Anticiperen

Tot 1993 was het, bij afwezigheid van een voetpad, verplicht om links te lopen op een weg met ander verkeer. Zo heb ik het ook geleerd, niet omdat het een regel was, maar met een reden: als je daar loopt, dus tegen de stroom van het verkeer in, kun je auto’s en fietsers op jouw weghelft zien aankomen en daarop anticiperen. Daar is geen speld tussen te krijgen.

Rechtslopers, zoals ik ze voor het gemak maar even noem, doen me denken aan de ganzen net buiten de stad langs de Vecht. Die houden zich op bij de waterkant. Soms waggelen een paar, zich van geen gevaar bewust, de weg over. Ik hoef het adjectief niet te vermelden dat vaak aan de dieren wordt toegekend.

Het schijnt voor rechtslopers onnatuurlijk te voelen om de linkerkant van de weg te gebruiken. Het zal op z’n minst onaangenaam voelen als een achteropkomende automobilist verzuimt uit te wijken en een stap in de berm dan niet tot de mogelijkheden behoort. Het is ridicuul om dit risico te blijven nemen, terwijl het eenvoudig te minimaliseren is.

Mijn voorkeur blijft uitgaan naar lopen aan de linkerkant. Dat deden de meeste medewandelaars ook, totdat de massa zich vorig jaar noodgedwongen tot de wandelsport bekeerde. Er is geen houden aan. Het is om de haverklap uitwijken geblazen voor een stel potentiële doodsverachters.

Ondanks de keus van de meerderheid weiger ik om van kant te wisselen, tenzij we met z’n allen afspreken dat het overige verkeer dat ook doet.

Vlucht

Het gaat nooit vanzelfsprekend tijdens een wandeling. Diep vanbinnen blijf ik schuw als het om vreemden gaat. Daar komt bij dat voor mij ieder passeren een kleine ontmoeting is. Ik moet me bezighouden met hoe me tot de ander te verhouden. Dat uit zich meestal in de kwestie van wel of niet groeten en zo ja hoe. Ook niets zeggen is dan een besluit.

Het was altijd tamelijk rustig op mijn terrein. Aan het eind van de jaren nul, toen het nog in aanleg was, wandelde ik al in het polderpark achter onze wijk. Ik droomde mezelf pionier, zag een rol weggelegd als wegbereider, dichtte: Dit gras hier is landingsbaan. / Iedere spriet biedt plek / aan meerdere van ons. Als het ware nodigde ik mensen uit die het gebied niet kenden. Ik liet open waar de vlucht precies vandaan was.

Het is inmiddels filelopen, vooral in het weekend met goed weer,  bij gebrek aan mogelijkheid tot winkelen. Dat heb ik niet uit eigen ervaring. Ik begeef me er niet bij zulke omstandigheden. Melanie had zich er gewaagd en vertelde het me. En zij is veel milder als het gaat om drukte, ziet vooral het voordeel, namelijk dat die mensen ook lekker buiten zijn en in beweging.

Voor mij is er weinig plezier meer aan, zelfs doordeweeks, een tijdstip waarop het vroeger prima te doen was. Ik kom te veel mensen tegen.

Laat dit een les zijn: wees voorzichtig wat je wenst. Nu vlucht ik zelf. Naar dagen met regen.

Bestemming

Het was alweer even geleden dat ik naar de plas wandelde voor een duik, meestal fiets ik. Ik liep met de intentie alleen maar te wandelen, maar toch eigenlijk op zoek naar een bijzondere ervaring. Ik kon niet wachten tot die zich voordeed: een inzicht over het een of ander, een onverwacht voorval dat me met vreugde zou vervullen, een moment even alleen maar zijn en verder niets.

Intussen werkte ik er hard aan open te staan voor zoiets. Met veel geestkracht gaf ik gedachten die in de weg stonden een plek en probeerde ik ze achter me te laten. Er was overigens weinig dat me stoorde. Dat ene idee bleef echter hardnekkig aanwezig, namelijk dat ik iets van verlichting zocht, ik denk ook verlangde. Me daarop blindstarend bereikte ik niets.

Later die middag ging ik er, gezeten op mijn meditatiekussen, net zo hard mee door. Mijn adem was uiterst kalm, diep in de buik, en alles wees op een mogelijkheid, een doorbraakje. Mijn hele wezen klemde zich eraan vast. Hoewel ik ook wel geleerd heb die focus los te laten, bleef ik ermee bezig.

Een zinnetje kwam halverwege op dat ik anderhalve week eerder had meegekregen. Het werkte als een ventiel. Vriend Piet had verteld in 2004 een mail aan Iceman Wim Hof te hebben gestuurd. Hij wilde weten hoe hij in water van 10 graden het nog langer dan een kwartier zou kunnen uithouden. Het antwoord was simpel en gaat in veel situaties op: ‘Je bent er al.’