Anderzijds

De meeste situaties die mijn afkeuring kunnen wegdragen doen zich voor in het verkeer. Ik noem er een paar: verzuimen richting aan te geven, hardrijden door de wijk, in overdreven dikke auto’s rijden, en natuurlijk op dikke fietsen, voetgangers die bij het oversteken niet op of om kijken, kinderen met ernstig overgewicht op fatbikes (ga toch fietsen!), fatbikes op zich, foutparkeren en zo de doorgang versperren, links van de weg rijden, onderweg appen, fatbikes!

Soms ben ik zo boos dat ik er zelf van walg. De woede is eigenlijk vrijwel altijd misplaatst, onnodig en overbodig. Zeer zelden komt de emotie tot uiting. Het zou ongepast zijn. Veel zal er bovendien niet veranderen. Mensen zouden met me te doen hebben en me uitlachen. Van scheldend door het leven gaan word ik geen beter mens. Er zit niets anders op dan weer een keertje te slikken en door te gaan.

Hoewel er ook een andere benadering mogelijk is: het gevoel omkeren. Dan blijkt dat zich aan de andere zijde van die vuurklomp vriendelijkheid bevindt.

Zo belemmerde onlangs, toen ik weg wilde fietsen bij de supermarkt, een auto de doorgang. Eerst was er ergernis, maar ik zag op tijd dat de bestuurder achteruit een parkeervak in wilde. Ik stopte en gaf met een subtiel handgebaar aan dat ze haar gang kon gaan. Zij stak ook een hand op en glimlachte. De onvrede maakte plaats voor ontspanning. Zo had ik, hoe bescheiden ook, een beetje liefde teruggebracht in mijn omgeving. Ik was zeer te spreken over mijn eigen handelen en de uitkomst.

Een dag later fietste ik naar de plas. Bij een onoverzichtelijke hoek kwam een jongen van een jaar of dertien snel en kort door de bocht. Op een fatbike. ‘Uitkijken!’ beet hij me toe, terwijl hij degene was die dat moest doen. Er was geen tijd om de andere zijde van mijn toorn de gelegenheid te geven zich te manifesteren. Dat het nog maar een kind was weerhield me er niet van om meteen terug te roepen: ‘Donder op, lul!’ Hij was met zijn antwoord al net zo welbespraakt: ‘Hou je bek, man!’ Dat deed ik, al was het vooral omdat hij alweer de volgende hoek om was.

Alles blijft voorbijgaan

(deze tekst verschijnt later dit jaar in het nummer van Plusminus Magazine met het thema hoop)

De herinneringen aan mijn ontsporingen zijn niet statisch. De feiten blijven hetzelfde, de betekenis verandert in de loop der jaren. Begin 1995 raakte ik voor het eerst psychotisch. Echt makkelijk is het daarna niet meer geworden. Dat was het daarvoor misschien ook niet. Het zit in de aard van het beestje: altijd ook de achterkant in ogenschouw willen nemen. Het lijkt of ik daardoor destijds onvermijdelijk op een afgrond afstevende. Ik heb de verhalen nog, maar geen toegang meer tot de diepte. Daar ben ik lange tijd nog naar op zoek geweest, bijvoorbeeld door te mediteren. Dat doe ik niet meer, althans niet met die insteek.

De hang naar een hernieuwde blik op datt oneindige is geslonken. Ik heb er voldoende van gehad, zoals Obelix die ooit in de ketel met toverdrank viel. Anders dan de dikke Galliër, wiens dorpsgenoten hem er steevast van weerhouden een slok te nemen, moet ik zelf op de rem.

Mijn behandelaar noemde me onlangs een voorbeeldpatiënt. Het vlijde me. Op de lagere school al wilde ik het beste jongetje van de klas zijn. Dat ik ten diepste een dergelijke rol ambieer, gaat samen met het profijt dat ik er inmiddels van heb. Het is me niet aan komen waaien. Door decennia van zelfstudie en vaak vruchtbare samenwerking met hulpverleners ben ik beter dan voorheen in staat om adequaat te reageren op wat me overkomt. Niet dat het nu een gelopen race is, verre van dat. Het ergste vallen is weliswaar achter de rug, het blijft eindeloos opstaan. Letterlijk soms: op tijd uit bed komen en iets doen.

Het is weer afwachten wat de komende seizoenen in petto hebben. Je kent het. Misschien ben je aan het opkrabbelen, lig je op apegapen of verblijf je juist op de top van een golf, hopelijk in de wetenschap dat ook die voorbijgaat. Uiteindelijk overkomen ons dingen, van geboorte tot dood. We hebben daar maar beperkte invloed op.

