Heldhaftig

Er is een vrouw op het veldje bij de plas die, als ik het goed heb, lijdt aan MS. Dat is niet mis. Ze speelde ooit professioneel gitaar en kan nu alleen nog maar lesgeven. Ze verplaatst zich per rolstoel. De benen willen niet meer.

Haar vriend is altijd mee om haar bij te staan, om te beginnen door haar vanaf de weg, een paar honderd meter verderop, tot aan de waterkant te duwen. Hij helpt haar ook het water in. Dat lukt hem nog alleen. Om weer op de kant te komen heeft ze meer handen nodig. Ik heb twee keer helpen tillen, sta niet vooraan.

De eerste keer kwam ik zelf ook net uit het water. De instructies waren niet heel duidelijk of ik was onbeholpen, een van de twee of allebei, waardoor ik haar arm niet goed beetpakte. Ze is fragiel. Het zal niet veel gescheeld hebben of de schouder was uit de kom. Vooral voor haar pijnlijk. Beetje ook voor mij, dat falen.

Een andere dag lag ik op mijn handdoekje en kwam haar vriend me vragen, niet zo vriendelijk, een beetje dwingend, of ik even wilde helpen. Hoe kon ik weigeren? Waar zou ik dan nog voor deugen? Met lood in de blote voeten begaf ik me richting het water en stapte naast haar erin. Ondanks dat mijn greep nu in orde was, lukte het niet haar hoog genoeg te tillen – door decennialang lithiumgebruik zijn mijn spieren soms net pap – en schuurde ze met haar rug langs de houten beschoeiing. Ik doe het niet meer.

Toen ik van de week binnen schootsafstand zat van een verzoek om hulp en in de gaten kreeg dat ze bijna klaar was met zwemmen, verdiepte ik me haastig met gebogen hoofd in mijn e-reader. Ja, zo ben ik, blijkt.

Iemand anders was aan de beurt, een argeloze voorbijganger, zou je kunnen zeggen, geen vaste bezoeker, Engelssprekend ook nog. De uitdrukking ‘de klos zijn’ kent hij niet. Hij was hem weldra wel, let maar op. Het was niet nodig het tafereel te aanschouwen om mee te krijgen hoe het verliep. Ze gilde het uit. Rug over hout. Pijnlijk voor het hele veld, maar goed, vooral weer voor haar. En voor hem. De Engelssprekende man liep met afhangende schouders terug naar zijn plek om daar onder het gras te verdwijnen.

Het is ronduit heldhaftig dat zij zich door alle pijn en ongemakken niet laat weerhouden. Op mooie dagen gaat ze vaak meer dan eens te water. En had ik al gezegd dat ze ook in de winter doorzwemt? Ze zwemt op haar rug en moet het hebben van de armen, een halve samengestelde rugslag. Het doet haar heel veel goed, anders zou ze het wel laten.

Politieman

De zon scheen volop en halverwege de ochtend was het al drukkend warm. Ik fietste op een voorrangsweg en was van plan bij de eerstvolgende zijstraat rechtsaf te slaan. Er kwam juist een politieauto die straat uit. De agent achter het stuur droeg een grote, zwarte zonnebril, net als ik. Hij had geen pet op, ik wel. Op de bijrijdersstoel zat niemand. Waarschijnlijk vanwege de in het voertuig loeiende airco waren de ramen gesloten.

Het komt nog maar zelden voor dat agenten te voet de wijk doorkruisen. Laatst zag ik er eentje, helemaal alleen, aan de rand van het park, geen wagen te bekennen. Ik was bijna gaan vragen of hij aan het surveilleren was en wilde hem er eventueel mee complimenteren. Niet gedaan. Voor je het weet heb je een reprimande te pakken. Bovendien had ik geen ID-kaart bij me. Ik ging snel na of ik die nu wel had.

Mijn gewoonte bij deze hoek was om die een klein beetje af te snijden. De verlaagde stoepbanden voor rolstoelers en scootmobiels nodigen ertoe uit. Als er geen tegels hadden gelegen, was hier een door de jaren heen uitgesleten olifantenpaadje geweest. Ik stak mijn hand uit.

