Popcorn

Meer dan een kwarteeuw geleden, de Twin Towers stonden nog overeind, bezocht ik voor een paar dagen New York. Het was onderdeel van iets groters, ik was niet speciaal voor die stad in het vliegtuig gestapt. Ik reisde alleen, iets wat ik me nu nog nauwelijks kan voorstellen. Met de andere gasten van het hostel om de hoek van Central Park had ik geen contact. In een bar op Amsterdam Avenue dronk ik een whisky met een man die zich een paar glazen later tot oplichter ontpopte. Verder sprak ik niemand.

Ik had mijn skates mee en maakte wat rondjes door het park. De loomheid en de zachtheid van de Indian Summer deden zich gelden. Ik wilde me niet overgeven aan de geijkte bezienswaardigheden, liever begaf ik me onder de plaatselijke bevolking aan de rand van Harlem, toen al niet meer het diepe getto. Zo zonder iets bijzonders om te doen draaide het uit op slenteren door de brede straten en langs basketbalveldjes.

Halverwege een middag kwam ik langs een bioscoop waar Saving Private Ryan op het punt stond te beginnen. De titel zei me niet veel, maar het leek me het proberen waard.

In de veronderstelling dat het nu eenmaal zo hoorde in een Amerikaanse bioscoop, kocht ik bij de balie een extreem grote beker cola en een extreem grote bak popcorn. De zaal was al donker en zat vol toen ik de toegangsdeur met mijn voet openduwde. Alles bezet, alleen míjn stoel was nog vrij. Tijdens de tocht door het gangpad viel me op dat niemand anders iets te eten of te drinken mee had. Behoedzaam nam ik plaats tussen twee mensen. Ik kon alleen maar raden naar de blikken die me ten deel vielen. Veel aandacht zal men mij ook weer niet geschonken hebben, want de film was al bezig.

Het was baanbrekend hoe hyperrealistisch de landing op de kust van Normandië in beeld werd gebracht. En in geluid. Toen ik de film onlangs thuis nog een keer zag, ontdekte ik destijds in dat zaaltje de eerste scènes te hebben gemist. Zodra ik zat, vlogen de eerste kogels al over het scherm. Er slingerden ledematen over het zand en door zwarte rookwolken. Ingewanden puilden uit buikwanden. Kogelgaten verschenen in hoofden. Mensen vielen om, schreeuwden, jankten, bidden. Ik ga me de moeite besparen om uit te zoeken hoeveel minuten die geweldsorgie duurde, veel in ieder geval.

Ik begon intussen toch maar aan de popcorn die pontificaal op mijn schoot stond en probeerde geluidloos te kauwen. Het wilde niet erg smaken. Het voelde alsof ik een overtreding beging. Een slok cola nemen leek ook al zo ongepast onder het leed dat van het scherm spatte. Ik had nog een lange weg te gaan.

Veroordeeld tot gespartel

Mijn eerste paniekaanval ooit overkwam me 21 jaar geleden in het water. Ik was begin dertig en daarvoor was er nooit zoiets gebeurd. Hij leek uit de lucht te komen vallen, maar intussen. Mijn vrouw en ik waren net getrouwd en we verwachtten ons eerste kind. We woonden ook net samen, de komst van de kleine had van alles in een stroomversnelling gebracht. Me niet bewust bang te zijn voor wat dan ook, zat er onderhuids kennelijk iets te borrelen.

Zoals vaker stak ik zwemmend de plas over, heen en terug ongeveer 800 meter. Het was half oktober, ik wilde eens proberen de hele winter door te zwemmen. De watertemperatuur was 15 graden, nog goed te doen. De zon scheen die middag volop en de wind bleef beperkt tot een minimale bries. Onder zulke omstandigheden was het een stuk makkelijker om de koelte te doorstaan.

Ik zwom. Op de oever aan de overzijde stond een man met een werphengel. Om een onverklaarbare reden verontrustte me dat zo dat ik eerder omkeerde dan ik gewend was te doen. Halverwege de terugweg begon het.

