Tingel

Als mijn medicijnen bijna op zijn, laat de apotheek me weten dat ik nieuwe kan halen. Het is een uitkomst. Ik kan nog behoorlijk georganiseerd, gedisciplineerd, opgeruimd en goed bij de tijd zijn, als het op pillen aankomt grijp ik soms zomaar mis. Dankzij de zogenoemde herhaalservice hoeft dat niet meer.

Geluk zit soms in een klein hoekje. Op de weg terug van mijn wekelijkse rondje langs winkels werd ik woensdag door mijn telefoon geattendeerd op een binnenkomend bericht. Ik ben iemand die daarvoor geluidjes ingeschakeld heeft. Het schijnt aan de leeftijd te liggen. Ik heb een tijdje zonder geprobeerd, maar kon daar niet aan wennen en zette de tingeltjes weer aan.

Om te kijken wie me probeerde te bereiken stopte ik langs de kant van de fietsstraat. Schijnt ook aan de leeftijd te liggen. Ik graaide mijn telefoon uit een jaszak en zag dat het een melding betrof van de apotheek. Daar was ik net een meter of twintig voorbij. Een medewerker moet, precies op het moment dat ik voorbijreed, op de knop ‘verzenden’ hebben gedrukt.

In de weer en aan de slag

Mijn bescheidenheid belet me niet te vermelden dat ik lang voor de hausse al in koud water zwom. De stek van mijn clubje is een veld bij de grootste van de Maarsseveense Plassen, zo’n drie kilometer van waar ik woon. Soms ga ik erheen op de fiets, soms te voet. De route voert onder meer door een natuurpark en over een beklinkerde weg, de Westbroekse Binnenweg.

Daar was het dat ik afgelopen zomer met een man in overall in gesprek raakte. De drie voorgaande dagen had ik hem aan het werk gezien bij een hek en was nieuwsgierig geworden naar de precieze aard van zijn bezigheden. Normaal ben ik er niet toe geneigd mensen vanuit het niets aan te spreken. Het zal een mild hypomane bui zijn geweest die er deze keer toe leidde dat ik het wel deed. De man reageerde vriendelijk, amicaal bijna, en maande me eerst om, met het oog op het risico aangereden te worden, van de weg af te komen. Daarna begon hij gebarend te vertellen dat het hek de toegang zou worden voor afvoerende vrachtwagens van de achtergelegen kas. De fundering diende te worden verstevigd.

Alle details van het maken van de bekisting en het storten van beton kwamen aan bod. Het ging me te snel om precies te volgen. Ik knikte maar. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat de man meer aan het zeggen was dan de uitleg alleen. Je kent dat. Omdat het leeuwendeel van zulke extra betekenissen langs me heen gaat, heb ik er altijd moeite mee. Of misschien komt het doordat ik überhaupt denk dat er van extra betekenissen sprake is. In ieder geval zijn handwerkslieden er in mijn ogen uitermate bedreven in om een bouwwerk van metaforen op te trekken. Ondanks dat ik het maar deels begrijp, heb ik ontzag voor de wijsheid die erin schuilt.

Zelf heb ik, gezien mijn permanent voor arbeid afgekeurde staat, nooit voldoende met mijn handen kunnen werken om zoiets te ontwikkelen. Een blauwe maandag was ik hulpje van een hovenier, lang geleden, en ik ben een paar jaar fietskoerier geweest. Dat zijn de indrukwekkendste items op mijn cv als het om fysieke arbeid gaat. Schrijven, al is het pennen of tikken, is toch vooral hersenwerk.

De man raakte intussen niet uitgepraat. Het onderwerp fundering was al een tijdje achter de rug. Er was nog veel meer te vertellen, over de omgeving en andere van zijn werkzaamheden, en het leek erop dat hij wachtte tot ik hem zou onderbreken. Dat deed ik dan maar. Ik vertelde spontaan wat mij daar bracht, dat ik het jaar rond in de plas zwom, soms op de fiets ernaartoe en anders te voet. Hij reageerde met woorden die wel duidelijk waren en me sindsdien veel waard zijn. ‘Goed werk,’ zei hij, ‘mooi werk is dat.’

