Assistente

Welkom. U belt met de huisartsenpraktijk. Toets 1 voor levensbedreigende spoed, toets 2 voor een herhaalrecept, toets 3 of wacht, dan krijgt u de assistente aan de lijn.’

‘… ’

‘Met de assistente, wat kan ik voor u doen?’

‘Ik bel over mijn psychische klachten.’

‘Ja.’

‘Ik ben er een paar kwijt.’

‘Misschien kan ik u verder helpen. Waar heeft u ze voor het laatst gezien?’

‘Als ik dat wist, zouden ze niet weg zijn.’

‘Laat ik het anders vragen: wanneer had u er voor het laatst last van?’

‘Vorige week nog, hoewel ik niet zeker weet of dat een klacht was. Het zou ook gezonde weerstand geweest kunnen zijn, die nou eenmaal bij het leven hoort, bij het mijne althans.’

‘Dat zou kunnen. Ik begrijp dat u daar nog voldoende van in huis heeft, van die weerstand.’

‘Zeker.’

‘Over welke klachten gaat het precies?’

‘Paniekaanvallen.’

‘Wanneer en waar heeft u die voor het laatst gehad?’

‘Dat was vorig jaar zomer, ’s avonds in de sprinter naar Amsterdam.’

‘Wat ging u daar doen?’

‘In die sprinter?’

‘In Amsterdam, bedoel ik.’

‘Met vrienden naar stand-upcomedy, ik zou ze daar ontmoeten.’

‘Leuk?’

‘Bij vlagen, maar dus niet op dat stoeltje op het treinbalkon. Ik kon geen kant op, moest ineens heel nodig plassen en dacht dat ik van de oplopende spanning op de vloer zou vallen. Ik ging heel hard denken dat ook dit voorbij zou gaan. Dat hielp niet. Het ging wel voorbij.’

‘En sindsdien?’

‘Foetsie. Hooguit af en toe een tikje tijdens het zwemmen. Daar heb ik de gewoonte bij ontwikkeld om te denken: laat maar komen.’

‘En dan?’

‘Dan gaat het weg.’

‘Jammer. En u zoekt het niet op?’

‘Wat niet?’

‘De spanning.’

‘Ik probeer het niet uit de weg te gaan.’

‘En verder? U had het over meerdere klachten?’

‘Ja, ik slaap goed. Geen idee waar dat om half vijf wakker worden en de slaap niet meer kunnen vatten is gebleven.’

‘Dat is om over in te zitten.’

‘Manieën. Depressie.’

‘U bent heel wat kwijt. Het zal niet meevallen.’

‘En dan die betrekkingsideeën. Ze zijn er nog, maar het is wel zoeken hoor. Spijkers op laag water.’

‘Houdt u nog iets over?’

‘De kwetsbaarheid blijft, makkelijk te raken. Dat ben ik van m’n lang-zal-ze-leven niet kwijt. En die weerstand natuurlijk, dat is een hardnekkig beest. Tegenzin, jongedame, tegen alles wat je maar kunt bedenken.’

‘Gelukkig. Is er nog iets in de plaats gekomen voor de verdwenen klachten?’

‘Dat zijn van die flauwiteiten als vastberadenheid, kwaliteit van leven, vertrouwen, hoop, hou op. Het is wennen.’

‘Begrijpelijk. Het is natuurlijk niet zeker dat de psychische klachten wegblijven.‘

‘Ik hoopte dat je zoiets zou zeggen.’

‘Het is niet te voorspellen of en wanneer ze terugkeren. Zal ik de dokter vragen of ze u erover belt? Of wilt u een afspraak?’

‘Liever een dubbele.’

‘Helemaal gelijk, dat is gebruikelijk als het over psychische klachten gaat. Kunt u vrijdagochtend half tien?’

‘Ja, dat kan.’

‘Tot dan meneer Verhoogt, sterkte met het verwerken van uw verlies.’

Om

Dit wordt geen leuk stukje. Het gaat over een landelijke bijeenkomst voor herstelcoaches. Ik was daar een paar maanden geleden voor uitgenodigd en had me, heel stoer, meteen aangemeld. Ik had dat gedaan omdat ik vond dat ik dat behoorde te doen. Het mag niet ontbreken als ik serieus als vrijwilliger wil meetellen.

Ik maak mezelf graag wijs dat daar de schoen al wrong, en ik eigenlijk alleen dingen moet doen die ik echt leuk vind, maar weet dat ik mezelf daarmee bedot.

