Kilometer

De Nedereindsevaart, een smal weggetje langs een brede sloot, was afgezet met rood-witte hekken en een bord verboden in te rijden. Rechts van de weg stond ook nog een rond bord met een rode rand en een zwart mannetje in het midden. Maar ach, dacht ik, te voet kan ik er vast nog wel langs.

Ik was door het Noorderpark en langs de plas gelopen en wilde naar streekmuseum Vredegoed om daar een klompenpad op te pakken. Dat zou ik voor een groot deel volgen, er nog wat aan vastplakken en uiteindelijk weer terugkeren in het Noorderpark en bijna thuis zijn. Het ging om 23,6 kilometer, zoals ik vooraf in een app had ingetekend. Mijn inschatting was dat het te doen zou zijn. Aan mijn benen lag het niet, die wilden wel. Wat mijn geest betrof lag de grens nog rond de twintig kilometer. De langste tocht tot dan toe was iets langer geweest. Ik kon maar zoveel tijd onderweg zijn. Deze route was op het randje.

Ter hoogte van een paar huizen, op een derde van het weggetje, was over de hele breedte een laag asfalt gefreesd. Geen probleem, dat kon ik hebben. Achter een heg werkte een ouder stel in de tuin, vergezeld door vermoedelijk een kleinkind. Het drentelde om hen heen. De man stond vlak achter de heg te schoffelen. Ik vroeg hem of de weg verderop misschien versperd was. Hij zei in geen dagen activiteit te hebben gezien, wat me voldoende vertrouwen gaf om verder te lopen.

Tegen het eind was er weer een stuk asfalt gefreesd, alleen was daar op de onderlaag zwarte lijm aangebracht. Daar wilde ik mijn schoenzolen niet aan blootstellen. De berm rechts was dichtbegroeid, links liep het steil af naar het water. Ik was vlak bij het streekmuseum, maar moest terug.

Het kleinkind slingerde nu op een loopfietsje over de weg met opa erachteraan. Ik vertelde hem dat ze verderop toch aan het werk waren. Hij verontschuldigde zich voor het geven van de onjuiste informatie. ‘Geen probleem,’ riep ik toen ik al voorbij was. Ik had inderdaad nog goede moed, ondanks die verloren kilometer en het stuk dat ik om moest om de geplande wandeling te kunnen vervolgen.

Weer terug bij het begin van het weggetje stonden twee fietsers, mannen, ook alweer wat ouder, dat krijg je op een doordeweekse dag. Ze overwogen hardop of ze het erop zouden wagen. Ik zei dat er geen doorkomen aan was. ‘Dan keren we om,’ besloot een van hen. Ik reageerde tamelijk gevat voor mijn doen: ‘Dat heb ik ook gedaan.’ Het was niet direct mijn intentie geweest om grappig te zijn, maar ze lachten er allebei om en ik lachte mee. Dat kon ik toen nog.

Void

Ze zou zo terug zijn uit de keuken. Ondertussen mocht ik een tafeltje kiezen in het vrijwel lege restaurant van het woonzorgcentrum, waarvandaan ik eens in de week met een bewoner hoopte te gaan wandelen of fietsen. We hadden afgesproken om kennis te maken, de vrijwilligerscoördinator en ik. Ze kwam aanlopen met alleen voor mij een kop koffie, zette die voor me neer en nam plaats. ‘Vertel,’ begon ze vervolgens, ‘wie is Mark?’

Ik zat er net iets te filosofisch bij om daar direct en praktisch op te kunnen reageren. Er doemde een leegte op, waar ik bij uitzondering een Engelse term voor wil gebruiken: void. Denk aan sciencefiction, in de ruimte, ja, dat is waar ik aan dacht: een zwart gat. Er cirkelden entiteiten omheen waarmee ik kon proberen het op te vullen, maar die verloren in de nabijheid van het grote niets stuk voor stuk hun grip: echtgenoot, vader, blogger, wonende te Utrecht, wandelt en zwemt graag, niets beklijfde als het ging om de kwestie wie ik werkelijk was. In de aanloop naar de ontmoeting had ik verzuimd daarbij stil te staan. Wel had ik nadrukkelijk bedacht me deze keer op de vlakte te houden over mijn geschiedenis in de psychiatrie. Dat had anders nog een haakje kunnen zijn om mijn identiteit aan op te hangen.

