Een weekend weg was wat overbleef van twee weken gezamenlijke vakantie. De reis naar Engeland was noodgedwongen geannuleerd. Melanie was nog niet voldoende hersteld van de klap op haar hoofd. Drie nachten eropuit in eigen land ging nog wel.
De Noordzee was kalm. Helaas, want hoge golven kunnen veel plezier geven. Vooral de jongste (20) wilde nog wel spelen in de branding. Dat is iets waar je nooit te oud voor bent; je mee laten voeren tussen de schuimkoppen, alsof je een plank bent, al maaiend met de armen. Hij probeerde het, maar het benodigde geweld bleef uit. Dan maar een potje worstelen met zijn broer.
Voor het eerst in mijn leven kon ik bewegingloos op het zoute water blijven drijven. Misschien fungeerden mijn bescheiden buikje en de rolletjes op mijn heupen als ballonnetjes. Misschien was de samenstelling van mijn lijf in zijn geheel veranderd. De vorige keer, ik weet niet meer wanneer, zonk ik nog.
Het was echt strandweer; warm, blauwe lucht, een lichte bries. Anders dan voor sommige anderen, die karren met huisraad en proviand door het zand sleepten, trok het ons niet om lang te zonnebaden. Kort in het water en even liggen volstond.
Op zondag bleef ik er zelfs bij staan. Als ik het goed heb kon mijn vader dat vroeger ook goed, waarschijnlijk nog. Met de voeten in het zand, eventueel in het laagje water net voorbij de vloedlijn. Het gebeuren in laten werken, minimaal deelnemen, niet veel meer dan observeren. De aanwezigheid voelen van de zee, dat machtige lichaam dat overgaat in oceanen en zo de hele wereld omspant. Zien wat er vaart. In het noorden de haven, waar de hijskranen naar de hemel reikten.
Op dat moment, mede onder invloed van een boek dat ik las, was ik even onderdeel van dat alles, minder individu.
Zoiets gaat snel voorbij. Toch maakte het de korte vakantie anders dan vooraf gedacht. Het zou niet passen om dit direct met de anderen te delen. Daar is het nu vroeg genoeg voor.