Koolmees

Er fladderde een koolmees door de keuken. Het vogeltje moest door het vliegengordijn, dat aan de onderkant versleten is, gehipt zijn. In alle paniek kon het de weg terug niet vinden. Het is ook niet de natuur van een vogel om het over de grond te zoeken. Het vogellijfje beukte tegen het raam en zocht het dan weer aan de andere kant bij de koelkast en de afzuigkap, heen en weer, nog onvermoeibaar. Buiten op de schutting zaten soortgenoten toe te kijken en bemoedigend te tsjilpen. Het hielp niet.

Ik wist niet goed wat ik met de situatie moest en besloot er iemand bij te halen, één van mijn kinderen. Zo ver was het dus blijkbaar al, dat ik hun bijstand vroeg, in plaats van andersom. Mijn oudste stond onder de douche, mijn jongste van zeventien was op zijn kamer. Ik vroeg hem me te helpen, meer bij wijze van mentale ondersteuning, en een beetje voor de leuk. Dan zou ik onder zijn toezicht, was mijn plan, behoedzaam het vliegengordijn verwijderen om de koolmees de ruimte te geven. Mijn zoon kwam naar beneden en nam nauwelijks de tijd, zoals ik wel had gedaan, om de toestand in ogenschouw te nemen. Hij pakte enkele strengen van het gordijn en hield die opzij. De vogel aarzelde ook niet en koos via de opening voor de vrijheid.

Tropicana

Rond het ontbijt had ik een paar regels van Wham! in mijn hoofd: Club Tropicana, drinks for free/ Fun and sunshine/ There’s enough for everyone. De rest van het refrein kende ik niet. Wat ik wist bleef ik herhalen in mijn hoofd of zacht voor me uit zingen. Het mij onbekende deel neuriede ik.

Later lukte het om naar de plas te gaan. Dat en kort zwemmen zou genoeg zijn voor de dag, ik zwom zelfs iets langer. Terug op de kant voegde ik me even bij andere zwemmers, maakte zowaar een praatje, maar werd teruggefloten door een opmerking van een van hen, over de hoogte van het riet. Het was voor mij de cue om af te taaien. Ik las er een signaal in en ging vlug verder met afdrogen en aankleden.

Ondanks het abrupte afbreken verliet ik goedgemutst het veld. Ik wilde nog naar de dichtstbijzijnde supermarkt voor twee flesjes bier en misschien een zak soep. Bij het schap met soepen begon uit het plafond iemand te praten. Jumbo heeft een eigen radiostation, met niet alleen non-stop muziek maar ook een dj die de plaatjes aan elkaar praat. Hij had een bericht ontvangen van een vrouwelijke luisteraar (haar naam kreeg ik niet mee) met het verzoek om een nummer van Wham! te draaien, het maakte haar niet uit welk nummer, ze vond ze allemaal goed. Mijn oren spitsten zich, het zou toch niet. De dj kondigde Club Tropicana aan en startte de muziek.

Behoorlijk toevallig, hoewel niet geheel. Dat het liedje in mijn hoofd had gezeten kwam doordat ik onlangs de documentaire op Netflix over het duo had gezien. De beschikbaarheid van die film zal meegespeeld hebben bij de keus van die vrouwelijke luisteraar.

Maar toch, toevallig genoeg. De rest van de tijd die ik nodig had in de supermarkt viel binnen de speeltijd van het nummer. Met ogen en oren wijd open stapte ik daarna de winkel uit, het zonlicht tegemoet. Het was nu goed opletten wat er nog meer viel waar te nemen, in de nabijheid van dit wormgat.

Statiegeld

Zoals je weet beleef ik mijn grootste avonturen in de supermarkt. Het begon deze keer al vóór de klaphekjes, bij de flessenautomaat.

Het is altijd afwachten of het apparaat de aangeboden fles accepteert. Ik ben groot voorstander van automatisering in winkels, vind het toch een licht gemis dat er nooit meer iemand in een stofjas bij een luik verschijnt. Er was meestal een bel mee gemoeid, een luide bel, die de radio in het magazijn kon overstemmen. Dan een moment geduld, flessen handmatig geteld, bonnetje mee, mét paraaf, waar blijft de tijd. Dat bonnetje kon zoekraken of vergeten worden bij de kassa, dat is niet veranderd.

