Verslag

Ik ging er deze week eens voor zitten om een verslag uit te werken. Dat was vanaf het begin het plan geweest, om iets te schrijven. In de veronderstelling dat het goed zou zijn dat alsnog te doen, pakte ik mijn krabbels erbij. Mogelijk viel er nog iets te winnen, inzicht te verwerven misschien.

Het zou gaan over de opdracht die ik mezelf had gegeven: uitzoeken hoe ik voor mij persoonlijk de toekomst zie. Vraag me niet wat daar ineens de noodzaak van was.

In het kort: ik ging graven en stuitte op de bodem.

Het uitwerken van mijn aantekeningen en gedachten daarover houdt in dat ik opnieuw in de materie duik. Een volgende ontsporing ligt niet meteen op de loer, maar leuk is anders. Al had ik me bij aanvang ter motivatie wel zoiets voorgesteld, ik doe geen studie waarbij iets van mij wordt verlangd. Ik heb het in de hand.

Het zou een kans kunnen zijn gevolg te geven aan mijn behoefte om te delen, anderen te laten weten wat ik doorgemaakt heb. Wie zit daarop te wachten? Ik weet wat ik eraan heb gehad, daar hoeft niet per se iets nog aan te worden toegevoegd. Behalve dat ik het laat bij wat het is. Dat is ook wat.

Ik was dwaas. Het is nergens voor nodig dat nog eens te zijn. Het ging gewoon goed en dat gaat het weer. Daar hoef ik verder geen vragen bij te stellen. Wat is de zin ervan?

Zeker die niet.

Uitnodiging

Een goede crisis hoeft niet lang te duren. Voor mijn laatste was anderhalve week genoeg, wat overigens niets over de diepte ervan zegt. Van buiten gezien was het een manische opstoot, die veel in zich had om uit te groeien tot een psychose. Alle zeilen moesten bij om echt erg te voorkomen. Of ze moesten juist gestreken, om de vaart eruit te halen. Het was nogal een beweging waarin ik was beland.

Het is ondoenlijk, al wil ik het nog zo graag, te omvatten wat die dagen me hebben gebracht. Ik weet al niet meer wat er door me heen ging, met welke uitnodiging het universum nou precies kwam. Het is als een droom. Van het onderdompelen in die stroom herinner ik me vooral dat het ondanks de ellende een hele rijkdom in zich had.

Ik blijf daarom zoeken naar geschikte woorden. Vermoedelijk moet ik ervoor terug naar een middag bij de plas. Doorgewinterde zwemmer Willem was naar het veld gekomen en had, na wat dralen en niet om een bepaalde reden, besloten op de kant te blijven. Melani, winterzwemmer en schrijver, was onder de indruk en repte van ‘de moed om het niet te doen’. Dat klonk goed, vond ik. Zij vond het oké als ik het eens wilde gebruiken.

De frase kwam op en bleef me bij tijdens de recente verwarrende periode. In alle bescheidenheid durf ik te zeggen dat die zo kort was vanwege mijn grote moed het niet te doen, er niet op in te gaan.

Gevaar

Het ging me voor de wind. Een goed moment, dacht ik, om een zelfonderzoek te starten. Met het oog op de toekomst. Waar zou ik over 5 jaar willen zijn, of over 10? Dat was de aanvankelijke insteek.

Eerst wilde ik bedenken welke vorm het resultaat zou kunnen hebben, of ik er begeleiding bij zou zoeken en of het nou echt nodig was hiermee aan de slag te gaan. Kon het niet gewoon doorgaan zoals het ging, het ging toch goed?

Maar voor ik het goed doorhad zat ik er al middenin. Al gauw bleek het niet te gaan over de komende jaren. Ik stuitte op een fundamenteler vraag: wat beweegt me ten diepste? Wat het ook is, ik kan het niet helpen dat het me van tijd tot tijd naar deze ruige zee dirigeert.

Die meende ik gedoseerd toe te kunnen laten, onderzoek doen én gewoon doorgaan. Dat was voor de kwestie geen optie. Vragen naar fundamenten is eraan morrelen.

