Zo goed als het gaat

Ik bel aan en draai mijn gezicht naar de camera. Wachten hoeft niet, er wordt opengedaan door iemand die net naar buiten komt. Het zou een cliënt kunnen zijn, of een medewerker, dat is in dit geval niet duidelijk. In de hal is het koeler dan buiten. De deur zwaait in het slot en de straatgeluiden verdwijnen. Met zo kalm mogelijke tred, bewust van elke trede, beklim ik de trap. Ik heb het idee me in te moeten houden, wil deze wereld niet te enthousiast ingaan. Boven houdt nog een deur me tegen. Op het raam ernaast kleeft een grote, semitransparante sticker met het logo van de ggz-instelling. Dit voormalige kantoorpand huisvest de afdeling die gebiedsteam heet, met de naam van het betreffende gebied erachter. Zoals ik net de trap opliep, ingehouden, gedecideerd, druk ik nu hier op de bel. Vanachter de balie had iemand me al in de gaten. De zoemer klinkt, ik stap binnen.

Mijn eigen naam hoeft niet, weet ik uit ervaring. Er wordt alleen van me verwacht dat ik zeg met wie ik een afspraak heb. De receptionist doet niets met de informatie. Onwillekeurig denk ik dat hij iemand is met een afstand tot de arbeidsmarkt (excuzes le mot). Overigens kan bij mijzelf de afstand niet groter. De man gebaart me plaats te nemen op een van de stoelen. Kennelijk om de pijn te verzachten is gekozen voor vrolijk ogende pasteltinten. Er zit verder niemand. Mijn keuze valt op de uiterste hoek. Het wachten kan beginnen. Dit is oefenterrein en noodzakelijk kwaad ineen. Ik probeer altijd zo stipt mogelijk op tijd te zijn, zodat het niet langer dan nodig duurt. Soms draal ik daartoe wat bij het fietsenrek. Onderweg hiernaartoe kan al spanning opleveren en dan ben ik nog in beweging. Dit is stilstand, hier kan ik geen kant op, bijna als in een lift.

Behalve de receptionist is er een dame aanwezig. Ze vraagt of ik iets wil drinken. Ik zou wel iets lusten, maar met thee ben ik heel kieskeurig, met name als het gaat om de watertemperatuur, en van koffie zou ik straks tijdens de sessie alleen maar gaan ratelen. Ik bedank. Ze loopt terug. De ruimte waar ik zit is het niet waard wachtkamer te heten. Het is een overgebleven hoekje van deze verdieping. Naast me krijgt een plant langzaam de kleur van de korrels waar ze in wortelt. Daarachter poogt een toonkast vergeefs folders kwijt te raken. Door het dunne wandje tegenover me komen flarden van een gesprek tussen receptionist en koffiedame. Het is nooit zeker of het niet ook over mij gaat, of erger, ook aan mij is geadresseerd. Vanuit een andere hoek, bij de toegangsdeur, hoor ik mensen elkaar gedag zeggen. Een van de stemmen herken ik. Kort daarop richt ze zich tot mij: ‘Goedemorgen, meneer Verhoogt. Kom verder.’

Dit verhaal verscheen ook in het herfstnummer van Plusminus magazine.

Uitbundig

Ik kroop midden in de nacht op de bank, zoals ik een enkele keer doe, en kon de slaap niet meer vatten. De nieuwe lampen van de naburige flat schenen zo fel de kamer in dat mijn ogen weigerden te sluiten. Daar was, bedacht ik later, een remedie tegen: rolgordijnen omlaag. Dat hielp echter niet tegen de verstoring van de natuur. Lichtvervuiling staat juist volop in de schijnwerpers. Bomen, vogels, insecten en andere kleine dieren hebben er last van. Om nog maar niet te spreken van de energieverspilling die ermee gepaard gaat. Het is daarom des te curieuzer dat een grootschalige, als duurzaam aangemerkte renovatie deze uitbundigheid van lichtstralen tot gevolg heeft.

