Strijd

Ondanks dat ik geen zware gebruiker ben, kom ik gemiddeld toch nog aan anderhalf uur per dag. Eerder dan die tijd gaat het me om het steeds weer oppakken en die thuisknop indrukken, vaak ongewild en meestal onnodig. Het is een gewoonte die erom schreeuwt te worden doorbroken, al is het alleen maar om weer bewust te zijn van de plaats die het apparaat heeft ingenomen. Of heeft gekregen, van mij, ik doe het zelf, of toch niet helemaal, er zijn subtiele en minder subtiele mechanismes aan het werk. Het is goed om die helder te krijgen.

Ik neem daarom een week vakantie van mijn telefoon. In plaats van hem om de haverklap te raadplegen, ben ik van plan dat nog maar twee keer per dag te doen, rond het middaguur en na het avondeten. Bellen en gebeld worden mag nog, dat doe ik toch al erg weinig. De apps die ik het meest gebruik, die van NRC en NOS, kunnen wel even zonder mij. Ik heb tijdelijk Teletekst geïnstalleerd, voor een snelle blik op de hoofdlijnen van het nieuws, de kabinetsval zal me niet ontgaan. Op de beperkte gebruiksmomenten krijgen bij voorkeur verder alleen Whatsapp en de mail mijn aandacht.

Het idee voor deze telefoonretraite komt van de documentaireserie Schermstrijd. Filosoof en journalist Doortje Smithuijsen portretteert zeven jongeren die negen tot dertien(!) uur per dag online zijn. De vraag rees of er sprake was van verslaving, of deze jonge mensen nog zonder zouden kunnen. Ze kregen het voorstel om mee te doen aan een experiment. De opzet was simpel: leg een week lang je telefoon aan de kant, raak hem niet aan, schakel hem uit. Zes van de zeven durfden het aan. Een van hen moest eerst, voordat ze cold turkey ging, snel googelen hoe dat moest, haar mobiel uitzetten. Ze hadden het allemaal moeilijk, zoals te verwachten viel. Helaas kwam nauwelijks aan bod hoe het de deelnemers na die week verging. Gingen ze op de oude voet verder of veranderde er iets in hun gedrag? Dat leek me juist interessant om te weten.

Blij toe dat ik er niet zo diep in zit. Maar toch: de korte afleiding, de verstrooiing, de shotjes dopamine die de telefoon biedt, lijk ik nodig te hebben. Het gaat te ver in dit geval, in mijn geval, om van verslaving te spreken, daar komt meer bij kijken, maar elementen ervan zijn te herkennen. Telefoongebruik is soms ook, al dan niet bewust, weglopen voor iets, kiezen voor het gemak van de instant verlichting van het scherm.

Nu deze schrijfsessie er bijna op zit, begint er alweer wat te kriebelen, ontstaat een eerste aanzet van een beweging, zoeken mijn ogen het apparaat, sorteert mijn geest voor op controleren of er berichtjes zijn, nieuwsitems of misschien een opinie. Dat gaat nu niet. Wat zal ik doen? Wat kan ik met de vrijgekomen tijd? Eerst een moment alleen maar zitten, lijkt me goed, en de leegte toelaten.

Protest

Een voormalig schoolgebouwtje hier om de hoek, waar een groep Oekraïense vluchtelingen een tijdje onderdak had, is ingepakt in steigers. Schilders geven de buitenkant een goeie lik verf en binnen doen bouwvakkers enkele laatste aanpassingen. De gemeente, die eigenaar is, wil er 37 studenten huisvesten, al lijkt de vergunning voor de nieuwe bestemming nog niet helemaal rond.

Een paar omwonenden zijn bang voor overlast en dreigen het plan te torpederen. Die buurtgenoten hebben de gemeenteraad over de kwestie aangeschreven. Slim bedacht, goeie zet.

De eenpersoonsfractie van een plaatselijke partij zette er vervolgens de tanden in. Het raadslid heeft in omliggende straten aangebeld en bewoners gevraagd of ze ook problemen voorzagen. Het is maar net hoe je het stelt. Namens de partij hangen er nu spandoeken aan de hekken rond het gebouw met de tekst: ‘ongeschikt voor studentenbewoning’. Volgens het raadslid (ik heb het haar per mail gevraagd) is toekomstige huisvesting er ‘ongeschikt’, niet omdat het te klein is of omdat het dak lekt of wat dan ook, maar alleen omdat omwonenden bezwaar hebben. Zo is het cirkeltje snel rond.