Ik heb wel iets met politie, had zelf best diender willen zijn. Ja. Ze zien me aankomen met mijn volgestouwde rugzakje. Voor buitengewoon opsporingsambtenaar had ik de proeven vermoedelijk al niet doorstaan. Verkeersregelaar maakt misschien een kans. Anders blijft parkeerwacht bij kleine evenementen over.

De vriend van een vriendin van Melanie is bij de politie. Ik ken hem nauwelijks, maar weet dat hij altijd een bonnenboekje bij zich heeft. Als hij privé onderweg is en niet aan het stuur, slingert hij automobilisten op de bon die rechts inhalen, onnodig links rijden, bumperkleven of met honderdzestig voorbij stuiven. Die krijgen na een tijdje onverwacht per post een prent. Het is een baan om van te dromen.

Zonder nadenken nam ik het olifantenpaadje, dat wil zeggen: ik was er te laat bij om het al ingezette zwenken te keren. Bovendien was ik druk met die uitgestoken hand. Ik had getwijfeld. Zou de man denken, dacht ik, dat het alleen was omdat ik een agent tegenover me had? Mijn slappe handje was nog overduidelijk een uitgestoken exemplaar. Zijn auto draaide al langzaam de weg op. Ik had geen gebaar meer voorhanden om de kou uit de lucht te halen. Ik kon snel omkeren, op het raampje kloppen en melden: ‘Doe ik altijd hoor, hand uitsteken.’ Maar ja, met dat stukje over de stoep was de kans op genade al ruimschoots verkeken.

Ontdekking

Het komt een enkele keer voor dat Spotify de spijker keihard op de kop slaat. Uit het algoritme rolde de suggestie om eens te luisteren naar een tot dat moment mij onbekende zangeres. De kans nadert nul dat je van haar hebt gehoord. Ze komt uit Estland en is, voor zover internet er iets over kwijt wil, alleen daar een beetje bekend. Songteksten verschijnen met moeite, en dan nog maar een paar. Er staat een handvol video’s van haar online, veelal liveregistraties in een jazzclub.

Het door de streamingdienst aangereikte album is een van de twee die ze heeft uitgebracht, een behapbaar oeuvre nog. Sinds die tip kan ik niet stoppen haar muziek af te spelen. Ze heeft een stem waar je niet genoeg van krijgt.

Het verbaast me dat er zo weinig te vinden is over de Estse. Ze doet niet veel nieuws, dat moet gezegd. Ze doet gewoon iets heel goed nog een keer. Ze is 26, had kleindochter van Aretha Franklin kunnen zijn of nichtje van Amy Winehouse. Het zou uiteraard kunnen dat je niet van soul of R&B houdt, dat vergeet je gewoon.

Mijn ontdekking zingt niet alleen, ze schrijft ook tekst en muziek en arrangeert de nummers zelf. Dat pleit voor haar. Dat luistert toch net even anders. Ze heeft het verder goed voor elkaar. Naast een vaste band van vier man verzamelt ze de broodnodige strijkers en blazers om zich heen. Allemaal prima.

Het enige dat ontbreekt, van een afstandje gezien, is een geoliede marketingmachine. Ik krijg de indruk dat een of ander familielid maar wat aan het beunen is. Een professioneel manager zou haar eens goed (excuzes le mot) in de markt moeten zetten. Er dient aan een levensverhaal te worden gewerkt. Kijk naar tante Amy, iets minder mag. En de band vertellen dat die zonnebrillen af moeten, niet de juiste gimmick.

Er moet sowieso veel meer informatie de wereld in geslingerd worden. Zo wordt het niets. Raadselachtigheid is mooi, maar dan moet het wel een doel dienen.

Je begrijpt mogelijk niet meteen waarom ik me hier zo druk om maak. De reden is simpel. Ik zou haar heel graag een keer live zien en horen zonder naar Tallinn af te hoeven reizen. Ik dacht aan een concert op Nederlandse bodem, treinafstand. Ze dient voldoende bekendheid te verwerven om aantrekkelijk te worden voor een paar geschikte zalen hier in de buurt. Ik zal ze van de week alvast mailen: let op, hou Rita Ray in de gaten.

