Broeders

Sinds we streamen luister ik veel meer muziek, een waaier van genres en stijlen. De dag begint met gregoriaans. Ondertussen tik ik wat.

De klanken blijven verbonden met de ochtend dat ik het beste wakker werd ooit. Dat gebeurde in een refugio, toevluchtsoord voor pelgrims, in een woestijnachtig deel van Noord-Spanje. Het was een paar jaar voor de moderne pelgrimage naar Santiago de Compostela een echt hoge vlucht nam. Voor de Pyreneeën was mijn tocht nog solo, erna liep ik met een groepje andere jonge mensen. Ieder had zijn of haar beweegredenen. Veel religieus zat daar niet bij.

We sliepen die nacht in een van grof, grijs gesteente opgetrokken oase. De geestelijke die de tent runde, ook niet zo oud, had ons met overvloedig stromende vreugde ontvangen. Bij katholieke monniken is het vaak maar de vraag of het ze te doen is om het aanbidden van god of eerder om de toewijding op zich. Het ging deze man in mijn ogen toch zeker om het laatste.

Het leek er die ene ochtend op dat hij ermee de magie naar zijn hand kon zetten. Hij had een cd opgezet en het hele gebouwtje vulde zich met de stemmen van andere toegewijden, die me zo wonderlijk licht de nieuwe dag in droegen.

Melanie kan er niet goed tegen, die galmende broeders en zusters. Om de vrede te bewaren schakel ik, zodra haar stappen op de trap klinken, naar gemakkelijker liedjes, van bijvoorbeeld afspeellijst ’t Koffiehuis. Ik heb mijn portie goede start dan gehad.

Top

In een opwelling had ik twee van die loodzware grindtegels achter uit het terras gewrikt om ze een stukje te laten zakken. De poort klemde al een tijd. Eerst dacht ik hem uit zijn scharnieren te moeten lichten en er een stuk af te schaven. Dank (aan wie of wat dan ook) voor het heldere moment waarin het idee zich manifesteerde om iets aan de stenen te doen in plaats van aan het hout. Mijn overhemd ging ervoor uit. Het lukte me.

Toen Melanie bij thuiskomst het resultaat zag, zo netjes achtergelaten als een stratenmaker dat doet, met wat zand erover dat tussen de voegen kan sijpelen, vroeg ze zich af of het wel goed ging met me. Er rinkelde een belletje. Die ochtend had ik al in een appje laten weten een beddenwinkel te hebben gebeld, heel voortvarend, over een nieuwe matras. Zo daadkrachtig kende ze me niet, althans niet in gezonde doen.

Haar zorgen rezen zelfs nog voordat ik had verteld in het zwembad een uur borstcrawl te hebben gezwommen, ’s middags ook nog even naar de plas te zijn geweest, direct naar tevredenheid en vlot op een mail van een coachklant had gereageerd (waar ik normaal lang over doe met doorgaans twijfel over het geschrevene) én uitstekend had zitten mediteren.

Dat ik eten had besteld en niet zelf gekookt, stelde haar enigszins gerust. Ik kon bovendien verzekeren dat ik onder alle activiteit juist heel kalm was gebleven. Tot ze erover begon, en ik na ging denken. Kak.

Tafeltje

‘Aan de kant, aan de kant!’, riep een buurvrouw een keer toen ze me zag aankomen. Het was geen grap. Ze wilde ruimte geven en mijn deels reële maar vooral ook vermeende wens om afstand te bewaren respecteren.

Ik ben in de buurt bekend komen te staan als iemand die de coronamaatregelen probeert na te leven. Dát komt met de werkelijkheid overeen. Ik ben er bewust mee bezig, word liever niet ziek en wil bovenal zo weinig mogelijk bijdragen aan het vergroten van het risico op virusverspreiding. Het is inmiddels opgeblazen en leidt een eigen leven.

Bij het begin van de uitbraak, toen de urgentie om bij elkaar vandaan te blijven hoog was, heb ik vermoedelijk de toon gezet. Een andere buurvrouw dan bovengenoemde wilde een kinderbureau van ons overnemen. Ik hield me bewust afzijdig toen ze het kwam bekijken, want was licht verkouden. Melanie en ik tilden het tafeltje daarna naar beneden en plaatsten het buiten de poort, zodat de buren het daar zelf konden ophalen.