Het lijkt mij juist een heel goed idee om studenten daar een plek te bieden, sowieso om het gebouw een nieuwe bestemming te geven en het niet te laten verpieteren. Het zou jammer zijn om deze kans te laten liggen. Wat jong bloed erbij in de wijk kan helemaal geen kwaad. Het zullen geen mensen zijn die de hele tijd brallen, zuipen en feesten, waar de angst van de buren vanuit een stereotiep beeld wellicht op gebaseerd is. Een dispuut van het corps heeft op deze locatie, diep in Overvecht, weinig te zoeken. Eerder zie ik een gevarieerde verzameling serieuze, hardwerkende studenten voor me. Als die al iets teweegbrengen zal het, veel eerder dan een verstoring, een verrijking zijn.

Daar komt bij, over het grijpen van kansen gesproken, dat er over de hele linie een schreeuwend tekort aan woonruimte is. Dat behoeft geen toelichting. Ieder initiatief om een paar studenten blij te maken met een kamer is welkom.

Het raadslid is met haar gemakkelijke boodschap achter de bewoners gaan staan, daar spint ze goed garen bij, maar de eventuele toekomstige bewoners mogen wat haar betreft in de kou blijven.

Aangezien nog niet bekend is wie het zijn, hebben zij geen stem in dit verhaal. Die stem neem ik dan maar voor mijn rekening. Alleen weet ik nog niet precies hoe. Hoe protesteer je tegen protest? Hoe maak je bezwaar tegen bezwaar? Er ontstaat een mogelijkheid. Vlak voor het ter perse gaan van dit blog, ik hoor het geratel al, bereikt me het bericht dat er een inloopavond komt over het plan. Omdat ik mondeling veel minder sterk ben dan schriftelijk, zal mijn bijdrage kort zijn, op luide toon: ‘Ik ben voor, laat maar komen die lui, leuk!’

Mobiel

Deze week heb ik mijn rijbewijs aangevraagd. Ik hoefde niet eens over een stippellijn te lopen of een ogentest te doen. Al jaren rij ik geen auto, ik weet niet meer hoelang precies, maar daar vroeg de dame niet naar. Ik hoefde geen verkeersborden te benoemen of te beloven voorzichtig te zijn. Ik hoefde alleen maar een recente, gelijkende pasfoto af te geven (‘Wilt u heel even uw pet afdoen, zodat ik kan zien of u het bent?’) en een krabbel te zetten op een formulier. Komende week mag ik het roze pasje ophalen.

Het oude was ik ooit kwijtgeraakt, waarschijnlijk uit mijn broekzak geglipt toen ik het een keer bij wijze van ID bij me droeg. Omdat ik het rijbewijs al niet meer gebruikte waar het voor bedoeld was, aantonen dat ik kon autorijden, besloot ik het maar zo te laten. Melanie rijdt. En sinds een paar maanden onze oudste ook.

We bezitten geen auto. Dat zouden meer mensen moeten doen. We hebben een abonnement op een deelauto. Er staat een exemplaar om de hoek. We besluiten nooit lichtvaardig tot een autorit en als we dan toch gaan, vraag ik me onderweg altijd af waar al die andere mensen in hemelsnaam naartoe denken te moeten. Mobiliteit heeft schrikbarende vormen aangenomen.

Dat indachtig ligt het niet voor de hand dat ik weer achter het stuur kruip. Elke automobilist minder is mooi meegenomen. De aanleiding om toch bij de gemeentelijke balie langs te gaan was een vrijwilligersvacature. In Overvecht en enkele aangrenzende wijken bestaat een taxiservice voor minder mobiele mensen, lees: ouderen. Voor een klein bedrag worden ze thuis opgehaald en naar het winkelcentrum, de huisarts of het ziekenhuis gebracht. Of ze kunnen bij iemand op visite. De betreffende organisatie zoekt chauffeurs, waarbij een geldig rijbewijs vanzelfsprekend een vereiste is.

