Bijwerking

Mijn gewicht nam in twee maanden tijd met zes kilo toe. De dosering antipsychoticum was fors omhooggegaan. Die heeft als bijwerking dat je ervan aankomt. Dat gebeurt indirect. Mijn stofwisseling verandert, waardoor ik meer trek krijg. Als het lukt daar niet aan toe te geven, is er niets aan de hand. Dat is niet makkelijk, zeker niet in een wat wiebelige staat. In de nasleep van de manische ontregeling bleek het eerder voor de hand te liggen van alles weg te eten. Overigens was ik tijdens die acute crisis een kilo of twee lichter geworden. Per saldo ging het dus om vier kilo in de plus, met uitzicht op meer.

Om te voorkomen binnenkort als een tonnetje door het leven te gaan, ondernam ik actie. Ik veranderde van de ene op de andere dag een aantal gewoontes; vooral dingen eraf, hier en daar iets vervangen door iets anders. Het is de bedoeling dat het grootste deel van die veranderingen blijvend is.

Na een week nieuw dieet herinnerde ik me dat de buurman onlangs verteld had over de ramadan en hoeveel het zich overdag onthouden van eten en drinken hem geestelijk had gebracht. Mijn aanpak is milder. Toch meen ik te merken dat het matigen meer met me doet. Het gaat ook over wat er achter dat onnodig in mijn mond stoppen en gedachteloos achterover klokken zit. Zonder er heel dramatisch over te doen, zie ik nu duidelijker wat ik wilde verdoezelen. Ik leer van wat ik niet consumeer. Mooi meegenomen.

Walhalla

‘Zo, daar zitten we weer,’ verzucht een vrouw tegen een paar bekenden, nadat ze zich op haar kleedje heeft geïnstalleerd. Zonder het zelf te weten luidt ze daarmee het seizoen in.

Op de eerste dag dat de kleren onbekommerd uit kunnen, verandert de mooiste plek op aarde in een walhalla voor naakte zonaanbidders. Op anderhalve handdoek afstand ligt iemand, aan weerszijden en ook voor en achter mij. Ik heb me erop verkeken hoe druk het zou zijn. Anders was ik ’s ochtends al gaan zwemmen.

Het is jammer dat veel mensen de aantrekkingskracht van dit veld kennen, die ze door hun aanwezigheid grotendeels tenietdoen. De zon en de warmte zijn zeker welkom. Het valt me alleen weer tegen dat ik bij deze omstandigheden niet langer een van de weinigen ben die graag aan het water vertoeft.

Ik mijmer erover dat ik al jaren vergeefs probeer me te verzoenen met dit gebrek, me ertoe te verhouden op een manier dat het ook voor mij aangenaam is. Het blijft een treurige zaak dat ik, buiten de paar mensen om die me na aan het hart liggen, niet alleen op deze wereld ben.

Dan stapt een man die ik niet eerder heb gezien het water uit en kijkt om zich heen. Uit zijn woorden maak ik op dat hij hier voor het eerst is. ‘Er zijn hier alleen maar blije mensen,’ zegt hij. Ik kijk rond en zie dat hij gelijk heeft. Het maakt mij ook blij. Heel even. Voor deze ene keer.

Lezen

Het lukt me niet meer om boeken uit te lezen. Anderhalf jaar geleden boeide en vermaakte een dikke pil me zo dat ik er met een sneltreinvaart, voor mijn doen dan, doorheen ging tot het eind. Dat was de laatste. Van dezelfde schrijver ligt een andere roman op mijn bijzettafeltje, met de boekenlegger op nog geen kwart.

Bij non-fictie, op papier en elektronisch, overkomt het me ook. Soms ligt armoedig taalgebruik, waar ik niet doorheen kan bijten, eraan ten grondslag. Of het duurt te lang voordat een op de achterflap van een levensverhaal beloofde bevrijding begint te gloren. Of het begin is zo goed, dat de tweede helft weinig extra te bieden kan hebben.

Maar net zo goed dus bij romans, zoals bij eerdergenoemde auteur. Of bij een topschrijver wiens boek als meesterwerk wordt beschouwd. Ik heb het geprobeerd, ook omdat eerder werk van hem me goed was bevallen, maar nee. En er is een boek, erg goed, dat me zo dicht op de huid zit, zoals geen ander ooit, dat ik het weg moest leggen.