Mijn armen wilden niet meer. Mijn beenslag zwakte af. Noodgedwongen ging ik over van borstcrawl op schoolslag, dan zou de duizeligheid misschien afnemen. Mijn doorgaans ferme slag werd een krachteloos gespartel, het water werd stroop, voor mijn gevoel lag ik stil. En ik moest vooruit, nog zo’n vier banen in een vijftigmeterbad, onhaalbaar op deze wijze. Ik kon niet naar een trappetje om er eerder uit te klimmen, verdrinken lag op de loer. De consequenties van mijn dood schoten door mijn hoofd: mijn lief zou alleen zijn bij het grootbrengen van ons kind, een kind dat het zonder vader moest stellen. Op het veldje in de verte bewogen figuurtjes in een wereld waar ik al niet meer toe behoorde. Dit was het dan.

Ten langen leste begon een andere zwemmer aan de oversteek. Eenmaal dichtbij genoeg vroeg ik hem of hij met me mee terug wilde zwemmen. Het kan heel goed zijn dat ik mijn verzoek begon met een welgemeend ‘help!’. De rust en de kracht namen het daarna weer over. Die ander kon me nauwelijks bijhouden. Evengoed zwem ik sindsdien langs de kant, overigens geen garantie voor het wegblijven van paniek.

Een paar jaar terug deden zwemboeien hun intrede. In de felgekleurde ballon neem ik sleutels, pasjes en soms mijn telefoon mee, handig om diefstal te voorkomen. Bovendien kan ik er, indien nodig, onderweg op leunen. Zo zijn er meer dingen in mijn leven die wat zekerheid moeten verschaffen in reactie op de algemeen aanwezige angst voor de angst. Activiteiten kleiner maken of achterwege laten horen daar ook bij. Ik mag graag denken dat ik me niet laat beperken, toch blijft de impact fors. Die eerste paniekaanval werkt door, ik ben hem nog steeds niet echt te boven. Wie weet ooit.

een versie van deze tekst verschijnt ook in Plusminus Magazine
illustratie: Bert Bakker

Moeten

Maandagochtend in de trein naar Baarn moest ik ineens poepen. De voorgaande dagen was het er niet van gekomen om uitgebreid naar de wc te gaan, dus zo onverwacht kwam het ook weer niet. Ik raakte een beetje in paniek, met het vorderen van de reis steeds meer.

Ik was op Overvecht ingestapt. Kort daarna kwam het opzetten. Bij ieder tussenliggend station overwoog ik uit te stappen om de eerstvolgende trein terug te nemen. Bij Bilthoven en Den Dolder hield ik me nog in. Vooral op Soest-Zuid was de verleiding groot. Daar stonden al aardig wat mensen te wachten, kennelijk op de sprinter in de tegengestelde richting. Zonder lang wachten zou ik terug kunnen. Ik was al opgestaan van de treinbank en op weg naar de deur, toen ik bedacht dat ik me niet door angst moest laten leiden.

De angst was dat ik de hele wandeling nodig zou moeten, daar kwam het op neer, heel simpel. Ik was weer gaan zitten en probeerde het over me heen te laten komen. De ervaring, de vele ervaring inmiddels, leert dat het altijd weer voorbijgaat. Maar vreemd genoeg helpt dat besef niet om het sneller voorbij te laten gaan. Hooguit zet het me aan om vol te houden, me niet volledig mee te laten sleuren.

Uit het raam turend nam ik mijn opties door. Gebruikmaken van het toilet aan boord viel meteen af. Los nog van de vermoedelijke ranzigheid van dat hokje schatte ik in te weinig tijd te hebben tot het eindpunt van de rit. De volgende mogelijkheid bevond zich daar. Naast station Baarn wist ik een eetcafé. Ik heb vaak bij horecagelegenheden geplast, maar er nog nooit een grote boodschap gedaan, zou dit de eerste keer kunnen zijn. Of moest ik wachten tot in het bos en daar ergens hurken? Dan was er niets om mijn billen mee af te vegen. Sowieso was de vraag of het in een dergelijke setting zou lukken om te presteren.

Ik blijf hopen een keer verlost te zijn van de zenuwen over dit soort dingen. De gemene deler is het mogelijke verlies van controle. Alles kan een trigger zijn, je kunt het van tevoren niet verzinnen. Ik zou er heel wat voor over hebben om een keer geheel ontspannen op pad te kunnen.

De trein arriveerde, ik checkte uit op het perron en begon te lopen. Dat maakte al een heel verschil ten opzichte van het zitten in de coupé. Blijkbaar ging er een signaal naar beneden dat nu niet het moment was om te ontlasten. De paniek ebde ook weg. Het eetcafé hoefde niet meer op een bezoek van mij te rekenen en ook het bos bleef een bijdrage bespaard. Ik liet een paar scheten, dat was alles. (Ik moet nog wel leren om eerst om te kijken, en niet pas naderhand.)

