Geluid

Sorry, ik ben laat. Gistermiddag kon ik niet schrijven. Rond lunchtijd werd een Bluesound Powernode 2i bezorgd, streamer en versterker. Mannendingetje, zou je zeggen, regelrechte rukkerij, maar toen het apparaat er eenmaal stond, moest Melanie haar scepsis, met name ingegeven door de kosten die ermee gemoeid waren, laten varen en kon ze niet anders dan het geluid waarderen.

Mijn plan was geweest om de doos nog een nacht dicht te laten en het genot op te bouwen. Zo zou ik ook gelegenheid hebben gehad je op tijd van een blog te voorzien. Mislukt. Ik moest mijn nieuwe liefde meteen uitpakken om te weten hoe ze voelde. Vervolgens zien hoe ze op haar plek zou staan. De stappen daarna konden niet uitblijven: luidsprekers eraan, stroom erop. Spanning ten top. Van de eerste luistersensatie maakte mijn hart een sprong. Er zat diepte in, en scherpte. Het sprankelde. Ik was er verbaasd over wat die twintig jaar oude beestjes links en rechts nog voort konden brengen. Dit was volwassenheid. Dit was de sprong voorwaarts waar ik op had gehoopt. Na een tijd zoeken en overwegen stond dit er maar mooi. Lekker! Ik geef toe, het blijft een mannending.

Pas bij het aansluiten van de tv kwamen de problemen. Ze kostten me de rest van de middag. Er kwam een mail naar de winkel bij kijken. Weer zenuwen, want als dit niet zou lukken, hadden we een voor de helft waardeloos apparaat in huis. Het lukte. Alleen had ik nog geen stukje. Nu dan.

Jong

Ik loop drie jongens voorbij, waaronder dat dikkerdje uit jeugdserie Spangas. Tijdens het passeren lacht hij naar me. Ik grijp hem vast en dol wat met hem. Het volgende moment wandel ik op een pad langs de snelweg. Bij een brug over het water zie ik een ander groepje jongeren. Het is inmiddels donker. Op mijn vraag of ze staan te wachten antwoorden ze bevestigend. De brug gaat open. De boot die erdoor vaart is niet zichtbaar vanaf onze positie. Even later wel. Het is een zeilboot zonder mast met twee jongens erin. De brug had niet open gehoeven. Het is een eerbetoon van de brugwachter. Het bootje draait het kanaal op en schampt aan de overkant de kade. Vervolgens sta ik in een overdekt winkelcentrum voor een gesloten supermarkt. De transparante rolluiken zijn bewerkt met graffiti. Tussen de verf door zijn medewerkers te zien, druk in de weer. Men vraagt mij naar boven te gaan. Er staan proefjes opgesteld: bekerglazen met rode vloeistof. De anderen zijn ermee bezig. De bedoeling is me niet duidelijk. Een student komt naar me toe en probeert vergeefs uit te leggen hoe het in z’n werk gaat. Ik opper hardop dat het veel te ingewikkeld is. De student sist en maant me tot stilte, opdat de professor het niet hoort. De wekker gaat. Ik strompel de trap af, klap de laptop open en begin te typen. Onder meer bovenstaande. Bij het teruglezen komt de vraag op of dit het eigenlijke leven is of dat.

Exploratie

Apotheose én anticlimax van de zoektocht speelden zich af in een hifiwinkel van vlees en bloed. Na reviews online te hebben doorgeworsteld was het tijd te gaan luisteren. Er gebeurde wat. Ik werd verliefd op een combinatie die me helemaal goed leek. De verkoper had me daar een handje bij geholpen. Hij kon echter niet direct iets aan me kwijt. Wijselijk had ik het saldo op mijn betaalrekening zo omlaag gebracht dat het niet toereikend was voor iets dat in de buurt kwam van wat ik wilde hebben.

In de speciale luisterruimte hadden de door mij gekozen nummers uitstekend geklonken. Wat zou het mooi zijn om die kwaliteit in huis te hebben. Ik droomde van het opnieuw beluisteren van mijn favorieten, die sinds kort ook nog beschikbaar zijn via een familieabonnement Spotify. Ieder gezinslid heeft een eigen account en toegang tot eindeloos veel. Ik ben ermee in mijn nopjes, heb grootse plannen om verschillende muziekstijlen te exploreren.