Om tijd te winnen nam ik een slok van de koffie. Het was alvast mooi meegenomen dat die goed smaakte op deze mogelijke toekomstige werkplek. Zou bij het besluit of ik me er nuttig mocht maken meespelen of ik al dan niet wist wie ik was?

Ik wist het niet en bleef er opvallend kalm bij. Er was ook geen reden tot paniek. De cirkelende entiteiten moesten voldoende zijn om de boel te stutten, zelfs als ze niets wezenlijks over de werkelijkheid te zeggen hadden. Mochten ze ooit verdwijnen of niet meer volstaan, dan kwamen er ongetwijfeld andere voor in de plaats, en daarna weer andere, tot het moment dat mijn persoonlijke void zich voorgoed bij die ene grote zou voegen. Misschien zijn die twee nooit gescheiden geweest, dat zou ook nog kunnen. In dat geval deed het er helemaal niet toe wie ik dacht dat ik was.

Nog een slok koffie zou de stilte te ongemakkelijk hebben gemaakt. Ik wist nog steeds niet waar te beginnen en zei dat uiteindelijk maar. Ze nam het soepel van me over en vertelde iets over zichzelf en de organisatie. Ik haakte in met mijn beweegredenen om me aan te melden. Het kwam goed met het gesprek, ondanks dat er op die eerste vraag geen antwoord was gekomen. Ik zal het haar, mezelf en de wereld altijd schuldig blijven.

Button

Ik denk erover buttons te laten maken. Vijftig stuks lijkt me een mooi aantal, eentje om zelf te dragen, de rest om weg te geven. Ik heb al een paar mensen op het oog die interesse zouden kunnen hebben. Het is wel de bedoeling dat ze ergens opgespeld worden en niet in een fruitschaal of keukenla belanden. Zulke voorwerpen vallen toch al onder de categorie ‘van die prullen waar de wereld aan ten onder gaat’. Dat neem ik in mijn overweging mee; het doel weegt in dit geval zwaarder dan de schade die het middel veroorzaakt, denk ik.

De opdruk wordt een eenvoudig ontwerp met alleen tekst, bestaande uit vier woorden. In zwart is prima. Voor de achtergrond had ik blauw in gedachten, als de hemel op een stralende dag. Het luistert niet zo nauw. Het gaat erom dat de strekking van die woorden duidelijk is. Ik twijfel tussen Nederlands en Engels, qua aantal komt dat overeen. Ook ben ik er nog niet helemaal uit wat de afmetingen van de buttons zouden moeten zijn. Ze mogen niet al te nadrukkelijk aanwezig zijn, een beetje subtiel. Het is al de vraag waarom ik hier zo nodig mee naar buiten moet, waarom ik niet gewoon in stilte doe wat ik doe. Er moet blijkbaar een uithangbordje bij.

De aanleiding voor deze actie ontkiemde een half leven geleden. Ik las toen een boek over een vrouw die meerdere keren te voet de VS had doorkruist. Ze liet daartoe al haar bezittingen achter, liep tot ze onderdak kreeg en vastte tot haar eten werd aangeboden. Ze overleed tragisch in 1981 bij een auto-ongeluk, toen ze naar een plek voor een lezing werd gereden. Voorafgaand aan mijn tocht naar Santiago de Compostela had een vriend me haar boek gegeven. Dat ben ik kwijt, helaas, want voorin had hij iets geschreven. Het leek op: ‘dat iets hiervan in je hart mag resoneren’.

