Broekspijp

Een hond snuffelde in het gras. Het bijbehorende vrouwtje struinde aan de andere kant van het pad. Het was haast onvermijdelijk dat ik tussen haar en het mormel door liep. Het beest begon daarop te blaffen en zat binnen de kortste keren met zijn grommende snuit bij mijn broekspijp. In een trage reflex stak ik mijn handen in mijn jas, om mijn vingers te beschermen, en om te deëscaleren. Het werd niet stil.

Even daarvoor was ik drie keer een loslopende hond tegengekomen waar loslopen niet mocht. Het gaat van kwaad tot erger daar. Ik overweeg me aan te melden als speciaal buitengewoon opsporingsambtenaar. Dan maak ik mijn wandelingen voortaan met een bonnenboekje op zak. Ik heb mijn roeping gemist. Nu was ik slechts gereed, voor het geval het geringste grommetje mijn kant op kwam, om vriendelijk doch met gitzwarte ondertoon de baasjes aan te spreken. Het bleef steeds bij een groet.

Juist op de plek waar loslopen mocht, kwam die ene op me af. In een poging de angel eruit te halen, bleef ik stilstaan. Ik vroeg de vrouw wat er aan de hand was, of ik verkeerd liep, bijvoorbeeld. Dat was het niet, hij was al de hele ochtend in een rare bui, wilde niet luisteren. Dat hij dit anders nooit deed, bleef net achterwege.

Het paste bij de situatie om zelf ook eens flink te gaan blaffen. Misschien bedankte ze me daarvoor, toen ze het dier uiteindelijk aan de riem kreeg, dat ik dat niet had gedaan.

Opgeruimd

Tijdens de eerste coronagolf circuleerde op Whatsapp een tekst van ene Susan Blanco: Maar de lente wist het niet. Hij was me in korte tijd drie keer toegestuurd. Er werd een beeld geschetst van wat er zoal speelde rond de crisis, veelal met een optimistische blik en een positieve insteek. Het was een te lang stuk voor dat medium en propvol vette sentimenten. Desondanks betrapte ik me soms op kippenvel van enthousiasme. Het bevatte echter ook een idee dat me tegen de borst stuitte. Susan schreef over ‘een dag van bevrijding, waarop de premier iedereen vertelde dat de noodsituatie voorbij was, dat het virus had verloren’.

Larie.

Die bevrijding lag niet ergens in de toekomst, vond ik, en ligt daar nog steeds niet. Die bevrijding vindt vandaag plaats. En hoe gek het ook klinkt, het virus helpt erbij. Het was, ondanks de onmiskenbare lichtpuntjes, natuurlijk allemaal heel erg, heel erg allemaal. En is dat. Maar zet de tv even uit en laat de krant en internet voor wat ze zijn en ervaar wat er binnen direct bereik van je zintuigen ligt. Misschien lag het aan mij, hoewel ik meende niet de enige te zijn: ik had juist toen momenten dat ik intens kon genieten van iets simpels. Ondanks de verwarring was mijn leven ineens opgeruimder. Het was op slag helderder wat me te doen stond, gewoon als het om dagelijkse dingen ging. Dát ervoer ik als een bevrijding.

Zeven maanden verder blijkt die houding, hoewel wat afgezwakt, lang mee te kunnen.

Jarig

Melanie sprak haar veto uit over het blog dat ik hier gepland had. Dat recht heeft ze als het om persoonlijke zaken gaat, zeker wanneer het seks betreft. Niet iedereen hoeft van alles op de hoogte te zijn.

Later kon ik haar overtuigen het verhaal toch de wereld in te laten. Mijn sterkste argument, waar zij gevoelig voor bleek, was dat het om een van mijn beste blogs ooit ging. Ze gaf toe er ook na de derde keer lezen hard om te moeten lachen en wilde me deze mogelijkheid om mijn schrijfkunst te etaleren niet ontnemen.

Na haar schoorvoetende instemming plande ik het voor vandaag, vrijdag 9 oktober, in als bericht. Te elfder ure rees bij mijzelf twijfel. Wie mijn werk kent, weet dat ik het niet schuw me bloot te geven. Het gaat me toch te ver om een ander er zo nadrukkelijk bij te betrekken. Ze is nog jarig ook vandaag.

Zonder blog zit ik met de handen in het figuurlijke haar. Ik krijg het niet meer voor elkaar om buiten de vakantie om een week over te slaan. Sommigen, waaronder mijn moeder en mijn schoonmoeder, rekenen gewoon op een stukje aan het eind van de week. Die zitten zich al af te vragen waar het nou toch blijft. Daarbij heb ik uiteraard mijn jaarlijkse quotum te halen.