Straatbeeld

Het stukje openbare ruimte tussen de twee straten is klein, maar daarom niet minder waard. Vorig jaar is het opnieuw ingericht. Ik fiets er vaak langs, het is vlakbij huis, nog geen vijftig meter van onze achtertuin.

Een deel van de bestrating heeft plaatsgemaakt voor groen. Zo zou het niet meer als oneigenlijke parkeerplek kunnen dienen. Er is echter een stuk vrijgehouden voor de uitrit van twee garageboxen. Tijdens de werkzaamheden voorzag ik al dat juist daar auto’s neergezet gingen worden.

En zo gebeurde. Het was me een doorn in het oog.

Auto’s nemen al zo veel plek in. Ik durf te stellen dat dit land lijdt onder een autocrisis. Zo ervaar ik dat althans. En een crisis die wordt ervaren, weten we intussen, ís een crisis. Sinds afgelopen augustus rijden er meer dan tien miljoen personenwagens rond en het worden er dagelijks meer. Schrikbarend is het. Voor het autoverkeer is steeds meer ruimte nodig. Niet alleen voor wegen, maar ook om al dat blik kwijt te kunnen in de wijk. Op veel locaties wordt het straatbeeld erdoor bepaald, en overheerst.

In dat licht moet je mijn ietwat radicale actie zien. Ik heb een tijdlang consequent melding gemaakt van foutgeparkeerde auto’s, met name naast dat groenperk. Met een daarvoor bestemde app ging dat heel makkelijk.

Iedere keer als er een auto stond, pakte ik mijn telefoon erbij. Meestal stuurde ik een foto mee. Daarna wachtte ik met lichte spanning op de reactie. Mijn nieuwsgierigheid betrof vooral of de handhavers op tijd ter plekke zouden zijn om ‘het voertuig aan te treffen’, zoals het in ambtelijke taal mooi heet. Vaak was dat het geval.

Uit de standaardtekst die ik dan terugkreeg las ik dat er bij de constatering van een overtreding twee mogelijkheden waren. De overtreder kreeg een waarschuwing, waarbij er een notitie in het systeem kwam. Of er werd een bekeuring uitgedeeld. In beide gevallen met oog op voorkomen van herhaling. Het heeft zo goed gewerkt dat auto’s dit stukje stad niet meer ontsieren.

Toch ben ik er nog niet uit of het nou goed of fout van mij was. En is. En wat het zegt over mijn morele kompas. Is dit nou mijn zinvolle bijdrage aan de maatschappij? Ben ik een betrokken burger, of gewoon een verklikker? Dankzij mij heeft de gemeente een paar honderd euro aan parkeerboetes kunnen innen. Was het nodig om die autobezitters op kosten te jagen? En zijn er ook andere situaties denkbaar waarin ik mijn medemens erbij zou lappen? Je begrijpt dat ik niet onverdeeld trots kan zijn op wat ik heb gedaan.

Desondanks mag het resultaat er zijn. Het nieuwe groenperk is rijkelijk voorzien van verschillende soorten planten. Een bedrijf houdt het in opdracht van de gemeente op orde. Regelmatig schoffelt men er het onkruid weg en in droge periodes wordt er gesproeid. Om ook iets positiefs bij te dragen hou ik het vrij van zwerfvuil. Dat maakt het oordeel misschien wat milder als ik straks bij de hemelpoort sta.

Zeep

Deze week heb ik ChatGPT (vanaf nu Chat te noemen) gevraagd namens mij en in mijn stijl een blog te schrijven. Ik ben daarmee een grens overgegaan, een lijn die ik nota bene zelf kortgeleden heb getrokken. Mijn voornemen was juist om het niet te doen, me niet op dat hellende vlak te begeven. Daar zat ik echter al op, met een dikke klodder groene zeep onder mijn kont. Het stellige voornemen bleek achteraf onderdeel van de glijpartij. Het wilde sowieso niet nageleefd worden. Ik poog een reconstructie te maken en begin bij het einde.