Ik in de pen. Van mijn eerste bericht aan het vastgoedbedrijf, dat via een online formulier moest, waren stijl en inhoud nog niet erg sterk. Er kwam vlot een tegenvallende reactie: ‘We hebben het besproken in het projectteam, de verlichting voldoet aan de norm.’ Het was niet duidelijk op welke norm werd gedoeld. Op mijn reactie kwam geen antwoord. Op de mails aan een paar gemeenteraadsleden deed ik beter mijn best. Ik stuurde een foto mee waarop onder meer te zien is dat de lampen in de flat veel feller schijnen dan de straatverlichting nabij. I rest my case. Voor nu.

Inmiddels werken er meer mensen aan, die raadsleden met name, en een beleidsadviseur van de gemeente. Op instigatie van de laatste buigt het projectteam zich nogmaals over de kwestie. Onder lichte druk dus van de raadsleden. Van hen heeft eentje toegezegd bij uitblijven van resultaat vragen aan het college van B&W te stellen. Ze zijn niet zomaar van me af, dat mag blijken. Het begint een David en Goliath-dingetje te worden: de nietige bewoner tegen de vastgoedreus. Dat denk ik als ik ’s avonds uit het raam omhoogkijk naar de oplichtende trappenhuizen van de tienhoogflat.

Succes aan mijn kant is er als besloten wordt tot het dimmen van de lichten, het deels afschermen van de lampen of het aanbrengen van bewegingssensoren. Nog iets idioots is, hoewel ik toegeef dat dit op een vermoeden mijnerzijds berust, dat die trappenhuizen vrijwel niet worden gebruikt. Bij iedere portiek is een lift. Er zijn dus genoeg mogelijkheden om tot een oplossing te komen. Het zal wat kosten, dat is bij dergelijke blunders vaak het geval. Laat het projectteam maar tot een keuze komen, want ik ben bereid lang door te gaan. En een tikje hypomaan.

Rietkraag

De zwemboei vergezelt me weer. Eigenlijk is het een nieuwe, de vorige was lek. Ik dacht direct na aankoop dat in deze ook een gaatje zat. Dat bleek bij nader inzien niet het geval. Ik zal waarschijnlijk het ventiel niet goed hebben dichtgedraaid. Als ik dat wel doe, hobbelt de oranje ballon keurig achter me aan. Dat is niet langer om de angst te bezweren of voor de veiligheid, alleen nog om mijn sleutels mee te nemen, en een korte broek, voor het geval een grapjas mijn kleren gapt. Toch een beetje zekerheid ingebouwd, maar vooral een praktische.

In een theater of een bioscoop kies ik wel voor veiligheid en ga ik bij voorkeur aan het gangpad zitten. In een restaurant ben ik kieskeurig wat tafelkeuze betreft en ook over mijn kant van de tafel. Melanie weet er alles van. Die laat me mijn gang gaan. Desondanks gaat het soms mis, wat maar bewijst dat ik niet alles in de hand kan hebben. Dan strijkt tien minuten later een luidruchtige groep neer achter mijn rug. Die mensen vragen de helft van mijn aandacht, of meer. Het is in zo’n geval maar de vraag of we het dessert halen.

In het water kan ik deze zomer beter uit de voeten dan vorig jaar. Minder paniek. En als er toch een beginnetje is, heb ik een zinnetje, gericht aan het universum: ‘Laat maar komen.’ Dat neemt meestal meteen de kou uit de lucht. Zwemmen naar de overkant van de plas (en terug) hoeft niet. Er zijn dit jaar geen mensen meer die daarover zeuren, sorry, die vragen of ik dat weer doe. Ik zwem langs de oever tot de rietkraag, enkele reis een klein kwartier, een stukje verder dan naar de overkant.

Dat zinnetje ‘laat maar komen’ zou ook op land een goede strategie kunnen zijn. Een verschil is dat op het droge het minder opgeruimd is, er spelen meer factoren mee. Toch, en dat bedenk ik terwijl ik het schrijf, is het te proberen die drie woorden mee te nemen in de loop van de dag. Overal waar gevaar dreigt. Als het niet gaat als gewenst. Wanneer spanning of emoties het overnemen. Om dan de shit uit te nodigen om te laten zien wat die in huis heeft.