Het is niet verantwoord als ik nu ineens alleen met een auto op pad zou gaan, laat staan met een passagier op leeftijd erbij, of hoe oud dan ook. Dus ga ik op zoek naar iemand, een professional, die me weer een beetje op weg kan helpen. Aan invoegen en inhalen op de snelweg heb ik bijvoorbeeld nog steeds een broertje dood. Daar is wat oefening nodig om weer vertrouwen te krijgen. Verder zie ik weinig moeilijkheden; koppeling, rem en gas zal ik vast nog kunnen vinden.

Het is maar de vraag of ik daadwerkelijk aan de slag ga bij de buurttaxi. Aan dat baantje kleven nog wat mentale haken en ogen, zeg maar gerust dat er beren op de weg zijn. Dat ik er met het nieuwe rijbewijs alvast eentje heb geschoten, schept een kans.

Schaal

Ik weet nog waar het was, langs de Moezeldreef, maar niet in welk jaar en ook niet in welk jaargetijde. Uit het schemerdonker rond de avondspits zou af te leiden zijn dat het niet hartje zomer of winter betrof, maar een tussenseizoen. Tussen de weg en het fietspad groeiden lage struiken. Ik liep over het voetpad ernaast en zong. Soms bijna schreeuwend, dan weer fluisterend vulde mijn stem naadloos de energie van het voorbijrijdende verkeer aan. Mijn lichaam paste zich al wandelend ook aan, wat resulteerde in een onregelmatige tred en soms een draai om mijn verticale as. Het zou goed kunnen dat ik nu en dan met een arm boven mijn hoofd zwaaide. Alles om, geheel intuïtief, harmonie in dat stukje van het universum te bewerkstelligen, of te behouden. Het lukte. Zonder dat zij zich ervan bewust waren begeleidde ik de automobilisten veilig huiswaarts.

Het is een geïsoleerde herinnering; wat eraan voorafging ben ik kwijt, net als wat erop volgde. Het lijkt, als ik eraan terugdenk, eerder een droombeeld dan iets uit de realiteit. Het lijkt ook bijna een ander dan ikzelf die dat meemaakte. Ik was het wel. Ik verkeerde op dat moment in een staat van extreem hoge gevoeligheid. Meestal heb ik dat niet, dat uitermate openstaan, maar het is wel vaker voorgekomen. Langer geleden liep het een paar keer erg uit de hand en waren opnames nodig. Lang en moeizaam herstel volgde. Recenter kon ik het opvangen met rust nemen en extra medicatie. Het zou niet realistisch zijn te denken dat het voortaan wegblijft.

De diagnose die erbij hoort is schizoaffectieve stoornis, een indrukwekkend label dat eigenlijk weinig zegt. Het omkadert vooral een hokje, een ruimte voor de enkeling, apart van alle anderen die dat niet hebben.

Maar er is iets aan het verschuiven in de psychiatrie. Er ontstaat een nieuwe manier om naar psychisch lijden te kijken, onder meer gepropageerd door de vooruitstrevende psychiater Jim van Os. Hij legde het onlangs haarfijn uit in Het Marathoninterview op Radio 1 (ook als podcast beschikbaar). Diagnoses zijn volgens hem maar nattevingerwerk en kunnen beter afgeschaft worden. Het is veel beter om een schaal te hanteren om een bepaalde gevoeligheid aan te duiden, zoals autisme een spectrum kent.  Voor mij geldt dan dat ik psychosegevoelig ben. In plaats van bipolair ben ik bovendien stemmingsgevoelig. En vooruit, om het plaatje compleet te maken: geen angst- en paniekstoornis maar angstgevoelig. Kortom: gevoelig.

Het is niet alleen maar het beestje een andere naam geven, het is een heel andere visie, want zoals iedereen wel iets autistisch heeft, al is het vaak heel weinig, zit ieder mens ook ergens op de andere genoemde schalen van gevoeligheid. Door dat te onderkennen verdwijnt het harde onderscheid tussen mensen die er veel onder te lijden hebben en mensen die minder moeite ondervinden. Omdat het ook impliceert dat we meer bij elkaar horen dan volgens de oude zienswijze, ervaar ik dat als heel troostrijk.