De cursus digitaal herstelverhaal kent zijn oorsprong in Eindhoven. Daar zou de bijeenkomst plaatsvinden. Twee collega’s uit Utrecht gingen ook. Mijn reis zou tot de bushalte bij het station in Eindhoven solo zijn. Daar zouden mijn collega’s en ik elkaar treffen voor het laatste stukje. De woorden ‘zou’ en ‘zouden’ moeten je opvallen. Het kwam er niet van.

De avond tevoren had ik al geen zin. Bagger. Dat was ingecalculeerd, maar niet te omzeilen. De tegenzin was echter niet groot genoeg om te besluiten niet te gaan. Ik had ook met anderen afgesproken.

Toen het moment van vertrekken ’s ochtends dichterbij kwam, werd de onderneming groter en ging hij me meer en meer tegenstaan: de reis heen (fiets, trein, bus, lopen), de bijeenkomst zelf met een onbekend aantal mensen, aansluitend een lunch en de reis terug (lopen, bus, trein, fiets).

En dan heb ik het nog niet over de heisa in mijn hoofd na afloop. Ik weet van tevoren dat ik er bij zoveel indrukken achteraf last van krijg en had ook daar helemaal geen trek meer in.

Het hoort er allemaal bij, hoorde ik me tegen mezelf zeggen, misschien zit er juist ook iets goeds in. Waarschijnlijk wel, maar ik belandde in een tunnel en zag alleen nog ellende.

Ondanks die staat zette ik door, ging verder met voorbereiden, hielp de kinderen bij hun ochtendritueel, pakte mijn tas in. Ik dacht daarbij aan alles. Een boek voor in de trein, flesje water, telefoon, iets te eten. Daar lag het niet aan.

Iets later, tijdens het tandenpoetsen, ging er een knop om, een subtiele fysieke sensatie in mijn lijf. Ik keek mezelf aan en wist dat ik niet zou gaan.

De voorbereidingen stopten niet. Ik trok jas en schoenen aan, sjaal om, pet op. Ik pakte mijn tas en deed er nog een extra flesje water in. De kinderen vertrokken intussen trouw naar school, waar ze ook geen zin in hebben, maar wat ze zonder veel zeuren doen. Het scheelt vast als je elke dag moet.

Ik heb nog een tijdje bij de achterdeur staan dralen, overwegend of het toneelstukje doorging tot bij de schuur of zelfs tot op de fiets. Ik wist dat ik hoe dan ook om zou keren. De strijd was gestreden.

Een therapeut zal er wel raad mee weten. Die heb ik op dit moment niet. Ik kan er zelf ook wel wat bij bedenken, maar ben het beu om er na het schrijven van dit stukje nog langer mee bezig te zijn.

Duik

Mijn broer is jonger dan ik. Logischerwijs wordt het relatieve leeftijdsverschil ieder jaar kleiner. Bij zijn geboorte was ik ongeveer zes en een half jaar, wat je honderd procent zou kunnen noemen. Dit jaar is hij veertig geworden en is het relatieve verschil teruggelopen tot veertien procent. We groeien naar elkaar toe. Dat onze levenslopen en interesses nogal uiteenlopen, doet daar niets aan af.

Hij is ondernemer. Hij heeft een paar internetbedrijven groot gemaakt en zich er daarna weer grotendeels aan onttrokken. Hij heeft dat werk goed in de vingers en was er eigenlijk vóór zijn veertigste al klaar mee, wat de vraag opwierp wat vervolgens te doen.

Hij verveelt zich overigens niet, gaat graag op avontuur. Met een groep vrienden deed hij in een aftandse truck een rally naar Mongolië. Dat was bij tijden afzien. Hij maakte in een oude Saab cabrio een rit naar de Noordkaap, met dak open. Afgelopen winter ging hij helikopter skiënd van berghellingen in Canada af. Hij zit bij de vrijwillige brandweer.

Voor mij is een wandeling aan de Noord-Hollandse kust genoeg. Daar is hij gelukkig ook voor te porren.

We hadden afgelopen maandag afgesproken. Hij kwam uit Leiden, ik uit Utrecht. Op Amsterdam Centraal moest ik rennen om mijn aansluiting te halen. Dat ben ik niet meer gewend. Ik struikelde bijna over mijn eigen benen. Een jonge god ben ik alleen nog in gedachten. Ik haalde op het nippertje de sprinter, waar mijn broer een paar haltes later instapte. In Santpoort Noord stapten we uit.

De zon scheen en de temperatuur liet toe de sjaal wat losser te dragen. We liepen door het duingebied en pauzeerden als een stel oude taarten op een bankje. Mijn broer had gevulde koeken mee. Ik had helaas niet aan koffie gedacht.

