeling poëzie is gebeurd. Misschien zijn ze verkocht. Misschien belandden ze bij het oud papier. Het is oké. Naast mijzelf, tijdens het schrijven en het maken, hebben zeker twee anderen er plezier aan beleefd. Bovendien heeft dat soort dichten gedurende een lange periode me toch maar een, al zeg ik het zelf, fijne schrijfstijl opgeleverd. Het sijpelt door de jaren heen.

Ik meen nu beter te weten waar ik mee bezig ben. Er is vers werk om in te geloven. Dat zou over twintig jaar zomaar weer in een heel ander daglicht kunnen staan. Het weerhoudt me er niet van om straks, kort na het verschijnen, met mijn in eigen beheer uitgegeven boek de winkel te betreden. Deze keer is het weer helemaal zelf gemaakt. Alleen het printen laat ik aan anderen over. En ik heb nu het Centraal Boekhuis aan mijn zijde. Ik kan het verkoopsucces alweer ruiken.

foto: Fotodienst GAU, fotograaf – Het Utrechts Archief, catalogusnummer 116936

meer info over het boek: Er zijn zoete appels zat

Afspeellijsten

Ongeveer twee jaar voor mijn geboorte brachten ze hun laatste album uit, vanzelfsprekend toen op vinyl. Ik heb een lange periode gehad dat ik naar hun muziek luisterde. Dat zal intussen wel twintig jaar terug zijn. Mede onder invloed van vriend Rutger nam ik Rubber Soul tot en met Let It Be tot me. Het vroegere werk lieten we links liggen, met de kennis van nu deels ten onrechte.

Beperkte financiële middelen noodzaakten me toen tot het lenen van cd’s uit de bieb. Ik nam ze ijverig over op cassettebandjes. De cd-speler had een programmeerfunctie, zodat ik de door Ringo gezongen nummers, behalve With A Little Help From My Friends, weg kon laten.

Ik heb die bandjes vaak gedraaid. Tot ik het wel had gehoord. Ze verdwenen uiteindelijk in het kielzog van het afgedankte cassettedeck bij het vuilnis.

Mijn hernieuwde interesse voor The Beatles begon vorig jaar zomer. Ik stilde eerst mijn trek met het kijken naar YouTube-filmpjes en liet me leiden door het algoritme. Mijn trek werd honger en ik besloot tot de aanschaf van cd’s. Eerst een paar, toen wat meer. Ik heb intussen het gros van hun studioalbums in huis gehaald. Geld zat, kennelijk.

Cd’s zijn eigenlijk achterhaald, dat geef ik toe. Aan het maken van afspeellijsten op Spotify kom ik om verschillende redenen echter niet toe. Daarmee zou wel een probleempje zijn te ondervangen. Onze cd-speler heeft namelijk geen programmeerfunctie. Ik kan er maar moeilijk mee overweg dat de door Ringo gezongen nummers ook worden afgespeeld.

Werk

Het denken over mijn nieuwe boek claimt deze dagen voortdurend voorrang in mijn bewustzijn. Het meeste werk is gedaan: schrijven uiteraard, een selectie maken, vormgeven van het binnenwerk, ontwerpen van het omslag en het corrigeren van de tekst. Bij dat laatste heeft een bevriend redacteur me geholpen. Die puntjes staan op de i.

De to-dolijst in mijn telefoon is nu te overzien. Ik wil nog twee verhalen schrappen, waarna de inhoudsopgave kan worden gemaakt, ISBN-nummer aangevraagd en het geheel klaar is om naar het self-publishingplatform te sturen.

Iemand vroeg me of er weer een feestelijke presentatie komt. Daar had ik nog niet aan gedacht. Het is intussen ook tijd om mijn gedachten te laten gaan over promotie. Dit project is begonnen om een document te creëren voor mezelf en bekenden. Nu het de afwerking heeft gekregen die het heeft, verdient het meer: meer aandacht, meer lezers. Bij een uitgave in eigen beheer moet ik alles zelf doen; geeft niet, het is leuk.

Alles samen is dit wel zoiets om door te worden meegesleurd. Ik heb niet veel nodig om overvoerd te raken. Maar het gaat goed, haast ik de betrokken lezer te melden. Dit is waarom ik doe wat ik kan en  een gepaste afstand tot de arbeidsmarkt bewaar. Na het lezen van alle verhalen merkte de bevriende redacteur op dat een betaalde baan echt niet voor mij is weggelegd. Dat klonk als een soort erkenning. Als ik werk, doe ik dat inderdaad liever wanneer en hoe het mij uitkomt.

Trein

We hadden voor de vakantie de auto geleend, brachten die terug en bleven bij mijn ouders eten. Mijn moeder geeft nog altijd iets mee: een restje van de maaltijd, een paar potten zelfgemaakte jam, zoals een moeder en oma graag doet. Deze keer was het een bakje stoofperen.