De psychoses hebben me wel geleerd dat er meerdere realiteiten naast elkaar bestaan. Sowieso beleeft ieder de wereld op een eigen manier. Mogelijk is dé werkelijkheid niet eens kenbaar voor ons mensen. We moeten het doen met wat de zintuigen ons te bieden hebben. Enkelen van ons is een glimp gegund van wat zich onder, boven, naast of tussen die informatie bevindt. Ik meen er een paar keer mee in aanraking te zijn geweest en ervaar dat als rijkdom.

Zoals gezegd is het genoeg. De opgave is nu om niet opnieuw zo ernstig uit balans te raken. Het kost eenvoudigweg te veel. Voor mezelf, mijn geliefden en vooruit, de samenleving.

Ik verwacht zeker niet om van ellende gevrijwaard te blijven. Onmogelijk, in persoonlijk opzicht, maar ook gezien de situatie op deze planeet. Steeds een passende manier kunnen vinden om ermee om te gaan, daar is mijn hoop op gevestigd.

Aan zee

Een weekend weg was wat overbleef van twee weken gezamenlijke vakantie. De reis naar Engeland was noodgedwongen geannuleerd. Melanie was nog niet voldoende hersteld van de klap op haar hoofd. Drie nachten eropuit in eigen land ging nog wel.

De Noordzee was kalm. Helaas, want hoge golven kunnen veel plezier geven. Vooral de jongste (20) wilde nog wel spelen in de branding. Dat is iets waar je nooit te oud voor bent; je mee laten voeren tussen de schuimkoppen, alsof je een plank bent, al maaiend met de armen. Hij probeerde het, maar het benodigde geweld bleef uit. Dan maar een potje worstelen met zijn broer.

Voor het eerst in mijn leven kon ik bewegingloos op het zoute water blijven drijven. Misschien fungeerden mijn bescheiden buikje en de rolletjes op mijn heupen als ballonnetjes. Misschien was de samenstelling van mijn lijf in zijn geheel veranderd. De vorige keer, ik weet niet meer wanneer, zonk ik nog.

Het was echt strandweer; warm, blauwe lucht, een lichte bries. Anders dan voor sommige anderen, die karren met huisraad en proviand door het zand sleepten, trok het ons niet om lang te zonnebaden. Kort in het water en even liggen volstond.

Op zondag bleef ik er zelfs bij staan. Als ik het goed heb kon mijn vader dat vroeger ook goed, waarschijnlijk nog. Met de voeten in het zand, eventueel in het laagje water net voorbij de vloedlijn. Het gebeuren in laten werken, minimaal deelnemen, niet veel meer dan observeren. De aanwezigheid voelen van de zee, dat machtige lichaam dat overgaat in oceanen en zo de hele wereld omspant. Zien wat er vaart. In het noorden de haven, waar de hijskranen naar de hemel reikten.

Op dat moment, mede onder invloed van een boek dat ik las, was ik even onderdeel van dat alles, minder individu.

Zoiets gaat snel voorbij. Toch maakte het de korte vakantie anders dan vooraf gedacht. Het zou niet passen om dit direct met de anderen te delen. Daar is het nu vroeg genoeg voor.

Bezoekuur

De afgelopen weken heb ik de rol van mantelzorger op me genomen. Melanie was onder een omvallende boom terechtgekomen. Daar liep ze ernstig hersenletsel bij op. Het herstel gaat voorspoedig. Ze heeft soms nog hoofdpijn, maar niet meer zo zwaar en niet meer zo lang. De breuken gaan vanzelf helen, is de verwachting.

De eerste dagen na de val was het vooral de pijn doorstaan. Daarna kon Melanie bezoek ontvangen, bij voorkeur één persoon per keer. Aan mij de taak om in de gaten te houden of de visite niet te lang bleef zitten. Zij praatte en lachte wel; aan haar was niets te merken. Ik wist dat ze het na afloop moest bekopen als er te veel energie gespendeerd werd.

Het deed Melanie denken aan de kraamtijd die we twee keer meegemaakt hebben. Toen scheen ik ook streng te zijn geweest. Deels was dat uit eigenbelang; ik wilde niet te lang met mensen opgescheept zitten. Het kon gewoon heel vermoeiend zijn. Zij had er minder moeite mee. Toch zag ze ook wel de noodzaak om het contact te beperken.