Ik wandel de laatste tijd weer meer dan voorheen. Onlangs, tijdens een van mijn rondjes door het Noorderpark, herinnerde het zwaaien van mijn armen aan het zwaaien van de armen van die vrouw. Dat is des te opmerkelijker omdat ik nooit bewegend beeld van haar heb gezien. Sinds die echo is ze vaker bij me. Het wandelen doet me sowieso al goed. Het brengt me onverwacht veel evenwicht. Heel voorzichtig, juist dat evenwicht in de gaten houdend, kan ik het zelfs oprekken tot iets groters, iets dat reikt van mijn binnenste tot de verste uithoeken van het universum, iets wat er altijd is, hoe vertroebeld ook door hoe het er in de wereld aan toegaat.

Peace Pilgrim, zoals die vrouw zich noemde, zou daar mogelijk mee hebben ingestemd. Ze is al die tijd sluimerend aanwezig, en soms meer manifest. Ik doe haar in heel veel niet na; dat zou niet goed zijn voor mijn gezondheid, en niet voor mijn relatie. Maar zo is het me aan komen waaien. Ik doe het er maar mee, ik doe maar mee. Ik loop zomaar, en voor het plezier en de nodige beweging en, en dat past mooi op die button, ik loop voor vrede.

Bijsturen

Als ik dit schrijf zit ik middenin een up. Ik zou het nog geen episode willen noemen. Ik ben er bekend mee en toch is het altijd spannend hoe het verdergaat. Iedere keer is ook de vraag hoelang het duurt. Ben ik er over een paar dagen vanaf? Of neemt het weken in beslag?

Het stelt me juist nu teleur er weer mee te worden geconfronteerd. Het vele wandelen van de laatste tijd had afdoende moeten zijn om stabiel te blijven. Daarmee heb ik me te rijk gerekend. Er is zelfs een mogelijkheid dat al het lopen deze high in de hand heeft gewerkt. Toch denk ik eerder dat het ‘gewoon’ een autonome golfbeweging van mijn gemoed is, niets aan te doen.

Aan de andere kant, eenmaal gesignaleerd, hoef ik me bij die beweging niet zomaar neer te leggen. Het is nu zaak een tegenbeweging te bewerkstelligen. Dat is best een precaire kwestie, want er te hard aan werken is ook weer niet goed. Rustig aan is het terugkerende devies. In deze fase is op de rem trappen om te voorkomen uit de bocht te vliegen niet nodig. De voet iets van het gaspedaal volstaat. Daarnaast moet ik wat bijsturen. Daarbij maak ik graag onderscheid tussen bijsturen op microniveau en bijsturen op macroniveau.

Denk bij bijsturen op microniveau aan het terugschroeven van activiteiten binnen een dag of dagdeel. Bijvoorbeeld: voor de lunch zou ik nog even langs de supermarkt kunnen; in normale doen geen probleem. Nu wacht ik beter tot de middag en neem er meer tijd voor. Eventueel lees ik een stukje krant in de minuten die overschieten. Dit mag onbeduidend overkomen, het maakt een heel verschil, zeker als ik meerdere keren per dag een dergelijke keuze maak. Het haalt de vaart eruit. En het oogt simpel, maar er is behoorlijk wat mentale kracht voor nodig. Juist in deze periode neig ik naar doen, doen, doen, dingen voor elkaar krijgen, plannen maken en ze het liefst meteen uitvoeren. Ook krijg ik meer gedaan, terwijl het omgekeerde nodig is: rust zoeken, activiteiten laten vallen, afspraken verzetten.

Bij die laatste twee komt bijsturen op macroniveau om de hoek kijken. Dan gaat het over een iets langere termijn, dagen, de komende week. Ik beoordeel wat er in mijn agenda staat en kijk of er iets af moet (of bij kan). Soms is het evenwicht duidelijk zoek. Sommige combinaties zijn potentieel te belastend, daar heb ik inmiddels oog voor. Ik heb, als het nodig is, niet meer zo’n moeite met het uitstellen van afspraken. Bij wie me kent is weinig uitleg nodig.