Dit verhaal verschijnt in het najaar in Plusminus, blad voor manisch-depressieven en betrokkenen. Een eerdere en kortere versie stond in MGT, voor winterzwemmers.

Pasvorm

(naast lezen kun je dit blog (voor het eerst) ook beluisteren)(kies voor ‘listen in browser’)

Er is al zoveel ellende in de wereld en dan moet de routine van mijn woensdagochtend er ook nog eens aan geloven. Lange tijd ben ik erg in mijn nopjes geweest met die routine, zowat kunst te noemen, vanwege haar steevaste karakter en pasvorm, ze zat als gegoten.

Halverwege de zomer heeft de online supermarkt haar bezorgtijden gewijzigd. Voor die tijd was mijn venster perfect. Aansluitend kon ik mijn vaste rondje maken langs bakker, kaasboer en visboer voor respectievelijk goed brood, goede kaas en uitstekende haring. Bij die winkels hoefde ik weinig meer te zeggen, ze wisten wat ik wilde hebben: ongesneden, boeren belegen, met uitjes.

Toen de bezorgservice de verschuiving naar drie kwartier later aankondigde heb ik nog een poging gedaan dat tegen te houden door een appje te sturen: dat ze dan helaas een klant kwijt waren. Zij wisten waarschijnlijk al dat het zo’n vaart niet zou lopen: dat ik vast een ander bezorgmoment zou vinden. Het is ze gelukt me in de tang te nemen. Ik zit vast aan het gemak. De winkel kan naar believen mijn tijdsgewricht uit de kom rukken.

Tot overmaat van ramp is Cindy een tijdje terug gestopt met het verkopen van brood. Ze kon het niet meer bolwerken. En erger nog: de bakker is gestopt met bakken. Die is in de zeventig en had genoeg van het extreem vroege opstaan. De bakkerswinkel is er nog, alleen verkopen ze er ongeveer hetzelfde als in de supermarkt. Je begrijpt nu wel dat ik met de handen in het haar zit.

Op een minuut of tien van mijn route, vooralsnog mentaal een grote afstand, bevindt zich een andere bakkerswinkel waar zelfgebakken brood over de toonbank gaat. Dat biedt enige hoop. Deze week was ik er. Dat ik er was, betekent in dit geval dat ik er voor de deur heb gestaan zonder mijn fiets op slot te zetten. Het was er druk, een volle winkel. Ik kan er niet meer tegen om met veel mensen in een kleine ruimte te staan, zeker niet met oude mannetjes. Onverrichter zake keerde ik terug en ging langs een supermarkt.

Het zal nog veel voeten in de aarde hebben. Er kunnen maanden voorbijgaan eer een nieuwe, bevredigende routine zich heeft uitgekristalliseerd. Tot die tijd is het, ik kan niet anders zeggen, behelpen en afzien.

Botsen

De mensen fietsen hier alsof ze bijna te laat zijn voor school of werk. Het eiland krijgt de grootsteedse gejaagdheid er niet uit. Daar is meer voor nodig dan één of twee weken vakantie. De eilanders zelf, in hun bestelbusjes, hebben ook haast, wellicht met reden, er moet in het hoogseizoen hard worden gewerkt. Ze weten precies wat kan tussen de gehuurde fietsen. De meeste fietsers zijn ook vaardig genoeg om elkaar en de busjes op hoge snelheid te passeren en zo nodig te ontwijken.

Ook oudere mensen gaan niet op hun gemak voort. Zij hebben zich voorzien van e-bikes en moeten net zo goed ergens op tijd zijn, een trein halen of het avondmaal niet missen. Zo lijkt het.

Ik fiets met een gezin. De andere drie hebben een hoger tempo dan ik. Zij passen bij de rest van de tijdelijke eilandbevolking. Ik ben degene die uit de toon valt met mijn traagheid. Vanuit de staart van het peloton roep ik herhaaldelijk dat het te snel gaat. Of ik haal de vaart eruit door even aan te zetten en dan vooraan te blijven fietsen.