Ik weet het goed gemaakt. Ik draag dit blog op aan mijn allerliefste. Je kunt haar feliciteren met haar 47e (toch weer iets onthuld). Hieronder (alleen vandaag) haar mailadres.

Hofhouding

Ik wilde de koningin een mail sturen. Gezien haar leeftijd past de titel prinses wellicht beter. Ze is hoe dan ook van adel. De beoogde ontvanger van mijn schrijven was Marieke Lucas Rijneveld, winnaar van de International Booker Prize.

Ze had in Volkskrant Magazine verteld twee keer per week in de plas te zwemmen, de mijne, de onze. Ze zou dat doen tot het schaatsseizoen begon, en daarna weer vanaf april, als het water nog best koud was. Het leek me goed haar erop te wijzen dat ze ook het hele jaar door kon zwemmen en dat ze van harte welkom was bij de winterzwemclub. Om een ongemakkelijke verrassing te voorkomen kon ik niet weglaten dat het onze voorkeur heeft naakt te water te gaan.

Helaas kon ik haar adres niet vinden. Dat was bij de echte koningin een stuk makkelijker. Toen Beatrix nog op de troon zat, had ik eens een aan haar geadresseerde envelop op de bus gedaan. De afzender, een medepatiënt, mocht op dat moment niet van de afdeling. Ze wilde geen antwoord geven op mijn vraag wat ze de majesteit had geschreven. Ik betwijfelde of die brief de eerste schifting van de hofhouding zou passeren.

Ik heb mijn bericht maar naar de afdeling publiciteit van de uitgeverij gestuurd. Mogelijk fungeert die als hofhouding voor Marieke Lucas. Mijn hoop is dat ze het doorsturen. Blijft het nog de vraag of de schrijfster toekomt aan lezen en beantwoorden. Ze wordt vast bedolven onder interviewverzoeken, fanmail en eigenaardige voorstellen.

Fluiten

Een winterzwemvriendin vroeg wat ik op zou zetten. Ik had even daarvoor gezegd die middag muziek te gaan luisteren. ‘Chet Baker’, sprak ik mijn vermoeden uit. Er was instemming: ‘Wat gaat het worden, zang of trompet?’ ‘Trompet’, verwachtte ik, ‘of’, zei ik daarna snel, ‘George Michael.’ Ai. Dat waren de nieuwe luidsprekers, waar ik haar eerder over had verteld, ineens niet waard. Ik sputterde tegen dat hij best goeie dingen had gemaakt. ‘Dat kun jij vinden’, was het laatste wat ze erover te melden had.

Deze diskwalificatie indachtig draaide ik thuis eerst Listen Without Prejudice. Maar Michael begon toch al snel te vervelen. Baker daarentegen verraste me.

Aan de zoektocht naar een bepaald nummer van hem was ik nooit goed toegekomen. Ik floot het al maanden voor mezelf, of jaren eigenlijk. Ik floot al wandelend of op de fiets, steeds vaker, behalve als er veel anderen in de buurt waren. Na vrije improvisaties kwam ik altijd weer uit bij de mij zo bekende melodie. De titel was ik kwijt, geen idee op welk van zijn talloze albums het kon staan.

Na Michael koos ik lukraak voor In New York. Toegegeven, ik zat al een tijdje online te shoppen en niet meer echt te luisteren, toen het daar ineens was. Padapedapepapaaa papedepaaa. Ik geloofde mijn oren niet, zomaar in mijn schoot geworpen. Het bleek nog behoorlijk te verschillen door de verbastering die erin was geslopen; andere noten, meer noten, minder noten, ander tempo, maar onmiskenbaar wat me al zo lang vergezelt.

Broeders

Sinds we streamen luister ik veel meer muziek, een waaier van genres en stijlen. De dag begint met gregoriaans. Ondertussen tik ik wat.

De klanken blijven verbonden met de ochtend dat ik het beste wakker werd ooit. Dat gebeurde in een refugio, toevluchtsoord voor pelgrims, in een woestijnachtig deel van Noord-Spanje. Het was een paar jaar voor de moderne pelgrimage naar Santiago de Compostela een echt hoge vlucht nam. Voor de Pyreneeën was mijn tocht nog solo, erna liep ik met een groepje andere jonge mensen. Ieder had zijn of haar beweegredenen. Veel religieus zat daar niet bij.

