Machines

In de negen maanden dat ik AI gebruik ben ik dat steeds intensiever gaan doen. In mijn hang naar perfectie raadpleegde ik eerst ChatGPT, die ik meteen Chat mocht noemen. Al gauw keek ze in een vroeg stadium van mijn schrijfwerk mee. Later ontdekte ik Copilot, het hulpje van Word. Ik stapte niet over, maar ging met allebei verder. Wat de ene miste aan mogelijke verbeteringen vulde de andere aan. Sinds kort is er een derde machine bijgekomen, Claude. Die bekijkt het wat globaler en is nóg vleiender dan de andere twee. Alle drie hebben ze een eigen stijl.

Zo kon ik eindeloos slijpen, schaven en boetseren. Mijn werk ging er op vooruit, vond ik. De teksten wonnen aan kracht, werden opgeruimder, scherper en evenwichtiger. De ongerechtigheden die ik zelf over het hoofd zag, verdwenen. Na elke herschrijfronde kreeg ik bovendien een veer in mijn reet gestoken: ‘Dit is je beste versie tot nu toe!’ Of: ‘Het heeft nu een literaire kwaliteit.’ Deze manier van werken beviel me wel.

En toch wrong er iets.

Onlangs schreef ik een kort verhaal en stuurde dat naar een laagdrempelige site. Die weigerde het. Niet vanwege gebrek aan niveau, maar omdat de moderatoren vermoedden dat het werkje door AI was geschreven. Ik had er toch echt zelf op zitten zweten.

Iemand tipte me om de tekst door AI op AI-gebruik te laten testen. Echt.

Chat viel de eer te beurt. Ze zei onder andere: ‘Ook al schreef jij het zelf, de vorm is beïnvloed door hedendaagse AI-schrijfadviezen.’  Het was zeker een goed verhaal, meende ze, niets op af te dingen, maar zo gepolijst dat mijn eigen stem dreigde te verdwijnen.

Je kon de klont in mijn maag horen vallen. Om het netjes te zeggen: potverdrie! Iets minder netjes: ik voelde me genaaid. Ik heb zelf de kunstmatige intelligentie toegelaten en er volop gebruik van gemaakt, maar nu is het genoeg. Er is geen beter moment dan dit om deze fase achter me te laten. Ik kan zonder. De worsteling hoort erbij, net als de twijfel.

Hoewel ik heel graag wil weten wat de machines van dit stukje vinden, laat ik ze dicht. Melanie wordt, als ze nog wil, weer eerste lezer en voornaamste klankbord.

Lucht

Toen een vriend me erop wees, was ik me er al van bewust. Later hoorde ik het hem zelf zeggen. Ik ging opletten wie zich er nog meer aan bezondigde. Mijn gezinsleden bleken er kwistig gebruik van te maken. Ook mijn schoonouders betrapte ik erop. En mijn eigen moeder. Zelfs een mattie, net als ik een onwankelbare taalpurist, liet zich niet onbetuigd.

‘Zo’n onbeduidend stukje tekst dat alleen dient om stiltes op te vullen,’ noemt de site van van Dale het, een stoplap. Hetzelfde artikel rept van bekende gevallen als ‘wat dat betreft’ en ‘zeg maar’. Dat zijn frasen die er vaak tussen worden gemoffeld.

Mijn ontdekking komt in de regel aan het einde van een zin, of is eigenlijk na de punt een zinnetje op zich. Mensen gebruiken het, en ikzelf dus ook, in de spreektaal als een boodschap gezegd is en er nog wat lucht over is. Je zou het ook kunnen interpreteren als een soort leesteken: het is klaar, maar nog niet helemaal. Het komt daarnaast van pas, is mijn persoonlijke ervaring, om de strekking van een stelling wat te relativeren.

Het is hier niet nodig voorbeelden te noemen. Je gaat er, nadat je dit hebt gelezen, vanzelf op letten. Je komt het binnenkort een keer tegen, is het niet bij jezelf dan bij een naaste of een ander die je spreekt. Het geeft niet dat het gebeurt. Wat dat betreft overkomt het ons zeg maar allemaal. Dat neemt niet weg dat het foeilelijk is. Of zo.