Personeel

De rode loper reikte tot driekwart van het plein voor de supermarkt. Mijn winkel had een verbouwing van twee weken ondergaan. De meeste artikelen stonden op een andere plek, de paden waren breder en de deuren van de koeling vielen vanzelf dicht. De mensen die er werkten waren niet veranderd.

Er is het meisje waar iets mee is. Ze spreekt soms vrijuit klanten aan op hun gedrag, tegen het ongepaste aan. Er is de wat oudere vrouw met het sterk uitgedunde haar. Een pruik zou haar niet misstaan.

Er is de man van de zuivel, klein van stuk, beetje knorrig om te zien. Ik groet hem soms, als het zo uitkomt. Hij zegt dan iets terug. We hebben nooit een gesprekje gevoerd, zoals hij dat weleens met anderen doet. Dan lacht hij wel. Ik ben een beetje jaloers op die andere mensen, heb aan de andere kant geen behoefte aan een praatje.

Dan zijn er de giletjes. Zij onderscheiden zich met hun kleding van het andere personeel, dat het met T-shirts moet doen. Alleen de groenteman heeft een pet van de zaak, een groene, en een schort. De giletjes zijn in mijn beleving uitsluitend mannen tussen de dertig en de veertig. De filiaalmanager hoort erbij, al weet ik nooit precies wie van hen dat is. De mannen hebben een zekere inwisselbaarheid.

Natuurlijk is er de drankenman, die het bier, de sappen en de frisdranken onder zijn hoede heeft. Mogelijk ook de wijn. Hij heeft daarnaast de taak om met de dweilmachine de vloer schoon te houden. Voor de verbouwing lag er bij de koelvitrine met kaasjes en borrelhapjes altijd een plasje water. Er stond een geel bordje bij om te waarschuwen voor gladheid.

Tot slot is er de dame bij de zelfscankassa’s. ‘Mag ik controleren?’ vraagt ze in haar gebrekkige Nederlands als mijn mandje of karretje aan de beurt zijn voor inspectie. Ik vermoed bij haar iets van achterdocht, alsof ik niet het beste met haar en haar collega’s voorheb.

De winkel heeft een metamorfose ondergaan, de mensen misschien ook een beetje. Nog even deze eerste dag doorkomen, waarop hotemetoten de lakens uitdelen en jongelui gratis tassen. Daarna kan alles terug naar normaal. Hoewel, het zal wel even puzzelen zijn voor ik mijn boodschappen weer op de juiste volgorde op mijn lijstje heb.

Uit de schaduw

Ik heb de uitgang van de grot weer gevonden. Nu ik buitensta en me omdraai zie ik de opening niet eens meer; er is alleen maar rots, omgeven door struikgewas. Het blijft mysterieus hoe stemming en energie zomaar kunnen veranderen. Het is goed voor het zelfvertrouwen om te denken dat het mijn eigen verdienste is geweest. Het lijken toch vooral andere krachten die me dat duwtje uit de duisternis hebben gegeven. Het kunnen de mensen om me heen zijn, of de invloed van het ontluikende voorjaar. Ik ga weer bijna dagelijks naar de plas, wandel vaker. Als het balletje eenmaal begint te rollen, komt er vanzelf meer in beweging.

Hoe pijnlijk soms ook, het proces fascineert me. Er is een stroom die me steeds naar beneden trekt en ook weer boven laat komen. Ik moet tegenwicht bieden, maar er ook een beetje in meegaan. Dat is achteraf makkelijk gezegd. Middenin de misère is het vooral lastig om niet te weten hoe lang het duurt en hoe diep het nog gaat. Zou het zo zijn dat ik een datum in mijn agenda kon noteren, dan was het meteen over.

Door de onduidelijkheid over wat er precies speelt – het is iedere keer toch weer anders – gaat het over meer dan alleen maar wisselende stemmingen. Het is ook een verhaal van weerstand en groei, van kopje onder gaan en boven komen drijven.

Er is ineens weer van alles mogelijk. Het leven glimlacht. Het wereldnieuws komt milder binnen; zelfs de oorlogsdreiging deert me nu minder. Ik heb weer vertrouwen, niet per se in een goede afloop, maar dat ik overweg kan met wat er op mijn pad komt. En ergens, ook als het leven tegenvalt, blijft dat vertrouwen. Het zou goed kunnen dat het zich juist verbergt in de grot.