We sliepen die nacht in een van grof, grijs gesteente opgetrokken oase. De geestelijke die de tent runde, ook niet zo oud, had ons met overvloedig stromende vreugde ontvangen. Bij katholieke monniken is het vaak maar de vraag of het ze te doen is om het aanbidden van god of eerder om de toewijding op zich. Het ging deze man in mijn ogen toch zeker om het laatste.

Het leek er die ene ochtend op dat hij ermee de magie naar zijn hand kon zetten. Hij had een cd opgezet en het hele gebouwtje vulde zich met de stemmen van andere toegewijden, die me zo wonderlijk licht de nieuwe dag in droegen.

Melanie kan er niet goed tegen, die galmende broeders en zusters. Om de vrede te bewaren schakel ik, zodra haar stappen op de trap klinken, naar gemakkelijker liedjes, van bijvoorbeeld afspeellijst ’t Koffiehuis. Ik heb mijn portie goede start dan gehad.

Top

In een opwelling had ik twee van die loodzware grindtegels achter uit het terras gewrikt om ze een stukje te laten zakken. De poort klemde al een tijd. Eerst dacht ik hem uit zijn scharnieren te moeten lichten en er een stuk af te schaven. Dank (aan wie of wat dan ook) voor het heldere moment waarin het idee zich manifesteerde om iets aan de stenen te doen in plaats van aan het hout. Mijn overhemd ging ervoor uit. Het lukte me.

Toen Melanie bij thuiskomst het resultaat zag, zo netjes achtergelaten als een stratenmaker dat doet, met wat zand erover dat tussen de voegen kan sijpelen, vroeg ze zich af of het wel goed ging met me. Er rinkelde een belletje. Die ochtend had ik al in een appje laten weten een beddenwinkel te hebben gebeld, heel voortvarend, over een nieuwe matras. Zo daadkrachtig kende ze me niet, althans niet in gezonde doen.

Haar zorgen rezen zelfs nog voordat ik had verteld in het zwembad een uur borstcrawl te hebben gezwommen, ’s middags ook nog even naar de plas te zijn geweest, direct naar tevredenheid en vlot op een mail van een coachklant had gereageerd (waar ik normaal lang over doe met doorgaans twijfel over het geschrevene) én uitstekend had zitten mediteren.

Dat ik eten had besteld en niet zelf gekookt, stelde haar enigszins gerust. Ik kon bovendien verzekeren dat ik onder alle activiteit juist heel kalm was gebleven. Tot ze erover begon, en ik na ging denken. Kak.

Tafeltje

‘Aan de kant, aan de kant!’, riep een buurvrouw een keer toen ze me zag aankomen. Het was geen grap. Ze wilde ruimte geven en mijn deels reële maar vooral ook vermeende wens om afstand te bewaren respecteren.

Ik ben in de buurt bekend komen te staan als iemand die de coronamaatregelen probeert na te leven. Dát komt met de werkelijkheid overeen. Ik ben er bewust mee bezig, word liever niet ziek en wil bovenal zo weinig mogelijk bijdragen aan het vergroten van het risico op virusverspreiding. Het is inmiddels opgeblazen en leidt een eigen leven.

Bij het begin van de uitbraak, toen de urgentie om bij elkaar vandaan te blijven hoog was, heb ik vermoedelijk de toon gezet. Een andere buurvrouw dan bovengenoemde wilde een kinderbureau van ons overnemen. Ik hield me bewust afzijdig toen ze het kwam bekijken, want was licht verkouden. Melanie en ik tilden het tafeltje daarna naar beneden en plaatsten het buiten de poort, zodat de buren het daar zelf konden ophalen.

Ik weet het niet zeker en moet oppassen met gevolgtrekkingen (daar heb ik therapie tegen gevolgd), maar heb sterk het vermoeden dat dit de basis is geweest voor de typering van mij als extreem strikte. In mijn eigen beleving ben ik minder streng in de coronaleer dan het beeld doet vermoeden, al moet ik toegeven meer dan gemiddeld op te letten, voor mezelf en anderen.

Dat dit uitmondde in een aansporing om voor mij opzij te gaan, gaf daar wat koninklijke allure aan.

Woudaapje

Aan de mensen met verrekijkers om de nek, zoomlenzen aan de schouder en statieven in de aanslag maakte ik op dat er een zeldzaam dier in de buurt was. Op weg naar mijn zwemstek kwam ik zo’n spotter tegen. Ze verontschuldigde zich, ze woonde toevallig dichtbij, waarna ze vertelde dat de aandacht uitging naar een woudaapje en meteen erachteraan dat het een vogel betrof. Niet een gansachtige – zoals ik onwetend opperde – maar meer zoals een reiger. Ze had vlot een foto paraat: inderdaad een reigerachtige, een meer gedrongen lid van de familie. Apart om te zien, wat waarschijnlijk niet zo was geweest als het dier zo algemeen voor zou komen als de reiger zelf.

