Rood

Het was donker op de terugweg. We praatten weinig in de auto. Dat is gewoon niet de plek waar we onze gesprekken voeren. Op de achterbank was het ook stil. Daar zaten de jongens met hun oordopjes in. Melanie zat achter het stuur. De enige bezigheid die mij restte, behalve roerloos op de bijrijdersstoel zitten, was het bestuderen van de achterwerken van andere auto’s op de snelweg.

Even tussendoor. Waar waren al die mensen naar op weg? Waar kwamen ze vandaan? Wat moeten ze hier? Lang geleden, toen het veel rustiger was op ’s lands wegen, deed de politie nog weleens onderzoek. Men verzocht automobilisten een vragenformulier in te vullen. Ik zou wat graag op een willekeurig tijdstip, maar het liefst op een zondagavond, een dergelijke actie uitvoeren. Waar was dit nou voor nodig? Natuurlijk waren we zelf net zo goed onderweg, maar ik wist waar wij het voor deden. Wat dreef al die anderen? Dit helemaal terzijde, hoewel dat lastig is voor een stukje van deze lengte.

Ik staarde naar de rode lampen voor ons, waar ik door bovenstaande terzijde minder over kan vertellen dan gedacht. Ik had iets los kunnen laten over wat dit duidelijk maakte over mij. Of bespiegelen over de maatschappij. Maar ik moest vooral denken aan de eerste uitzending van Wedden dat..?. De allereerste weddenschap werd uitgevoerd door twee Duitsers die aan het geluid van een dichtslaand portier een auto konden herkennen. Ik mijmerde of ik mee had kunnen doen met mijn kennis van remlichten.

Gong

In de slaapkamer, die ook dienstdoet als meditatieruimte, rust een met boekweitdopjes gevuld kussen op een vierkante, zwarte mat. Op de vloer staat een meditatieklok die het geluid van een gong kan nabootsen. In de dertig centimeter hoge Boeddha van beton past een theelicht, ter verhoging van de sfeer. Daar ligt het allemaal niet aan, maar ik heb onlangs besloten te stoppen met mediteren.

Het is zeker niet zo dat ik er niets aan heb gehad. Aan het begin van dit pad had ik het idee kalm en evenwichtig te moeten zijn, en geconcentreerd. Ik kon woedend worden op mezelf als ik merkte boos te zijn of ongeduldig of chaotisch of alles wat ogenschijnlijk niet bij zen hoorde. Dat ben ik voor een deel ontgroeid. Het gaat na dertien jaar veeleer om het onderkennen van emoties die ik heb en de staten waarin ik kan verkeren.

Het is niet mijn intentie om het gedachtegoed achter me te laten. Daar kan ik nog goed mee overweg. Alleen het met gekruiste benen aandachtig de adem volgen hou ik voor gezien.

Dit is een simpel besluit, dat echter diepere lagen kent. Die zijn op dit moment voor mij niet allemaal zichtbaar. De leraar, die ik het afgelopen halfjaar maandelijks zag, zei dat ik van het moeten af moest. Zie de paradox. Zijn advies was om te gaan zitten als ik ervoor voelde, en niet op een van tevoren bedacht vast tijdstip. Dat zou kunnen. De meditatieruimte en de benodigde attributen lopen niet weg.

Oefening

De rookmelders begonnen om beurten te piepen, niet omdat er rook was, maar omdat de ingebouwde batterijen, die je dan misschien accu’s moet noemen, het einde van hun levensduur naderden. Na demontage was op de rand te lezen dat ze nog zeker drie maanden stroom hadden moeten leveren, tot maart 2020. Mogelijk hebben de oefeningen in het begin van hun werkzame leven veel energie gevergd. Door op een knop te drukken kon ik handmatig het alarm af laten gaan, een hard, hoog en schril geluid, dat de reflex ontlokte om de handen tegen de oren te houden.