Toen we later de duinen verlieten en het strand betraden, klonk achter ons het luchtalarm, een goed moment voor een duik. We hadden allebei een handdoek mee, hij zelfs twee. Maar zo avontuurlijk als mijn broer is ingesteld, zo huiverig was hij nu. Hij zei dat hij het niet zag zitten. Ik moest daarom net doen of ik er heel veel zin in had. Met ferme stappen liep ik richting de vloedlijn om daar in de buurt, op het gedeelte van het zand dat nog net droog was, te beginnen me uit te kleden.

Hij was toch sneller en stond, na even gedompeld te hebben, tot zijn knieën in de branding te kermen dat het erg koud was en dat het begon te tintelen. Ik stapte bedaard het water in, dook over een golf en dobberde een paar minuten in de tamelijk kalme zee. Hij was er alweer uit.

Het is niet helemaal eerlijk ons zo te vergelijken. Ik ben geoefend koudwaterzwemmer, het is niet zijn liefhebberij. Ik blijf uiteraard altijd de oudste, maar niet vanzelfsprekend wijzer.

Bij het uit het water komen kreeg de wind vat op mijn natte lijf en dacht ik heel even dat ik onderuit zou gaan. Dat heb ik maar voor me gehouden.

Filmtheater

Ik had ’s ochtends in de krant een interview gelezen met de maakster van Nu verandert er langzaam iets. De documentaire gaat over coaching in Nederland en geeft een beeld van het huidige landschap op dat vlak. Mede omdat ik zelf als vrijwilliger coach en dat misschien wil uitbreiden en bezig ben ideeën daarover te vormen, was mijn interesse gewekt. Ik wist dat het er niet van zou komen als ik niet meteen zou gaan.

Ik stelde me een grote zaal voor met hier en daar een plukje bezoeker. Dat maakt naar de film gaan op een doordeweekse middag al aantrekkelijk, los nog van wat er draait.

Bij de kassa spatte mijn droom uiteen. De voorstelling zou in de kleinste zaal plaatsvinden, en of ik daar al eens was geweest? Nee. Hoe erg kon het zijn? Drie rijen stoelen. Volgens de kassamedewerker gaven de meeste mensen de voorkeur aan rij drie, maar die was vol. Er was nog plek op rijen twee en één. Twee dan maar, dat is het dichtst bij drie.

Ik wilde het pas geloven, toen ik het zag. Een jongeman scheurde mijn kaartje en wenste me plezier. Ik trad binnen. Er stonden inderdaad drie rijen en maar een stoel of dertig. Ondanks dit formaat had de ruimte alles van een bioscoopzaal.

Ik nam plaats op stoel vijf in het midden van de rij en legde mijn jas en toebehoren rechts van me. Kort daarop meldde een vrouw recht te hebben op die plaats. Ik pakte mijn spullen en klapte de stoel links van me iets open en drapeerde jas en sjaal erover, met mijn pet erbovenop. Niet lang daarna kwam een andere vrouw aan die dáár wilde zitten. Laat de film vlot beginnen, dat maakt het lichter.

We zagen in een stal mensen in het stro tegen varkens aan liggen. Het was het eerste voorbeeld van hoe men zich laat coachen.

‘Weggegooid geld!’ Het kwam van rij drie. De man gnuifde erbij. Hij was me bij binnenkomst opgevallen. Ongeschoren, vettige grijze haren, zweterig, zwaar ademend.

Ik vroeg me af of het de hele film zo door zou gaan en moest denken aan de begintijden van de cinema. Het publiek kon nog geen onderscheid maken tussen de realiteit en wat zich op het scherm afspeelde. In de veronderstelling invloed te hebben op het verhaal, werd er heftig gereageerd richting de acteurs op het witte doek.

Deze man werd al snel de mond gesnoerd door de meer cultureel onderlegde aanwezigen. Hij hield zich daarna een tijd in tot er in de documentaire sprake was van ‘in je kracht komen staan’ en hij een eruptie niet kon voorkomen: ‘Wat een eigentijdsheid, in je kracht staan, belachelijk!’ Een snauw van een dame in zijn rij was zijn deel: ‘Commentaar leveren doe je maar thuis voor de tv.’

De varkens kwamen later nog een keer langs. De vrouw links van me moest daarbij erg hard lachen, helemaal toen een van de dieren een scheet liet. Daar werd niets van gezegd.

Wit

Het schrijven van deze blogs zou genoeg kunnen zijn. Toch voel ik nog steeds wat voor fictie.