Klaphekjes

Als ik ’s avonds aan tafel iets wil vertellen, moet ik het vaak hebben van mijn belevenissen in de supermarkt. Heel enerverend is het niet wat ik meemaak tijdens het boodschappen doen. Het is iets. Laat ik een voorbeeld geven.

In mijn tas zat een bescheiden assortiment aan lege flessen; plastic en glas, groot en klein. Bij het inleverpunt was ik de enige. Terwijl ik de verpakkingen aan de automaat voerde, bedacht ik om dat zo aandachtig mogelijk te doen. Het gewicht van een fles voelen, de precieze vorm waarnemen, het etiket, het restje onderin. Ik stak eerst, zoals het hoort, de bodem in het ronde gat en draaide de barcode alvast naar boven om het proces zo soepel mogelijk te laten verlopen. Van het einde van de band klonk hoe een bierflesje in een krat kukelde, of een prikfles in een bak.

Al doende gaf ik mezelf een imaginair schouderklopje.

Bij mijn supermarkt ga je na de flessenautomaat pas echt de winkel in. Twee van die klaphekjes scharnieren naar één zijde open. Aan de andere kant pakte ik een handscanner en schoot het meteen door me heen dat ik met al mijn overdreven aandacht verzuimd had een bonnetje te pakken. Het personeel was buiten stembereik en er kwamen geen andere klanten aan. Ik besloot het er maar bij te laten zitten en begon aan mijn route langs de schappen.

Bij de zelfscankassa, vlak bij de ingang, is ook een klaphekje. Aan de andere kant zag ik een bonnetje uit de automaat steken. Dat was het mijne. Een medewerker liet me er even uit, en weer terug. Eind goed, al goed.

Zou je denken. Bij de aankoopcontrole, die ook mij vaak overkomt, bleek ik de peren niet te hebben gescand. Toen de dame die mijn spullen checkte dat zei, wist ik meteen hoe het was gegaan. Ik had drie tomaten afgewogen en los in het mandje gelegd. De sticker hield ik even vast. Daarna pakte ik verpakte peren en plakte de sticker van de tomaten daarop. Ik had alleen de tomaten gescand.

Gesnapt. Schuldig, aan een foutje. Politie erbij.

Nee hoor, dat zou fictie zijn, wie weet een aardig verhaal. Misschien een andere keer. Voor nu bleef het bij deze werkelijkheid. Hier moest ik het die avond aan tafel mee doen.

Moeras

Het gaat nooit alleen maar slecht of alleen maar goed; de twee zijn onontwarbaar met elkaar verweven. Voorspoed wordt uit ellende geboren, en andersom. Ik ken de tip om in tijden van malheur aan het eind van de dag drie dingen te noteren die wel goed gingen, mijn zegeningen te tellen. Het zijn er veel, en toch.

Met slapen heb ik geen probleem, of het moet zijn dat ik het te veel doe. Ik lig ’s avonds niet laat in bed; rond half elf zal het gemiddeld zijn. Eerder dan tien voor half tien kom ik er niet uit.

De dag heeft me niet zo veel te bieden. Een glas verse jus. Soms lukt het om een uurtje te wandelen. Na de boodschappen is de ochtend voorbij en is het tijd voor lunch en rust. Ik lig een halfuur tot drie kwartier, en slaap ook. Aansluitend doe ik een afwasje: de ontbijtspullen, lunch en wat er nog stond van de vorige avond. Als het meezit schrijf ik iets.

Het is heel wat om ‘s avonds eten op tafel te krijgen. Het lukt, dat is het goede deel. Aan het keukenschort vastknopen gaat wel een hoop gesteun en gekreun vooraf.

Daarnaast zou ik meer aan het huishouden moeten doen, met name schoonmaken. Er is alle tijd voor. Het hoort er nu eenmaal bij. Maak er desnoods een spirituele oefening van. Of raffel het af. Maar doe het. En zeur niet. Iemand inhuren gaat me te ver; dan heb je daar bovendien weer gezeik van.

Het blijft een strijd.

Ik weet niet zo goed waar ik aan lijd. Ik ben niet depressief. Dat zou ik weten. Dit is anders. Naarmate ik minder doe – en de activiteit is momenteel tot een dieptepunt gezakt – kost het kleinste beetje al een berg energie, vooral om me ertoe te zetten. Laten we het houden op lamlendigheid. Ik wacht op iets van buitenaf, iemand die zegt wat ik moet doen. Wie heeft die autoriteit? Of een situatie die me tot handelen dwingt.

