Verschijnsel

Ondanks dat ik vorig jaar opnieuw naar de overkant en terug zwom, kan ik toch weer zenuwachtig zijn als ik verder van het veld ga, ook langs de oever en ook met de zwemboei bij me. Ik heb geen zin om actief mijn grens te verleggen en de afstand uit te breiden. Het bevalt me goed om als het ware baantjes langs het riet te trekken, heen en terug naar punten tot waar het comfortabel is. Aan het begin van een zwemsessie is dat wat verder en naarmate mijn lijf kouder wordt steeds iets dichterbij.

Zo deed ik in de buurt van het veld mijn schoolslag. Op een moment dat mijn hoofd boven water kwam, hoorde ik een ruis. Ik hield in en keek naar het riet waar het geluid vandaan kwam. Het slingerde heen en weer. Halmen zwiepten. Er braken stengels af. Er vlogen delen van de lucht in. Er ging een kleine maar ruige wervelwind doorheen.

Mijn geest neigde ernaar om het verschijnsel betekenis te geven en het ergens aan te koppelen. Aan het ontstaan van graancirkels bijvoorbeeld, waar ik een tijdje aandacht aan heb besteed en die nog steeds een plek in mijn hart hebben. Of aan Kees die afgelopen najaar bij dezelfde watertemperatuur ongeveer op deze plek verdronk.

Maar ik hield het liever bij wat het was. Vanwege de ongewoonheid dacht ik nog even dat het een illusie betrof, een waanvoorstelling. Bij het volgende baantje zag ik stukken riet in het water. Het was echt geweest.

Verblijfsduur

Dit is een van de lichtere problemen rond corona: er is bij de plas bij zonnig weer niet genoeg plek op het veld. Er liggen dan zo veel zonaanbidders dat het niet mogelijk is altijd anderhalve meter afstand te bewaren. Met vier langs de beschoeiing is de weg naar het water geblokkeerd.

Ik begrijp niet dat je zo lang de zon op je blote lijf wilt laten schijnen. Een kwartier is meer dan genoeg. Ik laat me vóór het zwemmen even opwarmen en doe dito na afloop. Het grootste deel van de tijd ben ik in het water. Dat begrijpen anderen weer niet, dat ik zo lang in 15 graden zwem.

Moet ik er wel bij kunnen. Het probleem is te omzeilen door in de ochtend te gaan. Dan is het nog rustig. Een andere optie is een zwembroek mee te nemen en bij drukte een textielstrandje verderop te bezoeken. Toch zou ik ook graag gewoon ’s middags naar mijn vaste stek willen. Daar ben ik niet de enige in.

Ik voelde me geroepen bewustzijn te kweken. Daar ben ik van genezen, maar voortvarend als ik kan zijn, had ik al een A4 geprint en geplastificeerd. Het simpele idee komt van een andere winterzwemmer. Als ieder zijn of haar verblijfsduur beperkt, kunnen meer mensen gebruik maken van de beschikbare ruimte.

Ik heb het deze week bij de toegang opgehangen. Het is nog afwachten of het effect heeft. Ik laat het er verder bij en kijk uit naar wat meer bewolking.

Besluit

Dit gaat over zitten en over zwemmen. Als Melanie zegt dat ze gaat zitten, weet ik precies wat ze bedoelt en vat ik dat bovendien op als een uitnodiging om mee te doen met mediteren. Ik had een lange periode moeite me daartoe te zetten en als ik dan zat om de voorgenomen tijd vol te maken. Het was een gevecht geworden. Zo ging het niet langer. Ik nam het besluit er helemaal mee te stoppen. Sindsdien mediteer ik weer met plezier en met gemak.

Met zwemmen ben ik nu in zo’n periode dat ik de discipline nauwelijks op kan brengen, geen deugdelijke motivatie kan vinden of vaak gewoon te lui ben. Daar is uiteraard niets raars aan, gezien de ontberingen die het buiten baden met zich meebrengt. Toch heb ik het de laatste winters zonder veel moeite gedaan. Het is me een klein raadsel hoe dat verschil te verklaren. Er zijn wel wat dingen anders dan voorheen.

