Sneeuwresten

Afgelopen januari, na drie dagen gladheid, waagden mensen zich weer naar buiten. Langs de randen van de weg lagen nog sneeuwresten. Ik fietste naar de apotheek.

Bij de oversteek van de Carnegiedreef, een brede weg met aan beide zijden vrijliggende fietspaden, stond een scootmobiel vast in een sneeuwhoop. Een oudere vrouw zat er roerloos op. Ze droeg een beige pufferjas tot over haar knieën en keek wat verdwaasd voor zich uit. Ik vroeg of ik haar kon helpen en zette mijn fiets al tegen de paal van een verkeersbord. Er kwam geen antwoord.

Duwen mocht niet baten: samen waren het apparaat en de dame te zwaar. Bovendien hadden mijn voeten weinig grip in de sneeuw. De vrouw probeerde nog eens vooruit uit de derrie te rijden. De wielen slipten. Achteruit durfde ze, blijkbaar bij gebrek aan zicht, niet aan.

‘Zal ik het stuur even overnemen?’ vroeg ik. Er kwam weer geen antwoord, de vrouw stapte wel af. Ik nam plaats op de zetel, mijn eerste ervaring op een scootmobiel.

De besturing sprak voor zich. Met gemak reed ik hem achteruit, naar een droog stuk op het fietspad. Nu moest alleen de vrouw nog uit de sneeuw en terug in haar stoel. Met een hand omklemde ik stevig haar linkerarm. Mijn rechterhand hield haar andere schouder in de greep. Zo schuifelden we langzaam richting scootmobiel. Ze werd onderweg iets mededeelzamer.

‘Ik heb van jongs af aan suikerziekte,’ het kwam er verontschuldigend uit.

‘Dat geeft helemaal niet,’ wilde ik bijna zeggen, maar het gaf natuurlijk wel.

‘Ik wil naar de Jumbo,’ zei ze.
‘Kunt u niet beter naar de Dirk, die is dichterbij?’
‘Bij de Jumbo zijn mijn vrienden.’

Intussen was iemand anders van de fiets gestapt om de vrouw bij het laatste stukje te ondersteunen. Het lukte. Ze kon weer op weg, op naar de supermarkt van haar keuze. Ik weet niet hoe de anderen erover dachten, maar mijn dag was goed. Niet vaak was ik zo in mijn element als nu.

Bij de apotheek haalde ik medicijnen uit de automaat. Achter me gleed een man uit op de stoeprand. Hij kwam op zijn billen terecht. Niets gebroken. Een papieren zakje was uit zijn hand gevallen en lag een stukje bij hem vandaan.

‘De medicijnen, ze zijn voor mijn vrouw,’ bracht hij wat paniekerig uit.
‘Die geef ik u zo,’ stelde ik hem gerust.

Ik hielp hem overeind en gaf hem het zakje terug. Nog beter kon het echt niet.

Toplaag

Het was maart in het laatste jaar van de vorige eeuw. Een groot deel van de nacht had ik in het buitengebied doorgebracht. Mijn broek was doornat, net als het onderste deel van mijn trui. Ik had geen jas aan en was blootsvoets; mijn schoenen en sokken lagen ergens onder een struik bij de toegang van een weiland. Ik leunde met mijn rug tegen de glimmend gelakte deur van een kerk. In de boom tegenover me kwetterde een merel de dag tegemoet. Hij liet soortgenoten weten: ‘Hier zit-ie hoor, hij komt er zo aan.’  Vanuit het gebouw klonk onbestemd gerommel en soms gepiep van scharnieren. De deur ging, ook na lang wachten, niet open.

In de stad was nog genoeg te doen, besloot ik. Een reis naar Jeruzalem was niet per se nodig. Ik kwam overeind en begon te lopen.