Ik had de kinderen geïnstrueerd als ze dat hoorden meteen uit bed te klimmen met ogen dicht, om belemmerd zicht te simuleren, en de trap af te gaan, liefst nog met iets van een lap voor neus en mond. Wie het eerst bij de deur was, moest die met de altijd in de cilinder stekende sleutel van het slot halen en opendoen. De oefening eindigde als iedereen beneden was. De jongens vonden het maar wat leuk.

De laatste keer is alweer jaren geleden. Nu de kastjes spontaan geluid begonnen te maken, om de zoveel minuten een bescheiden piepje, vooral vroeg in de ochtend, was het tijd om ze te vervangen. Bij dit type rookmelders werken de accu’s eenmalig tien jaar. Daarna moeten er nieuwe melders komen. Ze zijn onderweg. Ik voorzie na montage een paar gedegen oefensessies. Eens kijken of de jongens, die intussen pubers zijn, er nog steeds zoveel plezier aan beleven.

Baan

Er werd me een baan aangeboden door iemand die wist dat ik arbeidsongeschikt was. De vraag was daarna of ik een rijbewijs had. Heb ik, maar ik mag niet rijden. Preciezer gezegd, ik gebruik een medicijn waarbij het besturen van een voertuig wordt afgeraden. Het is onduidelijk hoe het verzekeringstechnisch zit als ik brokken zou maken of letsel veroorzaak.

Daar komt bij dat ik zo lang niet heb gereden, dat ik op z’n minst onzeker ben over mijn rijvaardigheid. Door de stad tuffen lukt wel. Ik weet de pedalen te vinden. Aan invoegen op de snelweg heb ik echt altijd een hekel gehad. Inhalen doe ik liever niet. Het inschatten van de snelheid van achteropkomend verkeer behoort niet tot mijn kwaliteiten. Daar kan ik beter niet aan beginnen zonder me eerst te laten bijspijkeren door een instructeur.

Ik kan er sowieso beter niet aan beginnen, zolang ik die pillen slik. Ik heb er eerlijk gezegd ook weinig behoefte aan. Alleen als er zo’n job opportunity langskomt, is het toch jammer dat ik het niet serieus kan overwegen.

Het was bij de bakker. Bij gebrek aan personeel staat de eigenaar soms zelf in de winkel. De eigenlijke bakker is in Culemborg gevestigd. Of ik daar een paar keer per week naartoe wilde rijden om brood te halen. Op zich best leuk dat hij het vroeg, maar ja, dat autorijden.

Later maakte ik een grove berekening hoe vroeg ik voor dat klusje uit bed moest. Dat zou al drempel genoeg zijn geweest.

Oegstgeest

De scheerkwast die ik gebruik (zou ik ook gewoon ‘mijn scheerkwast’ kunnen zeggen?), is zeker dertig jaar oud. De knop zit los. De haren worden ternauwernood bij elkaar gehouden. Bij mijn beste weten heb ik hem ooit van mijn goede neef Sander gekregen, met wie ik destijds behalve een familieband ook een hechte vriendschap had.

We ontlopen elkaar wat leeftijd betreft niet veel. Hij is van augustus 1972, ik van oktober in hetzelfde jaar. We logeerden vroeger vaak bij elkaar. Hij was gewend u te zeggen tegen zijn ouders, en waarschijnlijk nog. Aan tafel werd bij elke maaltijd gebeden en ’s avonds uit de Bijbel gelezen. Hij woonde in Oegstgeest, eerst in een huis met een tuin die onderbroken werd door een gemeenschappelijke achterom, later op een perceel dat grensde aan een slootje. Van daar konden we met een boot met buitenboordmotor naar het Oegstgeesterkanaal en verder als we wilden.

We zijn samen voor het eerst zonder ouders op vakantie gegaan, twee weken kamperen in Frankrijk. We reisden zwaarbepakt per trein naar onze bestemming. Ik weet niet meer precies waar dat was. Het was er in ieder geval warm zat.

Ik had al een vriendinnetje, wat toen vermoedelijk verkering heette, en dacht er helemaal niet aan haar een keer te bellen. Ik begreep na thuiskomst eerst niet waarom ze zo aangebrand was. Voor haar bleek het in die weken vooral wachten te zijn geweest. Voor mijn neef en mij vloog de tijd. Daar zal de aanwezigheid van jonge Françaises, die godbetert toen gewoon van onze leeftijd waren, zeker aan hebben bijgedragen.