Oorspronkelijk

In een nieuwsapp las ik een interview met een verslavingsarts. Het ging over zitverslaving. Als je veel zit, wordt je leven korter. Weer iets wat niet mag. De vergelijking dat zitten het nieuwe roken is, gaat mank. Het roken van één sigaret is al schadelijk, tien minuten zitten is dat niet. Dat is geen oorspronkelijke gedachte van mij, ik heb het ergens gehoord of gelezen.

Het is lastig wel een oorspronkelijke gedachte te hebben, omringd als ik ben door allerhande media. Dan scheelt het nog dat ik niet de gewoonte heb naar talkshows te kijken. Naar een oorspronkelijke gedachte is het sowieso zoeken met een lantaarntje. De ruis van alledag is onverbiddelijk. Maar laat ik er eens, het advies van die arts negerend, voor gaan zitten en proberen iets unieks tevoorschijn te toveren.

Waar moet je dan aan denken? Ja, hebbes, ik heb iets. Maar nee, dat heb ik twee dagen geleden in een boek gelezen, telt niet. Er is ook nog het gevaar dat ik denk iets nieuws te denken, terwijl het eigenlijk iets is wat ik al gelezen of gehoord heb, maar waar ik geen actieve herinnering aan heb. Dat is ook zoiets. Ik moet beter mijn best doen. Of misschien moet ik een tijdje helemaal niets doen (stond in dat boek). Daar heb ik geen tijd voor. Ik wil binnen het bestek van deze tekst een fonkelende ingeving hebben.

Het komt niet vanzelf. Is het überhaupt mogelijk iets te verzinnen dat niet eerder verzonnen is? In alle eeuwen van taaloverdracht is er al onnoemelijk veel bedacht en gedeeld. Maar niet oneindig veel, er moet nog ruimte zijn. Kom op, even doorzetten.

Tussen de vorige alinea en deze zin ben ik van stoel naar bal gewisseld, beter voor mijn rug. De stiltes worden langer, hoewel niet letterlijk stil; uit de koptelefoon klinken orkestwerken van Hans Rott. Dat is tamelijk hoogdravend van mijn kant. Toch is het gewoon het resultaat van wat willekeurig zoekwerk op Spotify. Klassiek is voor mij meer achtergrond dan dat ik er echt naar luister. Blijkbaar heb ik wel zo mijn voorkeuren.

Mijn queeste naar iets oorspronkelijks wordt plots ruw verstoord door een vrouwenstem die meldt: low battery, please recharge headset. Je zal zien dat vanavond vlak voor het slapen me iets invalt. Behalve voor dat moment gaat het onherroepelijk verloren. Power off.

Spreekkamer

Ik hoef je nergens van te overtuigen, sterker nog, ik zou niet aan je moeten denken, zoals mijn held A.L. Snijders ook probeerde niet aan zijn lezers te denken. Is hij wel mijn held? Helden komen en gaan, literaire helden helemaal. Maar ook muzikanten. Als ik hardop dweep met schrijvers, dreig ik meteen te pretenderen in hun buurt te willen komen. Bij muzikanten heb ik dat niet, met zangers misschien. Of met drummers als ik weer eens roffels improviseer op mijn dijbeen of het keukenblad. Nadoen zou weleens de beste manier kunnen zijn om iets onder de knie te krijgen. Toch pretentie? Ik geef toe af te kijken, om te zien wat er allemaal kan en mag. Hoe doet die ander dat? Kan ik daar wat van gebruiken? Daarbij heb ik het voordeel dat ongestraft te kunnen doen, ik heb intussen een eigen stem ontwikkeld. Dat heb ik niet van mezelf, dat zie ik niet, ik moet het van anderen horen. Het enige wat ik kan doen is er dan maar op vertrouwen dat het echt zo is. Je moet je aan de andere kant ook weer niet in de luren laten leggen door wat de mensen in je eigen bubbel zeggen. Ik heb behoefte aan goede kritiek, om verder te komen, voorbij het ‘stukje’. Met dat in gedachten kijk ik uit naar een cursus bij de Schrijversvakschool. Begin volgend jaar pas, nu eerst therapie, één ding tegelijk.