Wild

Niet ver van onze voordeur ligt een brug zonder naam, voor voetgangers en fietsers. Het zou verwarring scheppen haar naar de kleur te vernoemen. Een paar kilometer verderop bevindt zich namelijk al een Rode brug. Daar gaat water onderdoor. Onder de mijne stroomt verkeer. In beide richtingen razen twee rijbanen van de N230, ook wel Karl Marxdreef genoemd of Noordelijke Randweg.

We gaan een paar jaar terug in tijd. De precieze datum weet ik niet, net zomin als wat eraan voorafging of wat erop volgde. Ik had een wandeling gemaakt in het uitgestrekte park aan de andere kant van de Randweg. Ik liep die dag buiten categorie overgevoelig rond, ontsporing dreigde. Bijna thuis, praktisch gezien alleen de brug nog. Met de eerste stappen op het brugdek kwam mijn lijf van kruin tot tenen onder elektrische spanning te staan. Dat hield direct verband met de auto’s, niet de individuele die er reden, maar alle die er ooit waren gepasseerd en ook die nog langs zouden komen. Met alle heldhaftigheid in me bibberde ik naar de overkant.

Ondanks dat ik er niets meer van voel als ik nu de weg oversteek, ook niet als ik heel erg mijn best doe, geloof ik niet dat het een waan is geweest, eerder een ongekende waarheid. Dieren kunnen een vergelijkbare huivering voelen, kwam in me op. Maar misschien ook niet. Deze ervaring, die overigens niet helemaal eenmalig is geweest, leent zich niet om een theorie op te bouwen. Dan zou het wel gek worden.

Terug naar naar het park. Naast ruimte voor recreatie is er plek voor natuur. Er leeft zo vlak tegen de stad zowaar een populatie reeën. Ik lees net dat ze niet veeleisend zijn, maar toch. Soms scharrelen er een paar in de schemering langs de bosrand. Bij gebrek aan natuurlijke vijanden worden het er meer. Misschien dat de wolf voor hen ooit roet in het eten gooit. De afstand vanaf de Veluwe is in theorie in een nacht te overbruggen. De kans lijkt me groter dat er straks een eerste ree is die naar de wijk uitwijkt, al is het maar om eens te kijken hoe het daar is. De meest veilige route is via de brug, zou ik willen adviseren, met de kanttekening dat ook die nog een barrière van formaat zal zijn.

Bril

Sinds men ook bij mijn vaste Dirk zelf mag scannen, is het niet altijd meer zo heel erg om er boodschappen te doen. Het behoeft geen hogere wiskunde om te bedenken dat ik alle aankopen, als ik ze zelf scan, twee keer minder vast hoef te pakken. Wachten bij de kassa in de rij hoeft niet meer, er is altijd wel een eilandje vrij. En geen caissière meer die nog eens op haar horloge kijkt om te zien of de pauze nabij is. Geen hete adem van een volgende klant in mijn nek bij het inpakken. Bovendien kan ik tijdens mijn tocht door de winkel in alle rust de ideale rangschikking in de tassen bepalen.

En nee, ik klaag niet over de controles, die overigens ook mij opvallend vaak te beurt vallen. Die neem ik graag voor lief. Het is beter zo. Zelfs denk ik nu weleens terug aan de keer, langer geleden, dat ik het winkelen als een warm bad ervoer. Dat lag toen waarschijnlijk minder aan de winkel en meer aan mij, maar toch. Zo gaat het deze dagen ook best met wat genot gepaard om een kar zwanger van tot de nok toe gevulde tassen richting de uitgang te rollen.

Het stak des te meer dat er een kink in de kabel kwam. Bij de groenteafdeling had mijn scanpistool al even dienst geweigerd, het vertrouwde bliepje bleef uit. Het apparaat was offline geraakt, voor zover ik kon ontcijferen. Ik heb altijd wel een bril in mijn jas, maar er ontbreekt een pootje aan, waardoor ik minder geneigd ben dat malle ding tevoorschijn te halen. In plaats daarvan wendde ik me tot een medewerker, degene die wat weg heeft van een neanderthaler, boomlang ook nog, met rossige wenkbrauwen. Volgens hem lag het aan het opnieuw geïnstalleerde internet en met een druk op de knop demonstreerde hij dat het alweer in orde was. Ik tuurde naar het schermpje en vermoedde hetzelfde. Wat kon ik anders? Ik wilde zijn oordeel niet op basis van mijn beperkte zicht in twijfel trekken.