Tafeltje

De gedragstherapie verlangde dat we samen eropuit gingen, de psycholoog en ik. We zouden mij blootstellen aan uitdagende situaties. Tot dan toe hadden we steeds tegenover elkaar gezeten in de wat zakelijke spreekkamer. Ze wist niet half hoeveel een uitstapje met haar naar de nabijgelegen lunchroom van mij zou vragen. Ik moest ter plekke met voornamelijk drie dingen overweg.

Ten eerste, waar het om te doen was, het zitten in een ruimte met mensen om me heen. We hadden vooraf afgesproken dat zij een tafeltje zou kiezen, zodat ik niet ontwijkend kon handelen. We kwamen bij het raam te zitten. Het was er niet stampvol, maar er waren toch aardig wat andere mensen. Het kon zomaar gebeuren dat iemand iets zei of deed wat met mij te maken had. Dat ik inmiddels maar al te goed wist dat zoiets mijn interpretatie was, wilde nog niet zeggen dat ik het niet meer dacht. Niet zelden zag ik er een bijbedoeling in van de ander, en van die keren meestal een terechtwijzing. Hier ontkwam ik niet aan de confrontatie en ik zat daardoor verre van op mijn gemak.

We bespraken ondertussen, en dat was het tweede punt, wat ik in het voorbije halfjaar had geleerd. We zagen elkaar in die periode wekelijks. Tijdens het traject stelden mijn motivatie en zelfkennis me in staat snel grote stappen te zetten. Soms liep ik puur op intuïtie al vooruit op wat we tijdens de sessies behandelden. Haar complimenten waren qua aantal en uitwerking niet gering. Zij en ik, we raakten gaandeweg steeds beter op elkaar ingespeeld. Dat nam niet weg dat ze in die lunchroom nog lastige vragen stelde. Op zo gedempt mogelijke toon probeerde ik ze te beantwoorden.

Daar kwam de derde moeilijkheid bij, namelijk dat ik een lichte crush op haar had. Dat mocht geen zware worden. Bij deze omstandigheden, die wel iets weg hadden van een date, bleek dat niet eens zo eenvoudig. Bij mijn weten gaf ik geen signalen, maar op dat vlak zou er weleens een lacune in mijn zelfkennis kunnen zitten. Misschien was het niet zo erg. Zij wist natuurlijk ook dat er iets tussen cliënt en behandelaar kan groeien. En kon ik het helpen dat ik makkelijk voor mensen val, met name vrouwen, en dan vooral jonge knappe, en al helemaal als ze niet-aflatend mij hun volle aandacht schenken? Zo bezien was er eigenlijk geen ontkomen aan geweest.

Een week later stelde ze voor om nog een keer samen op stap te gaan. Tot mijn opluchting volstond het noemen van de eerste twee moeilijkheden om haar op andere gedachten te brengen. Ik stelde meteen voor om zelfstandig weer spannende situaties op te zoeken. Dan zou ik daar nadien wel verslag van doen. In de overzichtelijkheid van de spreekkamer, dacht ik, met de grote tafel tussen ons in.

Kilometer

De Nedereindsevaart, een smal weggetje langs een brede sloot, was afgezet met rood-witte hekken en een bord verboden in te rijden. Rechts van de weg stond ook nog een rond bord met een rode rand en een zwart mannetje in het midden. Maar ach, dacht ik, te voet kan ik er vast nog wel langs.

Ik was door het Noorderpark en langs de plas gelopen en wilde naar streekmuseum Vredegoed om daar een klompenpad op te pakken. Dat zou ik voor een groot deel volgen, er nog wat aan vastplakken en uiteindelijk weer terugkeren in het Noorderpark en bijna thuis zijn. Het ging om 23,6 kilometer, zoals ik vooraf in een app had ingetekend. Mijn inschatting was dat het te doen zou zijn. Aan mijn benen lag het niet, die wilden wel. Wat mijn geest betrof lag de grens nog rond de twintig kilometer. De langste tocht tot dan toe was iets langer geweest. Ik kon maar zoveel tijd onderweg zijn. Deze route was op het randje.