Er is een verhaal dat al af is. Het hoeft alleen nog maar geschreven te worden. Daar komt het niet van. Ik mis er de juiste energie en concentratie voor. Larie en kul, zo zijn er nog wel een paar uitvluchten te bedenken. Dit stukje gaat er echter niet op uitdraaien dat ik me voorneem het weer op te pakken. Daar is meer voor nodig dan deze 500 woorden. Maar wie weet zetten ze iets in beweging.

Laat ik eerst bekennen dat ik bang ben, weer eens. Ik ben bang om geen recht te doen aan het gegeven. Het gaat over een man van in de vijftig, vertaler van beroep, die de gevolgen van een traumatische gebeurtenis uit zijn vroege jeugd niet wil zien. Hij gaat gebukt onder depressies, een term die ik zal vermijden. Als zijn moeder overlijdt, mogelijk door eigen hand, trekt hij voor enige tijd in zijn ouderlijk huis.

In de achtertuin staat een uit steen en cement opgetrokken speelhuis. Daar is de voorlopige titel aan ontleend: Fort Noks, een verwijzing naar de plek in de VS waar de goudvoorraden worden bewaard.

Andere ingrediënten zijn bij elkaar gesprokkeld uit eigen ervaringen. De man is losjes gebaseerd op iemand die ik een keer meemaakte bij een praatgroep. Daar kan ik omwille van de privacy verder weinig over zeggen. Om soortgelijke redenen kan ik weinig kwijt over de vrouw die voor hetzelfde personage andere eigenschappen leverde. Ze zullen zichzelf niet herkennen.

Een belangrijk element, het fort, is geïnspireerd op een bouwwerk dat ooit in een achtertuin stond in de wijk Lunetten, waar ik werkte als hulp van een hovenier. Het was door de vorige bewoner, in de ogen van de hovenier een zonderling type, daar neergezet voor de kinderen. Een beetje Efteling. Het zou gesloopt worden door een specialistisch bedrijf vanwege de asbest platen die erin verwerkt waren. Die dacht ik in mijn fort ook te kunnen gebruiken.

Het huis situeer ik in Achttienhoven, een langgerekt buurtschap dat hoort bij gemeente De Bilt, een kilometer of drie van hier. Onderdelen van verschillende panden komen voor in wat ik heb bedacht, of samengesteld eigenlijk. Vooral de diepe tuin is van belang. De achterkant grenst aan een sloot met daar weer achter uitgestrekte weilanden. Het fort staat een paar meter van het water. Misschien staan in de slootkant knotwilgen die bezocht worden door kauwen.

De vorige voorlopige titel was Witte kauw. Daar is het ooit mee begonnen, die zag ik in de achtertuin. Het dier fascineerde me en ik dacht die fascinatie te kunnen gebruiken. In een eerdere versie had de hoofdpersoon als kind een kauw met wit verenkleed gezien, een weinig voorkomend fenomeen, en nu zag hij er weer eentje en kwam alles terug. De commissie, bestaande uit mijzelf, liet dat niet passeren. Er vliegen bovendien al voldoende witte vogels die normaal zwart zijn door de literatuur.

Dat alles terugkomt blijft gehandhaafd. Alleen ik weet hoe.

Liedje

Als ik klaar ben met plassen zing ik, terwijl ik mijn handen was, weleens een paar regels van een liedje. De beslotenheid van de kleine ruimte biedt vrijheid. Ik denk er niet bij na, er komt gewoon wat uit mijn mond. Afgelopen zondag borrelde er iets op uit Thank you van Dido, het zal een jaar of vijftien oud zijn (ik zoek het niet op): ‘And I want to thank you for giving me the best days of my life.’

Het zijn misschien niet mijn beste dagen ooit, daarvoor zou ik terug moeten naar mijn vroege kindertijd, maar afgezet tegen grofweg de afgelopen decennia zijn ze top.

Die gedachte is nu eens niet ingefluisterd door een manie. Dat kan ik afstrepen. Ik merk dat ik gewoon moe kan zijn, of lusteloos zelfs, en ’s ochtends moeite moet doen me ergens toe te zetten, en het ’s avonds al vroeg voor gezien hou. Het gaat niet van het beruchte leien dakje.

Wat maakt deze dagen dan zo goed? Het helpt alvast dat psychische of lichamelijke mailaise nu geen hoofdrol spelen. Ik heb sowieso niet te klagen. Ik heb succes, vind ik zelf. Denk daarbij niet aan het grote werk. Hoewel. Ik kan de vruchten plukken van eerdere inspanningen en heb daarmee voldoende om verder te rijgen. Dingen komen naar me terug, als boemerangs. En ik vang.

