Prikpunt

Op de eerste maandag van het jaar is het drukker dan gewoonlijk bij het prikpunt. De gekleurde stoeltjes in de hal van het gezondheidscentrum zijn bijna vol. Ik scheur een nummertje af, zeg iedereen goedemorgen en ga zitten naast een nors ogende vrouw. Om plaats te maken heeft ze haar beige handtas op schoot genomen.

De deur naar het kamertje waar het prikken plaatsvindt, staat open. Plakplastic op de ruit ernaast onttrekt prikker en geprikte aan het zicht. We zien alleen de onderste helft van hun onderbenen. De vrouw onder behandeling draagt een gewaad dat tot net boven haar enkels reikt. ‘Wanneer bekend?’ vraagt ze. De prikdame zegt: ‘Over ongeveer twee dagen kunt u de uitslag aan uw huisarts vragen.’ ‘Wanneer?’ ‘Woensdag of donderdag,’ is nu het langzaam gesproken en overdreven duidelijk gearticuleerde antwoord.

Er klinkt een zoemtoon. Het display geeft het volgende nummer weer. De vrouw die aan de beurt is, maakt kort een praatje met die in het gewaad, die net het kamertje verlaat. De vrouw naast me buigt licht in mijn richting en sist: ‘Als ze nou onder elkaar Hollands zouden praten, konden ze de taal tenminste behoorlijk leren.’ Ik zeg niks.

We zien weer twee paar halve onderbenen. De prikdame vraagt aan haar nieuwe patiënt om een paspoort, ID-kaart of rijbewijs. Dat herinnert de vrouw naast me eraan dat ze, wil ze geprikt worden, verplicht is aan te tonen dat ze is wie ze is. ‘O ja,’ zegt ze, terwijl ze naar haar handtas grijpt: ‘legimitatie.’

Besluit

Dit gaat over zitten en over zwemmen. Als Melanie zegt dat ze gaat zitten, weet ik precies wat ze bedoelt en vat ik dat bovendien op als een uitnodiging om mee te doen met mediteren. Ik had een lange periode moeite me daartoe te zetten en als ik dan zat om de voorgenomen tijd vol te maken. Het was een gevecht geworden. Zo ging het niet langer. Ik nam het besluit er helemaal mee te stoppen. Sindsdien mediteer ik weer met plezier en met gemak.

Met zwemmen ben ik nu in zo’n periode dat ik de discipline nauwelijks op kan brengen, geen deugdelijke motivatie kan vinden of vaak gewoon te lui ben. Daar is uiteraard niets raars aan, gezien de ontberingen die het buiten baden met zich meebrengt. Toch heb ik het de laatste winters zonder veel moeite gedaan. Het is me een klein raadsel hoe dat verschil te verklaren. Er zijn wel wat dingen anders dan voorheen.

Het begon met het verdwijnen van de houtwal. Min of meer bij toeval was ik het, die samen met Willem op gesprek ging bij het recreatieschap. Daar wierp ik mezelf op als contactpersoon tussen zwemmers en instantie. Ik werd daardoor ook aanspreekpunt over de eventuele verhuizing naar een andere locatie. Er was een door mij geleide vergadering. In januari en februari portretteerde ik alle zwemmers, nog nat want net uit het water, en liet ik voor ieder een fotoboek drukken. In de zomer haalde ik de midzomerduik van stal en later een vollemaansduik, minder drukbezocht maar zeker ook geslaagd. In het voorjaar had ik al het blaadje MGT (Met gezonde tegenzin) nieuw leven ingeblazen. In het aprilnummer stelde ik voor een Whatsapp-groep aan te maken. De animo was in het begin niet groot, maar de groep kwam er. Hij groeide volop in de maanden daarna, mede naar aanleiding van de dood van Kees, waarbij het communicatiemiddel goed van pas bleek te komen. Kort na het overlijden van Kees heb ik het initiatief genomen voor een herdenkingsnummer van MGT. Ik heb de uitwerking daarvan verzorgd, met opmerkelijk veel bijdragen voor zo’n relatief kleine groep. Het werd zeer gewaardeerd. O, en dan vergeet ik bijna te noemen dat ik regelmatig de watertemperatuur meet en deel.