Ter hoogte van een paar huizen, op een derde van het weggetje, was over de hele breedte een laag asfalt gefreesd. Geen probleem, dat kon ik hebben. Achter een heg werkte een ouder stel in de tuin, vergezeld door vermoedelijk een kleinkind. Het drentelde om hen heen. De man stond vlak achter de heg te schoffelen. Ik vroeg hem of de weg verderop misschien versperd was. Hij zei in geen dagen activiteit te hebben gezien, wat me voldoende vertrouwen gaf om verder te lopen.

Tegen het eind was er weer een stuk asfalt gefreesd, alleen was daar op de onderlaag zwarte lijm aangebracht. Daar wilde ik mijn schoenzolen niet aan blootstellen. De berm rechts was dichtbegroeid, links liep het steil af naar het water. Ik was vlak bij het streekmuseum, maar moest terug.

Het kleinkind slingerde nu op een loopfietsje over de weg met opa erachteraan. Ik vertelde hem dat ze verderop toch aan het werk waren. Hij verontschuldigde zich voor het geven van de onjuiste informatie. ‘Geen probleem,’ riep ik toen ik al voorbij was. Ik had inderdaad nog goede moed, ondanks die verloren kilometer en het stuk dat ik om moest om de geplande wandeling te kunnen vervolgen.

Weer terug bij het begin van het weggetje stonden twee fietsers, mannen, ook alweer wat ouder, dat krijg je op een doordeweekse dag. Ze overwogen hardop of ze het erop zouden wagen. Ik zei dat er geen doorkomen aan was. ‘Dan keren we om,’ besloot een van hen. Ik reageerde tamelijk gevat voor mijn doen: ‘Dat heb ik ook gedaan.’ Het was niet direct mijn intentie geweest om grappig te zijn, maar ze lachten er allebei om en ik lachte mee. Dat kon ik toen nog.

Void

Ze zou zo terug zijn uit de keuken. Ondertussen mocht ik een tafeltje kiezen in het vrijwel lege restaurant van het woonzorgcentrum, waarvandaan ik eens in de week met een bewoner hoopte te gaan wandelen of fietsen. We hadden afgesproken om kennis te maken, de vrijwilligerscoördinator en ik. Ze kwam aanlopen met alleen voor mij een kop koffie, zette die voor me neer en nam plaats. ‘Vertel,’ begon ze vervolgens, ‘wie is Mark?’

Ik zat er net iets te filosofisch bij om daar direct en praktisch op te kunnen reageren. Er doemde een leegte op, waar ik bij uitzondering een Engelse term voor wil gebruiken: void. Denk aan sciencefiction, in de ruimte, ja, dat is waar ik aan dacht: een zwart gat. Er cirkelden entiteiten omheen waarmee ik kon proberen het op te vullen, maar die verloren in de nabijheid van het grote niets stuk voor stuk hun grip: echtgenoot, vader, blogger, wonende te Utrecht, wandelt en zwemt graag, niets beklijfde als het ging om de kwestie wie ik werkelijk was. In de aanloop naar de ontmoeting had ik verzuimd daarbij stil te staan. Wel had ik nadrukkelijk bedacht me deze keer op de vlakte te houden over mijn geschiedenis in de psychiatrie. Dat had anders nog een haakje kunnen zijn om mijn identiteit aan op te hangen.

Om tijd te winnen nam ik een slok van de koffie. Het was alvast mooi meegenomen dat die goed smaakte op deze mogelijke toekomstige werkplek. Zou bij het besluit of ik me er nuttig mocht maken meespelen of ik al dan niet wist wie ik was?

Ik wist het niet en bleef er opvallend kalm bij. Er was ook geen reden tot paniek. De cirkelende entiteiten moesten voldoende zijn om de boel te stutten, zelfs als ze niets wezenlijks over de werkelijkheid te zeggen hadden. Mochten ze ooit verdwijnen of niet meer volstaan, dan kwamen er ongetwijfeld andere voor in de plaats, en daarna weer andere, tot het moment dat mijn persoonlijke void zich voorgoed bij die ene grote zou voegen. Misschien zijn die twee nooit gescheiden geweest, dat zou ook nog kunnen. In dat geval deed het er helemaal niet toe wie ik dacht dat ik was.