Ik weet het niet zeker en moet oppassen met gevolgtrekkingen (daar heb ik therapie tegen gevolgd), maar heb sterk het vermoeden dat dit de basis is geweest voor de typering van mij als extreem strikte. In mijn eigen beleving ben ik minder streng in de coronaleer dan het beeld doet vermoeden, al moet ik toegeven meer dan gemiddeld op te letten, voor mezelf en anderen.

Dat dit uitmondde in een aansporing om voor mij opzij te gaan, gaf daar wat koninklijke allure aan.

Woudaapje

Aan de mensen met verrekijkers om de nek, zoomlenzen aan de schouder en statieven in de aanslag maakte ik op dat er een zeldzaam dier in de buurt was. Op weg naar mijn zwemstek kwam ik zo’n spotter tegen. Ze verontschuldigde zich, ze woonde toevallig dichtbij, waarna ze vertelde dat de aandacht uitging naar een woudaapje en meteen erachteraan dat het een vogel betrof. Niet een gansachtige – zoals ik onwetend opperde – maar meer zoals een reiger. Ze had vlot een foto paraat: inderdaad een reigerachtige, een meer gedrongen lid van de familie. Apart om te zien, wat waarschijnlijk niet zo was geweest als het dier zo algemeen voor zou komen als de reiger zelf.

Na een berichtje in de winterzwemappgroep, waar ik een primeur dacht te hebben dat het tumult om de woudaap draaide en meerdere mensen aangaven die allang te hebben gehoord of gezien, kwam een ander met een tip waar ik foto’s kon vinden. Die mensen langs de waterkant hadden al talloze meldingen gemaakt en afbeeldingen geplaatst op een waarnemingensite, mogelijk dé waarnemingensite, deel van een parallel universum waar een simpel mens als ik tot dan toe geen weet van had. Je ziet het zo: iemand meldt iets te hebben gezien en een horde stapt opgewonden in de auto om op de genoemde plek samen te klitten, in de hoop dezelfde waarneming te doen.

Ik begrijp de opwinding een klein beetje, heb even om de hoek gekeken. Niets gezien. Daarbij, de mussen in de achtertuin zijn attractief genoeg.

foto: Waarneming.nl / Benjamin Simmelink

Dienaamoo

Er was gereld, welgeteld drie straten van ons huis. Wij merkten daar pas wat van toen we de volgende dag het nieuwsbericht erover lazen. De tekst over wat er in de wijk gaande was geweest, bevatte een curieus onderdeel. Er bleek gegooid te zijn naar de politie, oké (niet oké!), maar behalve met de te verwachten stenen en bewaard vuurwerk, ook met fietsdynamo’s.

Wie gooit er met fietsdynamo’s? Waar hadden ze die dingen vandaan gehaald? Zijn die lui fietsenrekken langsgegaan om onderdelen eraf te schroeven? Of namen ze een doos mee uit de schuur of, er zijn hier veel flats, uit de berging? Van mij hadden ze een snufje sympathie gekregen als ze voor autospiegels hadden gekozen.

Fietsdynamo’s, het is eens wat anders dan eieren en rotte tomaten. Nogmaals, hoe kom je aan die dingen om mee te gooien? Heeft een subversieve fietsenmaker ze soms uitgedeeld? Zijn het de volgende keer derailleurs? Of neem gelzadels, die komen minder hard aan als je zo nodig iets wilt gooien. De boodschap komt dan ook wel over.

Het zou kunnen dat ik iets over het hoofd zie, dat er symboliek schuilt in het gooien van fietsdynamo’s. Een roep om verlichting misschien. Elders gingen de brandkranen open, hier dynamo’s naar hoofden, mogelijk een uiterst geraffineerde manier om bestuur en gemeenschap iets duidelijk te maken.

De intelligentie van die jongens inschattend echter, vraag ik me af of ze überhaupt wisten wat het was waar ze mee gooiden, hoe dat heette, hoe je het woord spelt.

Zomer

Ik zweet me de blubber. De temperatuur in huis loopt van dag tot dag verder op. De warmte is inmiddels tot in alle vezels van het houten staketsel doorgedrongen. Het helpt niet dat de muren aan de buitenkant bekleed zijn met antracieten leitjes en dat we grote oppervlakten raam hebben waar het zonlicht door naar binnen kan. Afschermen lenigt enige nood.

Grote troost is het opblaasbadje in de achtertuin. Een kwartier in de dertig centimeter water garandeert twee uur afweer tegen de hitte. Niet dat ik er elke twee uur in zit, hoewel ik me ook wel afvraag waarom niet. Verder heb ik toch niet veel te doen, of beter gezegd kies ik ervoor niet veel te doen. Een klein klusje kan net genoeg zijn om wat bevrediging te schenken. Bijvoorbeeld de tuinslang uitrollen, het badje iets bijvullen (met wat schuldgevoel) en de tuinslang opruimen, net genoeg.

