Toplaag

Het was maart in het laatste jaar van de vorige eeuw. Een groot deel van de nacht had ik in het buitengebied doorgebracht. Mijn broek was doornat, net als het onderste deel van mijn trui. Ik had geen jas aan en was blootsvoets; mijn schoenen en sokken lagen ergens onder een struik bij de toegang van een weiland. Ik leunde met mijn rug tegen de glimmend gelakte deur van een kerk. In de boom tegenover me kwetterde een merel de dag tegemoet. Hij liet soortgenoten weten: ‘Hier zit-ie hoor, hij komt er zo aan.’  Vanuit het gebouw klonk onbestemd gerommel en soms gepiep van scharnieren. De deur ging, ook na lang wachten, niet open.

In de stad was nog genoeg te doen, besloot ik. Een reis naar Jeruzalem was niet per se nodig. Ik kwam overeind en begon te lopen.

Straatlantaarns verspreidden een oranje gloed in de nevel boven de weg langs het water. Het was er stil. De vaart wist nog niets van de nieuwe wijk die op haar flanken zou verrijzen. Ik ook niet. Ik hield er stevig de pas in. De split in de toplaag van het asfalt bewerkte mijn onbeschermde voetzolen. Ik merkte het niet. Bij het talud van de brug over het kanaal versnelde mijn tred tot een looppas. Mijn ademhaling verhevigde. Er veranderde nog iets. Daar liep ik niet meer, daar liep Bruce Willis.

Pas een paar weken geleden, bij het zien van Die Hard, begreep ik dat de acteur mijn onderbewuste moest zijn binnengeslopen. Ik keek de film in de afgelopen kerstvakantie samen met mijn zonen, allebei te jong om getuige te zijn geweest van mijn grote avonturen.

De film begint in een vliegtuig. De man in de stoel naast John McClane (gespeeld door Willis) adviseert hem om ter ontspanning zijn voeten te ontbloten. Later volgt John die raad op. Vervolgens moet hij door kapotgeschoten glas lopen. Toen ik dat zag viel het kwartje. Ik moest de film al gezien hebben vóór mijn tocht. Zonder te weten wie ik nadeed, hing ik de superheld uit. Die ochtend dacht ik eerder aan Jezus dan aan John McClane.

Beschermd

Voor deze winter is het klaar met zwemmen in de plas. Aan het eind van het najaar heb ik het uit mijn handen laten glippen, was te vaak te bang om te gaan. Die gespannen periode is goeddeels achter de rug, maar de watertemperatuur is nu op z’n laagst. Ik kan het niet opbrengen daar weer aan te wennen.

Ik heb ook geen zin om naar het zwembad te gaan, ben bovendien het pasje kwijt waar de tienbadenkaart op staat. Dat is net het drempeltje dat me tegenhoudt, samen met het krappe kleedhokje, de zwembril en de andere zwemmers in mijn baan. Ik zie het binnenkort niet gebeuren. Het blijft bij wandelen.

Soms spreek ik nog af aan de waterkant, als het meezit eens in de week, met een vaste zwemvriend. Hij neemt in deze periode net iets vaker dan ik een duik. De meeste tijd daar gaat op aan een gesprek. Dat doet me goed. Behalve wat oeverloos gepalaver is het ook een wederzijds vinger aan de pols houden. We houden elkaar een beetje in de gaten. Hij mij in ieder geval. De duik beperkt zich tot dompelen; langer dan een halve minuut ben ik niet in het water.

Dat heel even blootstellen aan de kou, die voor de ongeoefende mens al snel pijn doet, is toch weldadig. Tijdens en achteraf. Wat aan me kleeft spoelt weg.

De rest van de week kies ik voor het comfort van op het droge blijven. Daar sta ik soms bij stil, of denk ik over na tijdens het wandelen. Des te meer waardeer ik de kleding die me tegen de elementen beschermt. Er kruipt een milde tevredenheid tevoorschijn: dat ik ook in staat ben me eraan over te geven, als het even niet gaat.