Bij het invoeren van een colafles verscheen de tekst: ‘Geen barcode gevonden.’ Zo’n melding zou de emballage medewerker van vlees en bloed wel uit zijn hoofd hebben gelaten, zeker met die extra dikke strepen. Van codes was überhaupt nog geen sprake; het waren grote flessen, kleine flessen of kratjes.

Nog een keer proberen, weer uitgespuugd, nog eens, weer niet, eerst de andere flessen dan maar. Daarna verdween de colafles eindelijk in de machine. Die presenteerde, nadat ik herhaaldelijk hard op de schermknop had gedrukt, een bonnetje met een bedrag en een code. Die bonnetjes hebben, net als vroeger, de gewoonte in een jas- of broekzak te verdwijnen en er op het verkeerde moment, te laat dus, weer uit tevoorschijn te komen. Ze hebben een eigen wil, die gebroken dient te worden.

Meteen links na de klaphekjes greep ik een handscanner en scande allereerst de op het papiertje afgedrukte streepjes. Die had ik te pakken. Dan kon het bonnetje verdwijnen wat het wilde, ik was safe.

Dacht ik.

Tegen het eind van mijn winkeltraject berichtte de zelfscankassa dat ‘het statiegeld niet kon worden verwerkt’. Daarbij gaf het scherm alleen de optie ‘ok’. Niet ok! Ik zocht in mijn broekzakken, vond het bonnetje en wenkte een medewerker. Haar onberispelijke uniform verried dat ik hier niet met de eerste de beste vakkenvuller van doen had. Ze sprak met een charmant Oost-Europees accent vlekkeloos Nederlands. Ze droeg het haar in een staart, waar wijlen Martin Bril vast een rukje aan had willen geven.

Ik wees haar op de melding. Ze wist er aanvankelijk geen raad mee. Ik vond het al niet erg meer dat het langer zou duren. Ze kwam toch nog vlot met een oplossing; de gewone kassa bood uitkomst. Een moment later liet ze met een ‘alstublieft’ een kleine verzameling munten in mijn uitgestoken hand vallen.

Vooruit

Het mag dan klinken als een onderdeel van een complottheorie, het is te lezen in serieuze kranten, die het optekenen uit monden van serieuze experts. We zitten er middenin. Bepaalde landen, met name dat ene, misschien dat andere ook, verzamelen met het oog op toekomstige sabotage informatie over onze nutsbedrijven, waaronder de waterleiding. Het komt dichterbij. Het pittoreske pompstation ‘Groenekan’ zou zomaar doelwit kunnen worden van een cyberaanval. Het bevindt zich hier om de hoek aan de Ruigenhoeksedijk (of is dat al te veel info?) en zorgt in de hele stad Utrecht dat er water uit de kraan komt. Stel dat een kwaadaardige hacker daar vat op krijgt en de boel platlegt. Je moet er niet aan denken.

Doe ik wel. Zoals de overheid al jaren propageert denk ik vooruit. Dat ligt overigens meer aan mij dan aan die overheid. Ik denk niet alleen, ik doe ook iets, wat tot resultaat heeft dat er een aanzienlijke hoeveelheid flessenwater in de schuur ligt.

Ik drink nu eenmaal veel. Het mag inmiddels bekend zijn dat ik lithium gebruik, het tegenovergestelde van een dorstlesser. Door jarenlang die pillen te slikken staat de werking van mijn nieren enigszins onder druk. Ter controle vroeg de internist me een dag lang urine te sparen: ’s ochtends beginnen ná de eerste plas en de dag erna eindigen mét de eerste. Bij het lab bleek er ongeveer zes liter in de ingeleverde bokalen te zitten. Met mijn noodvoorraad in de schuur zou ik drie dagen vooruit kunnen. Dan heb ik het zweten niet meegeteld, en warme dagen zijn nog een ander verhaal. Daar komt bij dat het hier niet om eenpersoonshuishouden gaat. Ondanks dat de anderen met veel minder toekunnen – ze drinken met z’n drieën samen nog niet wat ik in m’n eentje achteroversla – is het toch iets om rekening mee te houden. En het koken van een pannetje rijst natuurlijk. Dan kom ik uit op twee dagen, 48 uur, exact de van overheidswege geadviseerde tijd.