Straatlantaarns verspreidden een oranje gloed in de nevel boven de weg langs het water. Het was er stil. De vaart wist nog niets van de nieuwe wijk die op haar flanken zou verrijzen. Ik ook niet. Ik hield er stevig de pas in. De split in de toplaag van het asfalt bewerkte mijn onbeschermde voetzolen. Ik merkte het niet. Bij het talud van de brug over het kanaal versnelde mijn tred tot een looppas. Mijn ademhaling verhevigde. Er veranderde nog iets. Daar liep ik niet meer, daar liep Bruce Willis.

Pas een paar weken geleden, bij het zien van Die Hard, begreep ik dat de acteur mijn onderbewuste moest zijn binnengeslopen. Ik keek de film in de afgelopen kerstvakantie samen met mijn zonen, allebei te jong om getuige te zijn geweest van mijn grote avonturen.

De film begint in een vliegtuig. De man in de stoel naast John McClane (gespeeld door Willis) adviseert hem om ter ontspanning zijn voeten te ontbloten. Later volgt John die raad op. Vervolgens moet hij door kapotgeschoten glas lopen. Toen ik dat zag viel het kwartje. Ik moest de film al gezien hebben vóór mijn tocht. Zonder te weten wie ik nadeed, hing ik de superheld uit. Die ochtend dacht ik eerder aan Jezus dan aan John McClane.

Heuvelrug

We waren vertrokken vanaf Hollandse Rading en liepen via Lage Vuursche naar Soesterberg. Rond het middaguur zaten we midden in het bos. Het was de eerste lentedag en te warm voor de kleren die we droegen. De bomen, nog zonder blad, boden deels beschutting tegen de zon. Een stuk plastic beschermde onze billen tegen het vocht van de boomstronk. We aten gebakken ei op brood. De helft van de tocht voor die dag lag achter ons. Tot zover ging het goed.

De pauze was welkom. Mijn wandelconditie was slechter dan gedacht. Het lopen van de laatste weken was niet genoeg geweest. Ik wilde het liefst mijn ogen een moment dichtdoen en even weg zijn. De bosgrond leende zich er niet voor om op te liggen. We moesten door.

Toen ik opstond zwabberden mijn benen en werd het even licht achter mijn ogen. Mijn adem schoot richting strottenhoofd.

Het was er weer.

Ik zag meteen op tegen de nog af te leggen kilometers. Ik was bang onderuit te gaan. De controle te verliezen. Het speelde zich allemaal in mij af. Aan de buitenkant was niets te zien. Melanie vouwde intussen het zeiltje op en wurmde dat in de tas. Ik twijfelde of ik haar op de hoogte zou brengen. Het kon de sfeer bederven. Ik deed een paar stappen op het mos langs het zanderige pad en voelde weer wat stevigheid in mijn voeten.

Toch leek het me beter haar te laten weten hoe ik eraan toe was. Terwijl we onze weg vervolgden, zei ik: ’Ik zie het niet meer zitten. Het is me te veel. We hadden er niet aan moeten beginnen.’

Zij behield haar kalmte: ‘Blijf bij het gevoel dat je hebt. Probeer er niet van weg te gaan.’ Het werd er niet beter op. Het maakte mijn tred eerder zwaarder dan lichter. Toen zei ze: ‘Ik ben bij je.’

Dat hielp. Tussen de takken door bleef de zon volop schijnen.

Problemen

Het lek in de badkamer is boven water. Daar zou ik blij mee moeten zijn. Toch zit ik vooral in de zenuwen over de problemen die zich nu weer gaan voordoen. Bij de aansluiting van de douchekraan druppelt het, onmiskenbaar. De gipsplaten achter de tegels zijn doorweekt en moeten vervangen. Een tegelzetter is ermee bezig. Als het meezit komt er straks een loodgieter langs voor assistentie.

Klussen is niets voor mij, ook niet als het door anderen wordt gedaan. Ik zou er, als het mogelijk was, voor kiezen om niet in de buurt te zijn tot het werk klaar is. Zo is het niet. Ik moet beneden een houding zien te vinden, terwijl van boven gehamer en geklop klinken. Ik word geacht beschikbaar te zijn voor overleg, thee regelen, voor de vorm informeren naar de voortgang.