Een puike installatie in de huiskamer zou helpen alles extra te waarderen. Mag wat kosten. Maar, bedacht ik in een helder moment, die huiskamer wordt ook bewoond door anderen. Zo veel gelegenheid heb ik niet om me uit te leven. Ik zou mijn muzikale omzwervingen met hen kunnen delen, ware het niet dat ik me dan minder vrij voel en zij daar niet op zitten te wachten. Voor de momenten dat het kan volstaat wat er staat. Ik hou die smak geld op zak en gebruik een klein deel ervan voor een koptelefoon.

Streamen

‘Draaien mensen die nog?’, merkte een vriendin laatst op over cd’s. Het dringt langzaam door dat een nieuw tijdperk al een poosje gaande is. Dat komt op het moment dat ik net twee nieuwe cd-kasten heb aangeschaft, met daarbij het plan de collectie netjes te rangschikken. De schijfjes van Melanie en van mij komen door elkaar te staan. Het gaat om ongeveer 250 stuks. Belangrijker dan het aantal is dat ze in de loop van dertig jaar zijn verzameld. Er zit geschiedenis in.

Na de aanschaf van mijn eerste cd-speler had ik nog net geld voor één cd, een aanbieding. Later is er druppelsgewijs wat bij gekomen. Er zitten minder gelukkige aankopen tussen, maar zeker ook favorieten van alle tijden. Deze laatste weken kocht ik vanwege de crisis en de hang naar het vertrouwde wat albums die ik ooit op vinyl had, en een paar die met het verdwijnen van de cassettebandjes verloren zijn gegaan. Ik tel de kosten maar niet op.

Bij de hernieuwde muziekinteresse komt de behoefte aan beter geluid. Daar hangt ook een aardig prijskaartje aan. Melanie is bereid mee te betalen. Dan moet er wel de mogelijkheid zijn om te streamen. Mee eens. Een cd-speler wordt overbodig. Scheelt een paar honderd euro. Belangrijk, want ik heb dus net geld gespendeerd aan die kasten, waarin de hoesjes straks keurig in het gelid staan. We zullen er soms nog met de ogen langsgaan, ze voorzichtig beroeren en vervolgens een gewenste titel online zoeken. Ik heb er buikpijn van.

Rem

Het is niet eerder gebeurd dat ik verwees naar een blog van de voorgaande week. Ik wil er deze keer een kanttekening bij plaatsen, zonder de waarde ervan teniet te doen. Het ging erover dat ik zo blij was, al langer achtereen. Ik voelde me beter dan ooit.

Na publicatie sloegen de zenuwen toe over de vraag of ‘zo goed’ misschien overging in ‘te goed’. Daar moet ik op blijven letten. Dat is de mentale omstandigheid waar ik mee te leven heb. Het leidt soms tot de wanhopige gedachte dat dit nou nooit eens ophoudt. Het houdt inderdaad nooit op.

Het blijft lastig ermee om te gaan, vooral omdat een mogelijke ontsporing zich altijd weer in een andere gedaante voordoet. Het depressieve gedeelte is niet het grootste gevaar, het gaat vooral om het doorschieten naar boven. Dat is lang niet meer gebeurd, inmiddels meer dan tien jaar, maar de dreiging blijft.

Ik nam mijn zenuwen serieus en wenste dat het geluk iets minder zou worden. Paradoxaal genoeg ben ik blij dat dat is gebeurd. Als ik nog hoger was gegaan, zouden mijn voeten van de grond zijn losgeraakt. Het was tijd die high de kop in te drukken.

Het is de verworvenheid van lang leven met bipolariteit dat ik ruim op tijd ben met bijsturen. Het is deze week weer iets meer zoeken naar licht in het weerbarstige van de dag. Hoewel zo’n piek, of tijdelijke hoogvlakte, af en toe zeker welkom is, zou ik niet anders willen dan dit.

Zonnebril

Sinds lange tijd keek er weer eens een meisje om. Het was eigenlijk een jonge vrouw. Het hoort intussen bij mijn leeftijd dat jonge vrouwen voor mij meisjes zijn. Ze droeg een niets doorlatende zonnebril. Strikt genomen was er dus geen blik waarneembaar, alleen het begin van een glimlach rond haar mond.

Waar had ik dat aan te danken? Stond mijn eigen gezicht eens niet op onweer? Zou goed kunnen. Het gebeurt de laatste tijd wel vaker dat het ontspant, dat mijn mondhoeken vanzelf en zonder aanleiding omhoog krullen. Het is niet iets van één dag, gaat al weken zo. Ik voel me beter dan ooit, moet althans ver terug voor een vergelijkbare stemming. Het is ongezond er lang bij stil te staan, maar het is (nog) zo ongewoon om iedere ochtend uit te kijken naar de komende dag. Ik moet geregeld in mijn arm knijpen om na te gaan of dit niet slechts een uiting van mijn bipolaire stoornis is.