Het is ook een kwestie van esthetiek. Ik kies ervoor kalm aan te doen, dat vind ik mooier. Het geeft me de gelegenheid om de omgeving in me op te nemen, en bovenal mijn ritme te vinden en contact te houden met de grond. Anders bots ik als het ware tegen mensen en dingen op.

Voorafgaand aan de tocht naar een gezamenlijke activiteit op het strand zegde ik toe me voor die ene keer aan te passen. Of ik ze bij zou houden, was niet de vraag, dat was geen probleem, ik ben fietskoerier geweest. Het bleek toch flink doortrappen. Op zeker moment hield ik mijn jongste, die voor mij fietste, niet meer bij, tenzij ik me tot zwetens toe in wilde spannen. Een matig windje kwam bovendien vanachter een duin en belemmerde het happen naar lucht. Lichte paniek. Ik kon mezelf snel herpakken. Er was intussen een afstandje ontstaan. Mijn zoon fietste eigenlijk ook rustig, zag ik toen, alleen met een hogere snelheid, op zijn eigen tempo.

Ladders

Het jaarlijks terugkerende schoonmaken van de dakgoten en het daarmee te combineren zemen van de ramen boven staan al enige tijd voor de deur. Op zich best overzichtelijke klusjes, alleen heb ik ineens de moed niet meer om een ladder op te gaan. ‘Dan moet je het ook niet doen,’ zegt een stem in mij. Een andere stem zet daar tegenover: ‘Stel je niet aan, beklim dat ding gewoon met angst en al, dan valt het vast mee.’ Het is niet eerlijk. Zij zijn met twee en ik moet in mijn eentje besluiten wat te doen.

We hebben zelf geen ladder, die leen ik van de buren. Dat had meer voeten in de aarde dan verwacht. Die van buurman 1 bleek niet hoog genoeg. Buurman 1 verwees me daarop naar buurman 2, die hij vorig jaar een ander exemplaar had geschonken. Samen met mijn oudste haalde ik ladder 2 op bij buurman 2 een straat verderop. Bij thuiskomst zag ik dat de voeten niet meer deugden, eentje was versleten, de ander helemaal weg. Het leek me niet veilig die te gebruiken en we brachten ladder 2 de volgende avond terug. Toen konden we meteen bij buurman 3 terecht voor ladder 3, die nu in de achtertuin ligt. Mij is verzekerd dat die, hoewel hij uit maar twee delen bestaat, tot aan de dakgoot reikt.

Na al deze voortvarende actie is het grote uitstellen begonnen. Ik word langzaam steeds zenuwachtiger bij de gedachte wat me te wachten staat. Ik dronk koffie bij mijn ouders. Zij raadden me onomwonden af het zelf te doen. Of ik het niet aan mijn zoon over kon laten, opperden ze. Ben ik al zo oud? Bij de plas zag ik vriend Piet. Kort daarvoor was hij met pikhouweel, stijgijzers en koorts door de Pyreneeën getrokken, verre van bang uitgevallen dus. Hij drukte me op het hart voorzichtig te doen: ‘Er zijn al veel ongelukken met die dingen gebeurd.’ Dat zou het duwtje geweest kunnen zijn.

Daar komt bij dat ik ook over de huidige ladder (nummer 3) niet tevreden ben. Het is sowieso een oud ding (sorry buurman 3) met een compleet rechte constructie. Er zit aan de onderkant geen verbreding die een eventuele zijwaartse beweging van de gebruiker op zou kunnen vangen. De ongunstige scenario’s nemen de overhand in mijn hoofd.

Enkele maanden geleden kwam er een louche type aan de deur die aanbood voor een vast bedrag de dakgoten te reinigen. Die wimpelde ik resoluut en met enige trots af: ‘Nee hoor, dat doe ik zelf.’ Evenzo ging het met de glazenwasser. Ik denk dat ik mijn houding tegenover de vaklui moet herzien.