Ze gaf ons ook een lift naar het station. Dat scheelde een busrit. Bij de kiss & ride van Alphen aan den Rijn werd veelvuldig afscheid genomen. Het was er zo druk dat we genoegen moesten nemen met een plekje op de stoep.

Als student en later als gewoon jongvolwassene bereisde ik vaak aan het eind van het weekend het traject naar Utrecht. Op soms kille zondagavonden was ik op weg naar een lege kamer. Loerend naar de contouren van weilanden en bebouwing van tussenliggende plaatsen was er ruimte voor wat gemijmer. Ik weet niet meer precies waarover. Het staat me nog wel bij dat het vaak gepaard ging met inzichten over mijn leven van dat moment.

En ineens, er zijn jaren voorbij, maar toch ineens leg ik de reis af met vrouw en twee kinderen. Het begint te schemeren. Het raam wordt een spiegel. Dat de trein nu van een ander type is, doet niet af aan de ervaring.

De anderen zijn bezig op hun telefoon, dat is prima. Ik zit hier zomaar met mijn dierbaren. Op het tafeltje staat een bakje stoofperen. Straks betreden we gezamenlijk het huis dat al veel langer op ons wacht dan we zelf kunnen beseffen.

Weekend

Er zou een recreatieoorlog woeden. De krant berichtte erover. Er is niet genoeg ruimte voor iedereen tegelijk. Hardlopers, wandelaars en skaters zitten elkaar in de weg. Fietsers, e-bikers en wielrenners ook. Motorrijders veroorzaken overlast op dijken. Sluisjes voor pleziervaart liggen overvol.

In het weekend.

Dat kan daarom beter afgeschaft worden. De 24 uurseconomie is met gemak uit te bouwen tot een zeven dagen in de week samenleving. Laat ieder zelf kiezen wanneer hij of zij boodschappen doet, tuiniert of klust, en wanneer ontspanning of juist beweging het beste uitkomt. Met de ruimere openingstijden van de supermarkten en andere winkels is het speciale van die twee dagen toch al om zeep geholpen. Nog maar een enkeling verschijnt in de kerk op de dag die ooit van de Heer was. Vergeet de vrijdagmiddagborrel. Uitkijken naar zaterdag en zondag hoeft ook niet meer. De dip op maandag is voorbij.

Het bestaan daarvan heb ik overigens van horen zeggen.

Nu ik er nog eens over denk, begrijp ik mijn eigen pleidooi niet. Een wandeling op een mooie doordeweekse ochtend is juist plezierig, omdat ik weinig mensen tegenkom. Ik woon aan de rand van Utrecht, met 350.000 inwoners, in de wijk Overvecht, 35.000 inwoners. Tijdens een wandeling van twee uur in het aangrenzende buitengebied kwam ik zeven mensen tegen. Waar was de rest?

In het weekend waarschijnlijk. Laten we dat bij nader inzien zo goed mogelijk in stand houden. Dan blijven de andere vijf dagen beschikbaar voor mensen die niet gebonden zijn aan die twee.

Huisje

We drinken hier hetzelfde speciale bier als thuis. Onze krant wordt bezorgd bij de receptie. Van een overtollige slaapkamer hebben we een meditatieruimte gemaakt, met onze eigen meditatiekussens. Er is redelijk goede wifi. Er is wel tv, maar geen Netflix. Als de nood hoog is, kunnen we een serie of film kijken op de meegebrachte laptop. Ik heb erover gedacht de Nespresso machine achterin de auto te zetten, plek zat, maar meende dat oploskoffie voor een weekje zou volstaan. Dat is dan een klein verschil.

Het grote verschil, los van de locatie, is dat we hier een vaatwasser hebben. Het is iets om tevreden over te zijn, misschien zelfs trots, ik weet niet precies waarom, dat we thuis juist geen vaatwasser hebben. We hebben er echt geen nodig. Er is niks mis mee om met de hand af te wassen, meestal een kleine moeite. Je zou het ook als oefening in aandacht kunnen beschouwen. Gewoon doen. Ik geef toe dat de kinderen het zo niet zien. Dat is vooralsnog geen echt probleem.

Het enige wat we ontberen is een manier om het filter van onze afzuigkap schoon te krijgen. Daar gaat in de loop van de tijd vuil en vet in zitten, waar spons en borstel niet bij kunnen. Een vaatwasser krijgt het er wel uit. De stralen van de machine komen tussen de ruimtes die anders onbereikbaar blijven. Het filter kan daarna weer fris zijn nuttige werk doen. Dat is reden genoeg om eens per jaar een huisje te huren.

Afhaal

Het beste sushirestaurant in de stad bezorgde om onduidelijke redenen niet in mijn postcodegebied. Ik kon wel afhalen en kreeg daarbij in de zomermaanden een korting van maar liefst 25%. Ik had het saldo van mijn rekening bekeken en vond dat het er wel af kon. Zo vaak eet ik niet van de Japanner.