Net als bij negatieve emoties zoek ik verklaringen. Wat overkomt me, wat doe en laat ik dat dit gebeurt? Ik kan daar lang over nadenken, uiteindelijk is het iets mysterieus en ongrijpbaars. Aan voorspoed kleeft nog wel die schaduw van het onherroepelijke einde ervan, onbekend hoe en wanneer. Het kan zo weer weg zijn.

Dit is saai om over te lezen, dunkt me. Het heeft niet de jeu die ellende omgeeft. Sorry. Ik ben momenteel gewoon een blije eikel. En als er dan ook nog eens een meisje omkijkt…

luistersuggestie: Dansmuziek – Doe Maar (YouTube)

Hier

In deze crisis, waarschijnlijk in elke, is het voor ieder de opgaaf om het onderhavige te blijven ervaren, wat er voor je neus gebeurt, en je niet mee te laten voeren met het verhaal van de wereld, met alle verhalen die de krant, het internet en de televisie voorschotelen: de alarmerende voorpaginaberichten, het gekwetter op Twitter, het gekakel in talkshows. Uit de flarden die ik van de laatste twee soms meekrijg maak ik op dat ik veel beter af ben zonder.

Een volgende stap zou kunnen zijn om mijn eigen verhalen los te laten. Bijna niet te doen, maar het proberen waard. Ik bén niet mijn persoonlijke geschiedenis, ondanks dat dat verhaal zich steeds opdringt, net als die uit de media. Het lukt misschien soms om het even te vergeten. Dat is al heel wat. En dan zijn er nog de verhalen van mijn week, de dag, het uur, het jaar of welke tijdspanne je kunt bedenken, verleden en toekomst. Tot klein ongenoegen ben ik daar altijd mee bezig. Bijna altijd. Zo ervaar ik het althans.

Ik probeer meer en meer zo te leven dat ik opensta voor die momenten dat er geen invulling is. Paradoxaal genoeg helpt de crisis daarbij. Bij het begin was ik erg van slag: gespannen, onzeker en angstig. Tegelijkertijd kon ik intens genieten. Die intensiteit is afgezwakt, maar nog steeds aanwezig. De rust is weergekeerd, dieper dan voorheen. Deze crisis schept helderheid. Af en toe vallen alle verhalen weg en is er alleen maar dit.

Verschijnsel

Ondanks dat ik vorig jaar opnieuw naar de overkant en terug zwom, kan ik toch weer zenuwachtig zijn als ik verder van het veld ga, ook langs de oever en ook met de zwemboei bij me. Ik heb geen zin om actief mijn grens te verleggen en de afstand uit te breiden. Het bevalt me goed om als het ware baantjes langs het riet te trekken, heen en terug naar punten tot waar het comfortabel is. Aan het begin van een zwemsessie is dat wat verder en naarmate mijn lijf kouder wordt steeds iets dichterbij.

Zo deed ik in de buurt van het veld mijn schoolslag. Op een moment dat mijn hoofd boven water kwam, hoorde ik een ruis. Ik hield in en keek naar het riet waar het geluid vandaan kwam. Het slingerde heen en weer. Halmen zwiepten. Er braken stengels af. Er vlogen delen van de lucht in. Er ging een kleine maar ruige wervelwind doorheen.

Mijn geest neigde ernaar om het verschijnsel betekenis te geven en het ergens aan te koppelen. Aan het ontstaan van graancirkels bijvoorbeeld, waar ik een tijdje aandacht aan heb besteed en die nog steeds een plek in mijn hart hebben. Of aan Kees die afgelopen najaar bij dezelfde watertemperatuur ongeveer op deze plek verdronk.

Maar ik hield het liever bij wat het was. Vanwege de ongewoonheid dacht ik nog even dat het een illusie betrof, een waanvoorstelling. Bij het volgende baantje zag ik stukken riet in het water. Het was echt geweest.

Verblijfsduur

Dit is een van de lichtere problemen rond corona: er is bij de plas bij zonnig weer niet genoeg plek op het veld. Er liggen dan zo veel zonaanbidders dat het niet mogelijk is altijd anderhalve meter afstand te bewaren. Met vier langs de beschoeiing is de weg naar het water geblokkeerd.

