Bui

Ze liet me wijselijk begaan. Melanie keek van de andere kant van de tafel toe hoe mijn gezicht verwrong en de tranen over mijn wangen rolden. Ik zat te janken om wat iemand me had geschreven met wie ik mailcontact onderhoud. Die wilde al heel lang heel erg dood en nu niet meer. Toen ik het las, was ik opgetogen. Toen ik er iets over zei tegen Melanie, ging de sluisdeur open.

Er is genoeg om over te huilen. Daar hoeven niet eens erge of verheugende dingen voor te gebeuren. Misschien zou ieder mens het elke dag even moeten doen, al is het alleen maar vanwege de opluchting na afloop.

Ik ben jaloers op mensen die het makkelijk kunnen en heb me er al vaak over beklaagd dat het mij zo weinig lukt. Af en toe is er een eerste aanzet: een snik of een vochtig oog. Daar blijft het dan bij. Zodra ik begin te denken dat het misschien toch doorzet, kan ik het vergeten. De potentiële bui bezwijkt onder die druk. Er rest een onbevredigd gevoel en de teleurstelling dat het weer niet los wilde komen.

Deze heb ik binnen, of is eruit, beter gezegd. De opluchting achteraf bleek niet eens zo groot. Toch ben ik blij. Hier kan ik weer even op teren. Dat zal wel moeten, want de gelegenheden waarbij het met sloten tegelijk naar buiten komt – ik herinner me er nu paar – zijn op de vingers van een hand te tellen. Ik koester ze maar.

Binnen

Mijn handen trillen te erg om uit de losse pols te kunnen fotograferen. Om bewegingsonscherpte te voorkomen zou een zeer korte sluitertijd nodig zijn. Soms zorgen beperkingen juist voor meer vrijheid, wat mogelijk opgaat voor de maatregel thuis te moeten blijven. Dit trillen echter limiteert mijn mogelijkheden zodanig dat er weinig extra waarde van valt te verwachten.

Ik heb daarom een solide driepoot besteld. Het statief dat ik heb, verkeert in staat van ontbinding: een voetje zit los, het rubberen plateau brokkelt af, een klem is lam. Bovendien kan ik iets nieuws goed gebruiken, niet alleen bij wijze van troost – ja, een goede driepoot kan dat bieden – maar ook als stimulans om een activiteit op te pakken.

Het plan is om binnenshuis op zoek te gaan. Ik weet nog niet precies hoe en naar wat. De zelfontspanner gaat mijn maatje worden, weet ik al wel, zodat mijn beverige tengels de te schieten plaatjes niet verpesten en opdat ook in de schemer van bijvoorbeeld de ochtend iets op beeld te vangen is en vanwege die spannende tien seconden rust. Ik verheug me op het met aandacht vinden van het juiste licht en een goede hoek.

Aangezien we daar nu toch al mee worden overspoeld, kom ik liever los van wat voor narratieve vorm ook. De foto’s hoeven geen verhaal te vertellen. Ik wil wat zich voor mijn neus bevindt, nemen voor wat het is. Niets meer.

Nu ik het zo schrijf, lijkt me dit een prima uitgangspunt om mee te beginnen.

De dingen (reprise)

Drie jaar min een dag geleden begon ik met dit blog. Het eerste verhaal hier in licht aangepaste vorm nog een keer.

Goedemorgen bomen. Dag buizerd. Hallo fort. Ik wandel een vaste route door en om het Noorderpark. Al vaak gedaan en waarschijnlijk vandaag niet voor het laatst. Hét gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen, is me onder ogen gekomen toen een huisgenoot me erop wees. Het gedicht maakte het zware licht. Het verwijst naar opgeruimd in het leven staan, zoals een kind dat kan. Zonder oordelen, met een zekere speelsheid, opgewekt. De dingen zien zoals ze zijn.

Mij vergezellen drommen gedachten, over praktische zaken of over kwesties rond de geest en relaties. Als mens ben ik veroordeeld tot de vraag hoe me te verhouden tot de dingen. Aan de bijbehorende verwarring en zwaarmoedigheid valt blijkbaar niet te ontkomen. Ze werpen een sluier over de omstandigheden. Het getob neemt wel af met de jaren. Het is alvast een hele opluchting dat te kunnen vaststellen. Zo er een lijn te ontwaren is, gaat die richting meer helderheid. Toch loop ik intussen in de prut rond. Ik ontken het niet. Dat is alvast een begin.

