Klaphekjes

Als ik ’s avonds aan tafel iets wil vertellen, moet ik het vaak hebben van mijn belevenissen in de supermarkt. Heel enerverend is het niet wat ik meemaak tijdens het boodschappen doen. Het is iets. Laat ik een voorbeeld geven.

In mijn tas zat een bescheiden assortiment aan lege flessen; plastic en glas, groot en klein. Bij het inleverpunt was ik de enige. Terwijl ik de verpakkingen aan de automaat voerde, bedacht ik om dat zo aandachtig mogelijk te doen. Het gewicht van een fles voelen, de precieze vorm waarnemen, het etiket, het restje onderin. Ik stak eerst, zoals het hoort, de bodem in het ronde gat en draaide de barcode alvast naar boven om het proces zo soepel mogelijk te laten verlopen. Van het einde van de band klonk hoe een bierflesje in een krat kukelde, of een prikfles in een bak.

Al doende gaf ik mezelf een imaginair schouderklopje.

Bij mijn supermarkt ga je na de flessenautomaat pas echt de winkel in. Twee van die klaphekjes scharnieren naar één zijde open. Aan de andere kant pakte ik een handscanner en schoot het meteen door me heen dat ik met al mijn overdreven aandacht verzuimd had een bonnetje te pakken. Het personeel was buiten stembereik en er kwamen geen andere klanten aan. Ik besloot het er maar bij te laten zitten en begon aan mijn route langs de schappen.

Bij de zelfscankassa, vlak bij de ingang, is ook een klaphekje. Aan de andere kant zag ik een bonnetje uit de automaat steken. Dat was het mijne. Een medewerker liet me er even uit, en weer terug. Eind goed, al goed.

Zou je denken. Bij de aankoopcontrole, die ook mij vaak overkomt, bleek ik de peren niet te hebben gescand. Toen de dame die mijn spullen checkte dat zei, wist ik meteen hoe het was gegaan. Ik had drie tomaten afgewogen en los in het mandje gelegd. De sticker hield ik even vast. Daarna pakte ik verpakte peren en plakte de sticker van de tomaten daarop. Ik had alleen de tomaten gescand.

Gesnapt. Schuldig, aan een foutje. Politie erbij.

Nee hoor, dat zou fictie zijn, wie weet een aardig verhaal. Misschien een andere keer. Voor nu bleef het bij deze werkelijkheid. Hier moest ik het die avond aan tafel mee doen.

Bekend

In de supermarkt bij de kiwi’s sprak een vrouw me aan. Ze herkende me van tv. Of ik een presentator was. Of een acteur. Geen van beide. Ik had op dat moment niet de tegenwoordigheid van geest haar toe te vertrouwen dat ze met Beau van Erven Dorens van doen had, of misschien Humberto Tan. Een gemiste kans.

Naar mijn beste weten ben ik nooit op televisie geweest. Ja, lang geleden, op een zender met een heel klein bereik. Een vriend en ik hadden een filmpje gemaakt. Dat was naar aanleiding van het kennismakingsbezoek van Máxima aan Utrecht in 2001, toen nog verloofde van de aanstaande koning. Willem-Alexander was er zelf ook bij. Wij hadden ons opgesteld in de mensenhaag langs de route door Pijlsweerd. Vanaf de hoek waar we stonden konden we van ver het gezelschap, met de nodige beveiligers en hotemetoten, zien naderen.

Naarmate Máxima dichterbij kwam scandeerden de andere aanwezigen en ik steeds luider haar naam. Met mijn lengte lukte het om vanachter het dranghek een hand ver naar voren te steken. Ze nam hem aan. We keken elkaar kort in de ogen. Haar blik van herkenning is duidelijk op video vastgelegd.

Het is alleen nooit helder geworden wie of wat ze herkende. We hadden elkaar nooit eerder gezien. Had het iets te maken met een vorig leven? Viel het haar op dat ik een vreemde eend in de bijt was tussen het voornamelijk volkse publiek? Ik zou het graag nog eens vragen, maar daar zal het niet van komen. Nog los van het feit dat zij zich die straathoek waarschijnlijk niet eens herinnert. Als het naast alle indrukken van die dag überhaupt in haar geheugen terechtkwam.

Voor mij was dat uiteraard anders, zeker nadat mijn vriend een raak filmpje van de ontmoeting had gemonteerd. We boden het aan bij MeerTV, een platform dat lokaal uitzond en beginnende makers de gelegenheid bood hun werk te laten zien. De redacteuren waren enthousiast over wat we gemaakt hadden. Ze roemden de wisselwerking tussen mijn filmende vriend, met zijn droge opmerkingen en vragen tussendoor, en mijn verschijning voor de camera. We deden maar wat en hebben die chemie later niet meer ingezet, wilden er geen formule van maken of het verder uitmelken. Het blijft ons grootste succes.

De vrouw bij de kiwi’s kon me daar moeilijk van kennen. Ze leek niet te willen geloven dat ik een gewone sterveling was. Ik glimlachte maar, misschien zoals een tv-presentator zou doen.

Een paar stappen verder, bij het brood, kreeg ik argwaan; was het mogelijk dat de vrouw me om een andere reden aansprak? Dat ik weer eens met een norse tronie rondliep en dit haar poging was mijn gemoed iets te laten opklaren. Als dat haar bedoeling was, is dat goed gelukt.