Het was niet eens altijd mooi weer bij die camping aan het meer. Het begon ’s nachts een keer te stortregenen en te stormen, heel plotseling. Sander aarzelde niet. Hij kroop de tent uit om die met extra haringen en scheerlijnen te verstevigen. Met de gedachte dat twee in dit geval niet meer konden doen dan één, bleef ik achter. Dikke druppels torpedeerden het doek. Ik begreep dat mijn neef zijn eigen gewicht in de strijd moest werpen om te voorkomen dat de buitentent het luchtruim koos. Om toch iets bij te dragen, riep ik na een tijdje maar: ‘Hoe is het?’ Zijn onderkoelde antwoord luidde: ‘Een beetje vochtig.’ Zo naverteld zul je niet kunnen vermoeden hoe hard ik daar om moest lachen. Mijn held van het moment.

We zijn elkaar uit het oog verloren, hebben lang geleden een keer afgesproken in Utrecht. Daar is het bij gebleven. Hij woont nu met zijn gezin, waarbij ik er niet van op zal kijken als de kinderen u tegen hun vader zeggen, in Roden, ruim twee uur rijden van hier. En ik heb geen auto. Maar ik betwijfel of het veel had uitgemaakt als het een naburige plaats was geweest.

Het is prima om iets ouder te worden en te merken dat waardevolle dingen waar inmiddels ruimschoots afscheid van is genomen, hun waarde allerminst verliezen. Bovendien heb ik de scheerkwast nog, die ietwat gehavend op het plankje bij de wasbak staat.

Golf

Ik was met een stapeltje flyers op campagne bij een huisartsenpraktijk. Vooral die flyers, over wandelcoaching, moesten, in al hun uitmuntendheid, het werk doen. Ik vroeg of er een paar op de tafel in de wachtkamer mochten. Dat mocht niet. De praktijk organiseerde zelf al wandelingen, weliswaar in groepsverband. Het was ook een bezwaar dat ik een beetje geld vroeg voor de activiteit. Ondanks dat het al snel een verloren zaak bleek, had ik toch graag nog een woordje klaar gehad.

Er is veel goeds te zeggen over wat ik te bieden heb. Op papier is dat ook helemaal voor elkaar, prima teksten op de flyer en online. Oog in oog met een hulpverlener die elke week meerdere initiatieven langs ziet komen, liet mijn overtuigingskracht te wensen over.

Van één zo’n tegenvaller kreeg mijn geloof in eigen kunnen een knauw. Het kan toeval zijn, die ochtend deed zich ook een omslag voor van een licht hypomane fase naar een gematigd depressieve. Ik had zoveel gewild, of gemoeten, beter gezegd. En ineens hoefde het, scherp uitgedrukt, allemaal niet meer.

Het meest voor de hand liggende in een klimaat vol prestatie en succes zou zijn om vervolgens door te bijten, de schouders eronder te zetten en het werk op te pakken waar ik was gebleven. Dat zou mogelijk ook de verstandigste, gezondste en moedigste stap zijn. Ik koos voor het alternatief: meegaan met de stroom, het toelaten zoals het kwam en wachten, alvorens weer iets te ondernemen, op de eerstvolgende opwaartse beweging.

Ondeugend

Ik was jarig en kreeg een boek over alle 213 liedjes van The Beatles cadeau. Ik had al een sterk vermoeden gehad dat zoiets bestond en Melanie had het gevonden. Op de keukenweegschaal bleek het ruim twee en een halve kilo te wegen. Dat is afgerond 12,4 gram per song. Valt nog mee. Aan sommige nummers is zeker meer gewicht toe te kennen. Neem alleen al I Am the Walrus. Of I Want You (She’s So Heavy). Maar laat ik hier niet te veel in detail treden. Een paar niet fanatieken zijn toch al afgehaakt.