Nog een slok koffie zou de stilte te ongemakkelijk hebben gemaakt. Ik wist nog steeds niet waar te beginnen en zei dat uiteindelijk maar. Ze nam het soepel van me over en vertelde iets over zichzelf en de organisatie. Ik haakte in met mijn beweegredenen om me aan te melden. Het kwam goed met het gesprek, ondanks dat er op die eerste vraag geen antwoord was gekomen. Ik zal het haar, mezelf en de wereld altijd schuldig blijven.

Button

Ik denk erover buttons te laten maken. Vijftig stuks lijkt me een mooi aantal, eentje om zelf te dragen, de rest om weg te geven. Ik heb al een paar mensen op het oog die interesse zouden kunnen hebben. Het is wel de bedoeling dat ze ergens opgespeld worden en niet in een fruitschaal of keukenla belanden. Zulke voorwerpen vallen toch al onder de categorie ‘van die prullen waar de wereld aan ten onder gaat’. Dat neem ik in mijn overweging mee; het doel weegt in dit geval zwaarder dan de schade die het middel veroorzaakt, denk ik.

De opdruk wordt een eenvoudig ontwerp met alleen tekst, bestaande uit vier woorden. In zwart is prima. Voor de achtergrond had ik blauw in gedachten, als de hemel op een stralende dag. Het luistert niet zo nauw. Het gaat erom dat de strekking van die woorden duidelijk is. Ik twijfel tussen Nederlands en Engels, qua aantal komt dat overeen. Ook ben ik er nog niet helemaal uit wat de afmetingen van de buttons zouden moeten zijn. Ze mogen niet al te nadrukkelijk aanwezig zijn, een beetje subtiel. Het is al de vraag waarom ik hier zo nodig mee naar buiten moet, waarom ik niet gewoon in stilte doe wat ik doe. Er moet blijkbaar een uithangbordje bij.

De aanleiding voor deze actie ontkiemde een half leven geleden. Ik las toen een boek over een vrouw die meerdere keren te voet de VS had doorkruist. Ze liet daartoe al haar bezittingen achter, liep tot ze onderdak kreeg en vastte tot haar eten werd aangeboden. Ze overleed tragisch in 1981 bij een auto-ongeluk, toen ze naar een plek voor een lezing werd gereden. Voorafgaand aan mijn tocht naar Santiago de Compostela had een vriend me haar boek gegeven. Dat ben ik kwijt, helaas, want voorin had hij iets geschreven. Het leek op: ‘dat iets hiervan in je hart mag resoneren’.

Ik wandel de laatste tijd weer meer dan voorheen. Onlangs, tijdens een van mijn rondjes door het Noorderpark, herinnerde het zwaaien van mijn armen aan het zwaaien van de armen van die vrouw. Dat is des te opmerkelijker omdat ik nooit bewegend beeld van haar heb gezien. Sinds die echo is ze vaker bij me. Het wandelen doet me sowieso al goed. Het brengt me onverwacht veel evenwicht. Heel voorzichtig, juist dat evenwicht in de gaten houdend, kan ik het zelfs oprekken tot iets groters, iets dat reikt van mijn binnenste tot de verste uithoeken van het universum, iets wat er altijd is, hoe vertroebeld ook door hoe het er in de wereld aan toegaat.

Peace Pilgrim, zoals die vrouw zich noemde, zou daar mogelijk mee hebben ingestemd. Ze is al die tijd sluimerend aanwezig, en soms meer manifest. Ik doe haar in heel veel niet na; dat zou niet goed zijn voor mijn gezondheid, en niet voor mijn relatie. Maar zo is het me aan komen waaien. Ik doe het er maar mee, ik doe maar mee. Ik loop zomaar, en voor het plezier en de nodige beweging en, en dat past mooi op die button, ik loop voor vrede.

Bijsturen

Als ik dit schrijf zit ik middenin een up. Ik zou het nog geen episode willen noemen. Ik ben er bekend mee en toch is het altijd spannend hoe het verdergaat. Iedere keer is ook de vraag hoelang het duurt. Ben ik er over een paar dagen vanaf? Of neemt het weken in beslag?