Intussen zit ik met de gebakken peren. Ik was mezelf al gaan voorstellen als een zeiljacht, zo’n zeewaardige schuit met een hele verzameling zeilen aan meerdere masten, dat tegen de elementen was opgewassen en zonder veel moeite zwaar weer kon doorstaan. Het jubelen daarover was bij vlagen niet van de lucht.

Er is gelukkig niet echt iets mis. Alleen kan er soms, als ik aan het begin van de nacht wakker lig, iets ongenadig in mij aan het werk gaan.

Dan denk ik weer meer aan dat papieren bootje.

Top

In een opwelling had ik twee van die loodzware grindtegels achter uit het terras gewrikt om ze een stukje te laten zakken. De poort klemde al een tijd. Eerst dacht ik hem uit zijn scharnieren te moeten lichten en er een stuk af te schaven. Dank (aan wie of wat dan ook) voor het heldere moment waarin het idee zich manifesteerde om iets aan de stenen te doen in plaats van aan het hout. Mijn overhemd ging ervoor uit. Het lukte me.

Toen Melanie bij thuiskomst het resultaat zag, zo netjes achtergelaten als een stratenmaker dat doet, met wat zand erover dat tussen de voegen kan sijpelen, vroeg ze zich af of het wel goed ging met me. Er rinkelde een belletje. Die ochtend had ik al in een appje laten weten een beddenwinkel te hebben gebeld, heel voortvarend, over een nieuwe matras. Zo daadkrachtig kende ze me niet, althans niet in gezonde doen.

Haar zorgen rezen zelfs nog voordat ik had verteld in het zwembad een uur borstcrawl te hebben gezwommen, ’s middags ook nog even naar de plas te zijn geweest, direct naar tevredenheid en vlot op een mail van een coachklant had gereageerd (waar ik normaal lang over doe met doorgaans twijfel over het geschrevene) én uitstekend had zitten mediteren.

Dat ik eten had besteld en niet zelf gekookt, stelde haar enigszins gerust. Ik kon bovendien verzekeren dat ik onder alle activiteit juist heel kalm was gebleven. Tot ze erover begon, en ik na ging denken. Kak.

Rem

Het is niet eerder gebeurd dat ik verwees naar een blog van de voorgaande week. Ik wil er deze keer een kanttekening bij plaatsen, zonder de waarde ervan teniet te doen. Het ging erover dat ik zo blij was, al langer achtereen. Ik voelde me beter dan ooit.

Na publicatie sloegen de zenuwen toe over de vraag of ‘zo goed’ misschien overging in ‘te goed’. Daar moet ik op blijven letten. Dat is de mentale omstandigheid waar ik mee te leven heb. Het leidt soms tot de wanhopige gedachte dat dit nou nooit eens ophoudt. Het houdt inderdaad nooit op.

Het blijft lastig ermee om te gaan, vooral omdat een mogelijke ontsporing zich altijd weer in een andere gedaante voordoet. Het depressieve gedeelte is niet het grootste gevaar, het gaat vooral om het doorschieten naar boven. Dat is lang niet meer gebeurd, inmiddels meer dan tien jaar, maar de dreiging blijft.

Ik nam mijn zenuwen serieus en wenste dat het geluk iets minder zou worden. Paradoxaal genoeg ben ik blij dat dat is gebeurd. Als ik nog hoger was gegaan, zouden mijn voeten van de grond zijn losgeraakt. Het was tijd die high de kop in te drukken.

Het is de verworvenheid van lang leven met bipolariteit dat ik ruim op tijd ben met bijsturen. Het is deze week weer iets meer zoeken naar licht in het weerbarstige van de dag. Hoewel zo’n piek, of tijdelijke hoogvlakte, af en toe zeker welkom is, zou ik niet anders willen dan dit.

Zonnebril

Sinds lange tijd keek er weer eens een meisje om. Het was eigenlijk een jonge vrouw. Het hoort intussen bij mijn leeftijd dat jonge vrouwen voor mij meisjes zijn. Ze droeg een niets doorlatende zonnebril. Strikt genomen was er dus geen blik waarneembaar, alleen het begin van een glimlach rond haar mond.

