Zwart

(dit is een vervolg op het blog van twee weken geleden)

Een dag eerder, hooguit twee, waren in dit deel van de stad de straten geveegd. De klinkers in de stoep vormden een rozerode loper. Vergeleken met het asfalt aan de overkant van het kanaal was dat een verademing voor mijn voeten. De kou verhinderde dat mijn kleren droogden. De ochtendschemer en de nevel maakten plaats voor een enigszins diffuus licht.

De eerstvolgende stop was weer een kerk, een rooms-katholieke deze keer. Na te hebben aangeklopt, wachtte ik een paar minuten. Het hadden er net zo goed tien als twintig kunnen zijn. Mijn horloge lag samen met mijn huissleutels op de bodem van een parkvijver. Ook hier ging de deur niet open. Ik liep nog een stukje. Bij de daklozenopvang op een steenworp afstand van mijn huis kon ik wel naar binnen.

Er werd net ontbijt geserveerd. Daar kwam ik niet bij in de buurt. Een echte dakloze kreeg mijn hand in het vizier. ‘Bloed! Bloed! Bloed!’ riep hij hysterisch. Het droop inderdaad van mijn vingers. Ik maakte me uit de voeten en liep twee verdiepingen omhoog. Boven vroeg ik een oude man met een handdoek om zijn middel naar een medewerker. Hij zei: ‘Je moet naar beneden, zo ver als je kan.’

Weer beneden kwam een jonge vrouw met blonde krullen behoedzaam op me af. Haar ogen waren zwart als kool, geen irissen. Na enige aarzeling begeleidde ze me naar een kamer met een bed. Ze zou droge kleren voor me zoeken. Ik ging languit.

Toen ze terugkwam met een broek en een trui, droeg ze blauwe latex handschoenen. Ze wilde stukjes uit mijn voetzolen halen. Ik verzocht haar het zonder handschoenen te proberen.

Er werd geklopt. Mijn zus en mijn beste vriend kwamen de kamer in. Ik had niemand gebeld. Ook bij hen ontbraken de irissen, alleen maar van die zwarte poelen.

De medewerkster verliet de kamer. We wachtten. De volgende gasten meldden zich ook met een bescheiden klop op de deur. Ze stelden zich voor als verpleegkundige en arts. De laatste legde een hand op mijn schouder en zei: ‘Je hebt hard genoeg gewerkt.’

De hulpverleners verdwenen. Even later verschenen de ambulancebroeders. Mijn zus en mijn vriend konden meerijden, de stad weer uit. Ik lag achterin vastgesnoerd op de brancard, mijn zus en een broeder ernaast. Mijn vriend mocht voorin. Ik hoorde hem aan de chauffeur vragen of de sirene aan mocht.

Toplaag

Het was maart in het laatste jaar van de vorige eeuw. Een groot deel van de nacht had ik in het buitengebied doorgebracht. Mijn broek was doornat, net als het onderste deel van mijn trui. Ik had geen jas aan en was blootsvoets; mijn schoenen en sokken lagen ergens onder een struik bij de toegang van een weiland. Ik leunde met mijn rug tegen de glimmend gelakte deur van een kerk. In de boom tegenover me kwetterde een merel de dag tegemoet. Hij liet soortgenoten weten: ‘Hier zit-ie hoor, hij komt er zo aan.’  Vanuit het gebouw klonk onbestemd gerommel en soms gepiep van scharnieren. De deur ging, ook na lang wachten, niet open.

In de stad was nog genoeg te doen, besloot ik. Een reis naar Jeruzalem was niet per se nodig. Ik kwam overeind en begon te lopen.

Straatlantaarns verspreidden een oranje gloed in de nevel boven de weg langs het water. Het was er stil. De vaart wist nog niets van de nieuwe wijk die op haar flanken zou verrijzen. Ik ook niet. Ik hield er stevig de pas in. De split in de toplaag van het asfalt bewerkte mijn onbeschermde voetzolen. Ik merkte het niet. Bij het talud van de brug over het kanaal versnelde mijn tred tot een looppas. Mijn ademhaling verhevigde. Er veranderde nog iets. Daar liep ik niet meer, daar liep Bruce Willis.

Pas een paar weken geleden, bij het zien van Die Hard, begreep ik dat de acteur mijn onderbewuste moest zijn binnengeslopen. Ik keek de film in de afgelopen kerstvakantie samen met mijn zonen, allebei te jong om getuige te zijn geweest van mijn grote avonturen.

De film begint in een vliegtuig. De man in de stoel naast John McClane (gespeeld door Willis) adviseert hem om ter ontspanning zijn voeten te ontbloten. Later volgt John die raad op. Vervolgens moet hij door kapotgeschoten glas lopen. Toen ik dat zag viel het kwartje. Ik moest de film al gezien hebben vóór mijn tocht. Zonder te weten wie ik nadeed, hing ik de superheld uit. Die ochtend dacht ik eerder aan Jezus dan aan John McClane.