Het stelt me juist nu teleur er weer mee te worden geconfronteerd. Het vele wandelen van de laatste tijd had afdoende moeten zijn om stabiel te blijven. Daarmee heb ik me te rijk gerekend. Er is zelfs een mogelijkheid dat al het lopen deze high in de hand heeft gewerkt. Toch denk ik eerder dat het ‘gewoon’ een autonome golfbeweging van mijn gemoed is, niets aan te doen.

Aan de andere kant, eenmaal gesignaleerd, hoef ik me bij die beweging niet zomaar neer te leggen. Het is nu zaak een tegenbeweging te bewerkstelligen. Dat is best een precaire kwestie, want er te hard aan werken is ook weer niet goed. Rustig aan is het terugkerende devies. In deze fase is op de rem trappen om te voorkomen uit de bocht te vliegen niet nodig. De voet iets van het gaspedaal volstaat. Daarnaast moet ik wat bijsturen. Daarbij maak ik graag onderscheid tussen bijsturen op microniveau en bijsturen op macroniveau.

Denk bij bijsturen op microniveau aan het terugschroeven van activiteiten binnen een dag of dagdeel. Bijvoorbeeld: voor de lunch zou ik nog even langs de supermarkt kunnen; in normale doen geen probleem. Nu wacht ik beter tot de middag en neem er meer tijd voor. Eventueel lees ik een stukje krant in de minuten die overschieten. Dit mag onbeduidend overkomen, het maakt een heel verschil, zeker als ik meerdere keren per dag een dergelijke keuze maak. Het haalt de vaart eruit. En het oogt simpel, maar er is behoorlijk wat mentale kracht voor nodig. Juist in deze periode neig ik naar doen, doen, doen, dingen voor elkaar krijgen, plannen maken en ze het liefst meteen uitvoeren. Ook krijg ik meer gedaan, terwijl het omgekeerde nodig is: rust zoeken, activiteiten laten vallen, afspraken verzetten.

Bij die laatste twee komt bijsturen op macroniveau om de hoek kijken. Dan gaat het over een iets langere termijn, dagen, de komende week. Ik beoordeel wat er in mijn agenda staat en kijk of er iets af moet (of bij kan). Soms is het evenwicht duidelijk zoek. Sommige combinaties zijn potentieel te belastend, daar heb ik inmiddels oog voor. Ik heb, als het nodig is, niet meer zo’n moeite met het uitstellen van afspraken. Bij wie me kent is weinig uitleg nodig.

Net als effectief bijsturen op microniveau is adequaat bijsturen op macroniveau een verworvenheid die met de jaren is gekomen. Deze opstootjes zullen zich blijven voordoen, daar twijfel ik niet aan. Dat ik er steeds behendiger doorheen manoeuvreer geeft moed en vertrouwen.

Plafond

zondag 7 januari
Breukelen – Woerden (17km, 3u45, met Melanie)

Het is de laatste dag van de kerstvakantie, de eerste zondag van het nieuwe jaar. Mijn enige goede voornemen is simpel: wandelen. Het is niet iets wat uit de lucht komt vallen. De laatste maanden heb ik al meer gelopen dan anders, deels om een paar kilo kwijt te raken en voor een ander deel om het plezier dat ik eraan beleef. Toch was het niet altijd leuk. In het najaar stuitte ik op paniek. In de zomer was paniek al aanleiding geweest om vervroegd een week Ardennen te beëindigen, en dat was weer een bron van spanning in de relatie. Achteraf gezien kon het niet anders dan dat er verandering kwam.

Het is een enkele opmerking van mijn therapeut geweest die veel in beweging bracht: “Paniek heeft een plafond.” Het is op z’n minst de moeite waard om te proberen de zenuwen te doorstaan. De kans is klein, blijkt, dat het de hele tijd zo spannend blijft. Doordat ik hartklachten kreeg – een blessing in disguise – en bang was ieder moment om te kunnen vallen, kreeg ik talloze kansen om te ervaren dat na verloop van tijd de stress wegebt. Niet altijd haalde ik dat moment, meestal wel. Het was een goed begin om mijn vertrouwen uit te bouwen. Misschien ben ik een bange man, misschien juist een held, misschien kunnen de twee niet zonder elkaar.