Ik begrijp niet dat je zo lang de zon op je blote lijf wilt laten schijnen. Een kwartier is meer dan genoeg. Ik laat me vóór het zwemmen even opwarmen en doe dito na afloop. Het grootste deel van de tijd ben ik in het water. Dat begrijpen anderen weer niet, dat ik zo lang in 15 graden zwem.

Moet ik er wel bij kunnen. Het probleem is te omzeilen door in de ochtend te gaan. Dan is het nog rustig. Een andere optie is een zwembroek mee te nemen en bij drukte een textielstrandje verderop te bezoeken. Toch zou ik ook graag gewoon ’s middags naar mijn vaste stek willen. Daar ben ik niet de enige in.

Ik voelde me geroepen bewustzijn te kweken. Daar ben ik van genezen, maar voortvarend als ik kan zijn, had ik al een A4 geprint en geplastificeerd. Het simpele idee komt van een andere winterzwemmer. Als ieder zijn of haar verblijfsduur beperkt, kunnen meer mensen gebruik maken van de beschikbare ruimte.

Ik heb het deze week bij de toegang opgehangen. Het is nog afwachten of het effect heeft. Ik laat het er verder bij en kijk uit naar wat meer bewolking.

Kaasboer

Johan is een man met blozende wangen en een rijzige gestalte. Hij bestiert al 40 jaar zijn delicatessenwinkel in het kleine winkelcentrum hier vlakbij. Deze week werd het gevierd: bij de ingang pilaren met ballonnen, aan het plafond een koord met kindertekeningen. Hij is geliefd. Hij heeft menig vinger in de pap bij sociale projecten in de buurt. Hij werkt mee aan de gratis appeltaartconcerten in het plaatselijke theater. Ik verdenk hem ervan mede aan de wieg te hebben gestaan van de Buurt Mobiel, een betaalbare taxiservice in de wijk. Daarnaast drijven veel initiatieven om het winkelcentrum levend te houden op de kracht van deze vriendelijke reus.

Toen ik een keer op zondag een stuk de stad uit fietste, kwam ik hem tegen in zijn nette pak. Hij ging op dat moment te kerke in Maartensdijk. Hij is klaarblijkelijk een godvruchtig man. Het staat hem goed. We groetten elkaar, maar toen ik hem later in de week aan onze korte ontmoeting herinnerde, was hij die kennelijk vergeten. Zoveel klanten ook. In zekere zin zijn het allemaal een beetje zijn kinderen. Alsof hij er al niet genoeg van zichzelf heeft, tien in getal.

De luidruchtige vrouw die deze vrijdag voor me aan de beurt was, had daar via een kennis lucht van gekregen. Johan heeft in zijn loopbaan in de volkse wijk zeker meer te verduren gehad. Dit was een pittige. Ze zei: ‘Ik hoorde van je kinderen. Je hebt hem niet versleten door te plassen.’ Johan gaf geen krimp.

Exit

Een luchtje scheppen vat ik ruim op. Ik wandel een uur tot anderhalf uur. Vrijwel dagelijks ga ik naar de plas voor een duik. Daar zie ik geen kwaad in. Onderweg ben ik oplettend en bedachtzaam. Op het veld net zo. In de supermarkt draag ik blauwe handschoenen. Ik probeer boodschappen doen te beperken tot twee keer per week. We zijn bij beide opa’s en oma’s een keer langs geweest, visites buiten, met inachtneming van gepaste afstand en eigen drinkgerei mee. Ik maak, zoals bijna iedereen, aan de hand van de maatregelen, aangevuld met persoonlijk inzicht, mijn eigen regels.

Toch vermoed ik op het spectrum van rekkelijken tot preciezen meer richting de laatsten te neigen. Ik doe er niet alles aan om het virus geen kans te geven, maar wel veel. Zie boven. Ik hou daarbij anderen in mijn omgeving nauwlettend in de gaten en ben geneigd in stilte ze de maat te nemen. De belangrijkste graadmeter die mijn positie bepaalt, is waarschijnlijk de woede over andermans in mijn ogen onnadenkende gedrag. Die meter slaat af en toe uit tot bloedrood.

Moet ik natuurlijk niet doen, zo ontzettend boos worden, dat is nergens goed voor, daar heb ik alleen mezelf mee, maar ja. Het zou mogelijk nut hebben als ik mijn grieven zou uiten richting de overtreders, want zo noem ik ze maar voor het gemak. Zij zijn fout. Ik ben goed. Het zit me dwars in deze situatie terecht te zijn gekomen. En ik zoek er een weg uit.