‘Waar gaat het eigenlijk over?’ Dat is mijn mantra, als ik nog niks heb en ga zitten om een blog te schrijven. Dat hoop ik te leren in die cursus, waar het eigenlijk over gaat. Is er nog een andere bron aan te boren dan alleen dagelijkse belevenissen en dergelijke malheur? De fantasie is er de afgelopen zeven jaar bekaaid vanaf gekomen, die zat hooguit in de details. Nou ja, mogelijk heb ik wel meer verzonnen, maar ik weet zelf niet meer wat wel en wat niet. Hoe dan ook is wat in mijn leven voorvalt of is voorgevallen (het geheugen werkt ook niet mee) niet meer toereikend om wekelijks een bericht van te brouwen. Er moet uit een ander vaatje worden getapt. Daar begin ik niet vandaag mee, eerst dus therapie. Bij de intake heb ik alvast weer veel te veel losgelaten; ‘openhartig’ is my middle name. Als tiener had ik dat niet. Ergens onderweg heb ik blijkbaar bedacht om alles maar los te laten in de hoop dat ik dan het beste geholpen kan worden. Een fijne verzameling gevoelens en gedachten stromen in een diarree van woorden naar buiten. Veel anders zal het de komende tijd niet zijn, het gebeurt buiten mij om. De bijkomende schade moet op de koop toe worden genomen.

Koolmees

Er fladderde een koolmees door de keuken. Het vogeltje moest door het vliegengordijn, dat aan de onderkant versleten is, gehipt zijn. In alle paniek kon het de weg terug niet vinden. Het is ook niet de natuur van een vogel om het over de grond te zoeken. Het vogellijfje beukte tegen het raam en zocht het dan weer aan de andere kant bij de koelkast en de afzuigkap, heen en weer, nog onvermoeibaar. Buiten op de schutting zaten soortgenoten toe te kijken en bemoedigend te tsjilpen. Het hielp niet.

Ik wist niet goed wat ik met de situatie moest en besloot er iemand bij te halen, één van mijn kinderen. Zo ver was het dus blijkbaar al, dat ik hun bijstand vroeg, in plaats van andersom. Mijn oudste stond onder de douche, mijn jongste van zeventien was op zijn kamer. Ik vroeg hem me te helpen, meer bij wijze van mentale ondersteuning, en een beetje voor de leuk. Dan zou ik onder zijn toezicht, was mijn plan, behoedzaam het vliegengordijn verwijderen om de koolmees de ruimte te geven. Mijn zoon kwam naar beneden en nam nauwelijks de tijd, zoals ik wel had gedaan, om de toestand in ogenschouw te nemen. Hij pakte enkele strengen van het gordijn en hield die opzij. De vogel aarzelde ook niet en koos via de opening voor de vrijheid.

Tropicana

Rond het ontbijt had ik een paar regels van Wham! in mijn hoofd: Club Tropicana, drinks for free/ Fun and sunshine/ There’s enough for everyone. De rest van het refrein kende ik niet. Wat ik wist bleef ik herhalen in mijn hoofd of zacht voor me uit zingen. Het mij onbekende deel neuriede ik.

Later lukte het om naar de plas te gaan. Dat en kort zwemmen zou genoeg zijn voor de dag, ik zwom zelfs iets langer. Terug op de kant voegde ik me even bij andere zwemmers, maakte zowaar een praatje, maar werd teruggefloten door een opmerking van een van hen, over de hoogte van het riet. Het was voor mij de cue om af te taaien. Ik las er een signaal in en ging vlug verder met afdrogen en aankleden.

Ondanks het abrupte afbreken verliet ik goedgemutst het veld. Ik wilde nog naar de dichtstbijzijnde supermarkt voor twee flesjes bier en misschien een zak soep. Bij het schap met soepen begon uit het plafond iemand te praten. Jumbo heeft een eigen radiostation, met niet alleen non-stop muziek maar ook een dj die de plaatjes aan elkaar praat. Hij had een bericht ontvangen van een vrouwelijke luisteraar (haar naam kreeg ik niet mee) met het verzoek om een nummer van Wham! te draaien, het maakte haar niet uit welk nummer, ze vond ze allemaal goed. Mijn oren spitsten zich, het zou toch niet. De dj kondigde Club Tropicana aan en startte de muziek.