En ik heb besloten de prut tot op zekere diepte te delen. Gelardeerd met hier en daar een aardigheidje uiteraard, om het draaglijk en leesbaar te houden. De blik gaat van buiten naar binnen. In mijn hoofd is alles heel eenvoudig, zong Raymond van het Groenewoud. Dat moet nog blijken. Later verschuift de aandacht mogelijk naar wat zich in mijn omgeving afspeelt. Of over wat er stilstaat. En inderdaad hoe ik me daartoe verhoud. Er blijven zich hoe dan ook dingen aandienen, van buiten en van binnen. Ga maar na.

Niet ver van waar ik nu loop ligt de Gageldijk, een weg parallel aan de noordelijke ring van Utrecht. Sommige huizen hebben er een naam of een motto. In de bakstenen zuiltjes aan weerszijden van één van de toegangspaden staan letters gebeiteld. Aan de linkerkant: ’T IS ALTIJD.

Hoezo? Wat krijgen we nu? Wat is het altijd? Het antwoord prijkt op een steen aan de andere kant: WAT. De letters zijn erg ongelijk verdeeld over beide zuilen. Kennelijk was deze combinatie van woorden zo belangrijk dat men dat op de koop toenam. Ik heb dat lange tijd als raadselachtig ervaren, want beschouwde het als een uitspraak met een negatieve connotatie. ’t Is altijd wat met die gast. ’t Is altijd wat in die buurt. Zucht, ’t is altijd wat in deze wereld.

Nooit niks, zou je ook kunnen zeggen. Dat is een dubbele ontkenning, maar in dit geval niet om de afwezigheid te benadrukken van iets. Min min is plus. Nooit niks. Deze woorden zijn beter te verdelen als je aan het beitelen gaat.

Later is tot me doorgedrongen wat het motto bij het huis inhoudt. Altijd wat. Gelukkig maar. De bewoners geven aan dat ze leven. Het tegenovergestelde van altijd wat is niet ‘nooit niks’ maar áltijd niks. Ook wel aangeduid met ‘dood’. Dus hoera, we leven. We leven en groeten de dingen op ons pad. ’t Is altijd wat.

Vader

Ik stond zaterdagochtend langs de lijn en hield me afzijdig van de andere ouders. Het was te verwachten dat iemand op me af zou stappen om een praatje te maken. Dat gebeurde. Het was de coach van dienst, die het op zich nam me bij de groep te betrekken, althans een poging daartoe deed. Inderdaad stond ik daarna een meter dichterbij.

Het bezoeken van een wedstrijd is nog steeds een straf. Ik heb meerdere malen overwogen helemaal niet meer te gaan. Dat kan ik niet maken, denk ik. De kinderen zouden het signaal krijgen dat ik geen interesse heb in wat ze doen.

Ik ben ook al niet zo’n uitmuntende ouder als het gaat om dingen met ze ondernemen. Van het hoogst haalbare, een balletje trappen, is de laatste keer niet uit mijn geheugen op te diepen. Andere uitstapjes kan ik niet eens bedenken. Ja, ik zou een stuk met ze willen wandelen of fietsen. Met geen stok zijn zíj daartoe te bewegen.

Natuurlijk kom ik als vader ondanks deze lacunes redelijk goed uit de bus. Dat leunt meer op het vaak aanwezig zijn en goed voor ze zorgen. Ik vind bovendien dat ik een voorbeeld voor ze ben door te laten zien dat je niet per se veel hoeft te doen om een beetje gelukkig te zijn.

Bij een thuiswedstrijd kom ik soms dan maar opdagen, met de nodige tegenzin. Nou ja, het was ook leuk om mijn oudste een keer te zien scoren. En de zon scheen volop.

Rust

Ja, ik slaap overdag. Nee, niet de hele dag, tussen de middag vooral. Bij de laatste hap van mijn lunch doet zich een pavlovreactie voor. Dan komt loomheid over me. Ik kan bijna niet anders dan naar de slaapkamer klimmen of ergens anders gaan liggen en mijn ogen sluiten.