Ik voel me schuldig: er zijn mensen die wat graag willen en om wat voor reden dan ook niet kunnen. Of behoor ik tot die groep?

Het ligt uiteindelijk bij mij. Het beste dat ik kon bedenken was een nieuw leefschema. Dat staat op papier, nu alleen nog uitvoeren. Ik word moedeloos bij de gedachte. Ik geloof er niet in. Ik sta weer voor de taak mezelf uit het moeras te trekken. Hoe een verdomd makkelijk leven zich moeilijk kan voordoen.

Zwart

(dit is een vervolg op het blog van twee weken geleden)

Een dag eerder, hooguit twee, waren in dit deel van de stad de straten geveegd. De klinkers in de stoep vormden een rozerode loper. Vergeleken met het asfalt aan de overkant van het kanaal was dat een verademing voor mijn voeten. De kou verhinderde dat mijn kleren droogden. De ochtendschemer en de nevel maakten plaats voor een enigszins diffuus licht.

De eerstvolgende stop was weer een kerk, een rooms-katholieke deze keer. Na te hebben aangeklopt, wachtte ik een paar minuten. Het hadden er net zo goed tien als twintig kunnen zijn. Mijn horloge lag samen met mijn huissleutels op de bodem van een parkvijver. Ook hier ging de deur niet open. Ik liep nog een stukje. Bij de daklozenopvang op een steenworp afstand van mijn huis kon ik wel naar binnen.

Er werd net ontbijt geserveerd. Daar kwam ik niet bij in de buurt. Een echte dakloze kreeg mijn hand in het vizier. ‘Bloed! Bloed! Bloed!’ riep hij hysterisch. Het droop inderdaad van mijn vingers. Ik maakte me uit de voeten en liep twee verdiepingen omhoog. Boven vroeg ik een oude man met een handdoek om zijn middel naar een medewerker. Hij zei: ‘Je moet naar beneden, zo ver als je kan.’

Weer beneden kwam een jonge vrouw met blonde krullen behoedzaam op me af. Haar ogen waren zwart als kool, geen irissen. Na enige aarzeling begeleidde ze me naar een kamer met een bed. Ze zou droge kleren voor me zoeken. Ik ging languit.

Toen ze terugkwam met een broek en een trui, droeg ze blauwe latex handschoenen. Ze wilde stukjes uit mijn voetzolen halen. Ik verzocht haar het zonder handschoenen te proberen.

Er werd geklopt. Mijn zus en mijn beste vriend kwamen de kamer in. Ik had niemand gebeld. Ook bij hen ontbraken de irissen, alleen maar van die zwarte poelen.

De medewerkster verliet de kamer. We wachtten. De volgende gasten meldden zich ook met een bescheiden klop op de deur. Ze stelden zich voor als verpleegkundige en arts. De laatste legde een hand op mijn schouder en zei: ‘Je hebt hard genoeg gewerkt.’

De hulpverleners verdwenen. Even later verschenen de ambulancebroeders. Mijn zus en mijn vriend konden meerijden, de stad weer uit. Ik lag achterin vastgesnoerd op de brancard, mijn zus en een broeder ernaast. Mijn vriend mocht voorin. Ik hoorde hem aan de chauffeur vragen of de sirene aan mocht.

Sneeuwresten

Afgelopen januari, na drie dagen gladheid, waagden mensen zich weer naar buiten. Langs de randen van de weg lagen nog sneeuwresten. Ik fietste naar de apotheek.

Bij de oversteek van de Carnegiedreef, een brede weg met aan beide zijden vrijliggende fietspaden, stond een scootmobiel vast in een sneeuwhoop. Een oudere vrouw zat er roerloos op. Ze droeg een beige pufferjas tot over haar knieën en keek wat verdwaasd voor zich uit. Ik vroeg of ik haar kon helpen en zette mijn fiets al tegen de paal van een verkeersbord. Er kwam geen antwoord.

Duwen mocht niet baten: samen waren het apparaat en de dame te zwaar. Bovendien hadden mijn voeten weinig grip in de sneeuw. De vrouw probeerde nog eens vooruit uit de derrie te rijden. De wielen slipten. Achteruit durfde ze, blijkbaar bij gebrek aan zicht, niet aan.