Behoorlijk toevallig, hoewel niet geheel. Dat het liedje in mijn hoofd had gezeten kwam doordat ik onlangs de documentaire op Netflix over het duo had gezien. De beschikbaarheid van die film zal meegespeeld hebben bij de keus van die vrouwelijke luisteraar.

Maar toch, toevallig genoeg. De rest van de tijd die ik nodig had in de supermarkt viel binnen de speeltijd van het nummer. Met ogen en oren wijd open stapte ik daarna de winkel uit, het zonlicht tegemoet. Het was nu goed opletten wat er nog meer viel waar te nemen, in de nabijheid van dit wormgat.

Statiegeld

Zoals je weet beleef ik mijn grootste avonturen in de supermarkt. Het begon deze keer al vóór de klaphekjes, bij de flessenautomaat.

Het is altijd afwachten of het apparaat de aangeboden fles accepteert. Ik ben groot voorstander van automatisering in winkels, vind het toch een licht gemis dat er nooit meer iemand in een stofjas bij een luik verschijnt. Er was meestal een bel mee gemoeid, een luide bel, die de radio in het magazijn kon overstemmen. Dan een moment geduld, flessen handmatig geteld, bonnetje mee, mét paraaf, waar blijft de tijd. Dat bonnetje kon zoekraken of vergeten worden bij de kassa, dat is niet veranderd.

Bij het invoeren van een colafles verscheen de tekst: ‘Geen barcode gevonden.’ Zo’n melding zou de emballage medewerker van vlees en bloed wel uit zijn hoofd hebben gelaten, zeker met die extra dikke strepen. Van codes was überhaupt nog geen sprake; het waren grote flessen, kleine flessen of kratjes.

Nog een keer proberen, weer uitgespuugd, nog eens, weer niet, eerst de andere flessen dan maar. Daarna verdween de colafles eindelijk in de machine. Die presenteerde, nadat ik herhaaldelijk hard op de schermknop had gedrukt, een bonnetje met een bedrag en een code. Die bonnetjes hebben, net als vroeger, de gewoonte in een jas- of broekzak te verdwijnen en er op het verkeerde moment, te laat dus, weer uit tevoorschijn te komen. Ze hebben een eigen wil, die gebroken dient te worden.

Meteen links na de klaphekjes greep ik een handscanner en scande allereerst de op het papiertje afgedrukte streepjes. Die had ik te pakken. Dan kon het bonnetje verdwijnen wat het wilde, ik was safe.

Dacht ik.

Tegen het eind van mijn winkeltraject berichtte de zelfscankassa dat ‘het statiegeld niet kon worden verwerkt’. Daarbij gaf het scherm alleen de optie ‘ok’. Niet ok! Ik zocht in mijn broekzakken, vond het bonnetje en wenkte een medewerker. Haar onberispelijke uniform verried dat ik hier niet met de eerste de beste vakkenvuller van doen had. Ze sprak met een charmant Oost-Europees accent vlekkeloos Nederlands. Ze droeg het haar in een staart, waar wijlen Martin Bril vast een rukje aan had willen geven.

Ik wees haar op de melding. Ze wist er aanvankelijk geen raad mee. Ik vond het al niet erg meer dat het langer zou duren. Ze kwam toch nog vlot met een oplossing; de gewone kassa bood uitkomst. Een moment later liet ze met een ‘alstublieft’ een kleine verzameling munten in mijn uitgestoken hand vallen.

Vooruit

Het mag dan klinken als een onderdeel van een complottheorie, het is te lezen in serieuze kranten, die het optekenen uit monden van serieuze experts. We zitten er middenin. Bepaalde landen, met name dat ene, misschien dat andere ook, verzamelen met het oog op toekomstige sabotage informatie over onze nutsbedrijven, waaronder de waterleiding. Het komt dichterbij. Het pittoreske pompstation ‘Groenekan’ zou zomaar doelwit kunnen worden van een cyberaanval. Het bevindt zich hier om de hoek aan de Ruigenhoeksedijk (of is dat al te veel info?) en zorgt in de hele stad Utrecht dat er water uit de kraan komt. Stel dat een kwaadaardige hacker daar vat op krijgt en de boel platlegt. Je moet er niet aan denken.