Nu ik dit allemaal op een rijtje zie, vind ik het niet zo gek dat ik er genoeg van heb. Dat heeft minder met het koude water te maken dan eerder gedacht. Het zou weleens de betrokkenheid met de groep kunnen zijn die momenteel te nauw sluit. Gaan is een must geworden.

Er is niet onderuit te komen: Kees is man van het jaar, ongetwijfeld, maar ik voel me dit seizoen mister MGT, heb ik zelf gedaan, of zo je wilt meneertje met gezonde tegenzin, ik doe het graag. Toch lijkt het zo half december meer in de weg te zitten dan dat het helpt. Het blijft duwen en sjorren om naar de plas te gaan. Er zit niets anders op dan dat ik er binnenkort helemaal mee stop.

Boemerang

De ouders van Melanie hadden een reis naar Australië gemaakt en daar uitgelegd gekregen dat Aboriginals boemerangs vervaardigden uit het kromme gedeelte van een boomwortel. De oorspronkelijke bewoners van het continent gooiden niets weg, behalve de boemerang natuurlijk, maar die kwam terug.

In mijn wilde jaren maakte ik er zelf eentje, van multiplex. Mijn schoonvader geloofde het bijna niet toen ik dat vertelde. Terecht. Dergelijke handvaardigheid is van mijn palet verdwenen.

Het model kwam uit een boek dat ik geleend had van de bieb. Een kopie daarvan knipte ik uit en legde ik op het hout om de omtrek te bepalen. Het was een klein wonder dat het me lukte door aan de uiteinden te schaven de gewenste hefbeweging te krijgen. Eenmaal naar mijn zin tekende ik op de onderkant een persoonlijk merkteken dat ik toen gebruikte, en voorzag mijn fabricaat van een paar lagen lak. Die lak bleek later af te doen aan de kwaliteit van het vliegen. Desondanks bleef die acceptabel.

Het grote veld van het Wilhelminapark was mijn speelterrein. Omdat ik niet zo zeker was van mijn vaardigheid, koos ik rustige tijden. Het werpen en vangen was vooral oefenen. Soms plukte ik de boemerang met één hand uit de lucht of klemde ik hem vast door met twee handen horizontaal een klappende beweging te maken. Het gebeurde ook dat hij vlak voor mijn voeten landde als door een apporterende hond terugbezorgd. Maar meestal moest ik een stukje lopen en bukken om hem van het gras te rapen.

Rood

Het was donker op de terugweg. We praatten weinig in de auto. Dat is gewoon niet de plek waar we onze gesprekken voeren. Op de achterbank was het ook stil. Daar zaten de jongens met hun oordopjes in. Melanie zat achter het stuur. De enige bezigheid die mij restte, behalve roerloos op de bijrijdersstoel zitten, was het bestuderen van de achterwerken van andere auto’s op de snelweg.

Even tussendoor. Waar waren al die mensen naar op weg? Waar kwamen ze vandaan? Wat moeten ze hier? Lang geleden, toen het veel rustiger was op ’s lands wegen, deed de politie nog weleens onderzoek. Men verzocht automobilisten een vragenformulier in te vullen. Ik zou wat graag op een willekeurig tijdstip, maar het liefst op een zondagavond, een dergelijke actie uitvoeren. Waar was dit nou voor nodig? Natuurlijk waren we zelf net zo goed onderweg, maar ik wist waar wij het voor deden. Wat dreef al die anderen? Dit helemaal terzijde, hoewel dat lastig is voor een stukje van deze lengte.

Ik staarde naar de rode lampen voor ons, waar ik door bovenstaande terzijde minder over kan vertellen dan gedacht. Ik had iets los kunnen laten over wat dit duidelijk maakte over mij. Of bespiegelen over de maatschappij. Maar ik moest vooral denken aan de eerste uitzending van Wedden dat..?. De allereerste weddenschap werd uitgevoerd door twee Duitsers die aan het geluid van een dichtslaand portier een auto konden herkennen. Ik mijmerde of ik mee had kunnen doen met mijn kennis van remlichten.

Gong

In de slaapkamer, die ook dienstdoet als meditatieruimte, rust een met boekweitdopjes gevuld kussen op een vierkante, zwarte mat. Op de vloer staat een meditatieklok die het geluid van een gong kan nabootsen. In de dertig centimeter hoge Boeddha van beton past een theelicht, ter verhoging van de sfeer. Daar ligt het allemaal niet aan, maar ik heb onlangs besloten te stoppen met mediteren.