Iedere zichzelf respecterende stukjesschrijver moet het eens in zijn leven hebben geprobeerd, dacht ik. Om het de machine niet te makkelijk te maken verzocht ik om een tekst met zichzelf als onderwerp. Dat komt overeen met mijn eigen voorkeur, ik schrijf ook graag over mezelf. In een zucht was daar het eerste resultaat. Het viel tegen, een gortdroog betoog. Ze vroeg wel meteen of ze er wat lichte ironie aan toe zou voegen, zoals ik ook graag doe. Maar het leek daarna nog steeds niet op een blog van mij. In mijn ogen dan, een nietsvermoedende lezer zou het bedrog wellicht over het hoofd zien. Ik besloot de proef niet op de som te nemen, was zo wel diep genoeg gezonken.

Een week eerder nam ik al de stap waar ik het eigenlijk bij had willen laten. Waar ik voorheen Melanie vroeg om de eerste versie van een blog te beoordelen, legde ik dat nu aan Chat voor. Gretig nam ze de woorden tot zich en produceerde vlot de gevraagde feedback. Daar kon ik wel wat mee. Het grote voordeel was dat ik nu direct verder kon met een volgende versie, wat een enorme tijdwinst opleverde. Ik had Melanie niet meer nodig. Dit zou weleens consequenties kunnen hebben voor ons huwelijk. De reactie online was verfijnder dan die mijn lief ooit zou kunnen geven. De machine hoefde ik niet vooraf te verzoeken om eerst iets positiefs te zeggen, en daarna pas wat eraan schortte.

Nog weer een week eerder had ik ontdekt hoe lekker het is om een bevestiging van mijn talent te krijgen. Van iemand die het kan weten. Een stukje voor een blad was net de deur uit. De hoofdredacteur was tevreden. Nieuwsgierig naar haar zienswijze legde ik de tekst ook voor aan de digitale allesweter. Zij had wat kritiek en puntjes ter verbetering, maar de complimenten overheersten. Dat smaakte meteen naar meer. Verslavend.

Voor het echte begin moeten we nog iets verder terug. Dat lag bij simpele vragen over huishoudelijke kwesties. Ik herinner me te willen weten hoe we iets konden doen tegen de mieren in de keuken. Die zijn weg. Hoe de filters van de afzuigkap te reinigen. Die zijn schoon. Hoe ik mijn buikje kon laten slinken. Wordt aan gewerkt. Van het een kwam zo het ander. Vermoedelijk heb ik vanaf die eerste kennismakingen al op de glijbaan gezeten. De harde landing in het zand eronder komt denk ik nog.

Gevleugeld bezoek

Laat ik vooropstellen dat ik dit niet voor mijn plezier doe. Dit werk is me van hogerhand opgedragen. Liever speur ik vanaf de waterkant naar vis en kreeftjes. Het drassige weiland is mijn habitat. Ik zal me toch naar vermogen van mijn taak kwijten.

De eerste hindernis is er alvast geen. De twee glazen platen schuiven vanzelf uit elkaar. Behoedzaam plaats ik mijn viertenige poten op het linoleum van de hal. Op het bellenpaneel vindt mijn oranje snavel vlot het blinkende knopje naast het huisnummer. Uit de luidspreker van de intercom klinkt een mannenstem, een beetje onzeker met ook iets joviaals: ‘Ja hallo, is de deur open?’ Niemand antwoordt. Hij vraagt het nog eens. Ik ben dan al in het atrium van de seniorenflat. Met die stelten van mij kan ik het best de lift nemen naar de eerste. Als ik vervolgens door de gang schrijd, zie ik in een laag raam mijn slangennek en mijn blauwgrijze verendek voorbijglijden. Niemand laat zich zien. Zijn deur staat op een kier.

Zonder kloppen, zonder enig geluid, betreed ik via het donkere halletje de kamer. De casemanager dementie staat op het punt van vertrekken, ze stopt paperassen in haar tas. Zij ziet me niet, hij wel. Maar hij besteedt geen aandacht aan me als er iemand anders bij is, wacht tot ze de woning heeft verlaten.

Hij vergeet genoeg, maar weet nog goed wat ik kom doen. Ik kom alleen maar halen, niets brengen. Om te beginnen, en dat is nu al jaren terug, hapte ik wat herinneringen weg, gewoon lukraak gaten maken in die grijze massa. Al gauw, misschien al na een paar maanden, morrelde ik aan zijn vermogen om nieuwe dingen te onthouden. Dat heeft intussen een hoge vlucht genomen. Meneer weet na tien minuten al niet meer wat hij even daarvoor heeft gezegd of gedaan of gedacht. Men zal tevreden zijn over mijn werk.