Net als effectief bijsturen op microniveau is adequaat bijsturen op macroniveau een verworvenheid die met de jaren is gekomen. Deze opstootjes zullen zich blijven voordoen, daar twijfel ik niet aan. Dat ik er steeds behendiger doorheen manoeuvreer geeft moed en vertrouwen.

Plafond

zondag 7 januari
Breukelen – Woerden (17km, 3u45, met Melanie)

Het is de laatste dag van de kerstvakantie, de eerste zondag van het nieuwe jaar. Mijn enige goede voornemen is simpel: wandelen. Het is niet iets wat uit de lucht komt vallen. De laatste maanden heb ik al meer gelopen dan anders, deels om een paar kilo kwijt te raken en voor een ander deel om het plezier dat ik eraan beleef. Toch was het niet altijd leuk. In het najaar stuitte ik op paniek. In de zomer was paniek al aanleiding geweest om vervroegd een week Ardennen te beëindigen, en dat was weer een bron van spanning in de relatie. Achteraf gezien kon het niet anders dan dat er verandering kwam.

Het is een enkele opmerking van mijn therapeut geweest die veel in beweging bracht: “Paniek heeft een plafond.” Het is op z’n minst de moeite waard om te proberen de zenuwen te doorstaan. De kans is klein, blijkt, dat het de hele tijd zo spannend blijft. Doordat ik hartklachten kreeg – een blessing in disguise – en bang was ieder moment om te kunnen vallen, kreeg ik talloze kansen om te ervaren dat na verloop van tijd de stress wegebt. Niet altijd haalde ik dat moment, meestal wel. Het was een goed begin om mijn vertrouwen uit te bouwen. Misschien ben ik een bange man, misschien juist een held, misschien kunnen de twee niet zonder elkaar.

Aan het begin van deze wandeling joeg de wind onder de betonnen tunnel van station Breukelen door. We hadden vooraf wel met de windrichting rekening gehouden, ik met name, en daar onze looprichting op aangepast, eerder startte ik altijd in Woerden. Maar het viel erg tegen, de wind was harder dan verwacht, snijdend koud, voor het eerst na de lange periode met veel regen. Voor mij reden genoeg om na vijf minuten lopen voor te stellen de trein terug te nemen. Het had niet zozeer te maken met paniek, eerder met het vooruitzicht van ontberingen en de gedachte dat het mogelijk op de een of andere manier te veel zou zijn. Melanie bracht niet veel in tegen mijn bedenkingen, ze liep vooral door. Zonder haar was het een korte tocht geweest. Ik opperde nog om ter hoogte van de tweede brug over de Groote Heicop een beslissing te nemen, verder of omkeren. Die brug liepen we in stilte voorbij.

Revalidatie

Eind oktober had ik ineens hartklachten. Toen het tijdens een wandeling bij Amerongen ontzettend veel moeite kostte om heuveltjes op te komen, wist ik nog niet dat dat daarmee samenhing. ’s Avonds zou ik mijn bloeddruk meten, misschien was die te laag. Dat viel mee. Het apparaat gaf ook mijn polsfrequentie weer. Die alarmeerde me wel. Ik belde de huisartsenpost, slechts voor advies, maar kon via die tussenstop meteen door naar de Eerste Hart Hulp. Vervolgens lag ik een etmaal aan de monitor. De kwaal bleek sinusbradycardie te zijn, een trage en soms onregelmatige hartslag.

Behalve bij dat heuvelop lopen had ik in de voorafgaande week gemerkt dat ik op de fiets soms nauwelijks vooruitkwam. Dan had ik het tempo van een oud mannetje. Daar is niets mis mee, integendeel, zolang het niet tegen je eigen wil is. Ik wilde wel, maar kon niet. Mijn benen wilden niet. Bij het kleinste beetje tegenwind stond ik bijna stil. Terugkijkend was dat aan mijn trage hart te wijten. Dat zou in ieder geval heel goed kunnen.