Het is een greep, zoals bijvoorbeeld ook drie werken van auteurs die ik bewonder. Daar ligt het niet aan. Ik ga zomaar denken dat het aan mij ligt dat ik de eindstreep niet haal. Ik heb geen zin om lang over oorzaak en uitweg na te denken.

Er is een sprankje hoop. Er is een uitzondering. Er is een boek dat ik kortgeleden uitlas. Maar daar heb ik dan weer het begin van overgeslagen.

Pet

In de diepte van mijn laatste psychose bereikte me een nummer van Nat King Cole: Smile. Anders dan de titel doet vermoeden is het een intens droevig klinkend lied. Het is zoet en rauw tegelijk. De eerste regels gaan zo: Smile, though your heart is aching/ Smile, even though it’s breaking. Met wel meer dat pijn deed en brak, raakte dit een snaar.

Mooi eraan vind ik onder meer dat er geen structuur in zit van couplet en refrein, het meandert wat. En bevat dit: Light up your face with gladness/ Hide every trace of sadness. Zie hoe het drie keer rijmt. Als ik in hem of haar geloofde, zou ik dit als rechtstreeks werk van god beschouwen.

Het lied herinnert me keer op keer aan een zelf bedachte opdracht. In de hoop het een beetje heel te houden sluit ik het gebod in mijn hart. Ik oefen ermee, niet zoals je wellicht verwacht voor de spiegel, maar vooral wandelend en op de fiets. Zo’n beetje voor mezelf, onder de klep van mijn pet. De benodigde spieren blijken in onbruik te zijn geraakt. Ik moet moeite doen om die mondhoeken wat op te trekken.

Nazoeken leert dat de melodie filmmuziek is uit 1936 van ene Charles Chaplin, achttien jaar later van tekst voorzien door John Turner en Geoffrey Parsons. King Cole voerde het geheel als eerste uit. Er volgden daarna nog velen. Het lied is veel bekender dan ik dacht. Hoeveel mensen met mij oefenen op deze wijs hun glimlach?

Lucht

Toen een vriend me erop wees, was ik me er al van bewust. Later hoorde ik het hem zelf zeggen. Ik ging opletten wie zich er nog meer aan bezondigde. Mijn gezinsleden bleken er kwistig gebruik van te maken. Ook mijn schoonouders betrapte ik erop. En mijn eigen moeder. Zelfs een mattie, net als ik een onwankelbare taalpurist, liet zich niet onbetuigd.

‘Zo’n onbeduidend stukje tekst dat alleen dient om stiltes op te vullen,’ noemt de site van van Dale het, een stoplap. Hetzelfde artikel rept van bekende gevallen als ‘wat dat betreft’ en ‘zeg maar’. Dat zijn frasen die er vaak tussen worden gemoffeld.

Mijn ontdekking komt in de regel aan het einde van een zin, of is eigenlijk na de punt een zinnetje op zich. Mensen gebruiken het, en ikzelf dus ook, in de spreektaal als een boodschap gezegd is en er nog wat lucht over is. Je zou het ook kunnen interpreteren als een soort leesteken: het is klaar, maar nog niet helemaal. Het komt daarnaast van pas, is mijn persoonlijke ervaring, om de strekking van een stelling wat te relativeren.

Het is hier niet nodig voorbeelden te noemen. Je gaat er, nadat je dit hebt gelezen, vanzelf op letten. Je komt het binnenkort een keer tegen, is het niet bij jezelf dan bij een naaste of een ander die je spreekt. Het geeft niet dat het gebeurt. Wat dat betreft overkomt het ons zeg maar allemaal. Dat neemt niet weg dat het foeilelijk is. Of zo.

Uitzicht

Wat we werkkamer noemen onderging jarenlang een geleidelijke metamorfose. Terugkijkend is het een fase geweest van onbewust voorsorteren op een nieuwe situatie. Voor het blote oog onzichtbaar werd het meer míjn kamer.

Na een korte, heftige crisis tussen Melanie en mij, waarin we ontdekten ieder meer tijd en ruimte voor zichzelf nodig te hebben, kwam de verandering in een stroomversnelling. Als ik boven zit, is de woonkamer haar domein. Allebei blij.

De boel hoeft niet helemaal om. Het aanpassen zit ‘m in kleine dingen.

Eerder was de stoel, een strak Gispen fauteuil, al van plek gewisseld. Die staat nu met de rugleuning naar de boekenkast, waar ik voorheen naar zat te loeren. Het geeft rust dat de ruggen met auteurs en titels uit mijn blikveld zijn. Er is een uitzicht naar buiten voor in de plaats gekomen, dat ik dik tien jaar over het hoofd heb gezien. In dit jaargetijde verdwijnt het flatgebouw op de achtergrond in hoog tempo achter het groen.

