Alles blijft voorbijgaan

(deze tekst verschijnt later dit jaar in het nummer van Plusminus Magazine met het thema hoop)

De herinneringen aan mijn ontsporingen zijn niet statisch. De feiten blijven hetzelfde, de betekenis verandert in de loop der jaren. Begin 1995 raakte ik voor het eerst psychotisch. Echt makkelijk is het daarna niet meer geworden. Dat was het daarvoor misschien ook niet. Het zit in de aard van het beestje: altijd ook de achterkant in ogenschouw willen nemen. Het lijkt of ik daardoor destijds onvermijdelijk op een afgrond afstevende. Ik heb de verhalen nog, maar geen toegang meer tot de diepte. Daar ben ik lange tijd nog naar op zoek geweest, bijvoorbeeld door te mediteren. Dat doe ik niet meer, althans niet met die insteek.

De hang naar een hernieuwde blik op datt oneindige is geslonken. Ik heb er voldoende van gehad, zoals Obelix die ooit in de ketel met toverdrank viel. Anders dan de dikke Galliër, wiens dorpsgenoten hem er steevast van weerhouden een slok te nemen, moet ik zelf op de rem.

Mijn behandelaar noemde me onlangs een voorbeeldpatiënt. Het vlijde me. Op de lagere school al wilde ik het beste jongetje van de klas zijn. Dat ik ten diepste een dergelijke rol ambieer, gaat samen met het profijt dat ik er inmiddels van heb. Het is me niet aan komen waaien. Door decennia van zelfstudie en vaak vruchtbare samenwerking met hulpverleners ben ik beter dan voorheen in staat om adequaat te reageren op wat me overkomt. Niet dat het nu een gelopen race is, verre van dat. Het ergste vallen is weliswaar achter de rug, het blijft eindeloos opstaan. Letterlijk soms: op tijd uit bed komen en iets doen.

Het is weer afwachten wat de komende seizoenen in petto hebben. Je kent het. Misschien ben je aan het opkrabbelen, lig je op apegapen of verblijf je juist op de top van een golf, hopelijk in de wetenschap dat ook die voorbijgaat. Uiteindelijk overkomen ons dingen, van geboorte tot dood. We hebben daar maar beperkte invloed op.

De psychoses hebben me wel geleerd dat er meerdere realiteiten naast elkaar bestaan. Sowieso beleeft ieder de wereld op een eigen manier. Mogelijk is dé werkelijkheid niet eens kenbaar voor ons mensen. We moeten het doen met wat de zintuigen ons te bieden hebben. Enkelen van ons is een glimp gegund van wat zich onder, boven, naast of tussen die informatie bevindt. Ik meen er een paar keer mee in aanraking te zijn geweest en ervaar dat als rijkdom.

Zoals gezegd is het genoeg. De opgave is nu om niet opnieuw zo ernstig uit balans te raken. Het kost eenvoudigweg te veel. Voor mezelf, mijn geliefden en vooruit, de samenleving.

Ik verwacht zeker niet om van ellende gevrijwaard te blijven. Onmogelijk, in persoonlijk opzicht, maar ook gezien de situatie op deze planeet. Steeds een passende manier kunnen vinden om ermee om te gaan, daar is mijn hoop op gevestigd.

Bezoekuur

De afgelopen weken heb ik de rol van mantelzorger op me genomen. Melanie was onder een omvallende boom terechtgekomen. Daar liep ze ernstig hersenletsel bij op. Het herstel gaat voorspoedig. Ze heeft soms nog hoofdpijn, maar niet meer zo zwaar en niet meer zo lang. De breuken gaan vanzelf helen, is de verwachting.

De eerste dagen na de val was het vooral de pijn doorstaan. Daarna kon Melanie bezoek ontvangen, bij voorkeur één persoon per keer. Aan mij de taak om in de gaten te houden of de visite niet te lang bleef zitten. Zij praatte en lachte wel; aan haar was niets te merken. Ik wist dat ze het na afloop moest bekopen als er te veel energie gespendeerd werd.