Mijn straf voor dat gebrek aan moed bleek even later niet mals. Bij het terugplaatsen van de scanner was het rode licht boven mijn hoofd gaan knipperen. Er kwam een jongedame aan, die niet begreep wat er aan de hand was. Ze riep er een meer ervaren kracht bij. Hij stelde vast dat ik van die drie volle tassen slechts vijf artikelen had gescand. Ik was er gloeiend bij. Ze wilden mijn misstap door de vingers zien mits ik mijn zorgvuldige inpakwerk ongedaan zou maken en met mijn boodschappen achter aan de rij bij de bemenste kassa aansloot.

Partners

Begin januari was in korte tijd de intensiteit van leven enorm toegenomen. Melanie had overweldigende ervaringen na het volgen van een vijfdaagse zen retraite. Zo’n retraite had ze vier keer eerder gedaan, steeds in de laatste week van het jaar, en dat was haar alle keren goed bevallen. Dit jaar had ze er eerst niet zo’n goed gevoel over, in de zin dat het minder met haar deed dan de voorgaande edities. Pas na een paar dagen kreeg de uitwerking gestalte, veel heftiger dan te verwachten was.

Ik zag wat er met haar gebeurde en kon de bijkomende emotionele buien helpen opvangen. Gaandeweg werd ik echter meegesleept, daar kon ik niets aan doen. Ik wilde er voor haar zijn, maar ging zelf slecht slapen. Op een vrijdagochtend belde ik de huisarts daarover. Die vond dat ik ook een beetje warrig klonk en verwees me door naar de crisisdienst. Aan het eind van de middag kon ik daar terecht. Melanie zou me vergezellen en we kozen ervoor om op de fiets te gaan.

Onderweg, nog maar net van huis, raakte zij ontregeld. Voor mij zat er niets anders op dan mijn shit bij elkaar te rapen en er ook op dat moment voor haar te zijn. Later die avond werden we met vervoer van Altrecht bij de crisisdienst afgeleverd. Daar was de verbazing groot dat de aandacht uit moest gaan naar mevrouw en niet naar meneer, die toch aangemeld was. Voor mij achtte de arts het voldoende om met extra medicatie naar huis te gaan, opdat ik een paar nachten goed zou slapen. Melanie mocht blijven.

Mijn steun en stabiele toeverlaat lag in puin. Het was de wereld op z’n kop. Ik was altijd degene geweest wiens stemmingen konden schommelen. Zij was het baken waar ik op kon varen. Die tijd is voorbij, in ieder geval voor even. Ze is twee en een halve week opgenomen geweest. Inmiddels is ze ruim drie weken thuis en in rap tempo aan de beterende hand. Het bleek voor haar gunstig om met een doorgewinterde ervaringsdeskundige te zijn. Ik kon haar op valkuilen wijzen en indien nodig haar een beetje bij de hand nemen. Dat is een rol die me goed past. Ze klautert echter zelf uit het dal waar ze, zoals verwacht, na de klap in terechtkwam.

Wat overeenkomt is dat we nu allebei psychotisch zijn geweest, een situatie die je niet had kunnen verzinnen. In tegenstelling tot mijn verhaal van jarenlange arbeidsongeschiktheid ziet het ernaar uit dat zij de draad op kan pakken, over enige tijd geleidelijk weer aan het werk. Ik heb er goede hoop op, zij ook. Ze mag dan misschien iets minder stabiel zijn dan voorheen, ze is zeker nog beresterk.

Poster

Voor het eerst in mijn leven heb ik een poster van een politieke partij achter het raam gehangen. Meer kleur bekennen kan bijna niet. Ik stel me zo voor dat er straks mensen aan de deur komen, de postbode bijvoorbeeld, de boodschappenbezorger, buren of willekeurige voorbijgangers, die een discussie aan willen gaan. Daar ben ik niet op voorbereid. Voor mezelf weet ik op basis van welke overtuigingen ik kies. Debat is echter niet mijn sterke punt. Als iemand ferm en beargumenteerd een mening of visie te berde brengt, is het voor mij al snel: ‘O ja, daar zit iets in, dat kan ook.’ Tegen dat soort situaties moet ik me verweren, eenvoudig door ze uit de weg te gaan. Het ophangen van zo’n poster is dan geen logische stap.