Daarnaast komt er iets nieuws aan de muur. Ik las onlangs dat je bent waar je naar kijkt. Sinds het verschijnen van mijn boek hing het omslag van Verwarde man in de kamer, uitvergroot op een glazen plaat. Ik heb lang genoeg naar dat papieren bootje gekeken. Dat krijgt een minder prominente plek.

De vrijgekomen ruimte benut ik voor de Japanse rolschildering die ik een tijd terug via een veiling kocht. Of ik dan de berg Fuji word, weet ik niet.

Boven het bureau komt een schrijvende monnik.

Eenmalig

In januari begon ik met het fotograferen van bomen met op de achtergrond tienhoog-flats. Van beide zijn er genoeg in onze wijk. Er is bij de aanleg, zo’n vijftig jaar geleden, voor gekozen om veel ruimte te laten tussen de gebouwen. Nu is er een overdadige hoeveelheid groen, overigens tussen een behoorlijke hoeveelheid beton. Het laatste valt een bezoeker en waarschijnlijk ook veel bewoners het meest op. Ondanks de alomtegenwoordigheid moet je een beetje je best doen om het groen te gaan zien, of te blijven zien.

In de winter waren de takken kaal en kwam er wat meer voorstellingsvermogen bij kijken. Het contrast was wel goed zichtbaar, tussen het strakke van de woonlagen en het chaotische groeien ervoor. Ik wist dat het achter de ruiten vol was van veelkleurig leven, en dat leven zag ik weerspiegeld in het gekronkel ervoor dat ongeremd zijn weg vond.

Per keer dat ik met de camera eropuit ging, wilde ik me beperken tot één geschikte foto. Uit de beste heb ik later een selectie gemaakt en voor mezelf af laten drukken in een boekje. Een paar mensen aan wie ik dat liet zien, vonden dat ik er een grotere oplage van zou moeten maken en proberen dat in de wijk te verspreiden. Daar heb ik over nagedacht. Een uitspraak van een filosoof kwam op, dat het soms al voldoende is om een idee alleen maar te denken, meer niet. Dan ben ik hier al een stuk verder mee. Vooralsnog hou ik het erbij.

Tieners

Tijdens een wandeling zagen we op een informatiebord het antwoord: augustus 2009. Een dag eerder op de fiets naast onze jongste had ik me hardop afgevraagd wanneer de grote natuurbrand in de duinen was geweest. Daarbij dacht ik aan een jaar of vijf geleden, hij aan meer. Het bleken er dus bijna twaalf.

Minimaal zo lang hebben we de gewoonte om in de lente dit gebied te bezoeken. Melanie en ik kunnen, ons door het bebouwde gedeelte bewegend, op veel plekken vaststellen dat we daar ooit een huisje hebben gehuurd. We zijn, zou je kunnen zeggen, gevorderde Schoorlgangers.

Ineens zijn we, het hoefde geen verrassing te zijn, met twee tieners op vakantie. Misschien is dit het laatste jaar dat we ze meekrijgen op deze trip, misschien ook niet.

De te ondernemen activiteiten veranderden naar gelang hun leeftijd. De schepjes en emmertjes hoeven niet meer mee naar het strand, een vlieger kan nog wel. Het valt erg mee hoe makkelijk de jongens het huisje verlaten voor een fietstocht of een stuk wandelen. Ze hebben intussen zelf in de gaten dat een hele dag aan hun schermpje gekluisterd niet tot bevrediging leidt. De bereidheid om een gezelschapsspel te doen blijkt ook hoog.

Het is zo vanzelfsprekend en tegelijkertijd een wonder om met een veertienjarige en een zestienjarige op stap te zijn, die zich langzaam beginnen los te weken en het toch heel fijn vinden om een midweek onder de hoede van hun vader en moeder te zijn.

Ook dat gaat onherroepelijk voorbij.

Als dit blog je bevalt, kun je hieronder inschrijven om het te volgen.

Boos

Omdat ik zo baalde aan het eind van de middag nog naar de supermarkt te moeten, had ik me voorgenomen me te vermaken. Het laatste waar ik me aan ergerde, besloot ik, was de dikke auto die vet op de stoep stond geparkeerd. Een oude vrouw op een scootmobiel kon er met moeite langs. Terwijl ik best iets wilde slopen, een buitenspiegel bijvoorbeeld, hield ik me in.