Maar dan ben ik er nog niet. Ik denk verder vooruit. Ik kan me voorstellen dat de andere bewoners van ons buurtje een minder vooruitziende blik hebben en zich in dit opzicht niet hebben voorbereid. Niet iedereen zal dezelfde urgentie ervaren als ik, misschien wel zo gezond. Maar moet ik dan, als de nood aan de man is, mijn water delen? Stel dat Groenekan dagen niet kan leveren en dat hulp van buiten ontoereikend blijkt, dan zit ik hier met dat water, mijn behoefte aan vocht en die van mijn naasten, en buren die om water verlegen zitten. Dan raakt het snel op en bovendien zo verdund dat niemand er echt iets aan heeft. Wat moet ik in dat geval doen?

Ik kan het uren overpeinzen, kom er niet uit. Nu al niet.

Nest

Het is koeler dan in het weekend. Het waait meer. De bladeren van de boomkruinen verderop laten afwisselend hun lichte en donkere kant zien. Dichterbij, op het verpieterde gras, scharrelt een merel. De luie tuinstoelen staan er nog. Naast de mijne ligt een bundel met columns van Martin Bril. Bijna uit. Op het gras na is de tuin nog groen. De stam van de blauweregen heeft de hoekpaal van de pergola in een wurggreep. De plant heeft dit jaar, na tien jaar groeien, voor het eerst een beetje gebloeid; dat was in het voorjaar. In de beschutting van de bladeren is vanochtend een stel houtduiven begonnen met de bouw van een nest. Eentje vliegt steeds weg en komt terug met een takje in de snavel, terwijl de ander een plek op het liggende deel van de pergola heeft gevonden en daar blijft zitten.

Die duif koert zachtjes.

Van het nabijgelegen schoolplein stijgt gegil op, nu en dan op het hysterische af. Het speelkwartier is begonnen. Ik stel me de openzwaaiende deuren voor en de kinderen die naar buiten stromen, eindelijk vrij, voor even, tot de zoemer. Soms, maar dan moet het stiller zijn, hoor je ook de schommels op het schoolplein, die wel een drupje olie kunnen gebruiken. Weer zo’n uithaal, ik vermoed van een meisje. De rustige leerlingen hoor ik hier natuurlijk niet.

Daar komt een nieuw takje. Het zijn slordige bouwers. De meeste takjes zijn veel te groot voor het nest in aanbouw. Ze vallen eronder op de tegels. Daar ligt al een hele verzameling afgekeurd bouwmateriaal. Ik zit op de eerste rang om de vorderingen te volgen.

Het plan was geweest om vanochtend te zwemmen. Geen zin. In plaats daarvan belandde ik met een kop koffie en dat boek in deze stoel. De koffie is op, de smaak blijft. Boven me zweeft geruisloos een ooievaar, even later ratelt een sportvliegtuig voorbij, weer gevolgd door een lijnvlucht, die laatste alleen hoorbaar, het kan ook een charter zijn. Daar valt weer een takje op de tegels. De bouw zou vlotter gaan als die ene duif de juiste lengtes aanleverde. Dat is gelukkig niet mijn zaak. Toch, raar moment, eind juni, om aan gezinsuitbreiding te denken. Ze zullen het wel weten. Daar zijn het dieren voor. Aha, daar is het gepiep.