Daarnaast, en dit is minstens zo belangrijk, groeit het besef van betekenis te zijn voor anderen, en dat anderen dat zijn voor mij. Ik kan niet anders dan mezelf in het middelpunt plaatsen, hopelijk zonder egocentrisch of arrogant te zijn, en weet tegelijk dat ik niets ben zonder mensen om me heen. De term verbinden is ernstig uitgehold, net als alles wat ervan afgeleid is. Toch moet ik zeggen een sterke verbondenheid te ervaren. Met de aarde en iedereen erop.

In het zoeteThank you gaat het over een geliefde die de beste dagen bezorgt. Mijn gedachten gingen daarom in eerste instantie naar Melanie, die in de huiskamer de krant las. Je kunt het ook breder zien, als we bovengenoemde zin eruit pikken: bedankt vrienden, bijvoorbeeld, of familie, lezer van dit blog, bedankt iedereen die ik ooit kende, ken of nog tegenkom, bedankt god, bedankt universum, bedankt wie of wat dan ook.

Bij het verlaten van de wc stopte mijn gezang abrupt en was het weg uit mijn hoofd. De dag kachelde voort. Zo geweldig was die inderdaad ook weer niet.

Er moesten boodschappen worden gedaan. Op zondag nog wel. Het is niet anders. Ik kan er zo’n hekel aan hebben, dat gesjouw met pakken zuivel en sap, het zoeken naar pijnboompitten of venkelthee, die van een lach verstoken gezichten, waar het mijne doorgaans ook toe hoort, het wachten voor de kassa.

Dat laatste is eerlijk gezegd het ergste niet. Het geeft me de gelegenheid eens rustig om me heen te kijken. Dat stond ik te doen, toen uit het plafond iets bekends klonk: ‘And I want to thank you for giving me the best days of my life.’

Bon

We hebben in de loop van het vorige jaar drie opgeknapte mobiele telefoons gekocht. Met die tweedehands toestellen in huis, wat in aanschaf overigens aanzienlijk scheelt, is de kans wat groter dat er een keer iets mankeert. Daarom hadden we gekozen voor een online winkel die een real life vestiging in de stad heeft. Een defect apparaat zou niet op de post hoeven; versturen is gedoe, ik stap liever op de fiets.

De vestiging had onder de hoofdtribune van het stadion moeten zijn. Op de bewuste plek zat wel een winkel die met telefoons te maken had, grote stickers op de ruit: Fixers. Ongelukkige naam. In een voetbalstadion kun je daar iets heel anders bij denken. Het was in ieder geval niet onze smartphoneboer. Ik besloot binnen om opheldering te vragen.

Een ruime driezitsbank kon de nare atmosfeer niet wegnemen. Klinisch. Het voornaamste geluid kwam van de luchtverversing en een toetsenbord waar een medewerker gegevens invoerde van een vader met puberdochter. Ze hadden een laptop in een zwarte plastic bak achtergelaten. De vader rekende af. Nadat ze de deur uit waren, vroeg de jongen achter de balie of ik een moment had. Hij handelde nog wat zaken af op de computer en bracht de zwarte bak naar een ruimte achter een ruit. Op een lange tafel stonden daar meer bakken met elektronica. Weer terug typte de jongen nog wat. Daarna mocht ik.

‘Ik dacht dat Swoop hier zat.’ (Swoop kun je gerust in een stadion huisvesten)

‘Die zijn failliet, sinds een maand of vier. Ik werkte daar eerst.’

‘Ik heb een telefoon voor mijn zoon gekocht, waarvan de thuisknop nu kapot is. Geldt de garantie nog?’

‘Die is helaas vervallen. Maar omdat u klant was, kan ik 10 euro korting geven op de reparatie.’

‘Dat moet dan maar.’

Hij haalde een zwart bakje onder de balie vandaan, een flinke maat kleiner dan waar de laptop in was afgevoerd. Ik legde de telefoon erin. Hij vroeg me van alles: mogelijke oorzaak van het defect, huisadres, e-mail, telefoon. Ik kreeg een bon met de gegevens erop, inclusief uitleg over de korting. Ik vroeg of ik nu zou afrekenen of bij het afhalen.

‘U kunt er ook op wachten. Duurt een kwartiertje.’