Het begon ooit met een dutje aan het eind van de middag. Dat had ik nodig om het gebeurde van de dag tot dat moment te verwerken, zelfs als het niet veel was. Het is langzaam opgeschoven naar begin middag en daar gebleven.

Vaak is het verwijlen aan de oppervlakte, met nog een lijntje naar de omgeving. Er verschijnen beelden en gedachten waarvan ik me afvraag hoe die mijn geest binnensluipen, waar ze vandaan komen. Ik zou er iets van willen noteren, ware het niet dat die voortreffelijke staat daarvoor moet worden onderbroken. Na afloop ben ik alles kwijt, sneller nog dan de droom die je in de ochtend ontglipt.

Het komt ook voor dat de sluimering overgaat in slaap. Lekker. Soms heb ik een wekker gezet op twintig minuten tot een halfuur. Steeds vaker laat ik het gaan en word ik vanzelf wakker. Daarna soes ik nog wat en doe ik erg mijn best om er nu echt eens uit te komen. Ik sta me dit ritueel langzaamaan makkelijker toe, zolang mijn nachtrust er maar niet onder lijdt.

Ik kan wie ervoor in de gelegenheid is aanraden het ook te doen. Alle anderen adviseer ik er gelegenheid voor te creëren.

Binnenstebuiten

Ik heb een paar keer wat je zou kunnen noemen een verlichtingservaring gehad, soms tijdens een psychose, anders ‘gewoon’ tijdens een wandeling of op het meditatiekussen. Ze droegen bij aan de vorming van het besef van dé werkelijkheid, anders dan hoe je de dingen doorgaans beleeft. Na zo’n glimp ben ik niet ineens een ander. Het gevoel ebt weg. Het leven neemt grotendeels zijn bekende loop, met al zijn weerbarstigheid en weerspannigheid. Er is meer nodig voor blijvende verwerkelijking.

Het ziet ernaar uit dat ik hoe dan ook niet los zal komen van mijn eigenaardigheden, mijn nukken, mijn gebreken, beperkingen en onvolkomenheden, mijn oordelen, vreugde en verdriet en van mijn disbalans nu en dan; ik loop er soms bij als een gepopte maïskorrel (Buwalda, bedankt voor dit beeld), met mijn binnenkant buiten. Hoe ik ook mediteer en uitermate ontspannen op het kussen zit en allerlei voorstadia van verlichting lijk te bereiken, ik blijf wie ik ben.

Dat komt overeen met wat Hein Thijssen op zijn tachtigste schreef in zijn boek Leeg en bevrijd. Ik ben net in het tweede gedeelte begonnen, waarin hij vertelt over een proces van bevrijding, dat voor hem decennia duurde.

Er roert zich iets vanbinnen, stel ik me zo voor, iets dat aan de buitenkant niet zichtbaar is, iets mysterieus, alleen bereikbaar voor mij en meestal dat niet eens. Er is kennelijk veel tijd mee gemoeid. Of kan vlak voor je dood in enkele tellen gebeuren. Het zou echter jammer zijn tot dat moment te wachten.

Wijs

Mijn zus heeft haar eerste schreden op het zenpad gezet. Na enthousiast te zijn teruggekomen van een proefles, gaf ze zich meteen op voor een introductiecursus. Ze gaat daar de basis van het mediteren leren. Ik ben er opgetogen over, want weet wat gestaag zitten op den duur kan brengen. Na de eerste les vertelde ze door de telefoon al vol vuur over haar ervaringen. Hoewel ze de extra stimulans klaarblijkelijk niet nodig had, gaf ik haar voor thuis een kussen cadeau.

Ik ben ook wat huiverig vanwege die vliegende start. Het zou zomaar kunnen dat ze me binnen de kortste keren voorbijstreeft. Het idee dat het om een wedstrijd gaat, is onzin natuurlijk, maar toch. Zul je zien dat ze binnen een jaar deelneemt aan haar eerste sesshin (retraite), iets waar ik vanwege de bekende gebreken vooralsnog niet aan toe ben gekomen. En wie weet wordt ze wel leraar, mijn grootste geheime (nu niet meer) ambitie. Op de weg daarnaartoe liggen voor mij nog een heleboel kleinere en grotere obstakels. Zij zou dat, vooropgesteld dat ze het wil, makkelijk kunnen. Mijn hemel, straks wordt mijn anderhalf jaar jongere zusje nog wijzer dan ik ook.