Het is zeker niet zo dat ik er niets aan heb gehad. Aan het begin van dit pad had ik het idee kalm en evenwichtig te moeten zijn, en geconcentreerd. Ik kon woedend worden op mezelf als ik merkte boos te zijn of ongeduldig of chaotisch of alles wat ogenschijnlijk niet bij zen hoorde. Dat ben ik voor een deel ontgroeid. Het gaat na dertien jaar veeleer om het onderkennen van emoties die ik heb en de staten waarin ik kan verkeren.

Het is niet mijn intentie om het gedachtegoed achter me te laten. Daar kan ik nog goed mee overweg. Alleen het met gekruiste benen aandachtig de adem volgen hou ik voor gezien.

Dit is een simpel besluit, dat echter diepere lagen kent. Die zijn op dit moment voor mij niet allemaal zichtbaar. De leraar, die ik het afgelopen halfjaar maandelijks zag, zei dat ik van het moeten af moest. Zie de paradox. Zijn advies was om te gaan zitten als ik ervoor voelde, en niet op een van tevoren bedacht vast tijdstip. Dat zou kunnen. De meditatieruimte en de benodigde attributen lopen niet weg.

Oefening

De rookmelders begonnen om beurten te piepen, niet omdat er rook was, maar omdat de ingebouwde batterijen, die je dan misschien accu’s moet noemen, het einde van hun levensduur naderden. Na demontage was op de rand te lezen dat ze nog zeker drie maanden stroom hadden moeten leveren, tot maart 2020. Mogelijk hebben de oefeningen in het begin van hun werkzame leven veel energie gevergd. Door op een knop te drukken kon ik handmatig het alarm af laten gaan, een hard, hoog en schril geluid, dat de reflex ontlokte om de handen tegen de oren te houden.

Ik had de kinderen geïnstrueerd als ze dat hoorden meteen uit bed te klimmen met ogen dicht, om belemmerd zicht te simuleren, en de trap af te gaan, liefst nog met iets van een lap voor neus en mond. Wie het eerst bij de deur was, moest die met de altijd in de cilinder stekende sleutel van het slot halen en opendoen. De oefening eindigde als iedereen beneden was. De jongens vonden het maar wat leuk.

De laatste keer is alweer jaren geleden. Nu de kastjes spontaan geluid begonnen te maken, om de zoveel minuten een bescheiden piepje, vooral vroeg in de ochtend, was het tijd om ze te vervangen. Bij dit type rookmelders werken de accu’s eenmalig tien jaar. Daarna moeten er nieuwe melders komen. Ze zijn onderweg. Ik voorzie na montage een paar gedegen oefensessies. Eens kijken of de jongens, die intussen pubers zijn, er nog steeds zoveel plezier aan beleven.

Baan

Er werd me een baan aangeboden door iemand die wist dat ik arbeidsongeschikt was. De vraag was daarna of ik een rijbewijs had. Heb ik, maar ik mag niet rijden. Preciezer gezegd, ik gebruik een medicijn waarbij het besturen van een voertuig wordt afgeraden. Het is onduidelijk hoe het verzekeringstechnisch zit als ik brokken zou maken of letsel veroorzaak.

Daar komt bij dat ik zo lang niet heb gereden, dat ik op z’n minst onzeker ben over mijn rijvaardigheid. Door de stad tuffen lukt wel. Ik weet de pedalen te vinden. Aan invoegen op de snelweg heb ik echt altijd een hekel gehad. Inhalen doe ik liever niet. Het inschatten van de snelheid van achteropkomend verkeer behoort niet tot mijn kwaliteiten. Daar kan ik beter niet aan beginnen zonder me eerst te laten bijspijkeren door een instructeur.

Ik kan er sowieso beter niet aan beginnen, zolang ik die pillen slik. Ik heb er eerlijk gezegd ook weinig behoefte aan. Alleen als er zo’n job opportunity langskomt, is het toch jammer dat ik het niet serieus kan overwegen.

Het was bij de bakker. Bij gebrek aan personeel staat de eigenaar soms zelf in de winkel. De eigenlijke bakker is in Culemborg gevestigd. Of ik daar een paar keer per week naartoe wilde rijden om brood te halen. Op zich best leuk dat hij het vroeg, maar ja, dat autorijden.