‘Zal ik het stuur even overnemen?’ vroeg ik. Er kwam weer geen antwoord, de vrouw stapte wel af. Ik nam plaats op de zetel, mijn eerste ervaring op een scootmobiel.

De besturing sprak voor zich. Met gemak reed ik hem achteruit, naar een droog stuk op het fietspad. Nu moest alleen de vrouw nog uit de sneeuw en terug in haar stoel. Met een hand omklemde ik stevig haar linkerarm. Mijn rechterhand hield haar andere schouder in de greep. Zo schuifelden we langzaam richting scootmobiel. Ze werd onderweg iets mededeelzamer.

‘Ik heb van jongs af aan suikerziekte,’ het kwam er verontschuldigend uit.

‘Dat geeft helemaal niet,’ wilde ik bijna zeggen, maar het gaf natuurlijk wel.

‘Ik wil naar de Jumbo,’ zei ze.
‘Kunt u niet beter naar de Dirk, die is dichterbij?’
‘Bij de Jumbo zijn mijn vrienden.’

Intussen was iemand anders van de fiets gestapt om de vrouw bij het laatste stukje te ondersteunen. Het lukte. Ze kon weer op weg, op naar de supermarkt van haar keuze. Ik weet niet hoe de anderen erover dachten, maar mijn dag was goed. Niet vaak was ik zo in mijn element als nu.

Bij de apotheek haalde ik medicijnen uit de automaat. Achter me gleed een man uit op de stoeprand. Hij kwam op zijn billen terecht. Niets gebroken. Een papieren zakje was uit zijn hand gevallen en lag een stukje bij hem vandaan.

‘De medicijnen, ze zijn voor mijn vrouw,’ bracht hij wat paniekerig uit.
‘Die geef ik u zo,’ stelde ik hem gerust.

Ik hielp hem overeind en gaf hem het zakje terug. Nog beter kon het echt niet.

Toplaag

Het was maart in het laatste jaar van de vorige eeuw. Een groot deel van de nacht had ik in het buitengebied doorgebracht. Mijn broek was doornat, net als het onderste deel van mijn trui. Ik had geen jas aan en was blootsvoets; mijn schoenen en sokken lagen ergens onder een struik bij de toegang van een weiland. Ik leunde met mijn rug tegen de glimmend gelakte deur van een kerk. In de boom tegenover me kwetterde een merel de dag tegemoet. Hij liet soortgenoten weten: ‘Hier zit-ie hoor, hij komt er zo aan.’  Vanuit het gebouw klonk onbestemd gerommel en soms gepiep van scharnieren. De deur ging, ook na lang wachten, niet open.

In de stad was nog genoeg te doen, besloot ik. Een reis naar Jeruzalem was niet per se nodig. Ik kwam overeind en begon te lopen.

Straatlantaarns verspreidden een oranje gloed in de nevel boven de weg langs het water. Het was er stil. De vaart wist nog niets van de nieuwe wijk die op haar flanken zou verrijzen. Ik ook niet. Ik hield er stevig de pas in. De split in de toplaag van het asfalt bewerkte mijn onbeschermde voetzolen. Ik merkte het niet. Bij het talud van de brug over het kanaal versnelde mijn tred tot een looppas. Mijn ademhaling verhevigde. Er veranderde nog iets. Daar liep ik niet meer, daar liep Bruce Willis.

Pas een paar weken geleden, bij het zien van Die Hard, begreep ik dat de acteur mijn onderbewuste moest zijn binnengeslopen. Ik keek de film in de afgelopen kerstvakantie samen met mijn zonen, allebei te jong om getuige te zijn geweest van mijn grote avonturen.

De film begint in een vliegtuig. De man in de stoel naast John McClane (gespeeld door Willis) adviseert hem om ter ontspanning zijn voeten te ontbloten. Later volgt John die raad op. Vervolgens moet hij door kapotgeschoten glas lopen. Toen ik dat zag viel het kwartje. Ik moest de film al gezien hebben vóór mijn tocht. Zonder te weten wie ik nadeed, hing ik de superheld uit. Die ochtend dacht ik eerder aan Jezus dan aan John McClane.

Heuvelrug

We waren vertrokken vanaf Hollandse Rading en liepen via Lage Vuursche naar Soesterberg. Rond het middaguur zaten we midden in het bos. Het was de eerste lentedag en te warm voor de kleren die we droegen. De bomen, nog zonder blad, boden deels beschutting tegen de zon. Een stuk plastic beschermde onze billen tegen het vocht van de boomstronk. We aten gebakken ei op brood. De helft van de tocht voor die dag lag achter ons. Tot zover ging het goed.