Doe ik wel. Zoals de overheid al jaren propageert denk ik vooruit. Dat ligt overigens meer aan mij dan aan die overheid. Ik denk niet alleen, ik doe ook iets, wat tot resultaat heeft dat er een aanzienlijke hoeveelheid flessenwater in de schuur ligt.

Ik drink nu eenmaal veel. Het mag inmiddels bekend zijn dat ik lithium gebruik, het tegenovergestelde van een dorstlesser. Door jarenlang die pillen te slikken staat de werking van mijn nieren enigszins onder druk. Ter controle vroeg de internist me een dag lang urine te sparen: ’s ochtends beginnen ná de eerste plas en de dag erna eindigen mét de eerste. Bij het lab bleek er ongeveer zes liter in de ingeleverde bokalen te zitten. Met mijn noodvoorraad in de schuur zou ik drie dagen vooruit kunnen. Dan heb ik het zweten niet meegeteld, en warme dagen zijn nog een ander verhaal. Daar komt bij dat het hier niet om eenpersoonshuishouden gaat. Ondanks dat de anderen met veel minder toekunnen – ze drinken met z’n drieën samen nog niet wat ik in m’n eentje achteroversla – is het toch iets om rekening mee te houden. En het koken van een pannetje rijst natuurlijk. Dan kom ik uit op twee dagen, 48 uur, exact de van overheidswege geadviseerde tijd.

Maar dan ben ik er nog niet. Ik denk verder vooruit. Ik kan me voorstellen dat de andere bewoners van ons buurtje een minder vooruitziende blik hebben en zich in dit opzicht niet hebben voorbereid. Niet iedereen zal dezelfde urgentie ervaren als ik, misschien wel zo gezond. Maar moet ik dan, als de nood aan de man is, mijn water delen? Stel dat Groenekan dagen niet kan leveren en dat hulp van buiten ontoereikend blijkt, dan zit ik hier met dat water, mijn behoefte aan vocht en die van mijn naasten, en buren die om water verlegen zitten. Dan raakt het snel op en bovendien zo verdund dat niemand er echt iets aan heeft. Wat moet ik in dat geval doen?

Ik kan het uren overpeinzen, kom er niet uit. Nu al niet.

Nest

Het is koeler dan in het weekend. Het waait meer. De bladeren van de boomkruinen verderop laten afwisselend hun lichte en donkere kant zien. Dichterbij, op het verpieterde gras, scharrelt een merel. De luie tuinstoelen staan er nog. Naast de mijne ligt een bundel met columns van Martin Bril. Bijna uit. Op het gras na is de tuin nog groen. De stam van de blauweregen heeft de hoekpaal van de pergola in een wurggreep. De plant heeft dit jaar, na tien jaar groeien, voor het eerst een beetje gebloeid; dat was in het voorjaar. In de beschutting van de bladeren is vanochtend een stel houtduiven begonnen met de bouw van een nest. Eentje vliegt steeds weg en komt terug met een takje in de snavel, terwijl de ander een plek op het liggende deel van de pergola heeft gevonden en daar blijft zitten.

Die duif koert zachtjes.

Van het nabijgelegen schoolplein stijgt gegil op, nu en dan op het hysterische af. Het speelkwartier is begonnen. Ik stel me de openzwaaiende deuren voor en de kinderen die naar buiten stromen, eindelijk vrij, voor even, tot de zoemer. Soms, maar dan moet het stiller zijn, hoor je ook de schommels op het schoolplein, die wel een drupje olie kunnen gebruiken. Weer zo’n uithaal, ik vermoed van een meisje. De rustige leerlingen hoor ik hier natuurlijk niet.

