Heuvelrug

We waren vertrokken vanaf Hollandse Rading en liepen via Lage Vuursche naar Soesterberg. Rond het middaguur zaten we midden in het bos. Het was de eerste lentedag en te warm voor de kleren die we droegen. De bomen, nog zonder blad, boden deels beschutting tegen de zon. Een stuk plastic beschermde onze billen tegen het vocht van de boomstronk. We aten gebakken ei op brood. De helft van de tocht voor die dag lag achter ons. Tot zover ging het goed.

De pauze was welkom. Mijn wandelconditie was slechter dan gedacht. Het lopen van de laatste weken was niet genoeg geweest. Ik wilde het liefst mijn ogen een moment dichtdoen en even weg zijn. De bosgrond leende zich er niet voor om op te liggen. We moesten door.

Toen ik opstond zwabberden mijn benen en werd het even licht achter mijn ogen. Mijn adem schoot richting strottenhoofd.

Het was er weer.

Ik zag meteen op tegen de nog af te leggen kilometers. Ik was bang onderuit te gaan. De controle te verliezen. Het speelde zich allemaal in mij af. Aan de buitenkant was niets te zien. Melanie vouwde intussen het zeiltje op en wurmde dat in de tas. Ik twijfelde of ik haar op de hoogte zou brengen. Het kon de sfeer bederven. Ik deed een paar stappen op het mos langs het zanderige pad en voelde weer wat stevigheid in mijn voeten.

Toch leek het me beter haar te laten weten hoe ik eraan toe was. Terwijl we onze weg vervolgden, zei ik: ’Ik zie het niet meer zitten. Het is me te veel. We hadden er niet aan moeten beginnen.’

Zij behield haar kalmte: ‘Blijf bij het gevoel dat je hebt. Probeer er niet van weg te gaan.’ Het werd er niet beter op. Het maakte mijn tred eerder zwaarder dan lichter. Toen zei ze: ‘Ik ben bij je.’

Dat hielp. Tussen de takken door bleef de zon volop schijnen.