In het ziekenhuis vroeg een verpleegkundige tegen het eind van de opname of ik het aandurfde om naar huis te gaan. Ja hoor, geen probleem. Later moest ik vaststellen dat dit wat overmoedig van me was geweest. De eerste dag ging goed. Daarna sloeg de paniek toe. Meer nog dan voor het lichaam is het ingrijpend voor de geest als zo’n vitaal orgaan, misschien het meest vitale, niet meer normaal functioneert. Ieder hobbeltje in mijn borst greep me naar de keel. Van die lage hartslag heb ik in de afgelopen maand eigenlijk maar enkele dagen last gehad, hooguit vier. Daar stond tegenover dat ik eerst maar kleine stukjes de deur uit durfde, bang dat ik om zou vallen. Na tien minuten lopen vond ik het wel genoeg en keerde ik terug.

Er begon een periode van revalidatie (op eigen houtje), die er vooral uit bestond om weer vertrouwen te krijgen. Ik ben niet zo’n fan van wilskracht, althans niet van verhalen daarover. Toch kan ik zeggen dat juist die de afgelopen weken z’n werk heeft gedaan. Ik wandel alweer meer dan twee uur. Zwemmen gaat goed, op doktersadvies even niet buiten maar in het zwembad. Roeien, ook indoor, doe ik vrijwel dagelijks.

Alleen dat fietsen wilde maar niet. Zwoegend bewoog ik door de straten, van bakker naar supermarkt, van huis naar zwembad, en oef, weer terug. Mijn benen wilden maar niet soepel rondgaan. Dat was des te opvallender omdat die andere dingen wel lukten. Soms schoot ik door de stroperigheid zelfs weer in lichte paniek, bang dat ik nooit mijn bestemming zou bereiken. Dit kon weleens blijvend zijn, was ook mijn vrees. Tot ik in een helder moment bedacht om mijn banden op te pompen. Moet je me nu eens zien gaan.

Zo goed als het gaat

Ik bel aan en draai mijn gezicht naar de camera. Wachten hoeft niet, er wordt opengedaan door iemand die net naar buiten komt. Het zou een cliënt kunnen zijn, of een medewerker, dat is in dit geval niet duidelijk. In de hal is het koeler dan buiten. De deur zwaait in het slot en de straatgeluiden verdwijnen. Met zo kalm mogelijke tred, bewust van elke trede, beklim ik de trap. Ik heb het idee me in te moeten houden, wil deze wereld niet te enthousiast ingaan. Boven houdt nog een deur me tegen. Op het raam ernaast kleeft een grote, semitransparante sticker met het logo van de ggz-instelling. Dit voormalige kantoorpand huisvest de afdeling die gebiedsteam heet, met de naam van het betreffende gebied erachter. Zoals ik net de trap opliep, ingehouden, gedecideerd, druk ik nu hier op de bel. Vanachter de balie had iemand me al in de gaten. De zoemer klinkt, ik stap binnen.

Mijn eigen naam hoeft niet, weet ik uit ervaring. Er wordt alleen van me verwacht dat ik zeg met wie ik een afspraak heb. De receptionist doet niets met de informatie. Onwillekeurig denk ik dat hij iemand is met een afstand tot de arbeidsmarkt (excuzes le mot). Overigens kan bij mijzelf de afstand niet groter. De man gebaart me plaats te nemen op een van de stoelen. Kennelijk om de pijn te verzachten is gekozen voor vrolijk ogende pasteltinten. Er zit verder niemand. Mijn keuze valt op de uiterste hoek. Het wachten kan beginnen. Dit is oefenterrein en noodzakelijk kwaad ineen. Ik probeer altijd zo stipt mogelijk op tijd te zijn, zodat het niet langer dan nodig duurt. Soms draal ik daartoe wat bij het fietsenrek. Onderweg hiernaartoe kan al spanning opleveren en dan ben ik nog in beweging. Dit is stilstand, hier kan ik geen kant op, bijna als in een lift.