Siroop

Dezer dagen ben ik afhankelijker van Melanie dan anders. Zolang ik me daar bewust van ben, lijkt het me geen probleem. Ze fungeert als een lijn naar de buitenwereld. Zelf ben ik grotendeels aan huis gekluisterd, in de tuin verblijf ik ook weleens.

Zij gaat naar haar werk, ze heeft twee halve banen. Ze spreekt af met vriendinnen voor etentjes, of met collega’s in het café. Ze wandelt samen met anderen. Ze komt thuis met verhalen.

Bij mij blijft het summier. Van armoede vertel ik soms maar wat ik in de supermarkt heb meegemaakt, of de caissière me vriendelijk begroette of niet. Op de dagen dat het lukt om naar de plas te gaan, kan ik vertellen hoe druk het daar was. Verder komt het niet van veel. Zo gaat dat in een dal na een periode van pieken. Dan helpt het een beetje me op te kunnen trekken aan een partner die vol in het leven staat. Halverwege de middag kijk ik vaak al uit naar haar thuiskomst.

Bij wijze van borrel nemen we sinds een tijdje in plaats van bier een groot glas ijskoude limonade. We hebben ontdekt dat het niet zozeer om de alcohol gaat. Het gaat erom aan het eind van de dag even samen te zitten. Ik heb er speciale siroop voor aangeschaft. De glazen komen uit het vriesvak. De ijsklontjes zijn gewoon ijsklontjes.

Als ze de komende twee weken met vriendinnen op vakantie is, ga ik mijn best doen de nieuwe gewoonte in mijn eentje vast te houden. In die periode zal blijken hoe afhankelijk ik werkelijk ben, of dat ik me juist met gemak staande kan houden. Duidelijker dan Huub van der Lubbe van De Dijk kan ik het niet zeggen: ‘een man weet niet wat hij mist/ maar als ze er niet is/ weet een man pas wat hij mist’.

Op twee manieren te interpreteren.

Gaatjes

Voorafgaand aan een tandartsafspraak nam ik een lorazepam. Er moesten twee gaatjes worden gevuld en ik herinnerde me slechte ervaringen. Ik heb altijd moeite mijn slikreflex te onderdrukken, ook als een buisje mijn hele mond droog zuigt. Het zorgt voor een zich herhalend ongemakkelijke situatie, want de tandarts heeft liever dat mijn mond openblijft terwijl hij aan het werk is.

De greep naar het medicijn was gauw gedaan; ik gebruik het al een tijdje dagelijks op vaste momenten, onder meer om in slaap te komen. Ik begrijp evenwel dat het op dit moment oneigenlijk gebruik was. De huisarts, die het voorschrijft, zal het vast afkeuren.

Het werkte echter niet alleen in de tandartspraktijk, maar ook onderweg heen en terug. Zo ontspannen, met name terug, had ik lang niet op de fiets gezeten.

Ik heb doorgaans een rustige rijstijl, met een kalm tempo, indien nodig het overige verkeer gul de ruimte gevend. Tegelijkertijd, merkte ik nu met die pil in mijn mik, ben ik normaal toch altijd licht gespannen en wat angstig over wat ik tegen kan komen.

Helaas moet ik vaststellen dat dit voor een groot deel van mijn leven geldt. Ergens, en ik heb wel een idee waar en wanneer, is die algemene vrees erin geslopen. De verlammende werking is diep doorgedrongen en uit zich vaak in vermomming. Als tegenzin bijvoorbeeld, dat is nog tamelijk recht door zee. Een lastiger variant van angst speelt mee bij het maken van keuzes, wel of niet ergens aan deel te nemen, wel of niet ergens naartoe te gaan. Ogenschijnlijk gaat het dan om heel rationele afwegingen, maar intussen…

Om weer vertrouwen te krijgen zou ik vaker zo ontspannen moeten zijn als vandaag, me nergens druk om maken en door de stad rollen. Ooit kon ik het zomaar, zonder hulp.