Onlangs heb ik een volgende fase in gang gezet. Dat is eenvoudiger dan je denkt, in ieder geval voor een wezen als ik. Binnenkort kan hij namen en gezichten niet meer thuisbrengen, hoewel ik twijfel of ik de weg kwijtraken voorrang zal geven. Het kan ook allebei tegelijk. Er gaat een zoemer. Het is vandaag een komen en gaan.

Hij staat op, neemt de hoorn van de haak en zegt net als even eerder: ‘Ja hallo, is de deur open?’ Ik kan niet horen of er gereageerd wordt. Hij verwacht iemand, ik zie dat hij dat nog weet. Om te ontdekken wie het is raadpleegt hij de agenda die opengeslagen op tafel ligt. Ik kijk mee. Het zijn zijn oudste zoon en diens vrouw. Ik hoef er niet bij te zijn om te weten hoe het gaat: steeds kortere gesprekken, herhaling van zetten.

Het is voor mij tijd om te gaan. De deur naar het balkon staat open. Ik spring met een vleugelslag op de balustrade. Vanuit het halletje hoor ik nog de begroetingen. Dan vlieg ik op en ben ik weg. Morgen weer een dag.

Signaalrood

Ik erger me soms kapot, kan het niet helpen. Het zwaartepunt van mijn dagelijkse portie irritatie ligt bij het boodschappen doen. Op weg naar de supermarkt is het vaak al raak: foutgeparkeerde auto’s, voetgangers die niet op of om kijken bij het oversteken, bellers op de fiets, met oortjes in, fatbikes die de ingang versperren. En dan ben ik nog niet eens binnen.

Als ik lege flessen heb, en pech, dan is er vlak voor me iemand met twee vuilniszakken aan statiegeld. Uit het plafond klinkt voor de zoveelste keer dat lied van Hazes, Zomer: ‘Ik heb de zomer in mijn bol, voor mij begint nu echt de lol.’ Naast mijn eigen emoties heb ik dan te doen met het winkelpersoneel dat het eindeloos aan moet horen.

Na de klaphekjes licht ik een handscanner uit het rek, druk op ‘oké’ en begeef me in het eerste pad. Daar staan bakken met wekelijks wisselende koopjes in de categorie non-food, grotendeels rommel waar de wereld aan ten onder gaat. Geen aandacht aan besteden, spreek ik mezelf toe. Door naar de groente- en fruitafdeling. Met groenten en fruit kan, milieutechnisch gezien, ook van alles mis zijn. Maar ik stoor me vooral aan de klanten die ertussendoor scharrelen. Ze lijken alles te moeten betasten alvorens een keuze te maken en een product in hun mandje te leggen.

Ik heb het idee iets te moeten met mijn onvrede, er op de een of andere manier uiting aan geven. Als ik er iets van zeg, zou de aangesproken persoon kunnen denken: ‘Hé ja, die meneer heeft gelijk, het is niet zo netjes en bovendien onhygiënisch dat ik overal met mijn vingers aan zit.’ Ik betwijfel of het zo zal gaan. Misschien doe ik er goed aan uitsluitend voor mezelf te handelen, zodat ik het buiten mij plaats en mijn gemoed daar wat van oplicht. Het blijft lastig ter plekke een opmerking te verzinnen die niet te agressief of te belerend overkomt.

Het kwam een keer zo uit dat het lukte mijn ongenoegen met een gebaar uit te drukken. Een jonge vrouw pakte de ene na de andere paprika op om op roodheid te inspecteren en te zien welke ze geschikt achtte voor het avondeten. Ik keek het even aan, liep naar het schap, boog lichtjes voor haar langs en pakte zonder omhaal de eerste de beste vrucht. Zij maakte daarna, als ik het goed zag vanuit mijn ooghoek, ook snel haar keuze. Dat voelde goed, de ergernis transformeerde in tevredenheid.

Een week later liep het met de trostomaten net even anders. Ze waren in de aanbieding. Na een ochtend vol aanrakingen lag wat resteerde van de voorraad er treurig bij, gebutst en gevlekt. Een man, klein van stuk, speurde naar exemplaren die er nog mee door konden. Je begrijpt het, niet alleen met zijn ogen. Zorgvuldig maakte hij de uitverkorenen los van de takjes en legde ze apart. Toen gebeurde het. Ik pakte de vier tomaten die op de rand van het krat klaarlagen en liep ermee naar de weegschaal. De man sputterde nog: ‘Die heb ik uitgekozen.’ Ik zei dat ze nu van mij waren. In dit geval zal de boodschap minder duidelijk zijn geweest.

