Afgelopen januari, na drie dagen gladheid, waagden mensen zich weer naar buiten. Langs de randen van de weg lagen nog sneeuwresten. Ik fietste naar de apotheek.
Bij de oversteek van de Carnegiedreef, een brede weg met aan beide zijden vrijliggende fietspaden, stond een scootmobiel vast in een sneeuwhoop. Een oudere vrouw zat er roerloos op. Ze droeg een beige pufferjas tot over haar knieën en keek wat verdwaasd voor zich uit. Ik vroeg of ik haar kon helpen en zette mijn fiets al tegen de paal van een verkeersbord. Er kwam geen antwoord.
Duwen mocht niet baten: samen waren het apparaat en de dame te zwaar. Bovendien hadden mijn voeten weinig grip in de sneeuw. De vrouw probeerde nog eens vooruit uit de derrie te rijden. De wielen slipten. Achteruit durfde ze, blijkbaar bij gebrek aan zicht, niet aan.
‘Zal ik het stuur even overnemen?’ vroeg ik. Er kwam weer geen antwoord, de vrouw stapte wel af. Ik nam plaats op de zetel, mijn eerste ervaring op een scootmobiel.
De besturing sprak voor zich. Met gemak reed ik hem achteruit, naar een droog stuk op het fietspad. Nu moest alleen de vrouw nog uit de sneeuw en terug in haar stoel. Met een hand omklemde ik stevig haar linkerarm. Mijn rechterhand hield haar andere schouder in de greep. Zo schuifelden we langzaam richting scootmobiel. Ze werd onderweg iets mededeelzamer.
‘Ik heb van jongs af aan suikerziekte,’ het kwam er verontschuldigend uit.
‘Dat geeft helemaal niet,’ wilde ik bijna zeggen, maar het gaf natuurlijk wel.
‘Ik wil naar de Jumbo,’ zei ze.
‘Kunt u niet beter naar de Dirk, die is dichterbij?’
‘Bij de Jumbo zijn mijn vrienden.’
Intussen was iemand anders van de fiets gestapt om de vrouw bij het laatste stukje te ondersteunen. Het lukte. Ze kon weer op weg, op naar de supermarkt van haar keuze. Ik weet niet hoe de anderen erover dachten, maar mijn dag was goed. Niet vaak was ik zo in mijn element als nu.
Bij de apotheek haalde ik medicijnen uit de automaat. Achter me gleed een man uit op de stoeprand. Hij kwam op zijn billen terecht. Niets gebroken. Een papieren zakje was uit zijn hand gevallen en lag een stukje bij hem vandaan.
‘De medicijnen, ze zijn voor mijn vrouw,’ bracht hij wat paniekerig uit.
‘Die geef ik u zo,’ stelde ik hem gerust.
Ik hielp hem overeind en gaf hem het zakje terug. Nog beter kon het echt niet.