Het is echter ook voor het eerst dat ik de noodzaak voel om kenbaar te maken hoe ik erover denk. Er is geen andere partij die zo onomwonden en compromisloos klimaatverandering tegen wil gaan. Het is mooi meegenomen dat mede in het kader daarvan een economische systeemverandering wordt nagestreefd. Ook voor bijvoorbeeld woningbouw en onderwijs zijn weldoordachte idealen voorhanden. Anders dan de naam misschien doet vermoeden, is het geen one-issuepartij, verre van. De naam is wat ongelukkig gekozen. Ik zou zelf opteren voor: Partij voor de Planeet en Alles wat Leeft, of liever wat korter: Partij voor de Planeet.

Sinds begin dit jaar ben ik er lid van, vandaar ook dat ik die poster thuisgestuurd heb gekregen, en voel ik een lichte verplichting om te helpen de bekendheid te vergroten, maar ook een bescheiden voorrecht dat ik dat kan doen. Zoveel mensen komen niet langs ons huis. Sommige ervan zullen er het hunne van vinden. Er zullen er heel misschien ook zijn die denken: dat zijn die mensen met het mooie licht in de woonkamer en die leuke voortuin, als zij kiezen voor die partij, zou ik het misschien ook wel kunnen overwegen. In het kader van alle kleine beetjes helpen is er een flintertje hoop dat deze actie een enkeling op een idee brengt.

Bij het toegezonden pakket zaten ook twee flyers, begrijpelijk dat daar zuinig mee wordt omgesprongen. Van de drie buren die in aanmerking kwamen, heb ik er twee gekozen om er eentje bij in de bus te doen. Je weet nooit of een zaadje wortel schiet.

Mijn campagne-activiteiten rond deze verkiezingen blijven daartoe beperkt, hoewel het bereik van dit blog uiteraard niet onderschat mag worden. Beschouw dit maar als mijn raamposter online:

JE KUNT NU NOG KIEZEN Kies Partij voor de Dieren
www.partijvoordedieren.nl/standpunten

Koffie

Onze goede bedoelingen ten spijt wil het maar niet lukken om zonnepanelen op het dak te krijgen. Bij een poging een paar maanden terug bleek er geen geschikte leiding naar de meterkast te zijn, en erger, die was ook niet op dat moment aan te leggen. De installateurs hadden een uur lang vruchteloos naar mogelijkheden gezocht. Ondanks dat ze onverrichter zake zouden vertrekken, schonk ik nog koffie voor ze in.

Veel meer dan in ledigheid een dag door te moeten brengen en beschikbaar te blijven voor vragen, had ik daar tegenop gezien. Niet de koffie op zich, maar vooral het bijbehorende praatje. Ik heb een grote hekel aan dat gedeelte van werklui over de vloer hebben. Het viel mee deze keer, het waren aardige lui. Bovendien was er al lucht doordat het geheel bijna achter de rug was en ik kon bedenken wat ik de rest van de dag zou doen. Zo blij was ik daarover dat ik vergat dat er een nieuwe afspraak gemaakt zou moeten worden, een nieuwe dag naar de knoppen, een volgend praatje bij de koffie. Het kon me niet bommen, mijn stemming koos voor de korte termijn.

Deze week dirigeerde ik voor de tweede keer een wit busje met collectoren en een steigertje op de aanhangwagen naar de achterkant van ons huis. Er was geregeld dat er een leiding aangelegd kon worden. Melanie had dat geregel op zich genomen. Ze zou er ook zijn, maar officieel ziek thuis, wat mij ertoe noopte de ontvangst weer te doen. Het koffiepraatje spookte al dagen door mijn hoofd. Je zou bijna denken dat het daaraan lag dat we aan het eind van de dag weer geen zonnepanelen op het dak hadden. Een leiding leggen bleek toch te lastig.