Dat miste ik nog. Mijn aandacht gaat nu pas naar het geraas van de zagen, de boren en wat al niet. De renovatie van de flats hierachter nadert haar voltooiing. Het gepiep is afkomstig van een voertuig, weet ik, dat voor meerdere taken inzetbaar is. In z’n achteruit geeft het een waarschuwend signaal, waar ik me al maanden aan erger, vooral ’s ochtends vroeg in bed, maar nu niet, nu kan ik het prima hebben. De duiven storen zich er ook niet aan, die bouwen voort. Het is al met al een uitzonderlijke maandagmorgen, gedenkwaardig eigenlijk, die ik toch, als ik niet oplet, zomaar zou kunnen vergeten.

Een dag later laten de duiven zich niet meer zien, nergens te bekennen, een nest ook niet. Was het een droom? De inmiddels op de tegels kapot gelopen takjes, nu wel op maat, getuigen van niet.

Ik breek in en neem mee

‘Luister, ik breek in en neem mee: dat B-merk elektrische heggenschaar.’
‘Oké, nu ik, ik breek in en neem mee: een elektrische heggenschaar en een zadeltas met een bevestigingssysteem die alleen op dat ene fiets past, met daarin plakspullen en zo’n handig mini tool, als een zakmes uitklapbaar, met zeker acht functies.’
‘En ik breek in en neem mee: de heggenschaar, een zadeltas met inhoud en een plastic gereedschapskistje met onder meer een set steeksleutels erin, die de inmiddels vorige eigenaar van zijn vader meekreeg toen hij op zichzelf ging wonen, plus ander klein gereedschap dat op zich niet heel veel waard is, maar wel aardig wat kost als je het nieuw moet aanschaffen en waarvan je bovendien niet precies meer weet wat het was en daar pas achter komt op het moment dat je het nodig hebt en dan eerst naar de bouwmarkt moet voordat je verder kunt met je klus.’
‘Oké, ik breek in en neem mee: een heggenschaar, zadeltas, gereedschapskist en een eh… een handsnoeizaag!’
‘Goeie, daar krijgen we vast een euro voor.’
‘Zul je zien dat ze die over een maand pas missen, als er een tak van de perenboom af moet. Lekker voor ze. Nou jij weer.’
‘Nee, volgens mij hebben we het: heggenschaar, zadeltas, handsnoei-, nee wacht, eerst het gereedschapskistje, dat draag jij, en als laatste de handsnoeizaag.’
‘Bijna af, maar klopt. Mooi.’
‘Chill, dan kunnen we, het wordt al licht, lopen gast.’
‘Nee wacht, dude, ik weet nog wat. Ik weet ‘m. Ik breek in en laat staan: een e-bike die voor meer dan 2500 euro is verzekerd en waarvan het ringslot met een beetje moeite te kraken is.’
‘O ja, en ik, ik laat hangen: die Gazelle Puerto hybride met formidabel klassiek frame, die best nog wat op zal brengen, tweehonderd op z’n minst, en die helemaal zonder slot voor het grijpen aan een balk hangt.’

Sukkels.

Dit was een intermezzo, zaterdag weer een regulier blog

Heldhaftig

Er is een vrouw op het veldje bij de plas die, als ik het goed heb, lijdt aan MS. Dat is niet mis. Ze speelde ooit professioneel gitaar en kan nu alleen nog maar lesgeven. Ze verplaatst zich per rolstoel. De benen willen niet meer.

Haar vriend is altijd mee om haar bij te staan, om te beginnen door haar vanaf de weg, een paar honderd meter verderop, tot aan de waterkant te duwen. Hij helpt haar ook het water in. Dat lukt hem nog alleen. Om weer op de kant te komen heeft ze meer handen nodig. Ik heb twee keer helpen tillen, sta niet vooraan.

De eerste keer kwam ik zelf ook net uit het water. De instructies waren niet heel duidelijk of ik was onbeholpen, een van de twee of allebei, waardoor ik haar arm niet goed beetpakte. Ze is fragiel. Het zal niet veel gescheeld hebben of de schouder was uit de kom. Vooral voor haar pijnlijk. Beetje ook voor mij, dat falen.