Aan het begin van deze wandeling joeg de wind onder de betonnen tunnel van station Breukelen door. We hadden vooraf wel met de windrichting rekening gehouden, ik met name, en daar onze looprichting op aangepast, eerder startte ik altijd in Woerden. Maar het viel erg tegen, de wind was harder dan verwacht, snijdend koud, voor het eerst na de lange periode met veel regen. Voor mij reden genoeg om na vijf minuten lopen voor te stellen de trein terug te nemen. Het had niet zozeer te maken met paniek, eerder met het vooruitzicht van ontberingen en de gedachte dat het mogelijk op de een of andere manier te veel zou zijn. Melanie bracht niet veel in tegen mijn bedenkingen, ze liep vooral door. Zonder haar was het een korte tocht geweest. Ik opperde nog om ter hoogte van de tweede brug over de Groote Heicop een beslissing te nemen, verder of omkeren. Die brug liepen we in stilte voorbij.

Revalidatie

Eind oktober had ik ineens hartklachten. Toen het tijdens een wandeling bij Amerongen ontzettend veel moeite kostte om heuveltjes op te komen, wist ik nog niet dat dat daarmee samenhing. ’s Avonds zou ik mijn bloeddruk meten, misschien was die te laag. Dat viel mee. Het apparaat gaf ook mijn polsfrequentie weer. Die alarmeerde me wel. Ik belde de huisartsenpost, slechts voor advies, maar kon via die tussenstop meteen door naar de Eerste Hart Hulp. Vervolgens lag ik een etmaal aan de monitor. De kwaal bleek sinusbradycardie te zijn, een trage en soms onregelmatige hartslag.

Behalve bij dat heuvelop lopen had ik in de voorafgaande week gemerkt dat ik op de fiets soms nauwelijks vooruitkwam. Dan had ik het tempo van een oud mannetje. Daar is niets mis mee, integendeel, zolang het niet tegen je eigen wil is. Ik wilde wel, maar kon niet. Mijn benen wilden niet. Bij het kleinste beetje tegenwind stond ik bijna stil. Terugkijkend was dat aan mijn trage hart te wijten. Dat zou in ieder geval heel goed kunnen.

In het ziekenhuis vroeg een verpleegkundige tegen het eind van de opname of ik het aandurfde om naar huis te gaan. Ja hoor, geen probleem. Later moest ik vaststellen dat dit wat overmoedig van me was geweest. De eerste dag ging goed. Daarna sloeg de paniek toe. Meer nog dan voor het lichaam is het ingrijpend voor de geest als zo’n vitaal orgaan, misschien het meest vitale, niet meer normaal functioneert. Ieder hobbeltje in mijn borst greep me naar de keel. Van die lage hartslag heb ik in de afgelopen maand eigenlijk maar enkele dagen last gehad, hooguit vier. Daar stond tegenover dat ik eerst maar kleine stukjes de deur uit durfde, bang dat ik om zou vallen. Na tien minuten lopen vond ik het wel genoeg en keerde ik terug.

Er begon een periode van revalidatie (op eigen houtje), die er vooral uit bestond om weer vertrouwen te krijgen. Ik ben niet zo’n fan van wilskracht, althans niet van verhalen daarover. Toch kan ik zeggen dat juist die de afgelopen weken z’n werk heeft gedaan. Ik wandel alweer meer dan twee uur. Zwemmen gaat goed, op doktersadvies even niet buiten maar in het zwembad. Roeien, ook indoor, doe ik vrijwel dagelijks.

Alleen dat fietsen wilde maar niet. Zwoegend bewoog ik door de straten, van bakker naar supermarkt, van huis naar zwembad, en oef, weer terug. Mijn benen wilden maar niet soepel rondgaan. Dat was des te opvallender omdat die andere dingen wel lukten. Soms schoot ik door de stroperigheid zelfs weer in lichte paniek, bang dat ik nooit mijn bestemming zou bereiken. Dit kon weleens blijvend zijn, was ook mijn vrees. Tot ik in een helder moment bedacht om mijn banden op te pompen. Moet je me nu eens zien gaan.