Het deed Melanie denken aan de kraamtijd die we twee keer meegemaakt hebben. Toen scheen ik ook streng te zijn geweest. Deels was dat uit eigenbelang; ik wilde niet te lang met mensen opgescheept zitten. Het kon gewoon heel vermoeiend zijn. Zij had er minder moeite mee. Toch zag ze ook wel de noodzaak om het contact te beperken.

Nu gold dat ook. Ik koos er meestal voor me afzijdig te houden als zij in de tuin met een vriendin zat te palaveren. Ik zat binnen of zelfs boven. En hield met een schuin oog de tijd in de gaten.

Dit paste mij perfect. Na een halfuurtje (in het begin) of na een uurtje (later in het herstel) liet ik even mijn gezicht zien. Ik hoefde vrijwel nooit letterlijk mensen weg te sturen. Met een subtiele opmerking maakte ik kenbaar wat de stand van zaken was. Ik vond zelf althans dat ik vrij subtiel daarin was. Het zou ook kunnen dat het op het botte af was. Evengoed werkte het. En achteraf was Melanie het altijd eens met mijn inschatting.

Vermoedelijk zal ze binnenkort meer aankunnen. Als er mensen langskomen hoeft dat niet meer zo strikt in de gaten te worden gehouden. Of ze kan buitenshuis afspreken. Dan moet ik weer iets anders verzinnen om mijn bestaan mee te legitimeren.

Energie

In het wilde weg coachen kan niet meer, zeker niet nadat Arjen Lubach er onlangs een fileermes overheen haalde. Het overschot aan coaches in Nederland is zo groot dat ze van ellende elkaar maar gaan coachen. Ze zijn er in vele soorten en maten, inderdaad soms op het belachelijke af. Had ik dat drie jaar geleden kunnen weten? Denk het wel. Toch had ik het niet in de gaten en noemde ik mezelf wandelcoach. Het zit inmiddels verankerd in de uitingen waarmee ik mijn praktijk onder de aandacht probeer te brengen, bijvoorbeeld in de domeinnaam.

Hoe zou ik het dan willen noemen? Als ik flyers rondbreng en mensen vragen ernaar, zeg ik het meestal zo: ‘Ik verzorg individuele wandelingen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid.’

Het is hoe dan ook lastig om voet aan de grond te krijgen. Ik heb wel een paar keer wandelingen verzorgd, voornamelijk voor mensen die ik al begeleidde als online schrijfcoach. (Verdraaid, dat ben ik ook nog. Ik kom er niet onderuit. Dan moeten een paar andere coaches er maar mee ophouden.) Die deelnemers van de cursus herstelverhaal wilden ter aanvulling of ter afsluiting van hun traject een keer met mij op pad. Prima. Dat was een beginnetje, waar vooralsnog weinig tot geen vervolg op is gekomen.

Ik moet aan de bak om bekendheid te geven aan mijn aanbod. Ik ben ervan overtuigd dat ik iets voor mensen kan betekenen (en het kost weinig), alleen moet ik eerst naar hen op zoek, opdat zij mij vinden. Zoiets. Zij kunnen natuurlijk net zo goed iets voor mij betekenen, zo zinvol is het wel om iets voor een ander te kunnen doen. Echter, zolang we elkaar niet treffen, valt er weinig te betekenen.

Sinds kort stap ik eens per week op de fiets met een stapel flyers in mijn tas, een handige wandeltas die over één schouder hangt, te leen van Melanie. Ik richt me vooral op instanties die met gezondheid te maken hebben, bij voorkeur geestelijke gezondheid. Een vriendin met een psychologiepraktijk, gevraagd naar tips voor locaties, meende dat flyeren niet veel effect heeft. Sociale media zouden meer opleveren. Daar werk ik ook aan, met mate. Voor nu voelt het vooral goed om er fysieke energie in te steken, die trappers rond te laten gaan op zoek naar klanten.

Het is een taai proces. De gedachte om het maar te laten zitten komt geregeld bij me op. Voor wie doe ik dit eigenlijk? Ik heb besloten me niet van de wijs te laten brengen door dat soort vragen. En of het nu ‘coachen’ heet of ‘wandelingen verzorgen’, er komt vast een keer de loop in. Of niet, dan heb ik toch gedaan wat ik kon.

Dus als je iemand bent of iemand kent die een keer wil wandelen: www.markwandelcoacht.nl