De pauze was welkom. Mijn wandelconditie was slechter dan gedacht. Het lopen van de laatste weken was niet genoeg geweest. Ik wilde het liefst mijn ogen een moment dichtdoen en even weg zijn. De bosgrond leende zich er niet voor om op te liggen. We moesten door.

Toen ik opstond zwabberden mijn benen en werd het even licht achter mijn ogen. Mijn adem schoot richting strottenhoofd.

Het was er weer.

Ik zag meteen op tegen de nog af te leggen kilometers. Ik was bang onderuit te gaan. De controle te verliezen. Het speelde zich allemaal in mij af. Aan de buitenkant was niets te zien. Melanie vouwde intussen het zeiltje op en wurmde dat in de tas. Ik twijfelde of ik haar op de hoogte zou brengen. Het kon de sfeer bederven. Ik deed een paar stappen op het mos langs het zanderige pad en voelde weer wat stevigheid in mijn voeten.

Toch leek het me beter haar te laten weten hoe ik eraan toe was. Terwijl we onze weg vervolgden, zei ik: ’Ik zie het niet meer zitten. Het is me te veel. We hadden er niet aan moeten beginnen.’

Zij behield haar kalmte: ‘Blijf bij het gevoel dat je hebt. Probeer er niet van weg te gaan.’ Het werd er niet beter op. Het maakte mijn tred eerder zwaarder dan lichter. Toen zei ze: ‘Ik ben bij je.’

Dat hielp. Tussen de takken door bleef de zon volop schijnen.

Problemen

Het lek in de badkamer is boven water. Daar zou ik blij mee moeten zijn. Toch zit ik vooral in de zenuwen over de problemen die zich nu weer gaan voordoen. Bij de aansluiting van de douchekraan druppelt het, onmiskenbaar. De gipsplaten achter de tegels zijn doorweekt en moeten vervangen. Een tegelzetter is ermee bezig. Als het meezit komt er straks een loodgieter langs voor assistentie.

Klussen is niets voor mij, ook niet als het door anderen wordt gedaan. Ik zou er, als het mogelijk was, voor kiezen om niet in de buurt te zijn tot het werk klaar is. Zo is het niet. Ik moet beneden een houding zien te vinden, terwijl van boven gehamer en geklop klinken. Ik word geacht beschikbaar te zijn voor overleg, thee regelen, voor de vorm informeren naar de voortgang.

Ik begrijp niet goed waar de schoen knelt. Ik ervaar situaties als deze slopend. Dat is niet nieuw en ik ben er niet de enige in; met werklui over de vloer is het nooit ontspannen.

Zelf doen is overigens geen optie meer. Ergens in mijn leven heb ik de afslag genomen naar het bestaan van een niet-klusser. Mijn vader vertrouwde me vroeger nooit een hamer of schroevendraaier toe, deed het in plaats daarvan altijd zelf wel even. Bij mijn broer heeft het evengoed beter uitgepakt; die is wel handig geworden.

Het zou ook met mijn bange aanleg in het algemeen te maken kunnen hebben. Het gaat niet over klussen, het gaat over controle. Ik moet de loop der dingen kunnen overzien, liefst zo precies mogelijk weten wat me te wachten staat. Zo is het als ik een uitstapje maak, liever geen verrassingen. Of op vakantie ga. Zo gaat het met boodschappen doen: bij voorkeur in dezelfde winkel, met een lijstje in de hand, met benodigdheden in de volgorde zoals die in de schappen staan.

Zo zou het met klussen in huis ook moeten zijn, maar dat is in de praktijk nooit zo. Je weet niet welke onvoorzienbaars je tegenkomt, juist daarom heet het onvoorzien. Dat is dan wel weer een zekerheid, dat je ze tegenkomt.

Ik gooi al jaren het bijltje er bij voorbaat bij neer, laat het liever doen, hoewel daar dus lang niet alles mee gewonnen is. Ellende is in dit soort kwesties nooit helemaal te voorkomen. Ik neem een pilletje om de kalmte te bewaren en hou voor ogen dat het een keer allemaal klaar is. Het materiaal van de kist mag iemand anders bepalen.