Veerman

De weg was al niet zonder strubbelingen geweest. Vanaf de fietsverhuur waren we aan een rondje van 50 kilometer begonnen, ik op een e-bike, de andere drie op eigen kracht. Ondanks de ondersteuning viel het fietsen me zwaar. Ik zat niet op mijn gemak. Tot mijn tevredenheid verkortten we, vanwege het toch wel heuvelachtige karakter, de route tot 30 kilometer. Dat idee ging in rook op toen we tijdens de lunchpauze ontdekten een verkeerde afslag te hebben genomen. Na wat inwendig gevloek stemde ik ermee in om het plan weer aan te passen, via de andere kant van het meer terug te fietsen en daartoe eerst het veer even verderop te nemen.

Juist toen we aankwamen bij de helling trok de pont zich los. Volgens een schema op het informatiebord zou de volgende afvaart pas een uur later zijn. We wilden dat niet zomaar geloven en vroegen een sympathiek ogende Tsjech, die ook op de valreep de boot had gemist, of het echt zo was. Volgens hem klopte het vaarschema zoals wij het hadden gelezen. Dat wetende overwogen we of we nog wel naar de overzijde wilden.

Met het zicht op de wegvarende pont en het vooruitzicht van een uur wachten overlegden we. Misschien had de Tsjech dat in de gaten. Hij deed een paar stappen in mijn richting en liet op zijn telefoon zien dat aan de overkant een mooi fietspad langs het water lag. Heuvelloos, of in ieder geval heuvelarm, dacht ik meteen en was om. De anderen waren al zover, we zouden overvaren. Reisleider Melanie haalde alvast tickets voor vier fietsen uit de automaat.

We aten nog iets bij een kiosk op het nabijgelegen strand en stelden ons daarna ruim op tijd op bij de kade. De veermannen sjokten vlak voor vertrek uit hun hok. Eentje nam alvast plaats achter het roer, de ander gaf de passagiers aanwijzingen en controleerde vervoersbewijzen.

Er was plek voor vijf auto’s, die mochten eerst. Daarna waren voetgangers en fietsers aan de beurt. Melanie nam het voortouw en toonde onze tickets. Ze liep verder terwijl die man nog iets tegen haar zei wat ze niet meteen begreep. In de analyse achteraf was dit misverstand een van de mogelijke verklaringen voor zijn gedrag even later.

Hoewel de logica erachter valt te betwisten bleek dat we naast de fietsen ook voor vier personen hadden moeten betalen. De veerman weigerde deze omissie door de vingers te zien. Melanie twijfelde niet, gaf mij haar fiets en rende naar de automaat. Onwaarschijnlijk snel had ze de benodigde tickets en holde terug. Dat kon de veerman niet schelen. Toen ze weer bij haar fiets was voer de pont weg. Opnieuw zonder ons. Echt. Ik heb mijn lief nooit eerder zo boos gezien en ga niet herhalen wat er uit haar mond kwam. Stoom uit haar oren, dat kan ik wel zeggen.

Het was ieder van ons te gortig om nóg een uur te wachten. Melanie had een flink deel van de terugweg, die we nu min of meer gedwongen waren te nemen, nodig om tot bedaren te komen. Aan het eind van de dag stond er toch 50 kilometer op de teller. En we hadden iets geleerd over de Tsjechische medemens: sommigen onder hen zijn uiterst vriendelijk en behulpzaam, anderen beduidend minder.

Kelder

De weerapp voorspelde regen, geen weer voor een wandeling. Melanie boekte een rondleiding bij de brouwerij van Pilsen, een uurtje rijden vanaf het vakantiehuis. De gids sprak een Duits dat vrijwel niet te volgen was. Haar verhaal tijdens die kleine twee uur ging voor ons grotendeels verloren. Naast mijn gezin bestond de groep uit ongeveer 25 anderen, die kennelijk meer meekregen van de uitleg.

Al snel mochten we in een omgebouwde stadsbus naar wat de vulhal bleek te zijn, de plek waar ik qua spektakel het meest van verwachtte, dat viel tegen. Er werd net op dat moment geen enkele fles gewassen, gevuld of gekroonkurkt. We moesten het doen zonder rinkelend glas over lopende banden. In de bus terug naar een oud gebouw nabij de ingang overwoog ik mijn reisgenoten voor te stellen om het maar voor gezien te houden, ik zweeg daarover, wat moesten we anders met de middag. Verder dus maar.

