Deze week was ik blij als een kind van tien toen er een tweede Groene-tas door de brievenbus viel. Ik was weer in evenwicht. De linnen tassen zijn stevig en zeer geschikt om boodschappen in te vervoeren. Vol passen ze precies aan beide zijden in mijn fietstassen. Zo kan ik voortaan zonder het plastic, dat weliswaar herbruikbaar is maar na verloop van tijd toch in de vuilnisbak belandt.
De eerste tas gebruikte ik al een tijdje. Die had ik ontvangen omdat iemand via mij een proefabonnement op De Groene Amsterdammer had gekregen. Zonder verplichtingen; het stopte vanzelf. De tweede tas was vanwege een donatie aan een fonds voor onderzoeksjournalistiek. Ik moet wel toegeven het minimale bedrag te hebben geschonken om voor het presentje in aanmerking te komen. Evengoed snijdt het mes aan twee kanten, of drie: zij een lezer extra en steun voor onderzoek, ik in mijn nopjes.
Een associatie met De Groene staat in bepaalde kringen hoog aangeschreven. Dan hoef je hem niet eens te lezen of een abonnement te hebben. Met die tassen de supermarkt uit zwieren zou al voldoende moeten zijn. Ik laat me graag zien met mijn aanwinsten.
Het valt echter op hoe weinig aandacht mensen eraan besteden. Mijn tassen zijn, voor zover ik weet, nog geen blik waard geweest, laat staan een tweede. Nog niemand heeft er iets over opgemerkt, zo van: hé wat goed, je leest De Groene. Niemand heeft in het voorbijgaan zelfs maar schielijk het hoofd gedraaid om te zien wie daar loopt met die twee tassen.
Waar doe ik het dan eigenlijk voor, behalve die kleine milieuwinst? Misschien woon ik niet in de juiste buurt. Misschien zegt zo’n band met het tijdschrift niemand hier iets. Ik overweeg om in andere wijken mijn heil te zoeken; op naar Tuinwijk, Oog in Al, Wilhelminapark. Daar zijn ook winkels. Daar weet men mijn tasvertoon vast beter op waarde te schatten. Mensen hier in Overvecht hebben duidelijk wat beters te doen dan in de gaten houden hoe iemand zijn progressieve inborst uitdraagt tijdens het boodschappen doen.