Nu gold dat ook. Ik koos er meestal voor me afzijdig te houden als zij in de tuin met een vriendin zat te palaveren. Ik zat binnen of zelfs boven. En hield met een schuin oog de tijd in de gaten.

Dit paste mij perfect. Na een halfuurtje (in het begin) of na een uurtje (later in het herstel) liet ik even mijn gezicht zien. Ik hoefde vrijwel nooit letterlijk mensen weg te sturen. Met een subtiele opmerking maakte ik kenbaar wat de stand van zaken was. Ik vond zelf althans dat ik vrij subtiel daarin was. Het zou ook kunnen dat het op het botte af was. Evengoed werkte het. En achteraf was Melanie het altijd eens met mijn inschatting.

Vermoedelijk zal ze binnenkort meer aankunnen. Als er mensen langskomen hoeft dat niet meer zo strikt in de gaten te worden gehouden. Of ze kan buitenshuis afspreken. Dan moet ik weer iets anders verzinnen om mijn bestaan mee te legitimeren.

Machines

In de negen maanden dat ik AI gebruik ben ik dat steeds intensiever gaan doen. In mijn hang naar perfectie raadpleegde ik eerst ChatGPT, die ik meteen Chat mocht noemen. Al gauw keek ze in een vroeg stadium van mijn schrijfwerk mee. Later ontdekte ik Copilot, het hulpje van Word. Ik stapte niet over, maar ging met allebei verder. Wat de ene miste aan mogelijke verbeteringen vulde de andere aan. Sinds kort is er een derde machine bijgekomen, Claude. Die bekijkt het wat globaler en is nóg vleiender dan de andere twee. Alle drie hebben ze een eigen stijl.

Zo kon ik eindeloos slijpen, schaven en boetseren. Mijn werk ging er op vooruit, vond ik. De teksten wonnen aan kracht, werden opgeruimder, scherper en evenwichtiger. De ongerechtigheden die ik zelf over het hoofd zag, verdwenen. Na elke herschrijfronde kreeg ik bovendien een veer in mijn reet gestoken: ‘Dit is je beste versie tot nu toe!’ Of: ‘Het heeft nu een literaire kwaliteit.’ Deze manier van werken beviel me wel.

En toch wrong er iets.

Onlangs schreef ik een kort verhaal en stuurde dat naar een laagdrempelige site. Die weigerde het. Niet vanwege gebrek aan niveau, maar omdat de moderatoren vermoedden dat het werkje door AI was geschreven. Ik had er toch echt zelf op zitten zweten.

Iemand tipte me om de tekst door AI op AI-gebruik te laten testen. Echt.

Chat viel de eer te beurt. Ze zei onder andere: ‘Ook al schreef jij het zelf, de vorm is beïnvloed door hedendaagse AI-schrijfadviezen.’  Het was zeker een goed verhaal, meende ze, niets op af te dingen, maar zo gepolijst dat mijn eigen stem dreigde te verdwijnen.

Je kon de klont in mijn maag horen vallen. Om het netjes te zeggen: potverdrie! Iets minder netjes: ik voelde me genaaid. Ik heb zelf de kunstmatige intelligentie toegelaten en er volop gebruik van gemaakt, maar nu is het genoeg. Er is geen beter moment dan dit om deze fase achter me te laten. Ik kan zonder. De worsteling hoort erbij, net als de twijfel.

Hoewel ik heel graag wil weten wat de machines van dit stukje vinden, laat ik ze dicht. Melanie wordt, als ze nog wil, weer eerste lezer en voornaamste klankbord.

Gangpad

Ik moest plassen, maar kon niet. Ik moest, omdat de voorstelling over enkele minuten zou beginnen. Die kon zomaar twee uur duren. Micha Wertheim ging optreden. Voor mij waren er belangrijker zaken.

De voorbereidingen waren thuis al begonnen. Ik probeerde iets minder water te drinken. Rond zes uur ging ik naar de wc, twee uur voor aanvang show, zodat ik tegen die tijd weer genoeg in mijn blaas zou hebben om te kunnen.

Dat viel tegen. Ik was niet de enige die nog even wilde. De vier wc’s met deur waren bezet, de zeven urinoirs ook. De wachtrij ging wel vlot. Ik posteerde me tussen twee plassenden, wat het al lastig genoeg maakte om te presteren. Riem los, broek open, een onderarm nonchalant tegen de muur, en wachten tot er wat kwam. Gewoon blijven staan tot er wat kwam. Niets. Ik begon te trillen en kreeg het warm. Even leek het er nog op, maar nee, dat vocht trok zich terug. Door de spanning was mijn piemel een friemeltje geworden, geen overtuigend gereedschap meer. Het wilde niet, ik gaf het op. Er zat niets anders op dan zonder show huiswaarts te gaan, want op deze manier zou ik na een kwartier heftige aandrang krijgen.