Binnen drie kwartier waren de twee mannen vertrokken. Er was niet eens gelegenheid voor koffie geweest. Bij mij overheerste weer de opluchting en het heerlijke vooruitzicht een lege dag te mogen vullen met wat ik maar wenste. Onherroepelijk zou er een nieuwe afspraak volgen, maar dat was nog heel ver weg. Dat er binnen afzienbare tijd ook nieuw glas, bodemisolatie en een zonnescherm geplaatst moeten worden, probeer ik in een ver afgelegen hoekje te bewaren.

Beproeving

Het was een tocht die ik al vele malen eerder had afgelegd, afstand en duur waren me bekend. Het verste punt zou niet meer dan een uur lopen van huis zijn. Ik liet me niet tegenhouden door wat wind en regen. Mijn jas was waterdicht en een natte broek kon thuis verwisseld worden voor een droge. Een voordeel van de omstandigheden was de stilte, ik kwam onderweg niemand tegen. Toch werkte juist dat in de hand dat de wandeling een beproeving werd.

Het eerste gedeelte was geen probleem. Ik had de wind in de rug en de regen tikte op de achterkant van mijn capuchon. Pas toen ik in het open veld een hoek naar links maakte en de ellende van opzij kwam, werd het moeilijker. Ik vermoed dat ik op dat stuk in paniek raakte, mijn benen begonnen te zwabberen. Dat ik niemand tegenkwam en dat er dus ook niemand was om aan te spreken en niemand om me te vinden in het geval dat ik om zou vallen en rillend zou blijven liggen, werkte tegen me. Bovendien had ik, en ik vervloekte mezelf erom, geen telefoon mee. Geen mogelijkheid om iemand te bellen die me moed in kon spreken. Ik overwoog aan te kloppen bij een van de boerderijen langs de route. Maar wat dan? Ik moest hoe dan ook weer thuis zien te geraken.

Het stuk tegen de wind in moest nog komen. Ik hoopte, met de kennis van een eerdere ervaring, dat het met de wind van voren beter zou gaan dan met het striemen van opzij. Die hoop bleek ijdel. Het rechtstreekse asfalt pad bood geen enkele beschutting. De wind beukte. De paniek nam toe en na enkele meters maakte ik rechtsomkeert. Ik vatte het plan op om een langere weg te kiezen, met wat begroeiing. Over een hek geklommen. Het wilde dat het graspad daarachter deels onder water stond, wat me soms tot over mijn enkels door de plassen deed waden. Toch werd ik hier wat rustiger en kreeg ik meer vertrouwen dat ik het zou halen. Zelfs het idee dat hier helemáál niemand was die me in het uiterste noodgeval zou vinden, bracht me niet van koers. Er zat niets anders op dan door te gaan, meer strompelend dan stappend.

Terug op het asfalt kwam ik een vrouw met hond tegen, die ik groette alsof het een zonnige middag was. Het afzien zat erop voor nu.

Toen ik enige dagen later onverwacht door een berg mentale shit moest, waar ik hier verder geen aandacht aan besteed, begreep ik waar deze survival in de achtertuin goed voor was geweest. Hij had me eraan herinnerd dat het kon, iets doorstaan wat op het moment zelf nauwelijks te doorstaan lijkt.

Rebellie

Ik ben om. Het is vijf óver twaalf voor het klimaat. Het heeft een tijd geduurd eer dat ten diepste wilde doordringen. Eerder was er het besef wat opwarming betekent voor de aarde en alles erop en eraan. Echte urgentie, vergeleken met nu, leefde bij mij nog niet. Vooral een paar podcasts over het onderwerp hebben me over de streep getrokken. Het is een soort van wakker worden. Eenmaal om is er geen weg terug.

In te laten dalen wat ons te wachten staat is dan toch nog vrij pijnlijk, misschien vooral omdat het met veel onzekerheid gepaard gaat. Ik kan er zwaarmoedig van worden, en soms gespannen of boos. Het is daarom niet iets om continu mee bezig te zijn. Het is aan de andere kant zeker niet iets om de ogen voor te sluiten of voor weg te lopen. Wat dan?