Het is aanlokkelijk om de lorazepam voor meer gelegenheden in te zetten, ware het niet dat het erg verslavend is. Bovendien stopt de huisarts een keer met voorschrijven. Het zal ergens anders vandaan moeten komen. Ontspanningsoefeningen? Yoga? Ik moet daar nog eens over denken. Het scheelt alvast te weten dat het nog kan, dat het ergens in me zit, ontspannen over straat.

Het vullen van die gaatjes viel uiteindelijk reuze mee. Dat zou aan het pilletje te danken kunnen zijn, maar net zo goed aan de meevoelende tandarts, die ik deelgenoot had gemaakt van mijn ongemak. Volgende keer weer zonder proberen.

Engel

In de nasleep van de manische episode zijn er ronduit slechte dagen. Mijn frustratie is groot dat het niet wil zoals tijdens de manie. Ik heb even mogen proeven van die vrijheid, het vanzelfsprekend in contact zijn met mijn omgeving, de ruimte. Het is moeilijk te verkroppen teruggeworpen te zijn. Het voelt als weer bij af, hoewel ik ook wel weet dat er enige vooruitgang is. Die is soms moeilijk te ontwaren door het gordijn van incidenten. Op de goede dagen heb ik er minder last van.

Dinsdag was een slechte. De avond ervoor had mijn telefoon door toedoen van een ander (Melanie, onbedoeld, dat wel) een boog door de lucht gemaakt en was op de vloer gesmakt. Het scherm reageerde op geen enkele aanraking meer. Na enig zoeken op de laptop bleek er een repairshop in Shoppingcenter Overvecht te zijn. Hopelijk kon het touchscreen vlot worden vervangen. Je moet er al niet aan denken om zonder telefoon te zitten, laat staan dat het werkelijk zo is. En daar ging het niet eens om.

Ik kwam die ochtend met veel moeite uit bed. Het verse voornemen, en dit zou gezond moeten zijn, goed wakker worden, is om ’s ochtends vroeg een wandeling te maken: zeven uur op, half acht de deur uit. Deze keer was ik om vijf over half acht weer thuis en lag ik luttele seconden later onder het dekbed. Het werd een lastige dag, weinig aan te redden, tenzij ik de rest van de tijd binnenbleef, waar ik ook niet blij van zou worden.

Er moest in ieder geval iets met die telefoon. De man in het winkeltje zei dat de reparatie een halfuur tot drie kwartier zou duren.

In plaats van wachten deed ik een paar boodschappen. In de supermarkt ging het mis. Dit blog leent zich er niet voor om te vertellen wat precies. Als zich een incident heeft voorgedaan, volgen er meer. Het zal met gebrek aan rust te maken hebben. Ik verloor de controle, er zat niets anders op dan doorgaan, reed nog naar de apotheek voor een bestelling en fietste daarna, voor zover mogelijk op mijn gemak, rond het winkelcentrum. Weer bij het winkeltje bleek de reparatie bijna klaar.

Voor de resterende tijd wachtte ik buiten, een beetje aan de kant, trachtend uit de loop te blijven. Het lukte maar matig een passende houding aan te nemen, sloeg mijn armen over elkaar.

Links van me kwam een vadsige Marokkaan aanlopen. Hij zei vrij luid iets, zonder dat er iemand bij hem in de buurt was. Zijn haren en baard waren onverzorgd. De opdruk op zijn vaalwitte shirt was tot onleesbaar verwassen. Vlak bij mij zei hij nog iets. Ik hoorde niet wat. Het volgende moment met zijn hand lichtjes op mij onderarm verstond ik hem wel: ‘Ik hou van je. Het gaat prima.’

Treetje lager

Het was even leuk, alles uitvoeren wat ik in mijn hoofd had, me niet laten weerhouden door tegenzin. Ik heb het drie weken volgehouden. Ineens lukte het niet meer.

Misschien maar beter ook. Ik had mijn nieuwe leefstijl tegen Melanie al getypeerd als on edge, zo ervoer ik het. Het was vol van activiteit, met continu een lichte spanning. Ik kreeg veel gedaan, dat zeker, maar het kostte ook wat. Mijn hoofd maakte overuren. Ik was steeds in een staat van opwinding, ook tijdens de momenten voor ontspanning. Ik raakte vermoeider en kwam slecht tot rust. Dit was geen manie, dat weet ik, maar had er makkelijk in kunnen uitmonden.

