Beschermd

Voor deze winter is het klaar met zwemmen in de plas. Aan het eind van het najaar heb ik het uit mijn handen laten glippen, was te vaak te bang om te gaan. Die gespannen periode is goeddeels achter de rug, maar de watertemperatuur is nu op z’n laagst. Ik kan het niet opbrengen daar weer aan te wennen.

Ik heb ook geen zin om naar het zwembad te gaan, ben bovendien het pasje kwijt waar de tienbadenkaart op staat. Dat is net het drempeltje dat me tegenhoudt, samen met het krappe kleedhokje, de zwembril en de andere zwemmers in mijn baan. Ik zie het binnenkort niet gebeuren. Het blijft bij wandelen.

Soms spreek ik nog af aan de waterkant, als het meezit eens in de week, met een vaste zwemvriend. Hij neemt in deze periode net iets vaker dan ik een duik. De meeste tijd daar gaat op aan een gesprek. Dat doet me goed. Behalve wat oeverloos gepalaver is het ook een wederzijds vinger aan de pols houden. We houden elkaar een beetje in de gaten. Hij mij in ieder geval. De duik beperkt zich tot dompelen; langer dan een halve minuut ben ik niet in het water.

Dat heel even blootstellen aan de kou, die voor de ongeoefende mens al snel pijn doet, is toch weldadig. Tijdens en achteraf. Wat aan me kleeft spoelt weg.

De rest van de week kies ik voor het comfort van op het droge blijven. Daar sta ik soms bij stil, of denk ik over na tijdens het wandelen. Des te meer waardeer ik de kleding die me tegen de elementen beschermt. Er kruipt een milde tevredenheid tevoorschijn: dat ik ook in staat ben me eraan over te geven, als het even niet gaat.

Onderdompelen

De precieze overwegingen om mijn verjaardag te willen vieren ben ik vergeten. Ik werd 53, geen rond getal, daar lag het dus niet aan. Het leek me anderhalve maand eerder, denk ik, wel aardig om met een paar mensen samen te komen in een eetcafé in de buurt. Voor ik het wist had ik (even tellen) acht vrienden uitgenodigd, dat zijn ze allemaal. Een vriendin liet al snel weten in het buitenland te zijn. Een ander appte ’s middags dat hij niet fit was. De rest was er, met Melanie, mijn jongste en ikzelf erbij negen in totaal.

Vooraf was ik zenuwachtiger dan waar ik op had gerekend. Zelf ga ik zelden naar verjaardagen of feestjes. Het ligt me niet, dat soort sociale interactie. Liever heb ik een-op-eencontact, zodat in relatieve rust een gesprek kan ontvouwen, bijvoorbeeld tijdens een wandeling, of voorafgaand aan een duik. Zo zie ik de meesten doorgaans ook, individueel.

Nu voelde ik me als gastheer ineens verantwoordelijk voor het welslagen van een bijeenkomst waarbij iedereen samen zou zijn. Als dat maar goed ging.

Het kwam zo uit dat ik een week eerder wel bij een feestje aanwezig was geweest. Een van mijn genodigden vierde thuis, ook met een bescheiden aantal mensen, zijn zestigste verjaardag. Daar aanwezig zijn ging me opvallend makkelijk af. Ik beschouwde het maar als een soort generale en putte er wat vertrouwen uit.

Het maakte slechts een beetje verschil. Op mijn eigen grote dag probeerde ik toch uitvluchten te verzinnen, manieren om er onderuit te komen. Het was een mechanisme dat ik aan had kunnen zien komen. De mate waarin overviel me alsnog. Zou ik ziekte kunnen veinzen? Mijn zenuwen overdrijven en zeggen dat ik het echt niet trok? Zonder opgaaf van reden wegblijven? Op mijn eigen feestje. Waarom, vroeg ik me af, heb ik me hieraan blootgesteld? Waar is dit voor nodig?

Dezelfde vragen stel ik soms bij het buiten zwemmen in de herfst, en zeker in de winter. Tijdens het uitkleden op het veldje, met de wind recht op mijn onbeschermde huid, wil ik echt niet. Het is een gevoel waar niet tegenop te denken valt, geen redelijk argument houdt stand. Het idee zometeen te water te gaan maakt me zelfs een beetje bang.

Zo zag ik, gek genoeg, ook op tegen het samenzijn, juist met die vertrouwde mensen. Ik was me in de loop van de dag als het ware heel langzaam aan het uitkleden voor een onderdompeling waar ik, naarmate die dichterbij kwam, steeds minder zin in had. Het grote verschil, warmte in plaats van kou, leek niet uit te maken. De weerstand was even groot. Maar ook nu, eenmaal kopje onder in die kroeg, wist ik meteen waar ik het voor deed.

De verantwoordelijkheid voor het welslagen van de avond rustte niet alleen op mijn schouders. Ieder nam zijn of haar deel op zich, vanzelfsprekend, alsof het nooit anders had kunnen zijn. Eigenlijk best gezellig. Nee hoor, dat mag sterker: hartverwarmend.