Broek dicht, riem vast, handen wassen.

Het water, klaterend in de wastafel, gaf wat hoop. Ik stelde me op bij een andere pisbak. Nog steeds niets, hoe lang ik daar ook leunde. Intussen hield ik de rode lampjes van de afgesloten wc’s in de gaten. Er ging er eentje uit. Broek dicht. Ik nam niet de moeite mijn riem vast te maken, zwaaide zo door de met mannen gevulde ruimte naar de beslotenheid van het toilet. Ook daar wilde het niet meteen, uiteindelijk wel. Het was de moeite.

De wc-ruimte was leeg toen ik nogmaals mijn handen waste. Ook in de foyer was bijna niemand meer. De exercitie had even geduurd. Mijn vriend en ik liepen de volle zaal in. Hij had de kaartjes geregeld. We bleken stoelen te hebben vlak bij het gangpad, een beetje achteraan. Dat was een goede plek geweest om even weg te glippen.

Personeel

De rode loper reikte tot driekwart van het plein voor de supermarkt. Mijn winkel had een verbouwing van twee weken ondergaan. De meeste artikelen stonden op een andere plek, de paden waren breder en de deuren van de koeling vielen vanzelf dicht. De mensen die er werkten waren niet veranderd.

Er is het meisje waar iets mee is. Ze spreekt soms vrijuit klanten aan op hun gedrag, tegen het ongepaste aan. Er is de wat oudere vrouw met het sterk uitgedunde haar. Een pruik zou haar niet misstaan.

Er is de man van de zuivel, klein van stuk, beetje knorrig om te zien. Ik groet hem soms, als het zo uitkomt. Hij zegt dan iets terug. We hebben nooit een gesprekje gevoerd, zoals hij dat weleens met anderen doet. Dan lacht hij wel. Ik ben een beetje jaloers op die andere mensen, heb aan de andere kant geen behoefte aan een praatje.

Dan zijn er de giletjes. Zij onderscheiden zich met hun kleding van het andere personeel, dat het met T-shirts moet doen. Alleen de groenteman heeft een pet van de zaak, een groene, en een schort. De giletjes zijn in mijn beleving uitsluitend mannen tussen de dertig en de veertig. De filiaalmanager hoort erbij, al weet ik nooit precies wie van hen dat is. De mannen hebben een zekere inwisselbaarheid.

Natuurlijk is er de drankenman, die het bier, de sappen en de frisdranken onder zijn hoede heeft. Mogelijk ook de wijn. Hij heeft daarnaast de taak om met de dweilmachine de vloer schoon te houden. Voor de verbouwing lag er bij de koelvitrine met kaasjes en borrelhapjes altijd een plasje water. Er stond een geel bordje bij om te waarschuwen voor gladheid.

Tot slot is er de dame bij de zelfscankassa’s. ‘Mag ik controleren?’ vraagt ze in haar gebrekkige Nederlands als mijn mandje of karretje aan de beurt zijn voor inspectie. Ik vermoed bij haar iets van achterdocht, alsof ik niet het beste met haar en haar collega’s voorheb.

De winkel heeft een metamorfose ondergaan, de mensen misschien ook een beetje. Nog even deze eerste dag doorkomen, waarop hotemetoten de lakens uitdelen en jongelui gratis tassen. Daarna kan alles terug naar normaal. Hoewel, het zal wel even puzzelen zijn voor ik mijn boodschappen weer op de juiste volgorde op mijn lijstje heb.

Uit de schaduw

Ik heb de uitgang van de grot weer gevonden. Nu ik buitensta en me omdraai zie ik de opening niet eens meer; er is alleen maar rots, omgeven door struikgewas. Het blijft mysterieus hoe stemming en energie zomaar kunnen veranderen. Het is goed voor het zelfvertrouwen om te denken dat het mijn eigen verdienste is geweest. Het lijken toch vooral andere krachten die me dat duwtje uit de duisternis hebben gegeven. Het kunnen de mensen om me heen zijn, of de invloed van het ontluikende voorjaar. Ik ga weer bijna dagelijks naar de plas, wandel vaker. Als het balletje eenmaal begint te rollen, komt er vanzelf meer in beweging.