Behalve de receptionist is er een dame aanwezig. Ze vraagt of ik iets wil drinken. Ik zou wel iets lusten, maar met thee ben ik heel kieskeurig, met name als het gaat om de watertemperatuur, en van koffie zou ik straks tijdens de sessie alleen maar gaan ratelen. Ik bedank. Ze loopt terug. De ruimte waar ik zit is het niet waard wachtkamer te heten. Het is een overgebleven hoekje van deze verdieping. Naast me krijgt een plant langzaam de kleur van de korrels waar ze in wortelt. Daarachter poogt een toonkast vergeefs folders kwijt te raken. Door het dunne wandje tegenover me komen flarden van een gesprek tussen receptionist en koffiedame. Het is nooit zeker of het niet ook over mij gaat, of erger, ook aan mij is geadresseerd. Vanuit een andere hoek, bij de toegangsdeur, hoor ik mensen elkaar gedag zeggen. Een van de stemmen herken ik. Kort daarop richt ze zich tot mij: ‘Goedemorgen, meneer Verhoogt. Kom verder.’

Dit verhaal verscheen ook in het herfstnummer van Plusminus magazine.

Uitbundig

Ik kroop midden in de nacht op de bank, zoals ik een enkele keer doe, en kon de slaap niet meer vatten. De nieuwe lampen van de naburige flat schenen zo fel de kamer in dat mijn ogen weigerden te sluiten. Daar was, bedacht ik later, een remedie tegen: rolgordijnen omlaag. Dat hielp echter niet tegen de verstoring van de natuur. Lichtvervuiling staat juist volop in de schijnwerpers. Bomen, vogels, insecten en andere kleine dieren hebben er last van. Om nog maar niet te spreken van de energieverspilling die ermee gepaard gaat. Het is daarom des te curieuzer dat een grootschalige, als duurzaam aangemerkte renovatie deze uitbundigheid van lichtstralen tot gevolg heeft.

Ik in de pen. Van mijn eerste bericht aan het vastgoedbedrijf, dat via een online formulier moest, waren stijl en inhoud nog niet erg sterk. Er kwam vlot een tegenvallende reactie: ‘We hebben het besproken in het projectteam, de verlichting voldoet aan de norm.’ Het was niet duidelijk op welke norm werd gedoeld. Op mijn reactie kwam geen antwoord. Op de mails aan een paar gemeenteraadsleden deed ik beter mijn best. Ik stuurde een foto mee waarop onder meer te zien is dat de lampen in de flat veel feller schijnen dan de straatverlichting nabij. I rest my case. Voor nu.

Inmiddels werken er meer mensen aan, die raadsleden met name, en een beleidsadviseur van de gemeente. Op instigatie van de laatste buigt het projectteam zich nogmaals over de kwestie. Onder lichte druk dus van de raadsleden. Van hen heeft eentje toegezegd bij uitblijven van resultaat vragen aan het college van B&W te stellen. Ze zijn niet zomaar van me af, dat mag blijken. Het begint een David en Goliath-dingetje te worden: de nietige bewoner tegen de vastgoedreus. Dat denk ik als ik ’s avonds uit het raam omhoogkijk naar de oplichtende trappenhuizen van de tienhoogflat.

Succes aan mijn kant is er als besloten wordt tot het dimmen van de lichten, het deels afschermen van de lampen of het aanbrengen van bewegingssensoren. Nog iets idioots is, hoewel ik toegeef dat dit op een vermoeden mijnerzijds berust, dat die trappenhuizen vrijwel niet worden gebruikt. Bij iedere portiek is een lift. Er zijn dus genoeg mogelijkheden om tot een oplossing te komen. Het zal wat kosten, dat is bij dergelijke blunders vaak het geval. Laat het projectteam maar tot een keuze komen, want ik ben bereid lang door te gaan. En een tikje hypomaan.