Later maakte ik een grove berekening hoe vroeg ik voor dat klusje uit bed moest. Dat zou al drempel genoeg zijn geweest.

Oegstgeest

De scheerkwast die ik gebruik (zou ik ook gewoon ‘mijn scheerkwast’ kunnen zeggen?), is zeker dertig jaar oud. De knop zit los. De haren worden ternauwernood bij elkaar gehouden. Bij mijn beste weten heb ik hem ooit van mijn goede neef Sander gekregen, met wie ik destijds behalve een familieband ook een hechte vriendschap had.

We ontlopen elkaar wat leeftijd betreft niet veel. Hij is van augustus 1972, ik van oktober in hetzelfde jaar. We logeerden vroeger vaak bij elkaar. Hij was gewend u te zeggen tegen zijn ouders, en waarschijnlijk nog. Aan tafel werd bij elke maaltijd gebeden en ’s avonds uit de Bijbel gelezen. Hij woonde in Oegstgeest, eerst in een huis met een tuin die onderbroken werd door een gemeenschappelijke achterom, later op een perceel dat grensde aan een slootje. Van daar konden we met een boot met buitenboordmotor naar het Oegstgeesterkanaal en verder als we wilden.

We zijn samen voor het eerst zonder ouders op vakantie gegaan, twee weken kamperen in Frankrijk. We reisden zwaarbepakt per trein naar onze bestemming. Ik weet niet meer precies waar dat was. Het was er in ieder geval warm zat.

Ik had al een vriendinnetje, wat toen vermoedelijk verkering heette, en dacht er helemaal niet aan haar een keer te bellen. Ik begreep na thuiskomst eerst niet waarom ze zo aangebrand was. Voor haar bleek het in die weken vooral wachten te zijn geweest. Voor mijn neef en mij vloog de tijd. Daar zal de aanwezigheid van jonge Françaises, die godbetert toen gewoon van onze leeftijd waren, zeker aan hebben bijgedragen.

Het was niet eens altijd mooi weer bij die camping aan het meer. Het begon ’s nachts een keer te stortregenen en te stormen, heel plotseling. Sander aarzelde niet. Hij kroop de tent uit om die met extra haringen en scheerlijnen te verstevigen. Met de gedachte dat twee in dit geval niet meer konden doen dan één, bleef ik achter. Dikke druppels torpedeerden het doek. Ik begreep dat mijn neef zijn eigen gewicht in de strijd moest werpen om te voorkomen dat de buitentent het luchtruim koos. Om toch iets bij te dragen, riep ik na een tijdje maar: ‘Hoe is het?’ Zijn onderkoelde antwoord luidde: ‘Een beetje vochtig.’ Zo naverteld zul je niet kunnen vermoeden hoe hard ik daar om moest lachen. Mijn held van het moment.

We zijn elkaar uit het oog verloren, hebben lang geleden een keer afgesproken in Utrecht. Daar is het bij gebleven. Hij woont nu met zijn gezin, waarbij ik er niet van op zal kijken als de kinderen u tegen hun vader zeggen, in Roden, ruim twee uur rijden van hier. En ik heb geen auto. Maar ik betwijfel of het veel had uitgemaakt als het een naburige plaats was geweest.

Het is prima om iets ouder te worden en te merken dat waardevolle dingen waar inmiddels ruimschoots afscheid van is genomen, hun waarde allerminst verliezen. Bovendien heb ik de scheerkwast nog, die ietwat gehavend op het plankje bij de wasbak staat.

Golf

Ik was met een stapeltje flyers op campagne bij een huisartsenpraktijk. Vooral die flyers, over wandelcoaching, moesten, in al hun uitmuntendheid, het werk doen. Ik vroeg of er een paar op de tafel in de wachtkamer mochten. Dat mocht niet. De praktijk organiseerde zelf al wandelingen, weliswaar in groepsverband. Het was ook een bezwaar dat ik een beetje geld vroeg voor de activiteit. Ondanks dat het al snel een verloren zaak bleek, had ik toch graag nog een woordje klaar gehad.

Er is veel goeds te zeggen over wat ik te bieden heb. Op papier is dat ook helemaal voor elkaar, prima teksten op de flyer en online. Oog in oog met een hulpverlener die elke week meerdere initiatieven langs ziet komen, liet mijn overtuigingskracht te wensen over.