Hoe pijnlijk soms ook, het proces fascineert me. Er is een stroom die me steeds naar beneden trekt en ook weer boven laat komen. Ik moet tegenwicht bieden, maar er ook een beetje in meegaan. Dat is achteraf makkelijk gezegd. Middenin de misère is het vooral lastig om niet te weten hoe lang het duurt en hoe diep het nog gaat. Zou het zo zijn dat ik een datum in mijn agenda kon noteren, dan was het meteen over.

Door de onduidelijkheid over wat er precies speelt – het is iedere keer toch weer anders – gaat het over meer dan alleen maar wisselende stemmingen. Het is ook een verhaal van weerstand en groei, van kopje onder gaan en boven komen drijven.

Er is ineens weer van alles mogelijk. Het leven glimlacht. Het wereldnieuws komt milder binnen; zelfs de oorlogsdreiging deert me nu minder. Ik heb weer vertrouwen, niet per se in een goede afloop, maar dat ik overweg kan met wat er op mijn pad komt. En ergens, ook als het leven tegenvalt, blijft dat vertrouwen. Het zou goed kunnen dat het zich juist verbergt in de grot.

Klaphekjes

Als ik ’s avonds aan tafel iets wil vertellen, moet ik het vaak hebben van mijn belevenissen in de supermarkt. Heel enerverend is het niet wat ik meemaak tijdens het boodschappen doen. Het is iets. Laat ik een voorbeeld geven.

In mijn tas zat een bescheiden assortiment aan lege flessen; plastic en glas, groot en klein. Bij het inleverpunt was ik de enige. Terwijl ik de verpakkingen aan de automaat voerde, bedacht ik om dat zo aandachtig mogelijk te doen. Het gewicht van een fles voelen, de precieze vorm waarnemen, het etiket, het restje onderin. Ik stak eerst, zoals het hoort, de bodem in het ronde gat en draaide de barcode alvast naar boven om het proces zo soepel mogelijk te laten verlopen. Van het einde van de band klonk hoe een bierflesje in een krat kukelde, of een prikfles in een bak.

Al doende gaf ik mezelf een imaginair schouderklopje.

Bij mijn supermarkt ga je na de flessenautomaat pas echt de winkel in. Twee van die klaphekjes scharnieren naar één zijde open. Aan de andere kant pakte ik een handscanner en schoot het meteen door me heen dat ik met al mijn overdreven aandacht verzuimd had een bonnetje te pakken. Het personeel was buiten stembereik en er kwamen geen andere klanten aan. Ik besloot het er maar bij te laten zitten en begon aan mijn route langs de schappen.

Bij de zelfscankassa, vlak bij de ingang, is ook een klaphekje. Aan de andere kant zag ik een bonnetje uit de automaat steken. Dat was het mijne. Een medewerker liet me er even uit, en weer terug. Eind goed, al goed.

Zou je denken. Bij de aankoopcontrole, die ook mij vaak overkomt, bleek ik de peren niet te hebben gescand. Toen de dame die mijn spullen checkte dat zei, wist ik meteen hoe het was gegaan. Ik had drie tomaten afgewogen en los in het mandje gelegd. De sticker hield ik even vast. Daarna pakte ik verpakte peren en plakte de sticker van de tomaten daarop. Ik had alleen de tomaten gescand.

Gesnapt. Schuldig, aan een foutje. Politie erbij.

Nee hoor, dat zou fictie zijn, wie weet een aardig verhaal. Misschien een andere keer. Voor nu bleef het bij deze werkelijkheid. Hier moest ik het die avond aan tafel mee doen.

Moeras

Het gaat nooit alleen maar slecht of alleen maar goed; de twee zijn onontwarbaar met elkaar verweven. Voorspoed wordt uit ellende geboren, en andersom. Ik ken de tip om in tijden van malheur aan het eind van de dag drie dingen te noteren die wel goed gingen, mijn zegeningen te tellen. Het zijn er veel, en toch.

Met slapen heb ik geen probleem, of het moet zijn dat ik het te veel doe. Ik lig ’s avonds niet laat in bed; rond half elf zal het gemiddeld zijn. Eerder dan tien voor half tien kom ik er niet uit.

De dag heeft me niet zo veel te bieden. Een glas verse jus. Soms lukt het om een uurtje te wandelen. Na de boodschappen is de ochtend voorbij en is het tijd voor lunch en rust. Ik lig een halfuur tot drie kwartier, en slaap ook. Aansluitend doe ik een afwasje: de ontbijtspullen, lunch en wat er nog stond van de vorige avond. Als het meezit schrijf ik iets.