Een andere dag lag ik op mijn handdoekje en kwam haar vriend me vragen, niet zo vriendelijk, een beetje dwingend, of ik even wilde helpen. Hoe kon ik weigeren? Waar zou ik dan nog voor deugen? Met lood in de blote voeten begaf ik me richting het water en stapte naast haar erin. Ondanks dat mijn greep nu in orde was, lukte het niet haar hoog genoeg te tillen – door decennialang lithiumgebruik zijn mijn spieren soms net pap – en schuurde ze met haar rug langs de houten beschoeiing. Ik doe het niet meer.

Toen ik van de week binnen schootsafstand zat van een verzoek om hulp en in de gaten kreeg dat ze bijna klaar was met zwemmen, verdiepte ik me haastig met gebogen hoofd in mijn e-reader. Ja, zo ben ik, blijkt.

Iemand anders was aan de beurt, een argeloze voorbijganger, zou je kunnen zeggen, geen vaste bezoeker, Engelssprekend ook nog. De uitdrukking ‘de klos zijn’ kent hij niet. Hij was hem weldra wel, let maar op. Het was niet nodig het tafereel te aanschouwen om mee te krijgen hoe het verliep. Ze gilde het uit. Rug over hout. Pijnlijk voor het hele veld, maar goed, vooral weer voor haar. En voor hem. De Engelssprekende man liep met afhangende schouders terug naar zijn plek om daar onder het gras te verdwijnen.

Het is ronduit heldhaftig dat zij zich door alle pijn en ongemakken niet laat weerhouden. Op mooie dagen gaat ze vaak meer dan eens te water. En had ik al gezegd dat ze ook in de winter doorzwemt? Ze zwemt op haar rug en moet het hebben van de armen, een halve samengestelde rugslag. Het doet haar heel veel goed, anders zou ze het wel laten.

Politieman

De zon scheen volop en halverwege de ochtend was het al drukkend warm. Ik fietste op een voorrangsweg en was van plan bij de eerstvolgende zijstraat rechtsaf te slaan. Er kwam juist een politieauto die straat uit. De agent achter het stuur droeg een grote, zwarte zonnebril, net als ik. Hij had geen pet op, ik wel. Op de bijrijdersstoel zat niemand. Waarschijnlijk vanwege de in het voertuig loeiende airco waren de ramen gesloten.

Het komt nog maar zelden voor dat agenten te voet de wijk doorkruisen. Laatst zag ik er eentje, helemaal alleen, aan de rand van het park, geen wagen te bekennen. Ik was bijna gaan vragen of hij aan het surveilleren was en wilde hem er eventueel mee complimenteren. Niet gedaan. Voor je het weet heb je een reprimande te pakken. Bovendien had ik geen ID-kaart bij me. Ik ging snel na of ik die nu wel had.

Mijn gewoonte bij deze hoek was om die een klein beetje af te snijden. De verlaagde stoepbanden voor rolstoelers en scootmobiels nodigen ertoe uit. Als er geen tegels hadden gelegen, was hier een door de jaren heen uitgesleten olifantenpaadje geweest. Ik stak mijn hand uit.

Ik heb wel iets met politie, had zelf best diender willen zijn. Ja. Ze zien me aankomen met mijn volgestouwde rugzakje. Voor buitengewoon opsporingsambtenaar had ik de proeven vermoedelijk al niet doorstaan. Verkeersregelaar maakt misschien een kans. Anders blijft parkeerwacht bij kleine evenementen over.

De vriend van een vriendin van Melanie is bij de politie. Ik ken hem nauwelijks, maar weet dat hij altijd een bonnenboekje bij zich heeft. Als hij privé onderweg is en niet aan het stuur, slingert hij automobilisten op de bon die rechts inhalen, onnodig links rijden, bumperkleven of met honderdzestig voorbij stuiven. Die krijgen na een tijdje onverwacht per post een prent. Het is een baan om van te dromen.