Het begon met het verdwijnen van de houtwal. Min of meer bij toeval was ik het, die samen met Willem op gesprek ging bij het recreatieschap. Daar wierp ik mezelf op als contactpersoon tussen zwemmers en instantie. Ik werd daardoor ook aanspreekpunt over de eventuele verhuizing naar een andere locatie. Er was een door mij geleide vergadering. In januari en februari portretteerde ik alle zwemmers, nog nat want net uit het water, en liet ik voor ieder een fotoboek drukken. In de zomer haalde ik de midzomerduik van stal en later een vollemaansduik, minder drukbezocht maar zeker ook geslaagd. In het voorjaar had ik al het blaadje MGT (Met gezonde tegenzin) nieuw leven ingeblazen. In het aprilnummer stelde ik voor een Whatsapp-groep aan te maken. De animo was in het begin niet groot, maar de groep kwam er. Hij groeide volop in de maanden daarna, mede naar aanleiding van de dood van Kees, waarbij het communicatiemiddel goed van pas bleek te komen. Kort na het overlijden van Kees heb ik het initiatief genomen voor een herdenkingsnummer van MGT. Ik heb de uitwerking daarvan verzorgd, met opmerkelijk veel bijdragen voor zo’n relatief kleine groep. Het werd zeer gewaardeerd. O, en dan vergeet ik bijna te noemen dat ik regelmatig de watertemperatuur meet en deel.

Nu ik dit allemaal op een rijtje zie, vind ik het niet zo gek dat ik er genoeg van heb. Dat heeft minder met het koude water te maken dan eerder gedacht. Het zou weleens de betrokkenheid met de groep kunnen zijn die momenteel te nauw sluit. Gaan is een must geworden.

Er is niet onderuit te komen: Kees is man van het jaar, ongetwijfeld, maar ik voel me dit seizoen mister MGT, heb ik zelf gedaan, of zo je wilt meneertje met gezonde tegenzin, ik doe het graag. Toch lijkt het zo half december meer in de weg te zitten dan dat het helpt. Het blijft duwen en sjorren om naar de plas te gaan. Er zit niets anders op dan dat ik er binnenkort helemaal mee stop.

Billy

De vorige keer dat ik de plas overzwom was eind oktober 2004. Het is intussen vaak genoeg gememoreerd dat ik toen op de terugweg zo in paniek raakte dat ik anderhalf decennium niet durfde. Tot nu. Iets om blij over te zijn, het is gelukt.

Het lukte precies een week na het officiële begin van de zomer en drie weken nadat ik in een blog had aangekondigd het deze zomer te proberen. Daar zaten nog wat haken en ogen aan en de nodige tussenstadia. Zo wilde ik eerst dichtbij de oever aan de korte kant overzwemmen en daarna langzaam op het open gedeelte de afstand uitbreiden. Het had best een flink deel van de zomer in beslag kunnen nemen.

Gerrit, de tachtig gepasseerd en een winterzwemmer die alleen ’s zomers zwemt (ja, die zijn er), vertelde eind juni dat hij naar de overkant was gezwommen. Daarbij had hij steun gehad aan een zelf gefabriceerde drijver. Hij is een soort uitvinder, bouwt altijd ingenieuze windschermen om zijn dutjes achter te doen en zijn fameuze massages uit te voeren. Naar voorbeeld van de nieuwerwetse oranje zwemboeien, een enkele keer zie je een roze, had hij het kussen van een luchtbed geknipt, er met een sleutelring een koord aan bevestigd en dat om zijn middel geslagen. Onderweg in het water kon hij bij vermoeidheid even leunen en rusten. Zo ging hij de hele plas over en genoot af en toe van het uitzicht.

Door hem geïnspireerd besloot ik een poging te wagen. Ik ben er de persoon niet naar om zelf iets te maken, gooide er wat geld tegenaan en liet een exemplaar uit internet komen.