Het is heel wat om ‘s avonds eten op tafel te krijgen. Het lukt, dat is het goede deel. Aan het keukenschort vastknopen gaat wel een hoop gesteun en gekreun vooraf.

Daarnaast zou ik meer aan het huishouden moeten doen, met name schoonmaken. Er is alle tijd voor. Het hoort er nu eenmaal bij. Maak er desnoods een spirituele oefening van. Of raffel het af. Maar doe het. En zeur niet. Iemand inhuren gaat me te ver; dan heb je daar bovendien weer gezeik van.

Het blijft een strijd.

Ik weet niet zo goed waar ik aan lijd. Ik ben niet depressief. Dat zou ik weten. Dit is anders. Naarmate ik minder doe – en de activiteit is momenteel tot een dieptepunt gezakt – kost het kleinste beetje al een berg energie, vooral om me ertoe te zetten. Laten we het houden op lamlendigheid. Ik wacht op iets van buitenaf, iemand die zegt wat ik moet doen. Wie heeft die autoriteit? Of een situatie die me tot handelen dwingt.

Ik voel me schuldig: er zijn mensen die wat graag willen en om wat voor reden dan ook niet kunnen. Of behoor ik tot die groep?

Het ligt uiteindelijk bij mij. Het beste dat ik kon bedenken was een nieuw leefschema. Dat staat op papier, nu alleen nog uitvoeren. Ik word moedeloos bij de gedachte. Ik geloof er niet in. Ik sta weer voor de taak mezelf uit het moeras te trekken. Hoe een verdomd makkelijk leven zich moeilijk kan voordoen.

Zwart

(dit is een vervolg op het blog van twee weken geleden)

Een dag eerder, hooguit twee, waren in dit deel van de stad de straten geveegd. De klinkers in de stoep vormden een rozerode loper. Vergeleken met het asfalt aan de overkant van het kanaal was dat een verademing voor mijn voeten. De kou verhinderde dat mijn kleren droogden. De ochtendschemer en de nevel maakten plaats voor een enigszins diffuus licht.

De eerstvolgende stop was weer een kerk, een rooms-katholieke deze keer. Na te hebben aangeklopt, wachtte ik een paar minuten. Het hadden er net zo goed tien als twintig kunnen zijn. Mijn horloge lag samen met mijn huissleutels op de bodem van een parkvijver. Ook hier ging de deur niet open. Ik liep nog een stukje. Bij de daklozenopvang op een steenworp afstand van mijn huis kon ik wel naar binnen.

Er werd net ontbijt geserveerd. Daar kwam ik niet bij in de buurt. Een echte dakloze kreeg mijn hand in het vizier. ‘Bloed! Bloed! Bloed!’ riep hij hysterisch. Het droop inderdaad van mijn vingers. Ik maakte me uit de voeten en liep twee verdiepingen omhoog. Boven vroeg ik een oude man met een handdoek om zijn middel naar een medewerker. Hij zei: ‘Je moet naar beneden, zo ver als je kan.’

Weer beneden kwam een jonge vrouw met blonde krullen behoedzaam op me af. Haar ogen waren zwart als kool, geen irissen. Na enige aarzeling begeleidde ze me naar een kamer met een bed. Ze zou droge kleren voor me zoeken. Ik ging languit.

Toen ze terugkwam met een broek en een trui, droeg ze blauwe latex handschoenen. Ze wilde stukjes uit mijn voetzolen halen. Ik verzocht haar het zonder handschoenen te proberen.

Er werd geklopt. Mijn zus en mijn beste vriend kwamen de kamer in. Ik had niemand gebeld. Ook bij hen ontbraken de irissen, alleen maar van die zwarte poelen.

De medewerkster verliet de kamer. We wachtten. De volgende gasten meldden zich ook met een bescheiden klop op de deur. Ze stelden zich voor als verpleegkundige en arts. De laatste legde een hand op mijn schouder en zei: ‘Je hebt hard genoeg gewerkt.’

De hulpverleners verdwenen. Even later verschenen de ambulancebroeders. Mijn zus en mijn vriend konden meerijden, de stad weer uit. Ik lag achterin vastgesnoerd op de brancard, mijn zus en een broeder ernaast. Mijn vriend mocht voorin. Ik hoorde hem aan de chauffeur vragen of de sirene aan mocht.