Zonder nadenken nam ik het olifantenpaadje, dat wil zeggen: ik was er te laat bij om het al ingezette zwenken te keren. Bovendien was ik druk met die uitgestoken hand. Ik had getwijfeld. Zou de man denken, dacht ik, dat het alleen was omdat ik een agent tegenover me had? Mijn slappe handje was nog overduidelijk een uitgestoken exemplaar. Zijn auto draaide al langzaam de weg op. Ik had geen gebaar meer voorhanden om de kou uit de lucht te halen. Ik kon snel omkeren, op het raampje kloppen en melden: ‘Doe ik altijd hoor, hand uitsteken.’ Maar ja, met dat stukje over de stoep was de kans op genade al ruimschoots verkeken.

Ontdekking

Het komt een enkele keer voor dat Spotify de spijker keihard op de kop slaat. Uit het algoritme rolde de suggestie om eens te luisteren naar een tot dat moment mij onbekende zangeres. De kans nadert nul dat je van haar hebt gehoord. Ze komt uit Estland en is, voor zover internet er iets over kwijt wil, alleen daar een beetje bekend. Songteksten verschijnen met moeite, en dan nog maar een paar. Er staat een handvol video’s van haar online, veelal liveregistraties in een jazzclub.

Het door de streamingdienst aangereikte album is een van de twee die ze heeft uitgebracht, een behapbaar oeuvre nog. Sinds die tip kan ik niet stoppen haar muziek af te spelen. Ze heeft een stem waar je niet genoeg van krijgt.

Het verbaast me dat er zo weinig te vinden is over de Estse. Ze doet niet veel nieuws, dat moet gezegd. Ze doet gewoon iets heel goed nog een keer. Ze is 26, had kleindochter van Aretha Franklin kunnen zijn of nichtje van Amy Winehouse. Het zou uiteraard kunnen dat je niet van soul of R&B houdt, dat vergeet je gewoon.

Mijn ontdekking zingt niet alleen, ze schrijft ook tekst en muziek en arrangeert de nummers zelf. Dat pleit voor haar. Dat luistert toch net even anders. Ze heeft het verder goed voor elkaar. Naast een vaste band van vier man verzamelt ze de broodnodige strijkers en blazers om zich heen. Allemaal prima.

Het enige dat ontbreekt, van een afstandje gezien, is een geoliede marketingmachine. Ik krijg de indruk dat een of ander familielid maar wat aan het beunen is. Een professioneel manager zou haar eens goed (excuzes le mot) in de markt moeten zetten. Er dient aan een levensverhaal te worden gewerkt. Kijk naar tante Amy, iets minder mag. En de band vertellen dat die zonnebrillen af moeten, niet de juiste gimmick.

Er moet sowieso veel meer informatie de wereld in geslingerd worden. Zo wordt het niets. Raadselachtigheid is mooi, maar dan moet het wel een doel dienen.

Je begrijpt mogelijk niet meteen waarom ik me hier zo druk om maak. De reden is simpel. Ik zou haar heel graag een keer live zien en horen zonder naar Tallinn af te hoeven reizen. Ik dacht aan een concert op Nederlandse bodem, treinafstand. Ze dient voldoende bekendheid te verwerven om aantrekkelijk te worden voor een paar geschikte zalen hier in de buurt. Ik zal ze van de week alvast mailen: let op, hou Rita Ray in de gaten.

Wild

Niet ver van onze voordeur ligt een brug zonder naam, voor voetgangers en fietsers. Het zou verwarring scheppen haar naar de kleur te vernoemen. Een paar kilometer verderop bevindt zich namelijk al een Rode brug. Daar gaat water onderdoor. Onder de mijne stroomt verkeer. In beide richtingen razen twee rijbanen van de N230, ook wel Karl Marxdreef genoemd of Noordelijke Randweg.

We gaan een paar jaar terug in tijd. De precieze datum weet ik niet, net zomin als wat eraan voorafging of wat erop volgde. Ik had een wandeling gemaakt in het uitgestrekte park aan de andere kant van de Randweg. Ik liep die dag buiten categorie overgevoelig rond, ontsporing dreigde. Bijna thuis, praktisch gezien alleen de brug nog. Met de eerste stappen op het brugdek kwam mijn lijf van kruin tot tenen onder elektrische spanning te staan. Dat hield direct verband met de auto’s, niet de individuele die er reden, maar alle die er ooit waren gepasseerd en ook die nog langs zouden komen. Met alle heldhaftigheid in me bibberde ik naar de overkant.