Om dat voor te blijven ben ik aan een streak begonnen. In eerste instantie was het heel wat dat ik twee weken achtereen minimaal eens per dag had gemediteerd. Toch vrij plotseling bereikte ik de mijlpaal van 50 dagen. Inmiddels steven ik af op 100. Laat haar daar eerst maar eens in de buurt komen.

Schiermonnikoog

Ineens was er ruimte om de dingen, meer dan anders, te ervaren zoals ze waren. Ik liep daar als een kind. Zag de wind in de boomkruinen, de wolken voorbijdrijven, de zon in het riet. Er vloog een stel eenden op uit de vijver. Ik genoot van dit onverwachte, maar vatte het ook direct op als een signaal. De herinnering aan, of beter gezegd het gevoel van een wandeling vanuit een psychiatrische kliniek, willekeurig welke, piepte mijn bewustzijn binnen.

Drie weken terug was ik in overleg met de huisarts gaan morrelen aan mijn goddelijke mix van medicijnen. Gezien de bloedspiegel leek de lithium een halve tablet minder te kunnen. Dan zou het trillen van mijn handen, naast veel dorst en vaak moeten plassen de voornaamste bijwerking, mogelijk afnemen.

Terugkijkend liep ik al weken rond met tristesse, om niets. In de eerste week na het minderen zakte mijn stemming verder af: neerslachtige buien. Ik kon, afgaand op reacties hier en daar, niet anders dan mijn verdriet aan de buitenkant dragen. In week twee gaven mensen regelrechte waarschuwingen. Die speelden mee in de overweging om het voor deze week geplande bezoek aan Schiermonnikoog al dan niet door te laten gaan.

Het lijkt een goed besluit te zijn geweest om niet te gaan. Mogelijk zou het tot de mooiste plek van Nederland verkozen eiland teveel van het goede zijn geweest. Aan de andere kant kan schoonheid me blijkbaar overal overvallen. Ik hou het even bij wandelingetjes in het park. Mooi genoeg voor nu.

Acteur

Melanie en ik hadden elkaar welterusten gezegd. Ik kon de slaap niet direct vatten, want lag te denken aan een interview dat ik binnenkort zou geven. Ik had daar al vaker aan gedacht: hoe zorgde ik ervoor evenwichtig over te komen, hoe voorkwam ik het uiten van nietszeggende banaliteiten, wat wilde ik erin kwijt en wat niet, wat was mijn verhaal? Alvast met die dingen bezig zijn was vergeefs. Toch zou ik, bedacht ik terwijl ik op ons voortreffelijke matras lag, graag een voorbeeld nemen aan die acteur, die in een documentaire vertelde over leven en werk. Verdraaid, hoe heette hij ook weer? Ik kon niet op zijn naam komen, terwijl ik hem best bewonder, en aardig wat van hem heb gezien. Het hielp misschien om in gedachten films op te roepen, dan kwam ik er vast op. Als je dit leest en je bent een beetje onderlegd in Hollywoodmaterie, dan weet je het meteen. Voor mij wilde de naam niet materialiseren, het bleef een blur. De man speelde hoofdrollen in The Mask, Liar Liar, Dumb and Dumber, Dumb and Dumber 2. Ja… nee. Ik liet die titels en bijbehorende karakters nog eens door mijn hoofd gaan. Nou zeg. Er was ook nog die huppeldepup of the Spotless Mind. Die moest toch iets in beweging zetten? Niks.

Ik overwoog de kwestie voor te leggen aan Melanie, met het risico haar uit haar eerste slaap te halen. Daarom maar niet gedaan, plus dat het onbevredigend zou zijn geweest. Ik moest er zelf op komen.

Hier, nog een film, natuurlijk: The Truman Show. Die zou het doen, kom op… nee, nog niet. Ik zag hem voor me, met zijn gezicht van elastiek. Ik nam me stellig voor alle tijd te nemen om op zijn naam te komen, al kostte het me een nacht. En ik zou niet uit bed gaan om op mijn telefoon te kijken.