Naast het volle fietsenrek was de paal van een verkeersbord vrij. Ik zette mijn fiets zoals altijd, al was het maar voor vijf minuten, aan de ketting. Ik wilde zeker niet degene zijn die achteraf moest zeggen: ‘Ik was maar heel even binnen…’

Het genieten kon aanvangen. Gezellig die rij voor de ingang. En kijk, er hoefde onderling geen afstand meer te worden bewaard. Binnen konden mensen rustig snuffelen in de rekken met non-essentiële spulletjes. De slalom op weg naar de twee dingen die ik ’s ochtends was vergeten, was een dans. Van pret pakte ik twee blikken bier mee. Bij de kassa vroeg een vrouw aan de caissière hoe heet de rode pepers waren. Ik had het zo naar mijn zin, dat ik niet inzat over de verloren tijd. Na het afrekenen liep ik opgewekt naar buiten.

Daar ontplofte ik. Tot mijn afgrijzen staken mijn fietssleutels nog in het kettingslot. Hoe stom kon ik zijn? Te veel aandacht voor die auto gehad. Ik was boos, niet eens opgelucht, of toch een beetje, dat niemand met kwaad in de zin het had gezien.

Als je het nog niet gedaan hebt, kun je hieronder inschrijven en dit blog volgen.

Onderwerp

Mijn oude mentor en vriend is er slecht aan toe. Naar eigen zeggen had een windvlaag hem omver geblazen en was hij op straat beland. Dat resulteerde in een gebroken heup, op een nare plek. Een ontsteking vergiftigde zijn lichaam, waardoor hij in het ziekenhuis snel achteruitging.

Sinds die buiteling was een maand voorbijgegaan, toen zijn vrouw en Melanie elkaar tegenkwamen. Zij had geprobeerd ons te bereiken. Van het vaste nummer gaat de telefoon alleen nog over aan de kant van de beller.

Bezoek is intussen niet meer mogelijk, zo in de war is hij. Het is de man die mij altijd in de war bracht met zijn verhalen in alle richtingen. In eerste instantie raakten zijn uitweidingen kant noch wal. Later plaatsten ze me vaak voor een raadsel.

Over één ding was hij wel duidelijk: ‘Als ik zo kon schrijven als jij, zou ik het over heel andere dingen hebben.’ Een compliment en een suggestie. Misschien heeft hij gelijk. Ik zal er keer aan moeten geloven om mijn egocentrisme opzij te zetten. Ik wil nog lang door met dit blog. De koek zal een keer op zijn, wat mezelf betreft. Herhaling ligt op de loer.

Zelfs nu ik over hem begonnen ben, kom ik bij mezelf uit.

Ik hoop Hans nog te spreken, of op z’n minst te zien. Dat ik over een onderarm kan strijken, zacht in zijn hand kan knijpen en weet dat het goed is. Voor hem. Een blik is voldoende. Het is nog niet voorbij.

Geraniums

’s Ochtends zag ik een man zich laven aan een paar zonnestralen die door de ruit vielen waarachter hij zat. Ik dacht aan iemand anders op leeftijd die er genoeg aan had om alleen maar in zijn fauteuil te zitten. En ook aan nog iemand anders, ruim in de negentig, die vaak alleen maar, vanaf de elfde verdieping, naar het wuiven van de boomtoppen hoefde te kijken. ‘Ga zitten en doe je te goed aan je leven,’ stond in haar handschrift gedrukt op het bedankje na de uitvaart.

’s Avonds was de afwas al vroeg klaar. Ik wist even niet wat aan te vangen, had geen zin in boek, krant of tijdschrift. Ik kon eens doen als die man.

Gedurende het kleine uur dat ik zat kwam niemand langs op het pad voor ons huis. In het park erachter liet een vrouw haar hond uit. Er reed een scooter voorbij. Twee duiven zaten binnen mijn gezichtsveld op een tak. Getuige de plakkaten op de klinkers eronder was het hun vaste plek. Een dag eerder had ik de een boven op de ander zien klimmen. Ze hielden zich nu in op dat gebied.

De lage zon speelde met de lamp van de lantaarnpaal. Het leek of die brandde, veel feller dan normaal. Daar heb ik een foto van gemaakt. Verder niet.

Het viel niet mee om alleen maar te zitten. Het zal vast nog jaren duren eer ik dat makkelijk kan. Dit zag ik maar als voorschotje op mijn oude dag.