Het vreemde aan zo’n fase is het geloof dat het blijvend zal zijn, dat het dus geen fase is maar het begin van een nieuwe manier van leven, dat het vanaf nu voor altijd zo is, en goed, beter misschien. Ergens zit dan toch dat onmatige in mij, een hang naar alles of niets. Dat het nog niet geheel ging als gehoopt zou een kwestie van wennen zijn. Ik was overtuigd van de heilzame werking op de lange duur.

Daarnaast nam ik anderen, in stilte, de maat. Zij zouden moeten zien hoe ik het aanpakte en het zelf ook zo doen. Ik zag wat er bij hen aan schortte, of wat ze in mijn recent verworven visie juist goed deden. Ik popelde naar de eerste vraag van iemand hoe ik dat nou deed, een leven zo vol van energie en doelmatig ingedeeld.

Daar ben ik weer van genezen, of laat ik zeggen, het is weer terug op normaal peil. Hoewel het idee me nog steeds aanspreekt om zonder zeuren te doen wat je moet of wilt doen, ben ik een treetje lager gaan staan. Ik beschouw het nu meer als een oefening dan als een ijzeren wet. Die drie weken waren blijkbaar nodig om daarachter te komen. Nooit te oud om te leren, schijnt, en blijkt.

Inmiddels laat ik af en toe (of vaak) weer wat schieten. Het kan juist bevredigend zijn om iets anders te doen dan volgens rooster. Het is soms zo weldadig om een plan te laten vallen en iets anders te doen, iets waar ik op dat moment dan echt zin in heb, veel meer dan wanneer ik het vooraf had gepland.

Ik heb tijdens de afgelopen periode wel het plan opgevat om een opleiding te volgen, tot ervaringsdeskundige (ervaring ruim voldoende, nu de deskundigheid nog), en het ziet ernaar uit dat dat plan uitgevoerd gaat worden. Sowieso iets aan overgehouden dus. Plus een nieuwe schutting, vermoedelijk, de oude is in ieder geval weg.

Aan het water

Het was 1972. The Beatles waren twee jaar uit elkaar. The Godfather draaide in de bioscoop. ‘Hamelen’ kwam voor het eerst op tv. Voor de laatste was ik te laat geboren om er iets direct van mee te krijgen.

Als dit blog verschijnt ben ik, deo volente, op Texel. Mijn ouders zijn 50 jaar getrouwd. Dat vieren we met een lang weekend op het eiland. Voor zover ik me kan herinneren ben ik er niet eerder geweest en ik ben ook al bijna 50. Dat zegt iets over de reden dat het huwelijk op stel en sprong geregeld moest worden. Ik was erbij, in wording.

Mijn moeder komt uit een katholiek nest, mijn vader, voor zover dat te vergelijken is, uit een socialistisch. Ik weet niet precies hoe ze elkaar hebben ontmoet, ik dacht in een vriendengroep. Het verhaal gaat dat hij haar een keer thuisbracht met de brommer en vervolgens een ongeluk kreeg. Ik zal nog navraag doen naar de details. Mijn vader belandde in het ziekenhuis, mijn moeder zocht hem op en toen was het aan. Tijdens een skivakantie, waar ik verder geen details over wil weten, werd ik verwekt.

Mijn kindertijd was overwegend gelukkig, al weet ik er nog maar weinig van, zeker geen gedetailleerde herinneringen van dag tot dag. Een paar beelden verschijnen voor mijn geestesoog.