Rietkraag

De zwemboei vergezelt me weer. Eigenlijk is het een nieuwe, de vorige was lek. Ik dacht direct na aankoop dat in deze ook een gaatje zat. Dat bleek bij nader inzien niet het geval. Ik zal waarschijnlijk het ventiel niet goed hebben dichtgedraaid. Als ik dat wel doe, hobbelt de oranje ballon keurig achter me aan. Dat is niet langer om de angst te bezweren of voor de veiligheid, alleen nog om mijn sleutels mee te nemen, en een korte broek, voor het geval een grapjas mijn kleren gapt. Toch een beetje zekerheid ingebouwd, maar vooral een praktische.

In een theater of een bioscoop kies ik wel voor veiligheid en ga ik bij voorkeur aan het gangpad zitten. In een restaurant ben ik kieskeurig wat tafelkeuze betreft en ook over mijn kant van de tafel. Melanie weet er alles van. Die laat me mijn gang gaan. Desondanks gaat het soms mis, wat maar bewijst dat ik niet alles in de hand kan hebben. Dan strijkt tien minuten later een luidruchtige groep neer achter mijn rug. Die mensen vragen de helft van mijn aandacht, of meer. Het is in zo’n geval maar de vraag of we het dessert halen.

In het water kan ik deze zomer beter uit de voeten dan vorig jaar. Minder paniek. En als er toch een beginnetje is, heb ik een zinnetje, gericht aan het universum: ‘Laat maar komen.’ Dat neemt meestal meteen de kou uit de lucht. Zwemmen naar de overkant van de plas (en terug) hoeft niet. Er zijn dit jaar geen mensen meer die daarover zeuren, sorry, die vragen of ik dat weer doe. Ik zwem langs de oever tot de rietkraag, enkele reis een klein kwartier, een stukje verder dan naar de overkant.

Dat zinnetje ‘laat maar komen’ zou ook op land een goede strategie kunnen zijn. Een verschil is dat op het droge het minder opgeruimd is, er spelen meer factoren mee. Toch, en dat bedenk ik terwijl ik het schrijf, is het te proberen die drie woorden mee te nemen in de loop van de dag. Overal waar gevaar dreigt. Als het niet gaat als gewenst. Wanneer spanning of emoties het overnemen. Om dan de shit uit te nodigen om te laten zien wat die in huis heeft.

Oorspronkelijk

In een nieuwsapp las ik een interview met een verslavingsarts. Het ging over zitverslaving. Als je veel zit, wordt je leven korter. Weer iets wat niet mag. De vergelijking dat zitten het nieuwe roken is, gaat mank. Het roken van één sigaret is al schadelijk, tien minuten zitten is dat niet. Dat is geen oorspronkelijke gedachte van mij, ik heb het ergens gehoord of gelezen.

Het is lastig wel een oorspronkelijke gedachte te hebben, omringd als ik ben door allerhande media. Dan scheelt het nog dat ik niet de gewoonte heb naar talkshows te kijken. Naar een oorspronkelijke gedachte is het sowieso zoeken met een lantaarntje. De ruis van alledag is onverbiddelijk. Maar laat ik er eens, het advies van die arts negerend, voor gaan zitten en proberen iets unieks tevoorschijn te toveren.

Waar moet je dan aan denken? Ja, hebbes, ik heb iets. Maar nee, dat heb ik twee dagen geleden in een boek gelezen, telt niet. Er is ook nog het gevaar dat ik denk iets nieuws te denken, terwijl het eigenlijk iets is wat ik al gelezen of gehoord heb, maar waar ik geen actieve herinnering aan heb. Dat is ook zoiets. Ik moet beter mijn best doen. Of misschien moet ik een tijdje helemaal niets doen (stond in dat boek). Daar heb ik geen tijd voor. Ik wil binnen het bestek van deze tekst een fonkelende ingeving hebben.