Ondanks dat ik er niets meer van voel als ik nu de weg oversteek, ook niet als ik heel erg mijn best doe, geloof ik niet dat het een waan is geweest, eerder een ongekende waarheid. Dieren kunnen een vergelijkbare huivering voelen, kwam in me op. Maar misschien ook niet. Deze ervaring, die overigens niet helemaal eenmalig is geweest, leent zich niet om een theorie op te bouwen. Dan zou het wel gek worden.

Terug naar naar het park. Naast ruimte voor recreatie is er plek voor natuur. Er leeft zo vlak tegen de stad zowaar een populatie reeën. Ik lees net dat ze niet veeleisend zijn, maar toch. Soms scharrelen er een paar in de schemering langs de bosrand. Bij gebrek aan natuurlijke vijanden worden het er meer. Misschien dat de wolf voor hen ooit roet in het eten gooit. De afstand vanaf de Veluwe is in theorie in een nacht te overbruggen. De kans lijkt me groter dat er straks een eerste ree is die naar de wijk uitwijkt, al is het maar om eens te kijken hoe het daar is. De meest veilige route is via de brug, zou ik willen adviseren, met de kanttekening dat ook die nog een barrière van formaat zal zijn.

Bril

Sinds men ook bij mijn vaste Dirk zelf mag scannen, is het niet altijd meer zo heel erg om er boodschappen te doen. Het behoeft geen hogere wiskunde om te bedenken dat ik alle aankopen, als ik ze zelf scan, twee keer minder vast hoef te pakken. Wachten bij de kassa in de rij hoeft niet meer, er is altijd wel een eilandje vrij. En geen caissière meer die nog eens op haar horloge kijkt om te zien of de pauze nabij is. Geen hete adem van een volgende klant in mijn nek bij het inpakken. Bovendien kan ik tijdens mijn tocht door de winkel in alle rust de ideale rangschikking in de tassen bepalen.

En nee, ik klaag niet over de controles, die overigens ook mij opvallend vaak te beurt vallen. Die neem ik graag voor lief. Het is beter zo. Zelfs denk ik nu weleens terug aan de keer, langer geleden, dat ik het winkelen als een warm bad ervoer. Dat lag toen waarschijnlijk minder aan de winkel en meer aan mij, maar toch. Zo gaat het deze dagen ook best met wat genot gepaard om een kar zwanger van tot de nok toe gevulde tassen richting de uitgang te rollen.

Het stak des te meer dat er een kink in de kabel kwam. Bij de groenteafdeling had mijn scanpistool al even dienst geweigerd, het vertrouwde bliepje bleef uit. Het apparaat was offline geraakt, voor zover ik kon ontcijferen. Ik heb altijd wel een bril in mijn jas, maar er ontbreekt een pootje aan, waardoor ik minder geneigd ben dat malle ding tevoorschijn te halen. In plaats daarvan wendde ik me tot een medewerker, degene die wat weg heeft van een neanderthaler, boomlang ook nog, met rossige wenkbrauwen. Volgens hem lag het aan het opnieuw geïnstalleerde internet en met een druk op de knop demonstreerde hij dat het alweer in orde was. Ik tuurde naar het schermpje en vermoedde hetzelfde. Wat kon ik anders? Ik wilde zijn oordeel niet op basis van mijn beperkte zicht in twijfel trekken.

Mijn straf voor dat gebrek aan moed bleek even later niet mals. Bij het terugplaatsen van de scanner was het rode licht boven mijn hoofd gaan knipperen. Er kwam een jongedame aan, die niet begreep wat er aan de hand was. Ze riep er een meer ervaren kracht bij. Hij stelde vast dat ik van die drie volle tassen slechts vijf artikelen had gescand. Ik was er gloeiend bij. Ze wilden mijn misstap door de vingers zien mits ik mijn zorgvuldige inpakwerk ongedaan zou maken en met mijn boodschappen achter aan de rij bij de bemenste kassa aansloot.