Of het straatje achter vegen. ’s Ochtends vroeg heeft een man, waarschijnlijk in opdracht van de gemeente, onkruid langs de schuur gemaaid. Het opruimen heeft hij zonder mededeling aan de bewoners gelaten. Geen probleem. Het maaisel en wat blad dat er al lag zijn gortdroog en laten zich zonder tegensputteren door de bezem verplaatsen. Het spul is zo licht dat het met een zucht in de afvalbak belandt.

Na een paar uitlopers van de blauweregen te hebben geknipt, is het weer tijd voor verkoeling. Melanie is klaar achter haar laptop en komt erbij zitten. Het waterpeil stijgt nog een paar centimeter. Goed zo.

Asfalt

We waren aan een mountainbikeroute begonnen die werd aangeduid als ‘best pittig’ en volgens een recensie voor lekke banden zou kunnen zorgen. Dan maakte het niet meer uit hoe mooi het weer was en dat we alle tijd hadden, dan verschenen voor mij de beren. De klassieke rol van de vader die het voortouw neemt, heeft me nooit gepast. Melanie neemt dat maar op zich, als de moeder dan, die het voortouw neemt.

Ik voelde zeker druk me groot te houden, door te zetten en me niet te laten kennen, maar niet voldoende om die drie dingen daadwerkelijk te doen. Na de eerste klim zei ik er genoeg van te hebben. Er moest per slot van rekening iemand in de groep zijn die begon met klagen. Het vooruitzicht lang in het dorpje te moeten wachten tot de anderen terugkwamen, weerhield me ervan meteen om te keren.

Intussen had ik wel de kaart op zak, waarop na ongeveer de helft van de route een korte weg terug te zien was, waarschijnlijk over licht glooiend asfalt. Die nam ik, kocht bij een kiosk een flesje fris en trapte nog een vlak stuk in de richting waar de anderen vandaan zouden komen. Voldaan na de tocht fietsten ze me tegemoet. Ik had niet het idee dat het ze erg deerde dat ik eerder was afgehaakt. Melanie een beetje, hoorde ik later. Bij die jongens van 14 en 15 kun je het nooit zeker weten. Ik heb ze maar op een ijsje getrakteerd.

Klooster

De zomervakantie staat op het punt van losbarsten, voor zover daar veel verschil in is met de afgelopen tijd. Nog anderhalve maand en de kinderen kunnen naar verwachting weer normaal naar school. Melanie werkt dan nog wel de helft van de week thuis. Allicht zal het een verbetering zijn. Net als ik ieder ander zijn of haar eenzaamheid gun, gun ik mezelf de mijne.

Terwijl het doorgaans een negatieve connotatie heeft, beschouw ik eenzaamheid voor mezelf als iets waardevols. Dat zal te maken hebben met mijn positie, waarbij het gebrek aan tijd alleen groter is dan de behoefte aan gezelschap.

Het woord is makkelijk uit elkaar te trekken. Vind ik soms leuk om te doen. Dan is ‘-heid’ eenvoudig iets wat is, afhankelijk van wat eraan voorafgaat: verlegen, vroom, kwaad. In het geval van eenzaam houden we iets over dat in twee delen gesplitst kan worden. Te beginnen met ‘een’. Dit zou kunnen wijzen op iemand alleen, een persoon op zichzelf, een individu. Daarna komt ‘zaam’, makkelijk omgevormd tot samen. Het individu is samen, met zichzelf. Niet met iemand anders, want dan vervalt de betekenis van het geheel. Misschien is hij of zij samen met iets, samen met de dingen in en om zich heen. Samen met diepte, waar je anders niet aan toekomt.

Ik hou van ze, hoor, vind het heerlijk om bij ze te zijn en wil ver blijven van geklaag. Tegelijk koester ik mijn tijd alleen. Het klooster in mij laat zijn klokken horen. Zes weekjes nog.

foto: Fred van Daalen / Willibrordus Abdij, Doetinchem

Miezer

Het was een druilerige dag. De wens een bepaald boek te bezitten dreef me naar de binnenstad. Ik had het ook online kunnen bestellen, daar was het zelfs drie euro goedkoper, maar ik wilde het diezelfde middag open kunnen slaan. Bovendien moest de fysieke boekhandel blijven bestaan, al was het maar om soms een boek meteen in handen te kunnen hebben. Dus ik door de miezer op de fiets.