Van één zo’n tegenvaller kreeg mijn geloof in eigen kunnen een knauw. Het kan toeval zijn, die ochtend deed zich ook een omslag voor van een licht hypomane fase naar een gematigd depressieve. Ik had zoveel gewild, of gemoeten, beter gezegd. En ineens hoefde het, scherp uitgedrukt, allemaal niet meer.

Het meest voor de hand liggende in een klimaat vol prestatie en succes zou zijn om vervolgens door te bijten, de schouders eronder te zetten en het werk op te pakken waar ik was gebleven. Dat zou mogelijk ook de verstandigste, gezondste en moedigste stap zijn. Ik koos voor het alternatief: meegaan met de stroom, het toelaten zoals het kwam en wachten, alvorens weer iets te ondernemen, op de eerstvolgende opwaartse beweging.

Ondeugend

Ik was jarig en kreeg een boek over alle 213 liedjes van The Beatles cadeau. Ik had al een sterk vermoeden gehad dat zoiets bestond en Melanie had het gevonden. Op de keukenweegschaal bleek het ruim twee en een halve kilo te wegen. Dat is afgerond 12,4 gram per song. Valt nog mee. Aan sommige nummers is zeker meer gewicht toe te kennen. Neem alleen al I Am the Walrus. Of I Want You (She’s So Heavy). Maar laat ik hier niet te veel in detail treden. Een paar niet fanatieken zijn toch al afgehaakt.

Nu we onder elkaar zijn, kan ik zeggen met andere oren te luisteren, sinds ik lees. Er is maar een klein beetje informatie nodig. Die gemiddelde 12,4 gram geeft een nieuwe kijk, die achteraf gezien erg voor de hand lag. Je moet er even op worden gewezen: John en Paul deugden niet.

Bij het optreden op het dak destijds brachten ze Don’t Let Me Down ten gehore. De frasen ‘I guess nobody really done me, like she done me’ ontlokten op beider gezicht een brede grijns. Een stuk eerder zongen ze bij de opname van Girl niet zoals afgesproken ‘dit dit dit’ maar ‘tit tit tit’. De rakkers. Het boek vermeldt wat dat woord betekent. Van Drive My Car weet ik nu ook dat die titel uitgelegd kan worden als, zeg maar, seks doen. En hoe kon ik zo lang denken dat een Ticket to Ride toegang gaf tot een streekbus, of misschien een achtbaan?

Vegetarisch

Eind augustus hing er zo’n einde-der-tijdensfeertje op aarde, urgenter dan anders. Hitte, sneller smeltende ijskappen, dito gletsjers, overstromingen, Greta. Het was niet langer verantwoord daar een het-zal-mijn-tijd-wel-durenhouding tegenover te zetten. Ik vond het een goed moment om een verschilletje te maken en stelde mijn gezin voor om in september geen vlees te eten, althans de uitdaging aan te gaan. Het grootste deel stemde daar meteen mee in. We maakten het niet heel moeilijk, vis mocht nog.

We kwamen de maand verassend goed door. Het bleek niet eens zo lastig om ons dieet aan te passen en we besloten voortaan weinig tot bijna geen vlees te eten.

Met die instelling in gedachten zocht ik een vegetarisch restaurant uit. Een bevriend paar had een etentje tegoed als dank voor bewezen diensten. Mijn inschatting was dat zij een vegetarische maaltijd wel konden waarderen. Het bleek een schot in de roos.

We kregen meerdere kleine hapjes voorgeschoteld die we mochten delen. Het was prima. Groenten op onverwachte wijze bereid, verassende gerechten met kikkererwten (uiteraard), sommige dingen zelfs veganistisch. De kok had duidelijk zijn best gedaan om er iets van te maken en het smaakte. Ook de conversatie was in orde. Mijn tafelgenoten waren helemaal content.

Alleen ik miste iets. Ik ben er blijkbaar zo aan gewend bij het eten in een restaurant. Het is die specifieke soort maagvulling, misschien ook de kenmerkende bite. Melanie dacht eerst dat het een grap was toen ik op de terugweg bij een snackbar wilde stoppen voor een frikandel speciaal.


Mijn boek Er zijn zoete appels zat ligt in de winkel: bijvoorbeeld bij Libris, hoewel onder ‘auteur onbekend’. Merkwaardig. Wel gratis bezorgd!