Nu we onder elkaar zijn, kan ik zeggen met andere oren te luisteren, sinds ik lees. Er is maar een klein beetje informatie nodig. Die gemiddelde 12,4 gram geeft een nieuwe kijk, die achteraf gezien erg voor de hand lag. Je moet er even op worden gewezen: John en Paul deugden niet.

Bij het optreden op het dak destijds brachten ze Don’t Let Me Down ten gehore. De frasen ‘I guess nobody really done me, like she done me’ ontlokten op beider gezicht een brede grijns. Een stuk eerder zongen ze bij de opname van Girl niet zoals afgesproken ‘dit dit dit’ maar ‘tit tit tit’. De rakkers. Het boek vermeldt wat dat woord betekent. Van Drive My Car weet ik nu ook dat die titel uitgelegd kan worden als, zeg maar, seks doen. En hoe kon ik zo lang denken dat een Ticket to Ride toegang gaf tot een streekbus, of misschien een achtbaan?

Vegetarisch

Eind augustus hing er zo’n einde-der-tijdensfeertje op aarde, urgenter dan anders. Hitte, sneller smeltende ijskappen, dito gletsjers, overstromingen, Greta. Het was niet langer verantwoord daar een het-zal-mijn-tijd-wel-durenhouding tegenover te zetten. Ik vond het een goed moment om een verschilletje te maken en stelde mijn gezin voor om in september geen vlees te eten, althans de uitdaging aan te gaan. Het grootste deel stemde daar meteen mee in. We maakten het niet heel moeilijk, vis mocht nog.

We kwamen de maand verassend goed door. Het bleek niet eens zo lastig om ons dieet aan te passen en we besloten voortaan weinig tot bijna geen vlees te eten.

Met die instelling in gedachten zocht ik een vegetarisch restaurant uit. Een bevriend paar had een etentje tegoed als dank voor bewezen diensten. Mijn inschatting was dat zij een vegetarische maaltijd wel konden waarderen. Het bleek een schot in de roos.

We kregen meerdere kleine hapjes voorgeschoteld die we mochten delen. Het was prima. Groenten op onverwachte wijze bereid, verassende gerechten met kikkererwten (uiteraard), sommige dingen zelfs veganistisch. De kok had duidelijk zijn best gedaan om er iets van te maken en het smaakte. Ook de conversatie was in orde. Mijn tafelgenoten waren helemaal content.

Alleen ik miste iets. Ik ben er blijkbaar zo aan gewend bij het eten in een restaurant. Het is die specifieke soort maagvulling, misschien ook de kenmerkende bite. Melanie dacht eerst dat het een grap was toen ik op de terugweg bij een snackbar wilde stoppen voor een frikandel speciaal.


Mijn boek Er zijn zoete appels zat ligt in de winkel: bijvoorbeeld bij Libris, hoewel onder ‘auteur onbekend’. Merkwaardig. Wel gratis bezorgd!

Schoolplein

Ik baalde vroeger ontzettend als ik de kinderen van school moest halen. Wachtend op het plein had ik weinig nodig om uit balans te raken. Zodra het kon, liet ik ze zelf naar huis komen.

Nu stond ik vanwege omstandigheden bij de middelbare school te wachten. Het duurde even. De telefoon bood wat afleiding.

Van rechts kwam een oudere vrouw met een boodschappentrolley aanlopen. Ze begon over de harde wind en dat de meeste bomen nog groen waren. Ik heb het grotendeels afgeleerd daar meer achter te zoeken dan wat er gezegd wordt. Ik lachte vriendelijk.

In een volgende zin vroeg ze wat voor werk ik deed. Op zo’n vraag is in mijn geval alleen een genuanceerd antwoord mogelijk, tenzij ik de honderd procent arbeidsongeschiktheid in de strijd werp. Ik heb eerder weleens bedacht dat in een vroeg stadium te moeten doen. Het mocht niet baten. Ze luisterde niet. De tang ratelde door. Ik bleef vriendelijk lachen.