Daar komt een nieuw takje. Het zijn slordige bouwers. De meeste takjes zijn veel te groot voor het nest in aanbouw. Ze vallen eronder op de tegels. Daar ligt al een hele verzameling afgekeurd bouwmateriaal. Ik zit op de eerste rang om de vorderingen te volgen.

Het plan was geweest om vanochtend te zwemmen. Geen zin. In plaats daarvan belandde ik met een kop koffie en dat boek in deze stoel. De koffie is op, de smaak blijft. Boven me zweeft geruisloos een ooievaar, even later ratelt een sportvliegtuig voorbij, weer gevolgd door een lijnvlucht, die laatste alleen hoorbaar, het kan ook een charter zijn. Daar valt weer een takje op de tegels. De bouw zou vlotter gaan als die ene duif de juiste lengtes aanleverde. Dat is gelukkig niet mijn zaak. Toch, raar moment, eind juni, om aan gezinsuitbreiding te denken. Ze zullen het wel weten. Daar zijn het dieren voor. Aha, daar is het gepiep.

Dat miste ik nog. Mijn aandacht gaat nu pas naar het geraas van de zagen, de boren en wat al niet. De renovatie van de flats hierachter nadert haar voltooiing. Het gepiep is afkomstig van een voertuig, weet ik, dat voor meerdere taken inzetbaar is. In z’n achteruit geeft het een waarschuwend signaal, waar ik me al maanden aan erger, vooral ’s ochtends vroeg in bed, maar nu niet, nu kan ik het prima hebben. De duiven storen zich er ook niet aan, die bouwen voort. Het is al met al een uitzonderlijke maandagmorgen, gedenkwaardig eigenlijk, die ik toch, als ik niet oplet, zomaar zou kunnen vergeten.

Een dag later laten de duiven zich niet meer zien, nergens te bekennen, een nest ook niet. Was het een droom? De inmiddels op de tegels kapot gelopen takjes, nu wel op maat, getuigen van niet.

Ik breek in en neem mee

‘Luister, ik breek in en neem mee: dat B-merk elektrische heggenschaar.’
‘Oké, nu ik, ik breek in en neem mee: een elektrische heggenschaar en een zadeltas met een bevestigingssysteem die alleen op dat ene fiets past, met daarin plakspullen en zo’n handig mini tool, als een zakmes uitklapbaar, met zeker acht functies.’
‘En ik breek in en neem mee: de heggenschaar, een zadeltas met inhoud en een plastic gereedschapskistje met onder meer een set steeksleutels erin, die de inmiddels vorige eigenaar van zijn vader meekreeg toen hij op zichzelf ging wonen, plus ander klein gereedschap dat op zich niet heel veel waard is, maar wel aardig wat kost als je het nieuw moet aanschaffen en waarvan je bovendien niet precies meer weet wat het was en daar pas achter komt op het moment dat je het nodig hebt en dan eerst naar de bouwmarkt moet voordat je verder kunt met je klus.’
‘Oké, ik breek in en neem mee: een heggenschaar, zadeltas, gereedschapskist en een eh… een handsnoeizaag!’
‘Goeie, daar krijgen we vast een euro voor.’
‘Zul je zien dat ze die over een maand pas missen, als er een tak van de perenboom af moet. Lekker voor ze. Nou jij weer.’
‘Nee, volgens mij hebben we het: heggenschaar, zadeltas, handsnoei-, nee wacht, eerst het gereedschapskistje, dat draag jij, en als laatste de handsnoeizaag.’
‘Bijna af, maar klopt. Mooi.’
‘Chill, dan kunnen we, het wordt al licht, lopen gast.’
‘Nee wacht, dude, ik weet nog wat. Ik weet ‘m. Ik breek in en laat staan: een e-bike die voor meer dan 2500 euro is verzekerd en waarvan het ringslot met een beetje moeite te kraken is.’
‘O ja, en ik, ik laat hangen: die Gazelle Puerto hybride met formidabel klassiek frame, die best nog wat op zal brengen, tweehonderd op z’n minst, en die helemaal zonder slot voor het grijpen aan een balk hangt.’

Sukkels.

Dit was een intermezzo, zaterdag weer een regulier blog