Ik begrijp niet goed waar de schoen knelt. Ik ervaar situaties als deze slopend. Dat is niet nieuw en ik ben er niet de enige in; met werklui over de vloer is het nooit ontspannen.

Zelf doen is overigens geen optie meer. Ergens in mijn leven heb ik de afslag genomen naar het bestaan van een niet-klusser. Mijn vader vertrouwde me vroeger nooit een hamer of schroevendraaier toe, deed het in plaats daarvan altijd zelf wel even. Bij mijn broer heeft het evengoed beter uitgepakt; die is wel handig geworden.

Het zou ook met mijn bange aanleg in het algemeen te maken kunnen hebben. Het gaat niet over klussen, het gaat over controle. Ik moet de loop der dingen kunnen overzien, liefst zo precies mogelijk weten wat me te wachten staat. Zo is het als ik een uitstapje maak, liever geen verrassingen. Of op vakantie ga. Zo gaat het met boodschappen doen: bij voorkeur in dezelfde winkel, met een lijstje in de hand, met benodigdheden in de volgorde zoals die in de schappen staan.

Zo zou het met klussen in huis ook moeten zijn, maar dat is in de praktijk nooit zo. Je weet niet welke onvoorzienbaars je tegenkomt, juist daarom heet het onvoorzien. Dat is dan wel weer een zekerheid, dat je ze tegenkomt.

Ik gooi al jaren het bijltje er bij voorbaat bij neer, laat het liever doen, hoewel daar dus lang niet alles mee gewonnen is. Ellende is in dit soort kwesties nooit helemaal te voorkomen. Ik neem een pilletje om de kalmte te bewaren en hou voor ogen dat het een keer allemaal klaar is. Het materiaal van de kist mag iemand anders bepalen.

Linnen

Deze week was ik blij als een kind van tien toen er een tweede Groene-tas door de brievenbus viel. Ik was weer in evenwicht. De linnen tassen zijn stevig en zeer geschikt om boodschappen in te vervoeren. Vol passen ze precies aan beide zijden in mijn fietstassen. Zo kan ik voortaan zonder het plastic, dat weliswaar herbruikbaar is maar na verloop van tijd toch in de vuilnisbak belandt.

De eerste tas gebruikte ik al een tijdje. Die had ik ontvangen omdat iemand via mij een proefabonnement op De Groene Amsterdammer had gekregen. Zonder verplichtingen; het stopte vanzelf. De tweede tas was vanwege een donatie aan een fonds voor onderzoeksjournalistiek. Ik moet wel toegeven het minimale bedrag te hebben geschonken om voor het presentje in aanmerking te komen. Evengoed snijdt het mes aan twee kanten, of drie: zij een lezer extra en steun voor onderzoek, ik in mijn nopjes.

Een associatie met De Groene staat in bepaalde kringen hoog aangeschreven. Dan hoef je hem niet eens te lezen of een abonnement te hebben. Met die tassen de supermarkt uit zwieren zou al voldoende moeten zijn. Ik laat me graag zien met mijn aanwinsten.

Het valt echter op hoe weinig aandacht mensen eraan besteden. Mijn tassen zijn, voor zover ik weet, nog geen blik waard geweest, laat staan een tweede. Nog niemand heeft er iets over opgemerkt, zo van: hé wat goed, je leest De Groene. Niemand heeft in het voorbijgaan zelfs maar schielijk het hoofd gedraaid om te zien wie daar loopt met die twee tassen.

