Veroordeeld tot gespartel

Mijn eerste paniekaanval ooit overkwam me 21 jaar geleden in het water. Ik was begin dertig en daarvoor was er nooit zoiets gebeurd. Hij leek uit de lucht te komen vallen, maar intussen. Mijn vrouw en ik waren net getrouwd en we verwachtten ons eerste kind. We woonden ook net samen, de komst van de kleine had van alles in een stroomversnelling gebracht. Me niet bewust bang te zijn voor wat dan ook, zat er onderhuids kennelijk iets te borrelen.

Zoals vaker stak ik zwemmend de plas over, heen en terug ongeveer 800 meter. Het was half oktober, ik wilde eens proberen de hele winter door te zwemmen. De watertemperatuur was 15 graden, nog goed te doen. De zon scheen die middag volop en de wind bleef beperkt tot een minimale bries. Onder zulke omstandigheden was het een stuk makkelijker om de koelte te doorstaan.

Ik zwom. Op de oever aan de overzijde stond een man met een werphengel. Om een onverklaarbare reden verontrustte me dat zo dat ik eerder omkeerde dan ik gewend was te doen. Halverwege de terugweg begon het.

Mijn armen wilden niet meer. Mijn beenslag zwakte af. Noodgedwongen ging ik over van borstcrawl op schoolslag, dan zou de duizeligheid misschien afnemen. Mijn doorgaans ferme slag werd een krachteloos gespartel, het water werd stroop, voor mijn gevoel lag ik stil. En ik moest vooruit, nog zo’n vier banen in een vijftigmeterbad, onhaalbaar op deze wijze. Ik kon niet naar een trappetje om er eerder uit te klimmen, verdrinken lag op de loer. De consequenties van mijn dood schoten door mijn hoofd: mijn lief zou alleen zijn bij het grootbrengen van ons kind, een kind dat het zonder vader moest stellen. Op het veldje in de verte bewogen figuurtjes in een wereld waar ik al niet meer toe behoorde. Dit was het dan.

Ten langen leste begon een andere zwemmer aan de oversteek. Eenmaal dichtbij genoeg vroeg ik hem of hij met me mee terug wilde zwemmen. Het kan heel goed zijn dat ik mijn verzoek begon met een welgemeend ‘help!’. De rust en de kracht namen het daarna weer over. Die ander kon me nauwelijks bijhouden. Evengoed zwem ik sindsdien langs de kant, overigens geen garantie voor het wegblijven van paniek.

Een paar jaar terug deden zwemboeien hun intrede. In de felgekleurde ballon neem ik sleutels, pasjes en soms mijn telefoon mee, handig om diefstal te voorkomen. Bovendien kan ik er, indien nodig, onderweg op leunen. Zo zijn er meer dingen in mijn leven die wat zekerheid moeten verschaffen in reactie op de algemeen aanwezige angst voor de angst. Activiteiten kleiner maken of achterwege laten horen daar ook bij. Ik mag graag denken dat ik me niet laat beperken, toch blijft de impact fors. Die eerste paniekaanval werkt door, ik ben hem nog steeds niet echt te boven. Wie weet ooit.

een versie van deze tekst verschijnt ook in Plusminus Magazine
illustratie: Bert Bakker

Moeten

Maandagochtend in de trein naar Baarn moest ik ineens poepen. De voorgaande dagen was het er niet van gekomen om uitgebreid naar de wc te gaan, dus zo onverwacht kwam het ook weer niet. Ik raakte een beetje in paniek, met het vorderen van de reis steeds meer.

Ik was op Overvecht ingestapt. Kort daarna kwam het opzetten. Bij ieder tussenliggend station overwoog ik uit te stappen om de eerstvolgende trein terug te nemen. Bij Bilthoven en Den Dolder hield ik me nog in. Vooral op Soest-Zuid was de verleiding groot. Daar stonden al aardig wat mensen te wachten, kennelijk op de sprinter in de tegengestelde richting. Zonder lang wachten zou ik terug kunnen. Ik was al opgestaan van de treinbank en op weg naar de deur, toen ik bedacht dat ik me niet door angst moest laten leiden.

De angst was dat ik de hele wandeling nodig zou moeten, daar kwam het op neer, heel simpel. Ik was weer gaan zitten en probeerde het over me heen te laten komen. De ervaring, de vele ervaring inmiddels, leert dat het altijd weer voorbijgaat. Maar vreemd genoeg helpt dat besef niet om het sneller voorbij te laten gaan. Hooguit zet het me aan om vol te houden, me niet volledig mee te laten sleuren.

Uit het raam turend nam ik mijn opties door. Gebruikmaken van het toilet aan boord viel meteen af. Los nog van de vermoedelijke ranzigheid van dat hokje schatte ik in te weinig tijd te hebben tot het eindpunt van de rit. De volgende mogelijkheid bevond zich daar. Naast station Baarn wist ik een eetcafé. Ik heb vaak bij horecagelegenheden geplast, maar er nog nooit een grote boodschap gedaan, zou dit de eerste keer kunnen zijn. Of moest ik wachten tot in het bos en daar ergens hurken? Dan was er niets om mijn billen mee af te vegen. Sowieso was de vraag of het in een dergelijke setting zou lukken om te presteren.

Ik blijf hopen een keer verlost te zijn van de zenuwen over dit soort dingen. De gemene deler is het mogelijke verlies van controle. Alles kan een trigger zijn, je kunt het van tevoren niet verzinnen. Ik zou er heel wat voor over hebben om een keer geheel ontspannen op pad te kunnen.

De trein arriveerde, ik checkte uit op het perron en begon te lopen. Dat maakte al een heel verschil ten opzichte van het zitten in de coupé. Blijkbaar ging er een signaal naar beneden dat nu niet het moment was om te ontlasten. De paniek ebde ook weg. Het eetcafé hoefde niet meer op een bezoek van mij te rekenen en ook het bos bleef een bijdrage bespaard. Ik liet een paar scheten, dat was alles. (Ik moet nog wel leren om eerst om te kijken, en niet pas naderhand.)