Dat scheelde fietsen. Ik nam plaats op de bank. De reparateur was onverwacht snel weer terug uit de werkruimte en begon een telefoongesprek. Zo te horen had hij iets verkeerd gedaan. Hij had 10 procent korting moeten aanbieden in plaats van 10 euro. Een meevallertje voor ons. De persoon aan de andere kant van de lijn nam uitgebreid de tijd om uit te leggen hoe dit foutje in het kassasysteem diende te worden verwerkt. Meer typewerk. De jongen zou hierna verdergaan met de reparatie, verwachtte ik, maar na het neerleggen van de telefoon gaf hij aan dat het klaar was.

‘Het is dus een klusje van niks,’ stelde ik vast.

‘Dat klopt,’ grijnsde hij.

‘Ik wou dat ik het zelf kon.’

Daar moest hij om lachen. Iedereen blij. Ik moest alleen nog betalen.

Rinkelen

Het was in de voorjaarsvakantie. Ik deed dingetjes die aan het gevoel iets gedaan te hebben niets bijdroegen. Ik belde een firma over een onterechte aanmaning. Ik ontkalkte de waterkoker en de koffiemachine. Ik belde een andere firma over een ander wissewasje. Ik haalde medicijnen en deed boodschappen. Bevrediging bleef uit.

Van het smeren van mijn fietsketting verwachtte ik op dat vlak ook niet veel. Het is zo’n klein kutklusje (‘kut’ als aanduiding van iets vervelends wordt inmiddels alom geaccepteerd, ik wil niet achterblijven). Het is zo’n kutklusje waar ik alleen aan denk als ik op een stil stuk fietspad de tandwielen en schakels over elkaar hoor schuren. Het is vooral kut, omdat op het moment dat ik even tijd heb en bedenk wat ik zal doen, ik er niet aan denk. Of dat ik er wel aan denk en me realiseer dat het smeermiddel op is en ik eerst naar de bouwmarkt moet, die zich niet op een plek bevindt waar ik regelmatig langskom.

Zo ontzettend erg is het ook weer niet. Kutjé zou ik daarom bijna zeggen, maar voel dat ik me dan juist op glad ijs begeef.

Ik weet het hoekje met fietsen en fietsonderdelen te vinden. Ik heb er intussen een fietsbel of vier gekocht. Om verschillende redenen begaven de toch eenvoudige apparaatjes het, twee keer vanwege een afgebroken duimhevel. Duimhevel ja, je kende het woord waarschijnlijk niet. Het is het ding waar je je duim tegen zet om de rinkelgewichten in de schaal aan het draaien te krijgen. Wist ik ook niet, die termen, opgezocht.

Ik kon de fietsbellen deze keer links laten liggen en vond al snel een spuitbus met tefspul. Nu hoefde alleen de fiets nog op zijn kop en de kettingkast open.

Ik heb een klassieke zwarte Gazelle, tamelijk zwaar. Mijn kettingslot hangt aan het stuur, ook zwaar. Het kwam niet in me op die eerst eraf te halen. Mijn aandacht ging bij het beetpakken van het frame naar de scheut in mijn onderrug. De fiets draaide ondanks dat in een vrij soepele beweging op zadel en stuur. Er was geen geluid bij, maar ik zag de duimhevel op het kettingslot terechtkomen. Mijn vrees daarbij was terecht: hij brak af. Kut!

Na het smeren van de ketting schroefde ik meteen de bel los en bedacht dat mogelijk in huis nog eentje rondslingerde. Dat was het geval. Hij lag te shinen in de vensterbank. Na montage bleek echter waarom hij daar had gelegen. Hij rinkelde niet, produceerde alleen een droog geluid. Dat is niet waarmee ik op mijn klassieke Gazelle door het land wil. Wat ongelooflijk kut, ik moest nog een keer naar de bouwmarkt wilde ik een werkende bel.

Ik inspecteerde toch of inwendige onderdelen van de oude fietsbel bruikbaar waren om die andere weer te laten klinken als een klok. Ingewikkeld, veertje, gepruts, lastig voor mijn dikke vingers. Misschien bood het verwisselen van de schalen uitkomst. Dat deed het. Het rinkelen klonk daarna verdraaid helder.

Daar kreeg ik even een stijf pikkie van.


Lot

Ik heb bij de trekking van februari meegedaan met de Staatsloterij, gewoon omdat het kon of uit nieuwsgierigheid, ik weet het niet precies. Ik had in een pauze van The Voice of Holland een commercial gezien met een astronomisch hoge jackpot en had mijn telefoon toch al bij de hand om mijn oordeel te geven over de deelnemers van de talentenjacht.