Waar doe ik het dan eigenlijk voor, behalve die kleine milieuwinst? Misschien woon ik niet in de juiste buurt. Misschien zegt zo’n band met het tijdschrift niemand hier iets. Ik overweeg om in andere wijken mijn heil te zoeken; op naar Tuinwijk, Oog in Al, Wilhelminapark. Daar zijn ook winkels. Daar weet men mijn tasvertoon vast beter op waarde te schatten. Mensen hier in Overvecht hebben duidelijk wat beters te doen dan in de gaten houden hoe iemand zijn progressieve inborst uitdraagt tijdens het boodschappen doen.

Cursus

Het is tegen beter weten in dat ik nu nog probeer om een blog te schrijven. Het is vrijdagmiddag en idealiter begin ik op zondag met de eerste aantekeningen. De schrijfcursus zit in de weg. Iedere zaterdag is er online een les. Dan krijgen we een opdracht voor de volgende week. Het werk daaraan slokt me op.

Deze week heb ik een kort verhaal geschreven over een oudere vrouw die door de gladheid ten val komt en een heup breekt. Ze is eenzaam. Wat ik niet noem, maar wat moet blijken, is dat ze in een verpleeghuis terechtkomt. Zo kort gezegd is er niet veel aan. Toch is het een aardig miniatuurtje geworden, waar ik met mijn tong tussen de tanden aan heb zitten schaven.

Mensen zijn verbaasd als ik vertel dat ik een schrijfcursus doe: ‘Jij kunt toch al schrijven?’ Dat wil ik niet ontkennen, maar dit is anders. In de eerste plaats gaat het om verzonnen verhalen (gedichten en toneel komen nog aan bod). Mijn blogs hebben juist stevige wortels in de realiteit. Daarnaast passeren allerlei technieken de revue die kunnen helpen de lezer mee te nemen. Er is veel te leren.

Vanaf de eerste les draaide het niet alleen om schrijfvaardigheid, maar net zo goed om leesvaardigheid. Door over manieren van vertellen te leren ga ik ook wat ik lees anders waarderen. Ik begrijp beter waarom het is geschreven zoals het is geschreven, hoe gerenommeerde auteurs een verhaal voor het voetlicht brengen. Het is opvallend om te merken dat dit ook van toepassing is op goede films en series. Anders leren lezen en kijken is voor mij het meest waardevolle van de eerste helft van de cursus.

Ik kan moeilijk inschatten wat ik er verder mee ga doen. Wellicht is iets van het geleerde te integreren in mijn blogs. In dit geval, in dit stukje van vandaag, sijpelt er geen straaltje fictie tussen de regels. Wie weet komt dat later. Of het blijven gescheiden werelden, werkelijkheid en verbeelding. Ik ben benieuwd.

Treintje

Bij de laatste keer 24 uur urine verzamelen kwam ik uit op een volume dat ik hier niet durf te noemen. Ik ben daarom begonnen met minder water drinken. Het grote waterglas blijft voortaan in de kast. In plaats daarvan staat het Kikker-glas op het aanrecht, een kinderglas, dan weet ik welke van mij is. De doppers, altijd in de koelkast, sla ik niet meer in een paar teugen achterover. Eerst gaat het water in het glas, daarna neem ik er kleine slokjes van.

Dit probleem kent een lang verleden. Toen ik begon met lithium drukte men mij op het hart vooral voldoende te drinken. Ik kreeg ook een drogere tong, een bekende bijwerking. Het is uitgemond in overmatige consumptie en de vraag of die nog in te tomen is. Over een paar maanden gaat er opnieuw een dag plas naar het lab, een interessant meetmoment.

Als het meezit hoef ik niet meer zo vaak naar de wc. Zeker tijdens uitjes en op reis zal dat een groot verschil maken. Misschien kan ik ook weer zonder zorgen naar het theater of naar de bioscoop.

Daarnaast ga ik mijn zoutinname beperken, nodig voor de nieren. En de lever kan op verlichting rekenen. Ik stop helemaal met alcohol. Het wordt een treintje; wagonnetjes aankoppelen en gaan. Ik ben benieuwd wat de meeste problemen gaat opleveren, waar de grootste terugval zit en hoe die zich manifesteert.