Achter een moderne glazen pui bevond zich een hal met een lift waar de hele groep in paste. Daar begon mijn paniekaanval, nog best onverwacht. Ik kreeg het benauwd, had plotseling ernstige aandrang, wankelde, wilde het liefst weer naar beneden, naar buiten, ruimte, frisse lucht. Dat te moeten vragen aan de gids en de hele groep ophouden leek me een remedie erger dan de kwaal.

Vanuit de lift voerde een gang naar een donker filmzaaltje met halfronde banken voor een eveneens halfrond scherm. Ik positioneerde mezelf strategisch aan de buitenkant, hoewel dat weinig uitmaakte voor een eventuele vlucht, ik zat vast. Met het klamme vocht in mijn handen, toch nog steeds een uitweg overwegend, onderging ik de informatieve film, veel flitsen. Daarna, eenmaal in beweging door de naastgelegen expositie over gerst, water en hop, zakte de spanning en kon ik weer normaal ademhalen.

We aanschouwden een verzameling in onbruik geraakte koperen ketels, waar opnieuw een onverstaanbaar verhaal bij hoorde, en daalden daarna af naar de kelder. Hier bleek het spektakel zich schuil te houden. Het kleine gedeelte dat we zagen van het enorme complex aan met de hand gegraven tunnels maakte een grote indruk. In de koelte onder de gewelven werd in voorbije tijden het bier opgeslagen. Men brouwt er op traditionele wijze nog kleinschalig het originele pils. In een van de houten vaten was een tap geslagen waaruit een daartoe aangestelde brouwer voor ieder een schuimend glas vol liet lopen. Het bier, met dezelfde temperatuur als de lucht daar beneden, smaakte maar al te goed.

Het was opvallend hoe daarna, in ieder geval in mijn beleving, de stemming in de groep omsloeg van enigszins mat naar een stuk frivoler. Na kort daarop nog even te hebben stilgestaan bij de ijsopslag was het klaar en werkten we onze weg door de onvermijdelijke souvenirwinkel naar buiten. Het was droog gebleven.

Inmiddels weet ik dat het de resterende tijd in Tsjechië niet bij die ene confrontatie met paniek is gebleven. Ook vond ik dagelijks aan het eind van de middag troost bij een echo van dat ene glas.

Gelovig

Een achillespeesblessure wierp me begin februari ongenadig terug in de winterdip waar ik twee weken eerder uitgeklommen was. De stapjes die nog lukten stonden me alleen toe te bewegen in huis en bij de noodzakelijke gang door de supermarkt. Het was niets om me voor te schamen en toch deed ik dat een beetje. Ik was acuut inert geraakt, terwijl de langere wandelingen in de voorgaande weken me er juist bovenop hadden geholpen. De buitenlucht en de beweging hadden me goed gedaan, net als steeds weer dat drempeltje nemen, en de voldoening achteraf. Het viel allemaal weg.

Internet repte van drie tot zes maanden voor het herstel, tot soms zelfs een jaar. De huisarts vertelde ongeveer hetzelfde. Met die kennis op zak raakte ik in korte tijd wanhopig, ook wetende dat ik de activiteit hard nodig had om fit te blijven. Bovendien viel mijn plan in duigen om vrolijk de lente in te lopen. Het pakte dusdanig dramatisch uit dat het voor mij zo niet meer hoefde.

Ruim twee weken stond de beperking op de voorgrond en al het andere in de schaduw ervan. Toen het lopen tot mijn opluchting iets beter ging, begon ik na te denken over dit verhaal en andere verhalen die mijn leven beheersten. Ze zijn talrijk en gevarieerd, van het persoonlijke tot aan het wereldtoneel, nooit niks. Mijn mijmering spitste zich al snel toe op het idee dat er iets moest zijn dat steeds getuige was, een constante factor onder alles wat speelt. Zo kwam ik zelfs op de mogelijkheid van het bestaan van een god. Je kunt het niet weten, zei een vriend, het gaat onze waarneming te boven.