We woonden aan het Utrechts Jaagpad langs de Nieuwe Rijn. Met zwemles werd daarom niet getreuzeld. Er was een straatje tussen ons huis en het water. Een muurtje vormde de erfafscheiding van de voortuin. Als ik het goed heb was boven in dat muurtje ruimte voor plantjes. De voordeur leidde naar een zelf getimmerd halletje. In de achtertuin hadden we een stenen zandbak, favoriete schuilplaats voor dikke spinnen. Binnen was tussen de trap en de overloop een grote schuifdeur. Een etage hoger bood de zolder onder meer ruimte aan mijn bed en een uitgebreide verzameling LEGO. Hangend uit het dakraam had ik zicht op het water. Aan de kade lag ons polyester bootje met een kleine buitenboordmotor. We konden daarmee heel Leiden door.

Als ik er zo voor ga zitten, merk ik, komt er toch best veel boven, met name ook de zorgeloosheid van die tijd. Die is een belangrijke bron geweest om later, in moelijker tijden, al dan niet bewust, op terug te kunnen vallen. Ik ben mijn ouders er dankbaar voor, voor het creëren van die omstandigheden, de geborgenheid en later ook de veilige haven.

Ondanks dat ik naar geen van die jaren terug zou willen – ik ben niet in de wieg gelegd voor nostalgie – doet het me goed wat herinneringen op te halen. Dit weekend leent zich uitstekend voor de mooiste.

Energie

In het wilde weg coachen kan niet meer, zeker niet nadat Arjen Lubach er onlangs een fileermes overheen haalde. Het overschot aan coaches in Nederland is zo groot dat ze van ellende elkaar maar gaan coachen. Ze zijn er in vele soorten en maten, inderdaad soms op het belachelijke af. Had ik dat drie jaar geleden kunnen weten? Denk het wel. Toch had ik het niet in de gaten en noemde ik mezelf wandelcoach. Het zit inmiddels verankerd in de uitingen waarmee ik mijn praktijk onder de aandacht probeer te brengen, bijvoorbeeld in de domeinnaam.

Hoe zou ik het dan willen noemen? Als ik flyers rondbreng en mensen vragen ernaar, zeg ik het meestal zo: ‘Ik verzorg individuele wandelingen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid.’

Het is hoe dan ook lastig om voet aan de grond te krijgen. Ik heb wel een paar keer wandelingen verzorgd, voornamelijk voor mensen die ik al begeleidde als online schrijfcoach. (Verdraaid, dat ben ik ook nog. Ik kom er niet onderuit. Dan moeten een paar andere coaches er maar mee ophouden.) Die deelnemers van de cursus herstelverhaal wilden ter aanvulling of ter afsluiting van hun traject een keer met mij op pad. Prima. Dat was een beginnetje, waar vooralsnog weinig tot geen vervolg op is gekomen.

Ik moet aan de bak om bekendheid te geven aan mijn aanbod. Ik ben ervan overtuigd dat ik iets voor mensen kan betekenen (en het kost weinig), alleen moet ik eerst naar hen op zoek, opdat zij mij vinden. Zoiets. Zij kunnen natuurlijk net zo goed iets voor mij betekenen, zo zinvol is het wel om iets voor een ander te kunnen doen. Echter, zolang we elkaar niet treffen, valt er weinig te betekenen.

Sinds kort stap ik eens per week op de fiets met een stapel flyers in mijn tas, een handige wandeltas die over één schouder hangt, te leen van Melanie. Ik richt me vooral op instanties die met gezondheid te maken hebben, bij voorkeur geestelijke gezondheid. Een vriendin met een psychologiepraktijk, gevraagd naar tips voor locaties, meende dat flyeren niet veel effect heeft. Sociale media zouden meer opleveren. Daar werk ik ook aan, met mate. Voor nu voelt het vooral goed om er fysieke energie in te steken, die trappers rond te laten gaan op zoek naar klanten.

Het is een taai proces. De gedachte om het maar te laten zitten komt geregeld bij me op. Voor wie doe ik dit eigenlijk? Ik heb besloten me niet van de wijs te laten brengen door dat soort vragen. En of het nu ‘coachen’ heet of ‘wandelingen verzorgen’, er komt vast een keer de loop in. Of niet, dan heb ik toch gedaan wat ik kon.

Dus als je iemand bent of iemand kent die een keer wil wandelen: www.markwandelcoacht.nl