Het bier is een grote kanshebber om hoog te eindigen. Het is ongezond, zeker voor mij met de medicatie die ik slik. Ik heb het lang weggewuifd met de gedachte dat een mens ergens aan dood moet. Een beetje genieten in de resterende tijd staat voorop. De meeste biertjes smaken me ook goed. De bijkomende lichte roes is welkom. Die geeft soms net wat verzachting aan het eind van de dag, of helpt bij sociaal contact. Er zit echter een grote maar aan en die betreft het maathouden. Bij bier verzin ik steeds een regel, bijvoorbeeld alleen voor het weekend in huis halen. Het is opvallend dat weekenden steeds vaker op woensdag beginnen. Die strijd, het afwegen van wel of niet, toegeven aan de zucht of hem negeren, ben ik zat. Daar zit de voornaamste motivatie.

Ik heb bedacht dat het een tijdje moeilijk zal zijn. Mijn hoop is dat daarna geleidelijk de behoefte verdwijnt. Ik teken er ook voor als die er af en toe nog is. Met roken is het zo gegaan, inmiddels 13 jaar geen sigaret aangeraakt. Ik weet wat me te doen staat. Succes helaas niet verzekerd. Toch voelt het als meer dan zomaar een poging.

Beschermd

Voor deze winter is het klaar met zwemmen in de plas. Aan het eind van het najaar heb ik het uit mijn handen laten glippen, was te vaak te bang om te gaan. Die gespannen periode is goeddeels achter de rug, maar de watertemperatuur is nu op z’n laagst. Ik kan het niet opbrengen daar weer aan te wennen.

Ik heb ook geen zin om naar het zwembad te gaan, ben bovendien het pasje kwijt waar de tienbadenkaart op staat. Dat is net het drempeltje dat me tegenhoudt, samen met het krappe kleedhokje, de zwembril en de andere zwemmers in mijn baan. Ik zie het binnenkort niet gebeuren. Het blijft bij wandelen.

Soms spreek ik nog af aan de waterkant, als het meezit eens in de week, met een vaste zwemvriend. Hij neemt in deze periode net iets vaker dan ik een duik. De meeste tijd daar gaat op aan een gesprek. Dat doet me goed. Behalve wat oeverloos gepalaver is het ook een wederzijds vinger aan de pols houden. We houden elkaar een beetje in de gaten. Hij mij in ieder geval. De duik beperkt zich tot dompelen; langer dan een halve minuut ben ik niet in het water.

Dat heel even blootstellen aan de kou, die voor de ongeoefende mens al snel pijn doet, is toch weldadig. Tijdens en achteraf. Wat aan me kleeft spoelt weg.

De rest van de week kies ik voor het comfort van op het droge blijven. Daar sta ik soms bij stil, of denk ik over na tijdens het wandelen. Des te meer waardeer ik de kleding die me tegen de elementen beschermt. Er kruipt een milde tevredenheid tevoorschijn: dat ik ook in staat ben me eraan over te geven, als het even niet gaat.

Kalender

De maandkalender van 2015 hangt boven mijn bureau, net als elf jaar geleden. Ik vond een aantekening terug van de dag dat ik hem kocht. Dat was al een eindje in januari van dat jaar; hij moet afgeprijsd zijn geweest. Nu hij twee keer is te gebruiken, is de kalender nog voordeliger. Bovenop de kast ligt een stapeltje andere kalenders. Alleen de schrikkeljaren zullen niet zo snel weer aan de beurt zijn. De maanstanden kloppen ook niet meer. Het gaat me erom visueel te hebben waar we zijn in de maand.