Mijn interesse in jazz was minder dan een week daarvoor wakker geschud door La La Land, behalve een liefdesverhaal ook een ode aan de muziek. Met mijn jongste had ik de film in twee sessies gekeken. Daarna nam ik een documentaire tot me over het leven van Miles Davis. Zie daar maar eens onbewogen bij te blijven. In een oogwenk was er honger naar meer achtergrond en het volgende moment had ik The History of Jazz van Ted Gioia op het oog.

In de winkel sloeg de twijfel toe. Op de plank stond ook How to Listen to Jazz. Zelfde prijs. Zou ik eerst moeten leren ernaar te luisteren of eerst over hoe het was ontstaan? Ik baalde, want was juist zo zelfverzekerd op mijn doel afgegaan. Ik wist nu niet wat te kiezen, wilde in ieder geval met iets naar huis. Hoe lang kon ik op die afdeling dralen zonder voor terrorist te worden aangezien? Onder die druk koos ik de geschiedenis, waarschijnlijk ook vanwege de lange lijst luistersuggesties achterin. Had ik wat te doen, als het zulk weer bleef.

Geluid

Sorry, ik ben laat. Gistermiddag kon ik niet schrijven. Rond lunchtijd werd een Bluesound Powernode 2i bezorgd, streamer en versterker. Mannendingetje, zou je zeggen, regelrechte rukkerij, maar toen het apparaat er eenmaal stond, moest Melanie haar scepsis, met name ingegeven door de kosten die ermee gemoeid waren, laten varen en kon ze niet anders dan het geluid waarderen.

Mijn plan was geweest om de doos nog een nacht dicht te laten en het genot op te bouwen. Zo zou ik ook gelegenheid hebben gehad je op tijd van een blog te voorzien. Mislukt. Ik moest mijn nieuwe liefde meteen uitpakken om te weten hoe ze voelde. Vervolgens zien hoe ze op haar plek zou staan. De stappen daarna konden niet uitblijven: luidsprekers eraan, stroom erop. Spanning ten top. Van de eerste luistersensatie maakte mijn hart een sprong. Er zat diepte in, en scherpte. Het sprankelde. Ik was er verbaasd over wat die twintig jaar oude beestjes links en rechts nog voort konden brengen. Dit was volwassenheid. Dit was de sprong voorwaarts waar ik op had gehoopt. Na een tijd zoeken en overwegen stond dit er maar mooi. Lekker! Ik geef toe, het blijft een mannending.

Pas bij het aansluiten van de tv kwamen de problemen. Ze kostten me de rest van de middag. Er kwam een mail naar de winkel bij kijken. Weer zenuwen, want als dit niet zou lukken, hadden we een voor de helft waardeloos apparaat in huis. Het lukte. Alleen had ik nog geen stukje. Nu dan.

Jong

Ik loop drie jongens voorbij, waaronder dat dikkerdje uit jeugdserie Spangas. Tijdens het passeren lacht hij naar me. Ik grijp hem vast en dol wat met hem. Het volgende moment wandel ik op een pad langs de snelweg. Bij een brug over het water zie ik een ander groepje jongeren. Het is inmiddels donker. Op mijn vraag of ze staan te wachten antwoorden ze bevestigend. De brug gaat open. De boot die erdoor vaart is niet zichtbaar vanaf onze positie. Even later wel. Het is een zeilboot zonder mast met twee jongens erin. De brug had niet open gehoeven. Het is een eerbetoon van de brugwachter. Het bootje draait het kanaal op en schampt aan de overkant de kade. Vervolgens sta ik in een overdekt winkelcentrum voor een gesloten supermarkt. De transparante rolluiken zijn bewerkt met graffiti. Tussen de verf door zijn medewerkers te zien, druk in de weer. Men vraagt mij naar boven te gaan. Er staan proefjes opgesteld: bekerglazen met rode vloeistof. De anderen zijn ermee bezig. De bedoeling is me niet duidelijk. Een student komt naar me toe en probeert vergeefs uit te leggen hoe het in z’n werk gaat. Ik opper hardop dat het veel te ingewikkeld is. De student sist en maant me tot stilte, opdat de professor het niet hoort. De wekker gaat. Ik strompel de trap af, klap de laptop open en begin te typen. Onder meer bovenstaande. Bij het teruglezen komt de vraag op of dit het eigenlijke leven is of dat.