Waar had ik dat aan te danken? Stond mijn eigen gezicht eens niet op onweer? Zou goed kunnen. Het gebeurt de laatste tijd wel vaker dat het ontspant, dat mijn mondhoeken vanzelf en zonder aanleiding omhoog krullen. Het is niet iets van één dag, gaat al weken zo. Ik voel me beter dan ooit, moet althans ver terug voor een vergelijkbare stemming. Het is ongezond er lang bij stil te staan, maar het is (nog) zo ongewoon om iedere ochtend uit te kijken naar de komende dag. Ik moet geregeld in mijn arm knijpen om na te gaan of dit niet slechts een uiting van mijn bipolaire stoornis is.

Net als bij negatieve emoties zoek ik verklaringen. Wat overkomt me, wat doe en laat ik dat dit gebeurt? Ik kan daar lang over nadenken, uiteindelijk is het iets mysterieus en ongrijpbaars. Aan voorspoed kleeft nog wel die schaduw van het onherroepelijke einde ervan, onbekend hoe en wanneer. Het kan zo weer weg zijn.

Dit is saai om over te lezen, dunkt me. Het heeft niet de jeu die ellende omgeeft. Sorry. Ik ben momenteel gewoon een blije eikel. En als er dan ook nog eens een meisje omkijkt…

luistersuggestie: Dansmuziek – Doe Maar (YouTube)

Schiermonnikoog

Ineens was er ruimte om de dingen, meer dan anders, te ervaren zoals ze waren. Ik liep daar als een kind. Zag de wind in de boomkruinen, de wolken voorbijdrijven, de zon in het riet. Er vloog een stel eenden op uit de vijver. Ik genoot van dit onverwachte, maar vatte het ook direct op als een signaal. De herinnering aan, of beter gezegd het gevoel van een wandeling vanuit een psychiatrische kliniek, willekeurig welke, piepte mijn bewustzijn binnen.

Drie weken terug was ik in overleg met de huisarts gaan morrelen aan mijn goddelijke mix van medicijnen. Gezien de bloedspiegel leek de lithium een halve tablet minder te kunnen. Dan zou het trillen van mijn handen, naast veel dorst en vaak moeten plassen de voornaamste bijwerking, mogelijk afnemen.

Terugkijkend liep ik al weken rond met tristesse, om niets. In de eerste week na het minderen zakte mijn stemming verder af: neerslachtige buien. Ik kon, afgaand op reacties hier en daar, niet anders dan mijn verdriet aan de buitenkant dragen. In week twee gaven mensen regelrechte waarschuwingen. Die speelden mee in de overweging om het voor deze week geplande bezoek aan Schiermonnikoog al dan niet door te laten gaan.

Het lijkt een goed besluit te zijn geweest om niet te gaan. Mogelijk zou het tot de mooiste plek van Nederland verkozen eiland teveel van het goede zijn geweest. Aan de andere kant kan schoonheid me blijkbaar overal overvallen. Ik hou het even bij wandelingetjes in het park. Mooi genoeg voor nu.

Jubileum

De bloem in zijn hand had gele blaadjes. Zijn kleding verried niets van een zwervend bestaan. Hij vroeg een bijdrage voor zijn spirituele manier van leven. Ik gaf een gulden. Ik wilde meer geven, want meende dat hij in geestelijke nood verkeerde. Ik stond er niet bij stil dat het andersom kon zijn. We liepen samen een stukje op. Hij vertelde over een jarenlang verblijf in Noorwegen, een serieuze retraite. Mijn interesse was echter eerder al gewekt, namelijk bij die spirituele manier van leven. Wat kon dat inhouden?

Ik nodigde hem uit in mijn studentenhuis voor een kop soep. Hij zag cassettebandjes liggen, keurde om onduidelijke redenen Joni Mitchell af en Robert Cray goed. Hij wees me op het tasje dat aan de deur voor het grijpen hing en inderdaad mijn paspoort bevatte. Wat ik er verder ook van herinner, tot de uien in de soep aan toe, niet wat we precies bespraken. Het moet iets in beweging hebben gezet.

We namen afscheid. Ik liep een rondje door de wijk met de bloem in mijn hand. De nacht erop was een doorwaakte. In de ochtend waren er mensen aan mijn bed die zich zorgen maakten. Ik was intussen meerdere keren de aarde rond geweest, en ook nog een eindje daarbuiten. De opnameafdeling was die dag het eindstation.