Na een berichtje in de winterzwemappgroep, waar ik een primeur dacht te hebben dat het tumult om de woudaap draaide en meerdere mensen aangaven die allang te hebben gehoord of gezien, kwam een ander met een tip waar ik foto’s kon vinden. Die mensen langs de waterkant hadden al talloze meldingen gemaakt en afbeeldingen geplaatst op een waarnemingensite, mogelijk dé waarnemingensite, deel van een parallel universum waar een simpel mens als ik tot dan toe geen weet van had. Je ziet het zo: iemand meldt iets te hebben gezien en een horde stapt opgewonden in de auto om op de genoemde plek samen te klitten, in de hoop dezelfde waarneming te doen.

Ik begrijp de opwinding een klein beetje, heb even om de hoek gekeken. Niets gezien. Daarbij, de mussen in de achtertuin zijn attractief genoeg.

foto: Waarneming.nl / Benjamin Simmelink

Dienaamoo

Er was gereld, welgeteld drie straten van ons huis. Wij merkten daar pas wat van toen we de volgende dag het nieuwsbericht erover lazen. De tekst over wat er in de wijk gaande was geweest, bevatte een curieus onderdeel. Er bleek gegooid te zijn naar de politie, oké (niet oké!), maar behalve met de te verwachten stenen en bewaard vuurwerk, ook met fietsdynamo’s.

Wie gooit er met fietsdynamo’s? Waar hadden ze die dingen vandaan gehaald? Zijn die lui fietsenrekken langsgegaan om onderdelen eraf te schroeven? Of namen ze een doos mee uit de schuur of, er zijn hier veel flats, uit de berging? Van mij hadden ze een snufje sympathie gekregen als ze voor autospiegels hadden gekozen.

Fietsdynamo’s, het is eens wat anders dan eieren en rotte tomaten. Nogmaals, hoe kom je aan die dingen om mee te gooien? Heeft een subversieve fietsenmaker ze soms uitgedeeld? Zijn het de volgende keer derailleurs? Of neem gelzadels, die komen minder hard aan als je zo nodig iets wilt gooien. De boodschap komt dan ook wel over.

Het zou kunnen dat ik iets over het hoofd zie, dat er symboliek schuilt in het gooien van fietsdynamo’s. Een roep om verlichting misschien. Elders gingen de brandkranen open, hier dynamo’s naar hoofden, mogelijk een uiterst geraffineerde manier om bestuur en gemeenschap iets duidelijk te maken.

De intelligentie van die jongens inschattend echter, vraag ik me af of ze überhaupt wisten wat het was waar ze mee gooiden, hoe dat heette, hoe je het woord spelt.

Zomer

Ik zweet me de blubber. De temperatuur in huis loopt van dag tot dag verder op. De warmte is inmiddels tot in alle vezels van het houten staketsel doorgedrongen. Het helpt niet dat de muren aan de buitenkant bekleed zijn met antracieten leitjes en dat we grote oppervlakten raam hebben waar het zonlicht door naar binnen kan. Afschermen lenigt enige nood.

Grote troost is het opblaasbadje in de achtertuin. Een kwartier in de dertig centimeter water garandeert twee uur afweer tegen de hitte. Niet dat ik er elke twee uur in zit, hoewel ik me ook wel afvraag waarom niet. Verder heb ik toch niet veel te doen, of beter gezegd kies ik ervoor niet veel te doen. Een klein klusje kan net genoeg zijn om wat bevrediging te schenken. Bijvoorbeeld de tuinslang uitrollen, het badje iets bijvullen (met wat schuldgevoel) en de tuinslang opruimen, net genoeg.

Of het straatje achter vegen. ’s Ochtends vroeg heeft een man, waarschijnlijk in opdracht van de gemeente, onkruid langs de schuur gemaaid. Het opruimen heeft hij zonder mededeling aan de bewoners gelaten. Geen probleem. Het maaisel en wat blad dat er al lag zijn gortdroog en laten zich zonder tegensputteren door de bezem verplaatsen. Het spul is zo licht dat het met een zucht in de afvalbak belandt.

Na een paar uitlopers van de blauweregen te hebben geknipt, is het weer tijd voor verkoeling. Melanie is klaar achter haar laptop en komt erbij zitten. Het waterpeil stijgt nog een paar centimeter. Goed zo.