Het komt niet vanzelf. Is het überhaupt mogelijk iets te verzinnen dat niet eerder verzonnen is? In alle eeuwen van taaloverdracht is er al onnoemelijk veel bedacht en gedeeld. Maar niet oneindig veel, er moet nog ruimte zijn. Kom op, even doorzetten.

Tussen de vorige alinea en deze zin ben ik van stoel naar bal gewisseld, beter voor mijn rug. De stiltes worden langer, hoewel niet letterlijk stil; uit de koptelefoon klinken orkestwerken van Hans Rott. Dat is tamelijk hoogdravend van mijn kant. Toch is het gewoon het resultaat van wat willekeurig zoekwerk op Spotify. Klassiek is voor mij meer achtergrond dan dat ik er echt naar luister. Blijkbaar heb ik wel zo mijn voorkeuren.

Mijn queeste naar iets oorspronkelijks wordt plots ruw verstoord door een vrouwenstem die meldt: low battery, please recharge headset. Je zal zien dat vanavond vlak voor het slapen me iets invalt. Behalve voor dat moment gaat het onherroepelijk verloren. Power off.

Spreekkamer

Ik hoef je nergens van te overtuigen, sterker nog, ik zou niet aan je moeten denken, zoals mijn held A.L. Snijders ook probeerde niet aan zijn lezers te denken. Is hij wel mijn held? Helden komen en gaan, literaire helden helemaal. Maar ook muzikanten. Als ik hardop dweep met schrijvers, dreig ik meteen te pretenderen in hun buurt te willen komen. Bij muzikanten heb ik dat niet, met zangers misschien. Of met drummers als ik weer eens roffels improviseer op mijn dijbeen of het keukenblad. Nadoen zou weleens de beste manier kunnen zijn om iets onder de knie te krijgen. Toch pretentie? Ik geef toe af te kijken, om te zien wat er allemaal kan en mag. Hoe doet die ander dat? Kan ik daar wat van gebruiken? Daarbij heb ik het voordeel dat ongestraft te kunnen doen, ik heb intussen een eigen stem ontwikkeld. Dat heb ik niet van mezelf, dat zie ik niet, ik moet het van anderen horen. Het enige wat ik kan doen is er dan maar op vertrouwen dat het echt zo is. Je moet je aan de andere kant ook weer niet in de luren laten leggen door wat de mensen in je eigen bubbel zeggen. Ik heb behoefte aan goede kritiek, om verder te komen, voorbij het ‘stukje’. Met dat in gedachten kijk ik uit naar een cursus bij de Schrijversvakschool. Begin volgend jaar pas, nu eerst therapie, één ding tegelijk.

‘Waar gaat het eigenlijk over?’ Dat is mijn mantra, als ik nog niks heb en ga zitten om een blog te schrijven. Dat hoop ik te leren in die cursus, waar het eigenlijk over gaat. Is er nog een andere bron aan te boren dan alleen dagelijkse belevenissen en dergelijke malheur? De fantasie is er de afgelopen zeven jaar bekaaid vanaf gekomen, die zat hooguit in de details. Nou ja, mogelijk heb ik wel meer verzonnen, maar ik weet zelf niet meer wat wel en wat niet. Hoe dan ook is wat in mijn leven voorvalt of is voorgevallen (het geheugen werkt ook niet mee) niet meer toereikend om wekelijks een bericht van te brouwen. Er moet uit een ander vaatje worden getapt. Daar begin ik niet vandaag mee, eerst dus therapie. Bij de intake heb ik alvast weer veel te veel losgelaten; ‘openhartig’ is my middle name. Als tiener had ik dat niet. Ergens onderweg heb ik blijkbaar bedacht om alles maar los te laten in de hoop dat ik dan het beste geholpen kan worden. Een fijne verzameling gevoelens en gedachten stromen in een diarree van woorden naar buiten. Veel anders zal het de komende tijd niet zijn, het gebeurt buiten mij om. De bijkomende schade moet op de koop toe worden genomen.