Linnen

Deze week was ik blij als een kind van tien toen er een tweede Groene-tas door de brievenbus viel. Ik was weer in evenwicht. De linnen tassen zijn stevig en zeer geschikt om boodschappen in te vervoeren. Vol passen ze precies aan beide zijden in mijn fietstassen. Zo kan ik voortaan zonder het plastic, dat weliswaar herbruikbaar is maar na verloop van tijd toch in de vuilnisbak belandt.

De eerste tas gebruikte ik al een tijdje. Die had ik ontvangen omdat iemand via mij een proefabonnement op De Groene Amsterdammer had gekregen. Zonder verplichtingen; het stopte vanzelf. De tweede tas was vanwege een donatie aan een fonds voor onderzoeksjournalistiek. Ik moet wel toegeven het minimale bedrag te hebben geschonken om voor het presentje in aanmerking te komen. Evengoed snijdt het mes aan twee kanten, of drie: zij een lezer extra en steun voor onderzoek, ik in mijn nopjes.

Een associatie met De Groene staat in bepaalde kringen hoog aangeschreven. Dan hoef je hem niet eens te lezen of een abonnement te hebben. Met die tassen de supermarkt uit zwieren zou al voldoende moeten zijn. Ik laat me graag zien met mijn aanwinsten.

Het valt echter op hoe weinig aandacht mensen eraan besteden. Mijn tassen zijn, voor zover ik weet, nog geen blik waard geweest, laat staan een tweede. Nog niemand heeft er iets over opgemerkt, zo van: hé wat goed, je leest De Groene. Niemand heeft in het voorbijgaan zelfs maar schielijk het hoofd gedraaid om te zien wie daar loopt met die twee tassen.

Waar doe ik het dan eigenlijk voor, behalve die kleine milieuwinst? Misschien woon ik niet in de juiste buurt. Misschien zegt zo’n band met het tijdschrift niemand hier iets. Ik overweeg om in andere wijken mijn heil te zoeken; op naar Tuinwijk, Oog in Al, Wilhelminapark. Daar zijn ook winkels. Daar weet men mijn tasvertoon vast beter op waarde te schatten. Mensen hier in Overvecht hebben duidelijk wat beters te doen dan in de gaten houden hoe iemand zijn progressieve inborst uitdraagt tijdens het boodschappen doen.

Cursus

Het is tegen beter weten in dat ik nu nog probeer om een blog te schrijven. Het is vrijdagmiddag en idealiter begin ik op zondag met de eerste aantekeningen. De schrijfcursus zit in de weg. Iedere zaterdag is er online een les. Dan krijgen we een opdracht voor de volgende week. Het werk daaraan slokt me op.

Deze week heb ik een kort verhaal geschreven over een oudere vrouw die door de gladheid ten val komt en een heup breekt. Ze is eenzaam. Wat ik niet noem, maar wat moet blijken, is dat ze in een verpleeghuis terechtkomt. Zo kort gezegd is er niet veel aan. Toch is het een aardig miniatuurtje geworden, waar ik met mijn tong tussen de tanden aan heb zitten schaven.

Mensen zijn verbaasd als ik vertel dat ik een schrijfcursus doe: ‘Jij kunt toch al schrijven?’ Dat wil ik niet ontkennen, maar dit is anders. In de eerste plaats gaat het om verzonnen verhalen (gedichten en toneel komen nog aan bod). Mijn blogs hebben juist stevige wortels in de realiteit. Daarnaast passeren allerlei technieken de revue die kunnen helpen de lezer mee te nemen. Er is veel te leren.

Vanaf de eerste les draaide het niet alleen om schrijfvaardigheid, maar net zo goed om leesvaardigheid. Door over manieren van vertellen te leren ga ik ook wat ik lees anders waarderen. Ik begrijp beter waarom het is geschreven zoals het is geschreven, hoe gerenommeerde auteurs een verhaal voor het voetlicht brengen. Het is opvallend om te merken dat dit ook van toepassing is op goede films en series. Anders leren lezen en kijken is voor mij het meest waardevolle van de eerste helft van de cursus.

Ik kan moeilijk inschatten wat ik er verder mee ga doen. Wellicht is iets van het geleerde te integreren in mijn blogs. In dit geval, in dit stukje van vandaag, sijpelt er geen straaltje fictie tussen de regels. Wie weet komt dat later. Of het blijven gescheiden werelden, werkelijkheid en verbeelding. Ik ben benieuwd.