De platen op de bovenste helft hebben een thema: fietsen, weerfenomenen, vogels. Op deze prijken gerestaureerde (of heel goed geconserveerde) Volkswagen-busjes. Bij januari staat een blauwe uit 1967 afgebeeld. Het is gefotografeerd in wat je voorstelt bij de Californische zon, uitbundig. De auto glimt mogelijk meer dan toen hij uit de fabriek rolde. Hoewel niet beschilderd of bestickerd, dringt zich de associatie op met flowerpower. Bij de andere maanden zijn net zulke stralende exemplaren afgebeeld, in datzelfde zonlicht. Ze detoneren heftig met het grijs buiten, en in mijn lijf en brein.

De stilte in de kamer mag er zijn. Er komt zacht muziek uit de speaker rechts voor me, zweverige klanken van Einaudi, geen tekst. Ik probeer vrede te hebben met hoe ik nu ben, wil niet klagen. De ene fase gaat naadloos over in de volgende; van dreigen door te schieten in een manie, naar een periode vol spanning, angst en paniek, tot de huidige intense luiheid en neiging naar somberte. Het is hoopvol dat er verandering in blijft.

Ik slaap veel deze dagen, zowel ’s nachts als tussen de middag. Vermoedelijk overschrijd ik opgeteld de tien uur per etmaal. Mijn gebrek aan ambitie komt eens te meer tot uiting. De behoefte aan beschikbare uren voor iets anders is klein. Het heeft ook wel iets lekkers. Je kunt het zien als een soort winterslaap: uitrusten van het gedoe van het afgelopen jaar en voorbereiden op wat komen gaat.

Een vlugge blik op de kalender leert dat over anderhalve week de schrijfcursus begint, waar ik me voor heb ingeschreven. Dan moet ik er staan, of zitten eigenlijk, of zijn, het is online. De opzet is om meer ruimte te geven aan fantasie. Dat kan ik goed gebruiken, eindelijk een beetje weg van wat er hier en nu speelt. Ik kan er nog geen voorstelling van maken wat het teweeg gaat brengen. Misschien verzin ik straks iets dat speelde in 2015, of in 1967. Ik zal waarschijnlijk een anker in de realiteit willen hebben. Het kan nooit helemaal uit het niets komen.

Je bent wel alvast gewaarschuwd: over een paar weken kan je niet meer alles geloven wat je hier leest. Of kon dat toch al niet?

Bekend

In de supermarkt bij de kiwi’s sprak een vrouw me aan. Ze herkende me van tv. Of ik een presentator was. Of een acteur. Geen van beide. Ik had op dat moment niet de tegenwoordigheid van geest haar toe te vertrouwen dat ze met Beau van Erven Dorens van doen had, of misschien Humberto Tan. Een gemiste kans.

Naar mijn beste weten ben ik nooit op televisie geweest. Ja, lang geleden, op een zender met een heel klein bereik. Een vriend en ik hadden een filmpje gemaakt. Dat was naar aanleiding van het kennismakingsbezoek van Máxima aan Utrecht in 2001, toen nog verloofde van de aanstaande koning. Willem-Alexander was er zelf ook bij. Wij hadden ons opgesteld in de mensenhaag langs de route door Pijlsweerd. Vanaf de hoek waar we stonden konden we van ver het gezelschap, met de nodige beveiligers en hotemetoten, zien naderen.

Naarmate Máxima dichterbij kwam scandeerden de andere aanwezigen en ik steeds luider haar naam. Met mijn lengte lukte het om vanachter het dranghek een hand ver naar voren te steken. Ze nam hem aan. We keken elkaar kort in de ogen. Haar blik van herkenning is duidelijk op video vastgelegd.

Het is alleen nooit helder geworden wie of wat ze herkende. We hadden elkaar nooit eerder gezien. Had het iets te maken met een vorig leven? Viel het haar op dat ik een vreemde eend in de bijt was tussen het voornamelijk volkse publiek? Ik zou het graag nog eens vragen, maar daar zal het niet van komen. Nog los van het feit dat zij zich die straathoek waarschijnlijk niet eens herinnert. Als het naast alle indrukken van die dag überhaupt in haar geheugen terechtkwam.