In de documentaire vertelde hij vooral over één bepaalde film, een biopic over een komiek wiens naam me ook niet te binnen wilde schieten. Mijn held voerde het spelen van de rol zover door dat hij ook rond de set en zelfs daarbuiten acteerde als die komiek. Dit haalde ik allemaal met gemak uit mijn geheugen. De komiek had een alter ego dat ook door de acteur werd gespeeld. Zo vermomd struinde hij feesten af, bijvoorbeeld van Playboy-oprichter… tja. Men liet hem binnen, ervan uitgaand dat het de beroemde acteur betrof. Maar het was een grapje van hem en zijn compagnon, dat wist ik nog precies, die ook het alter ego van de komiek kon uitbeelden. De acteur, wiens naam ik nog steeds zocht, zat intussen thuis in bad. Bam! Ineens had ik een naam: Tony Clifton, het alter ego van de komiek. Bam! Nog een naam, de komiek: Andy Kaufman. Nog één: Bob Zmuda, de compagnon. Playboy-man: Hugh Hefner. Komt-ie. Ja… juist, hebbes! Een bevrijding. Gelukzaligheid.

Ik besloot niet meer over de spelling van zijn achternaam na te denken en viel kort daarop tevreden in slaap.

(foto door Eli Kalaani via the Creative Commons on Flickr)

Geluk

Het liedje zelf zit niet in de weg, het is de mantra die me dwarszit. Destijds zal Bobby McFerrin het vast niet zo dwingend hebben bedoeld. Weinig ten nadele van de zanger ook; er staan een paar optredens online waar je oprecht blij van wordt (ook een paar waar je tenen van krommen). Hij staat sinds zijn nummer 1-hit niet meer grootschalig in de schijnwerpers, is nog niet dood, maar heeft ons dit deuntje alvast nagelaten: Don’t Worry, Be Happy.

Wat nou als dat laatste niet gaat? Dat zou net een reden kunnen zijn om me zorgen te maken. Daar ben ik niet alleen in, weet ik. En dan ligt het misschien aan het jaargetijde met volop grijze luchten. Of is het gewoon de aard van het beestje en moet er veel verdriet worden verwerkt, over het bestaan, of juist de naderende dood, of gewoon over een verlies. Soms is het lastig opgewektheid te laten bovendrijven. Sommigen ontberen die capaciteit helemaal en moeten het hebben van de sprankjes. Er continu vrolijk bij lopen is geen optie.

Toch komt vaak dat lied langs, op de radio of in mijn hoofd. We worden opgedragen ons geen zorgen te maken, alsof dat op commando te doen is, en bovenal met een glimlach door het leven te gaan, gelukkig te zijn. Ongelukkig kan ik ervan worden. Ik heb een suggestie om de regel om te vormen. Het wordt een frase waar misschien meer mensen mee overweg zouden kunnen. Ik zeg: Not Happy, Don’t Worry.

Regels

De eerste die we zagen, zat met een achterpoot klem in een val. De dagen erna heb ik er improviserend twee moeten doden, snel en doeltreffend. Een ander vond zijn einde onder de beugel. De vijfde trok zich terug onder de keuken en werd daar door Melanie opgesloten door een kier te dichten. We zagen er ook een wegkruipen in een tas, die hem een weg uit huis verschafte.

Vooral de laatste twee hadden zich niet aan de regels gehouden. Ze behoren ’s nachts actief te zijn, als wij slapen, overdag hun holletje op te zoeken, behoedzaam langs de plinten te trippelen, zich uit de voeten te maken zodra een mens nadert, zich slechts kenbaar te maken met uitwerpselen en eventueel kapot geknaagde snoeren en kabels, zich koest te houden en zich niet te laten zien, zodat wij hooguit een vermoeden hebben van hun bestaan, ergens parallel aan het onze, maar er niet werkelijk deel van uitmakend.

Bij ons liepen ze op klaarlichte dag onderzoekend door de kamer. Pas als we hard in onze handen klapten, zochten ze dekking, om even later weer te verschijnen. Aan de regel van de uitwerpselen hielden ze zich wel, hoewel het dus niet het enige was waardoor wij wisten van hun aanwezigheid. Schade aan snoeren en kabels hebben we niet ontdekt. De beestjes werkten vooral op de zenuwen, erg op de zenuwen. Het lijkt wat overdreven, maar een mens zou er bijna van gaan bidden, bidden dat de rest keurig onder de keuken blijft.