Daar moet ik een korte verantwoording bij geven. Ik kijk veel mee, programma’s waar ik zelf niet voor zou kiezen: Expeditie Robinson, Boer zoekt vrouw, Wie is de Mol? en The Voice dus. Ik zou me ook terug kunnen trekken in de werkkamer met een boek of met Netflix op het computerscherm. Dat is zo treurig. Dan maar beneden op de bank en de shit over me heen laten komen. Iets anders doen terwijl de tv aan staat is geen optie. Ik ontbeer de daarvoor benodigde filters.

Als ik dan toch kijk, doe ik helemaal mee. Ik probeer naarstig te ontdekken wie de slimmerik is die geld uit de kas speelt of die andere sukkels met een streek dwarsboomt. De ene boer krijgt mijn sympathie, een andere moet ik niet. Ik leef mee met de proeven en zit in spanning welke eilandbewoner weggestemd wordt.

En ik gebruik de Redroom-app om bij The Voice aan te geven wat ik van de optredens vind, vaak om erachter te komen dat mijn oordeel dicht bij dat van jurylid Anouk zit. Wat niet alleen iets zegt over mijn kennis van zaken, maar ook over mijn goede smaak. Bij die van Lil’ Kleine ben ik doorgaans wat verder verwijderd.

Deze week is de finale. Dan hebben we dat weer gehad. Ik hoop wel dat Patricia wint, maar dat zal niet veel van mijn lezers iets zeggen, vermoed ik. Wist ik er zelf maar zo weinig van.

Waar was ik? Reclame kun je niet doorspoelen als je live kijkt. Dan komt er weleens iets langs dat je pakt. Ik weet hoe het werkt en ga toch een keer voor de bijl.

Ik had mijn telefoon dus bij de hand en met een paar handelingen stond de app van de Nederlandse Loterij erop. Met nog een paar handelingen had ik mijn eerste lot gekocht, misschien wel mijn eerste ooit.

Om echt mee te mogen spelen moest ik de organisatie nog bewijzen ouder dan achttien te zijn. Via mijn bank zou dat gebeuren. Ik begreep dat het een vrij nieuwe methode was. Ik moest eerst een kopie van een identiteitsbewijs opsturen. Geen probleem, foto’s gemaakt en op de digitale post. Duurde een paar dagen voor het verwerkt was. Nog niets aan de hand. Je denkt inmiddels dat dit ergens heen gaat. Niet.

Het lukte gewoon. Ik leefde toe naar de tiende en er viel een bedrag van nul euro op mijn lotnummer. Iets in de trant van ‘de volgende keer beter’, meldde de app. Dat denk ik niet. Ik ga daar geen geld meer aan uitgeven. Ik ben geen gokker. Ik ben meer een kijker, soms tegen wil en dank.

Halte

Het liet maar niet los dat ik nog niets had. Het werkte op mijn gemoed. Talloze ideeën en beginnetjes waren de revue gepasseerd. Van twee stukjes had ik al een heel eind geschreven. Er kwam niets uit dat het publiceren waard was.

Laat dan maar. Of nee, misschien kan ik, of moet ik tegen beter weten in nog… stop! Ik moest maar eens een flink stuk wandelen. Het was uitstekend weer. Buiten.

Ik zou eerst een stukje met de bus. De bus is een personenbusje voor een man of twaalf, ik denk dat je het een buurtbus zou kunnen noemen. De lijn gaat eens per uur van Overvecht naar Loosdrecht. De dichtstbijzijnde halte is tien minuten lopen. Het maakte me iets opgewekter dat ik dat alvast had gered.

Bij de halte stond een elektronisch informatiebord waarop aangegeven werd hoe laat de volgende bus vertrok. Ik was ruim op tijd om hem te halen. Toen verdween hij echter van het scherm. Dan hoef ik niet, dacht ik, dan loop ik naar huis, maak ik een rondje door het park en kan ik ’s middags alsnog wat schrijven. De bus kwam toch op tijd aanrijden.

Het apparaat om in te checken was met plastic ingepakt. ‘Ga maar lekker zitten’, zei de chauffeur in reactie op mijn vragende blik. Een jongen met lang haar, die ook een meisje kon zijn, zat al. Hij of zij hing eigenlijk meer. In de tweezits daarachter zat een meisje, keurig rechtop. Ik nam rechts van haar plaats op een enkele stoel. De rit ging over bekend terrein.