Enkele jaren terug hield ik een tijdje mijn route naar de plas schoon. Zowel heen als terug vulde ik een plastic boodschappentas met zwerfvuil. Soms spraken mensen me daarover aan, met lovende woorden. Hun reactie ging verder vrijwel altijd gepaard met woede over al het afval. Ik deelde die woede niet. Door er iets aan te doen ervoer ik juist rust. Verontwaardiging kreeg geen kans, er was vooral dankbaarheid dat ik iets kon bijdragen.

Daar ergens ligt de sleutel nu ook. Vorige week heb ik me aangemeld bij Extinction Rebellion. Althans. In eerste instantie meende ik me alleen opgegeven te hebben voor een nieuwsbrief, zodat ik op de hoogte kon blijven van acties. Er kwam echter direct een bericht terug dat iemand in de komende weken (‘het is druk’) contact op zou nemen over wat ik kon doen.

Mijn jongste van zestien moest hard lachen toen ik het hem vertelde. Hij zag mij nog niet deelnemen aan blokkades, bedrijven bezetten of me ergens aan vastlijmen. Ikzelf ook niet, te spannend. Wie weet kan ik me op een andere manier nuttig maken. Dat hoeft niet per se bij die beweging. Er komt vast iets op mijn pad waar mijn inzet van betekenis is.

Dat ik bij lange na geen early adopter ben, weerhoudt me er niet van nu op de trein te springen, overtuigd inmiddels van de noodzaak. Het zou zomaar kunnen dat ik tot de grote groep behoor, de critical mass, die besluit niet langer zwijgend langs de kant te staan en die een beslissend duwtje in de goede richting geeft.

podcasts: De Groene Eeuw (Ruben Jacobs), Klimaattherapie (Cecilia Adorée), De Ommezwaai (NPO Radio 1/BNNVara, Sander Heijne)

Uier

Daar gaat mijn beginzin. Ik was van plan geweest me hardop af te vragen waarom, ondanks dat van vrijwel alles de prijs stijgt, die van een liter halfvolle melk hetzelfde blijft. Maar nu zie ik net dat de online supermarkt zes cent meer vraagt dan voorheen. Nog een schijntje. Het kan bijna niet anders dan dat er een pervers mechanisme achter schuilgaat. Dat was voor mij kortgeleden reden, onder andere, om over te stappen op biologische melk.

Mooier zou zijn om helemaal van de uier af te gaan. Daar wringt het. Ik ben van jongs af aan op melk verzot. Ook mijn eigen kinderen hebben het met de paplepel ingegoten gekregen. Merkwaardig, zullen we over een paar decennia zeggen, iets nuttigen wat de natuur eigenlijk heeft bedacht voor kalveren.

Dus ligt het voor de hand om nu, na de vleesconsumptie hier te huize te hebben gedecimeerd, over te stappen op een dieet zonder zuivel. Had ik al gezegd dat er iets wringt? Er gaat bij de lunch met een broodje kaas niets boven een beker of twee. Die kaas is waarschijnlijk nog een groter probleem om achterwege te laten, maar ik wil me eerst toeleggen op het uitbannen van de melk.

Het is een ambitieus project. Het makkelijkst zou zijn het helemaal niet meer te kopen, daar heb ik over gedacht. Zoals gezegd zijn er nog andere mensen van afhankelijk, Melanie overigens niet, die heeft de stap lang geleden al gezet, geen druppel meer, waarvoor hulde. Ik kan echter niet zomaar de gevolgen van mijn veranderende visie aan de kinderen opdringen. En vooralsnog, zolang er pakken in de koelkast liggen of op tafel staan, zijn die niet veilig voor mij.

Het zou een ferme discipline vereisen wel van de drank af te blijven, een rechte rug, ruggengraat überhaupt. Uit het verleden, recent nog bij het voornemen niet naar het WK te kijken, is gebleken dat op dat vlak wat te wensen over is. Er zal een andere strategie van stal moeten worden gehaald. Daar ga ik de komende tijd eens uitgebreid op broeden. O ja, eieren, bij het consumeren daarvan kun je ook vraagtekens plaatsen. Het is geen makkelijke tijd.