De oranje zwemboeien verschenen twee jaar geleden. Vorig jaar waren er al een stuk meer. Nu zie je ze overal. Bij de tocht van Van der Weijden kwam er een tv-beeld voorbij van een man of veertig met ieder een ballonnetje achter zich aan. De drijver heeft meerdere functies. Er kunnen waardevolle spullen droog in mee, die je niet op de oever wilt achterlaten. Zelfs een beetje kleding zou erin kunnen. Daarnaast is de zwemmer goed zichtbaar voor scheepvaartverkeer en in geval van nood voor redders.

Op de verpakking staat uitdrukkelijk vermeld dat het ding niet bedoeld is als ‘life saving device’. Daar wilde ik hem juist wel voor gebruiken. Leven zonder overzwemmen is minder leven. Hij kon net wat extra vertrouwen geven.

Billy, zoals ik hem meteen maar doopte, werd een dag eerder dan verwacht geleverd. Ik zou die donderdagmiddag meteen aan de bak kunnen, maar vond het te plotseling. Het was me plotseling genoeg toen ik de dag erna het koord omsnoerde. Zonder de andere zwemmers vooraf te informeren begon ik aan de tocht. Niet helemaal zonder zenuwen. Op driekwart dacht ik alsnog aan omkeren en keek om. Winterzwemmer Cor bevond zich vlak achter me, bleek, met zijn kalme slag. Ik zette door.

Ik heb het gedaan. Na vijftien jaar. ‘Niet te bevatten,’ zou ik een toegesnelde reporter hebben gemeld. De voornaamste emotie die middag was een stil verdriet.

Duik

Mijn broer is jonger dan ik. Logischerwijs wordt het relatieve leeftijdsverschil ieder jaar kleiner. Bij zijn geboorte was ik ongeveer zes en een half jaar, wat je honderd procent zou kunnen noemen. Dit jaar is hij veertig geworden en is het relatieve verschil teruggelopen tot veertien procent. We groeien naar elkaar toe. Dat onze levenslopen en interesses nogal uiteenlopen, doet daar niets aan af.

Hij is ondernemer. Hij heeft een paar internetbedrijven groot gemaakt en zich er daarna weer grotendeels aan onttrokken. Hij heeft dat werk goed in de vingers en was er eigenlijk vóór zijn veertigste al klaar mee, wat de vraag opwierp wat vervolgens te doen.

Hij verveelt zich overigens niet, gaat graag op avontuur. Met een groep vrienden deed hij in een aftandse truck een rally naar Mongolië. Dat was bij tijden afzien. Hij maakte in een oude Saab cabrio een rit naar de Noordkaap, met dak open. Afgelopen winter ging hij helikopter skiënd van berghellingen in Canada af. Hij zit bij de vrijwillige brandweer.

Voor mij is een wandeling aan de Noord-Hollandse kust genoeg. Daar is hij gelukkig ook voor te porren.

We hadden afgelopen maandag afgesproken. Hij kwam uit Leiden, ik uit Utrecht. Op Amsterdam Centraal moest ik rennen om mijn aansluiting te halen. Dat ben ik niet meer gewend. Ik struikelde bijna over mijn eigen benen. Een jonge god ben ik alleen nog in gedachten. Ik haalde op het nippertje de sprinter, waar mijn broer een paar haltes later instapte. In Santpoort Noord stapten we uit.

De zon scheen en de temperatuur liet toe de sjaal wat losser te dragen. We liepen door het duingebied en pauzeerden als een stel oude taarten op een bankje. Mijn broer had gevulde koeken mee. Ik had helaas niet aan koffie gedacht.

Toen we later de duinen verlieten en het strand betraden, klonk achter ons het luchtalarm, een goed moment voor een duik. We hadden allebei een handdoek mee, hij zelfs twee. Maar zo avontuurlijk als mijn broer is ingesteld, zo huiverig was hij nu. Hij zei dat hij het niet zag zitten. Ik moest daarom net doen of ik er heel veel zin in had. Met ferme stappen liep ik richting de vloedlijn om daar in de buurt, op het gedeelte van het zand dat nog net droog was, te beginnen me uit te kleden.

