Ik heb de uitgang van de grot weer gevonden. Nu ik buitensta en me omdraai zie ik de opening niet eens meer; er is alleen maar rots, omgeven door struikgewas. Het blijft mysterieus hoe stemming en energie zomaar kunnen veranderen. Het is goed voor het zelfvertrouwen om te denken dat het mijn eigen verdienste is geweest. Het lijken toch vooral andere krachten die me dat duwtje uit de duisternis hebben gegeven. Het kunnen de mensen om me heen zijn, of de invloed van het ontluikende voorjaar. Ik ga weer bijna dagelijks naar de plas, wandel vaker. Als het balletje eenmaal begint te rollen, komt er vanzelf meer in beweging.
Hoe pijnlijk soms ook, het proces fascineert me. Er is een stroom die me steeds naar beneden trekt en ook weer boven laat komen. Ik moet tegenwicht bieden, maar er ook een beetje in meegaan. Dat is achteraf makkelijk gezegd. Middenin de misère is het vooral lastig om niet te weten hoe lang het duurt en hoe diep het nog gaat. Zou het zo zijn dat ik een datum in mijn agenda kon noteren, dan was het meteen over.
Door de onduidelijkheid over wat er precies speelt – het is iedere keer toch weer anders – gaat het over meer dan alleen maar wisselende stemmingen. Het is ook een verhaal van weerstand en groei, van kopje onder gaan en boven komen drijven.
Er is ineens weer van alles mogelijk. Het leven glimlacht. Het wereldnieuws komt milder binnen; zelfs de oorlogsdreiging deert me nu minder. Ik heb weer vertrouwen, niet per se in een goede afloop, maar dat ik overweg kan met wat er op mijn pad komt. En ergens, ook als het leven tegenvalt, blijft dat vertrouwen. Het zou goed kunnen dat het zich juist verbergt in de grot.