Dit speelde zich af in januari 1995. Ik heb een jubileum te vieren, een dubieus jubileum: 25 jaar leven met een psychische kwetsbaarheid. Of als je het anders bekijkt: 25 jaar op reis.

Assistente

Welkom. U belt met de huisartsenpraktijk. Toets 1 voor levensbedreigende spoed, toets 2 voor een herhaalrecept, toets 3 of wacht, dan krijgt u de assistente aan de lijn.’

‘… ’

‘Met de assistente, wat kan ik voor u doen?’

‘Ik bel over mijn psychische klachten.’

‘Ja.’

‘Ik ben er een paar kwijt.’

‘Misschien kan ik u verder helpen. Waar heeft u ze voor het laatst gezien?’

‘Als ik dat wist, zouden ze niet weg zijn.’

‘Laat ik het anders vragen: wanneer had u er voor het laatst last van?’

‘Vorige week nog, hoewel ik niet zeker weet of dat een klacht was. Het zou ook gezonde weerstand geweest kunnen zijn, die nou eenmaal bij het leven hoort, bij het mijne althans.’

‘Dat zou kunnen. Ik begrijp dat u daar nog voldoende van in huis heeft, van die weerstand.’

‘Zeker.’

‘Over welke klachten gaat het precies?’

‘Paniekaanvallen.’

‘Wanneer en waar heeft u die voor het laatst gehad?’

‘Dat was vorig jaar zomer, ’s avonds in de sprinter naar Amsterdam.’

‘Wat ging u daar doen?’

‘In die sprinter?’

‘In Amsterdam, bedoel ik.’

‘Met vrienden naar stand-upcomedy, ik zou ze daar ontmoeten.’

‘Leuk?’

‘Bij vlagen, maar dus niet op dat stoeltje op het treinbalkon. Ik kon geen kant op, moest ineens heel nodig plassen en dacht dat ik van de oplopende spanning op de vloer zou vallen. Ik ging heel hard denken dat ook dit voorbij zou gaan. Dat hielp niet. Het ging wel voorbij.’

‘En sindsdien?’

‘Foetsie. Hooguit af en toe een tikje tijdens het zwemmen. Daar heb ik de gewoonte bij ontwikkeld om te denken: laat maar komen.’

‘En dan?’

‘Dan gaat het weg.’

‘Jammer. En u zoekt het niet op?’

‘Wat niet?’

‘De spanning.’

‘Ik probeer het niet uit de weg te gaan.’

‘En verder? U had het over meerdere klachten?’

‘Ja, ik slaap goed. Geen idee waar dat om half vijf wakker worden en de slaap niet meer kunnen vatten is gebleven.’

‘Dat is om over in te zitten.’

‘Manieën. Depressie.’

‘U bent heel wat kwijt. Het zal niet meevallen.’

‘En dan die betrekkingsideeën. Ze zijn er nog, maar het is wel zoeken hoor. Spijkers op laag water.’

‘Houdt u nog iets over?’

‘De kwetsbaarheid blijft, makkelijk te raken. Dat ben ik van m’n lang-zal-ze-leven niet kwijt. En die weerstand natuurlijk, dat is een hardnekkig beest. Tegenzin, jongedame, tegen alles wat je maar kunt bedenken.’

‘Gelukkig. Is er nog iets in de plaats gekomen voor de verdwenen klachten?’

‘Dat zijn van die flauwiteiten als vastberadenheid, kwaliteit van leven, vertrouwen, hoop, hou op. Het is wennen.’

‘Begrijpelijk. Het is natuurlijk niet zeker dat de psychische klachten wegblijven.‘

‘Ik hoopte dat je zoiets zou zeggen.’

‘Het is niet te voorspellen of en wanneer ze terugkeren. Zal ik de dokter vragen of ze u erover belt? Of wilt u een afspraak?’

‘Liever een dubbele.’

‘Helemaal gelijk, dat is gebruikelijk als het over psychische klachten gaat. Kunt u vrijdagochtend half tien?’

‘Ja, dat kan.’

‘Tot dan meneer Verhoogt, sterkte met het verwerken van uw verlies.’