Hij was toch sneller en stond, na even gedompeld te hebben, tot zijn knieën in de branding te kermen dat het erg koud was en dat het begon te tintelen. Ik stapte bedaard het water in, dook over een golf en dobberde een paar minuten in de tamelijk kalme zee. Hij was er alweer uit.

Het is niet helemaal eerlijk ons zo te vergelijken. Ik ben geoefend koudwaterzwemmer, het is niet zijn liefhebberij. Ik blijf uiteraard altijd de oudste, maar niet vanzelfsprekend wijzer.

Bij het uit het water komen kreeg de wind vat op mijn natte lijf en dacht ik heel even dat ik onderuit zou gaan. Dat heb ik maar voor me gehouden.

Kaalslag

Er is wat moed voor nodig om te winterzwemmen. In de eerste plaats om eraan te beginnen, en later om door te zetten. Het is in essentie je kwetsbaar opstellen. De natuurelementen krijgen vat op het naakte lichaam. Er is het koude water met soms golven die in het gezicht slaan. Lichte onderkoeling is onvermijdelijk, tenzij je er heel kort in blijft, wat voor de meesten van ons niet de sport is. Eenmaal weer op de oever is er de lage luchttemperatuur. De wind onttrekt warmte aan de nog natte huid. Onverwijld afdrogen en aankleden is geboden.

We hebben geen kleedruimte bij de Plas. Meegenomen stukjes plastic beschermen onze spullen tegen vocht uit het gras en kunnen in geval van dreigende regen eroverheen worden gevouwen. Sommigen hangen hun kleren aan de fiets. Het gaat zo.

We hebben een vaste stek op de ligweide. Ook in de zomer, als er veel meer gasten zijn, is dat ons domein. Het is de plek waar we verzamelen, waar we liggen te zonnen, praten of puzzelen of een krant lezen. De oudste Kees betrekt altijd de uiterste hoek. De anderen nestelen zich ergens in de beschutting van de houtwal.

Nestelden, moet ik zeggen, want die wal is weg. Het was een imposant bouwwerk dat in de loop van twintig jaar gestalte had gekregen. Het was in de winter een welkome bescherming en fungeerde in andere jaargetijden als gezegd als pleisterplaats, bijna niet meer weg te denken. De stammen en takken waren begroeid met klimop en andere planten. Het geheel paste prima in de omgeving. Heel natuurlijk, zou je kunnen zeggen.

De beheerder van het terrein dacht daar anders over, of eigenlijk vooral de handhaver, een buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van het recreatieschap. De wal onttrok weleens door mannen uitgevoerde seksuele handelingen aan het oog. Daar moest de wal voor boeten.

Het hout was ineens verdwenen. Op een dinsdagochtend begin januari heeft een aannemer zwaar materieel ingezet om de boel te ruimen, ons later op de dag in ontsteltenis achterlatend. Zonder overleg of op z’n minst een waarschuwing vooraf had er een volledige kaalslag plaatsgevonden. De grond was omgewoeld door dikke banden, het riet was plat, diverse bomen gekapt, de broeihoop van de ringslangen gesloopt. Heel onnatuurlijk, zou je kunnen zeggen.

We hebben later in een gesprek nog wat uitleg gekregen. Het zou ook om groot onderhoud gaan van het terrein. Maar de belangrijkste reden van de sloop bleek toch het terugdringen van het praktiseren door die mannen. Wij hadden daar echter veel minder last van dan we profijt hadden van de wal. In de winter wordt er sowieso niet veel gepraktiseerd.

Het hoekje is nog begaanbaar maar te modderig om er uit en aan te kleden. We staan nu verspreid over het veld, zoekend naar wat beschutting tegen de winterwind die van alle kanten vrij spel heeft.

Ik moet dit natuurlijk niet overdrijven, we kunnen klaarblijkelijk wel wat hebben, er zijn bovendien ergere dingen, toch voelt het ontheemd. Het is in ieder geval een rotstreek.