Toch heb ik weleens, toen ik met gekruiste benen op een kussentje zat en overigens niet psychotisch was, iets meegemaakt wat je een spirituele of goddelijke ervaring zou kunnen noemen. Dat is een beetje gek gezegd, omdat het impliceert dat al het andere daar niet toe behoort, het tegendeel is waar. Kort na dat voorval probeerde ik het te omschrijven, taal bleek niet toereikend. Daarom doe ik ook nu geen poging. Laat ik het erop houden dat, zonder dat tijd en ruimte nog een rol speelden, ik zicht kreeg op iets. Ik geef er liever geen definitieve naam aan, weten van het bestaan volstaat.

Dat ik even, gelukkig niet lang dus, diep in de put zat met die gehavende pees, herinnerde me eraan. Het zorgde ervoor dat ik er weer mee in contact kwam, niet op een heftige of ingrijpende manier, wel wat meer dan alleen rationeel. Op het moment zelf had ik het niet eens in de gaten, achteraf pas, toen ik nadacht over de zin en betekenis van het lijden. Juist daardoor ontstond er een opening naar dat wat onder alle pijn en gedoe en gedoetjes verborgen ligt.

Wat het ook is, het zal er altijd zijn. Dat die blessure zich nog laat gelden en ik voorlopig met een stok loop, doet daar niets aan af.

Antwoord

Brieven aan een jonge dichter van Rainer Maria Rilke triggerde mijn eerste psychose. In die periode, drie decennia geleden alweer, volgde ik de levensbeschouwelijke studie humanistiek. Op de leeslijst stond meer literatuur over zingeving en filosofie, zeer interessant, ik ging er helemaal voor. De balans tussen lijf en geest raakte zoek. Ik deed wat aan sport maar niet erg regelmatig, mijn hoofd werd topzwaar. Daarnaast speelde een mengeling mee van eenzaamheid, stress, opwinding en onzekerheid, plus plotse inzichten, noem het maar. De uitwerking van alles samen was desastreus. Ik raakte in de war, staakte noodgedwongen de studie en heb die nooit meer opgepakt. Of dat zonder dat boek ook zo was gelopen, weet ik niet, mogelijk was het net dat zetje.

Naast triggers heb ik in de loop der jaren verklikkers leren zien, gedachten of gedragingen die wezen op het begin van een nieuwe episode. Het ging dan om de manische kant, een depressie was van zichzelf wel duidelijk. Verklikkers voor een verhoogde stemming zijn in mijn geval het voeren van geanimeerde gesprekken, opvallende scherpzinnigheid, meer wandelen dan anders, bepaalde muziek luisteren, maar ook veel schrijven, dichten met name. Krijg ik ineens weer regels op papier, dan weet ik hoe laat het is, moet ik alert zijn.

Lange tijd heb ik dat niet als zodanig onderkend, of willen onderkennen. Ik wilde gebruikmaken van de vrijgekomen inspiratie, vond het heerlijk om weer toegang te hebben tot dat domein en ging er dieper op in. Ik bracht bundels uit in eigen beheer, zonder te proberen tijdschriften of uitgevers te interesseren. Dat er maar een paar gedichten zijn overgebleven die de toets kunnen doorstaan, neemt niet weg dat het schrijven ervan zijn waarde had. Het bood een manier om enige grip te krijgen op de aanzwellende stroom, om de verbindingen die in mijn hoofd ontstonden te laten stollen en misschien vooral om iets van de schoonheid vast te leggen die ik ervoer.

De brieven van Rilke waren gericht aan een jongeman die zich vertwijfeld afvroeg of hij dichter moest zijn. De kritiek van de meester op het meegestuurde werk was niet mals, en toch ook bemoedigend. Hij raadde aan om onderzoek te doen, om uit te zoeken of het schrijven van verzen noodzaak kende en om bij zichzelf te rade te gaan in plaats van de oren te laten hangen naar het oordeel van anderen. Leef je vragen, gaf Rilke mee, dan komt op den duur misschien een antwoord bovendrijven.

Inmiddels heb ik de vraag, denk ik, lang genoeg geleefd om tot een voorlopige conclusie te komen. Ik vind het soms leuk om gedichten te schrijven, en soms zit daar wel wat noodzaak achter, maar het is niet de voornaamste vervulling van mijn bestaan. Ik meen ook dat de ander, een eventuele lezer, wel zonder kan, en hou ze voortaan lekker voor mezelf.

Deze tekst verschijnt later dit jaar ook in Plusminus magazine, thema Lezen en schrijven