Ik stond daar maar, terwijl het secreet met haar praatjes gehakt van me maakte. Het mens had het voorzien op mijn zwakke punt. Ze sloeg kennelijk aan op mijn herfstige blik. Er kwam een moment om te zeggen dat ze haar bek moest houden en doorlopen. Ik bleef glimlachen.

Ze wilde pas van wijken weten toen mijn kind op krukken bij de uitgang verscheen. Ze scharrelde verder. Van een afstandje voegde ze nog toe: ‘Zet ‘m op!’ Donder op, wijf. Al denk je waarschijnlijk van wel, je helpt voor geen meter. Integendeel. Bitch!

Er zijn zoete appels zat, een bundel met ruim tachtig blogs, is nu verkrijgbaar.

Hinken

Mijn handen trilden veel erger dan gewoonlijk. Er moest een taxi komen. Ik wist het nummer niet en googelde dat op mijn telefoon zo goed als het ging. De chauffeur belde even later dat hij er over drie minuten zou zijn. We verlieten de stoeltjes in de wachtkamer van de huisarts om buiten te wachten. Dat was mijn tweede verkeerde inschatting. Mijn oudste verloor op straat zijn evenwicht en viel om.

De hele situatie was ontstaan door een trap tegen zijn enkel, waardoor hij niet kon lopen. Mijn eerste fout was om, toen de gymleraar hem thuisbracht, de twee aanvankelijk voor de deur te laten staan. De man nam zelf maar het initiatief om de hal te betreden.

Het kippeneindje naar de huisarts deden we op de fiets, jongen achterop. We moesten daarna met voornoemde taxi naar het ziekenhuis. Daar deed misstap drie zich voor. Mijn kind hinkte, door mij ondersteund, door de draaideur naar binnen. Iemand zei dat er rolstoelen beschikbaar waren. Met de eerste hulp in zicht sloeg ik die suggestie af. Wat ben je dan voor vader? Een medewerker kwam met wielen aangesneld. Die bleken kort daarop goed van pas te komen: we moesten door naar radiologie, strompelend een heel eind.

Gelukkig geen breuk. Melanie kon ons ophalen. De druk was eraf.

Ik had weer gemerkt weinig nodig te hebben om de zenuwen te krijgen, maar had toch mooi naar behoren gehandeld. Wie zeurt er dan over een paar kleine missers? Ik zal proberen het niet meer te doen.

Het is bijna zover. Aanstaande maandag verschijnt Er zijn zoete appels zat, een bundel met de beste blogs van de eerste twee jaar Nooit niks. Ik geef je nog wel een seintje.

Druk

Ik rol van het ene project in het andere. Melanie heeft me gewaarschuwd eens een pauze tussendoor te nemen. Ik weet niet in hoeverre dit te maken heeft met haar wens dat ik ook wat aan het huishouden doe. Laten we ervan uitgaan dat het haar om mijn welzijn te doen is. En het hare. Ze zal er soms wel zot van worden om weer iets ter overweging voorgelegd te krijgen, hoewel ze ook vaak te kennen geeft graag mee te denken.

Het laatste project deze week was het maken van een boekje ter nagedachtenis van een winterzwemmer, die vorige week in de plas verdronk. Daar kon ze niet veel bij helpen, al was het maar omdat ik het in no time in elkaar heb gezet. Los van de aanleiding was het leuk werk.

Voor die tijd was ik druk met het ontwerpen van een flyer voor mijn wandelcoachpraktijk. Het slokte me geheel op. Tussendoor was het nog gelukt een blog te schrijven, een matig blog weliswaar. De flyer is nu precies hoe ik hem hebben wil. Ik kijk uit naar de levering van het drukwerk. Het verspreiden ervan zal, hoewel mijn vingers jeuken, even moeten wachten.

Intussen komt de verschijningsdatum van Er zijn zoete appels zat in zicht. Daaromheen is ook de nodige inspanning vereist. Ik dacht alvast te beginnen met het schrijven van een pakkend persbericht en wilde het er met Melanie over hebben. Ik vroeg wat volgens haar mijn unique selling point is. Daar greep ze in.