De fietstijd bedroeg een minuut of 20, samen met het afhalen zelf en het terugfietsen ongeveer 45 minuten. Dat was geen probleem. Ik had toch niets beters te doen. Zelf een goede maaltijd bereiden duurde bovendien net zo lang. ‘Lekker belangrijk,’ zou mijn vader hierop zeggen.

Ik had het menu in de loop van de week meerdere keren bestudeerd. De namen waren lastig te onthouden, iets met sashimi, maki en nigiri. Welke bij wat hoorde wist ik niet, een gebrek aan ervaring. Ze hadden er op de website gelukkig plaatjes bij.

Ik wist inmiddels wat ik wilde hebben, en het was veel, een hoeveelheid waarvan de bereider zou denken dat die voor minimaal drie personen bedoeld was. Ik kon prima alleen genieten, ging het er goed van nemen, had bedacht dat ik rond vijf uur zou beginnen met bestellen, maar verwachtte niet zo lang te kunnen wachten.

Mijn vakantie was begonnen. ’s Ochtends had ik een laatste druppel vrijwilligerswerk gedaan. De bijdrage was onlangs gestort. Daarmee kon ik het feestmaal bekostigen. Het is maar goed dat ik niet echt veel te besteden heb, anders zou ik dit zo vaak doen dat de lol er vanaf ging.

Locatie

Melanie en ik zijn, naast dat we elkaar dagelijks zagen, maanden verbonden geweest via de app Zoek vrienden. Na het eerste proberen hebben we de functie niet meer uitgezet.

Ik keek het meest. Zij heeft er nooit een gewoonte van gemaakt. Het was niet zo interessant om te zien dat ik nog steeds thuis zat, boodschappen deed of misschien een uurtje bij de plas lag. Als ik dan toch een keer op pad was, dacht ze er meestal niet aan om te kijken.

Dat deed ik altijd wel. Soms stuurde ik haar een schermafbeelding, zodat ze zelf ook kon zien waar ze uithing. Soms was het echt praktisch, bijvoorbeeld om te zien of ze al van haar werk vertrokken was en hoe ver onderweg. Dan wist ik vrij nauwkeurig wanneer het eten op tafel kon. Als ze een avond op stap was, wist ik of het de moeite loonde een nieuwe aflevering te starten. Ja, het was best handig.

Tot we toe waren aan een breuk en recht konden doen aan de gevoelens dat de app belachelijk en afkeurenswaardig is. Zij ging met de kinderen een kleine week fietsen. Ik wist vooraf dat ik er geen genoeg van zou krijgen hun locatie na te gaan en heb haar daarom gevraagd de vriendschap op te zeggen. Alleen zij kon dat, zodat ik haar niet meer kon volgen.

We zijn nu een dag of vier gescheiden. Ik vertrouw erop dat ze is waar ze wezen moet en zie haar wel weer verschijnen.

Naam

Bij een filiaal van koffieketen Starbucks bestelde ik eens een koffie. Uit de meewarige blik van het meisje maakte ik op dat mijn keuze uitzonderlijk was. Ik kon meteen afrekenen en mijn beker meenemen. Andere klanten bestelden gangbaarder en bewerkelijker koffievarianten. Hun namen moesten op het karton. Het omroepen later gaf de zaak iets van een schoolklas.

Dat ik sinds een paar jaar mijn vaste wandelroute schoonhoud, heeft daar niet direct iets mee te maken. Aan het begin van de zomer vul ik drie boodschappentassen, daarna wekelijks ongeveer een halve. De oogst bestaat voornamelijk uit de gebruikelijke verdachten: blikjes, flesjes, sigarettenpakjes.

Een enkele keer raak ik in gesprek met iemand die me bezig ziet. De loftuitingen zijn niet van de lucht. Daarnaast valt de boosheid op. Dat het een schande is dat er zoveel op straat wordt gegooid. Dat je het in hun eigen voortuin zou moeten dumpen. Dat ze smeriger zijn dan honden, bezwoer een vrouw me ook.

Als opruimer ken ik die woede niet. Ik ben eerder nieuwsgierig dan boos, nieuwsgierig naar wie zijn omgeving zo achterlaat. Veel aanknopingspunten zijn er niet, patronen zijn nauwelijks te herkennen. De anonimiteit van de werper, tenzij op heterdaad betrapt, is goed gewaarborgd. Een enkele keer kom ik meer te weten. Maar dan nog: wie ben ik om er iets van te zeggen? Ik ben een wandelaar, geen schoolmeester.

Deze buitenkans, na het uit de berm vissen van een koffiebeker met deksel, wil ik toch graag benutten: niet meer doen hè, Daniël.


Dit was de inzending die het niet haalde bij de columnistenjacht van de Volkskrant. Het is een drastisch ingekorte versie van een blog dat eerder op Nooit niks verscheen.