Maar ik was er niet bij met mijn hoofd en stapte veel te vroeg uit, misschien wel vier kilometer van het punt dat ik in gedachten had gehad. Ik was zo gefocust op waar ik in het langgerekte dorp Tienhoven eruit wilde, de laatste halte voor de bocht, dat ik in Westbroek, het langgerekte dorp daarvoor, al naar de bocht uitkeek. Toen ik de rood-witte signalering in het vizier kreeg, verzocht ik de chauffeur bij de naderende halte te stoppen.

Nu stond ik in het verkeerde dorp, inwendig tierend en vloekend. Daar hielp de vriendelijke groet van een oud mannetje niet tegen.

Vooropgesteld dat ik op de juiste plek was uitgestapt, wat overigens eerder wel is gelukt, kon ik met een grote boog terug naar huis lopen. Het plan was geweest om een wandeling van vijftien kilometer te maken. Met de nieuwe omstandigheden zouden het er negentien worden. Daar had ik nou net geen trek in.

Ik liep in de richting van het beoogde beginpunt, maar wist al dat ik af zou slaan om een kortere weg terug te nemen. Het kwam zo uit dat die langs de Plas voerde. Het was een tijd geleden dat ik in mijn eentje een duik had genomen. Dat deed ik.

Ik was voor de lunch thuis, kon een dutje doen en had verdomme de hele middag de tijd om te schrijven. Dat heb ik ook maar gedaan. Echt blij was ik nog niet.

Mensen

Wat fotografie betreft blijf ik een beginner. Dat is niet erg. Mijn kracht ligt, denk ik, in de keuze van onderwerpen en de compositie. Ik krijg de fijne kneepjes van de techniek niet onder de knie. De uitwerking laat daardoor wat te wensen over. Het gaat om het idee.

Tot voor tien jaar terug maakte ik series. De onderwerpen betroffen altijd dingen: parkbankjes, boerenhekken, roestplekken, graffiti, bebouwing. Ik heb er ook een over peilschalen gemaakt. Dat zijn de blauwe meters in het water die de hoogte ten opzichte van het NAP aangeven. Het was leuk om ze te zoeken, terwijl het in de praktijk vooral een kwestie bleek van toevallig tegenkomen.

Het idee om onderweg portretten van medewandelaars te maken speelde toen al door mijn hoofd. Omgaan met onbekenden is echter niet mijn sterkste kant. De vreemden zijn onontgonnen terrein en stellen me voor een uitdaging. Het heeft iets. Het is me onduidelijk wat precies de aantrekkingskracht is. Zo fel als ik tegenstander ben van het fenomeen bucketlist, wil ik voor mijn dood dit toch een keer hebben gedaan.

Maar je raad het, er zijn bezwaren. Er ligt om te beginnen een hoge drempel bij het aanspreken van personen die ik in het vizier heb: de moed ervoor vinden en daarna de juiste toon en woorden. Ik ben er als de dood voor rare dingen te zeggen, vreemd over te komen, gek gevonden te worden of een flater te slaan. Ik zie met angst de reactie van de ander tegemoet.

Ik overdrijf het een beetje om duidelijk te maken hoe het zit. Het gaat al stukken beter dan voorheen. Ik onderging jaren terug een behandeling die nog steeds een positieve uitwerking heeft. Een fotoproject had niet misstaan als opdracht bij die therapie: spreek een willekeurig iemand aan en vraag of je een portret van hem of haar mag maken. Jakkes!

Het andere struikelblok is mijn uitrusting. De laatste anderhalf jaar had ik alleen mijn telefoon om kiekjes mee te schieten; geen schijn van kans daarmee overtuigend als fotograaf over te komen. De angst is dan reëel. Het zou gek zijn als mensen niet zouden lachen. In mindere mate gold dat ook voor mijn compactcamera van daarvoor. Dat was een prima apparaatje, zelfs met de mogelijkheid om diafragma en sluitertijd handmatig in te stellen. Dat was aan de buitenkant alleen niet zichtbaar. Daar weer voor had ik een indrukwekkender toestel, maar voerden de eerdergenoemde bezwaren de boventoon.

Dit alles was geen deel van mijn gedachten toen ik, nog maar net in het nieuwe jaar, een digitale spiegelreflexcamera kocht. Het was een impulsaankoop, zoals ik die niet ken van mezelf.

Een dag later wandel ik met de aanwinst aan mijn schouder door het park. Ik kom langs een bankje met graffiti erop en voorbij een boerenhek met roestplekken. Het is best mogelijk zoiets weer op te pakken. Ik zie een peilschaal bij een overlaat, haal mijn camera uit de tas, kijk naar het ding en weet dat ik nu met mensen begin.

.

bekijk oudere fotoseries op markverhoogt.nl