Voor mij was dat uiteraard anders, zeker nadat mijn vriend een raak filmpje van de ontmoeting had gemonteerd. We boden het aan bij MeerTV, een platform dat lokaal uitzond en beginnende makers de gelegenheid bood hun werk te laten zien. De redacteuren waren enthousiast over wat we gemaakt hadden. Ze roemden de wisselwerking tussen mijn filmende vriend, met zijn droge opmerkingen en vragen tussendoor, en mijn verschijning voor de camera. We deden maar wat en hebben die chemie later niet meer ingezet, wilden er geen formule van maken of het verder uitmelken. Het blijft ons grootste succes.

De vrouw bij de kiwi’s kon me daar moeilijk van kennen. Ze leek niet te willen geloven dat ik een gewone sterveling was. Ik glimlachte maar, misschien zoals een tv-presentator zou doen.

Een paar stappen verder, bij het brood, kreeg ik argwaan; was het mogelijk dat de vrouw me om een andere reden aansprak? Dat ik weer eens met een norse tronie rondliep en dit haar poging was mijn gemoed iets te laten opklaren. Als dat haar bedoeling was, is dat goed gelukt.

In de soep

Eindelijk had ik weer eens een ontspannen dag. Ik nam alle tijd om de Indische pindasoep uit het vegetarische kookboek te maken. Uitje snipperen, sperziebonen afhalen, zoete aardappel schillen en in blokjes. Zo liep de woensdagmiddag op z’n eind. De weken ervoor was er steeds wel iets waar mijn hoge stressniveau op inhaakte, altijd iets om me druk over te maken, de zenuwen van te krijgen. Ik was blij dat deze periode achter de rug leek. Op de keukenradio speelde een zender met de slogan: ‘de hele dag relaxte muziek’. Het kon niet beter.

Mijn telefoon ging over, één keer. Het scherm toonde de naam van mijn oudste zoon (net 21). Die was ’s ochtends uit Helsinki vertrokken met het plan om in drie dagen naar huis te rijden. In z’n eentje. In zijn niet al te jonge Alfa Romeo.

Ik appte hem: ‘Alles goed?’ Direct daarop belde hij opnieuw, met de mededeling dat hij langs de kant van de weg stond. Hij was op de snelweg over een rondslingerende steen gereden. Aan de rechterkant van de auto waren beide banden geklapt. Hij wist even niet goed wat te doen.

De ANWB had hij al gebeld. Omdat het een aanrijding betrof, kon die niets voor hem betekenen. De verzekering zou het moeten oppakken. Daar had hij geen nummer van voorhanden. Ik stelde voor dat op te zoeken, hing op en klapte mijn laptop open. Op dat moment kwam Melanie uit haar werk. Ik bracht haar op de hoogte van de penibele situatie waarin haar kind verkeerde. Ze wilde weten waar hij was. Ik belde terug om het te vragen. ‘Langs de snelweg.’ ‘Ja, oké, maar in welk land?’ Dat bleek Litouwen te zijn.

De copingstrategie van Melanie was om dingen op te gaan zoeken. Ze regelde wat er op afstand te regelen viel. Ik ging verder met de soep. In de hoop de ontspanning terug te vinden. Onbegonnen werk.

De zenuwen waren helemaal terug; trillende handen, bevende benen, de adem hoog. Ik besloot er een half pilletje aan te spenderen om de scherpste kantjes eraf te halen. Het was onvermijdelijk dat de zorgen door mijn hoofd bleven spoken en door mijn lijf raasden. Kon hij daar wegkomen, weg uit de kou en het donker? En zou hij een plek voor de nacht kunnen vinden? Het lukte niet om een schepje bouillonpoeder zonder morsen in de pan te mikken.

Na enige tijd kwam het bericht dat een sleepdienst ingeschakeld werd. Het zou daarna nog zo’n anderhalf uur duren voordat die arriveerde. We droegen onze gestrande reiziger op om laagjes kleding aan te trekken en in beweging te blijven. Daar had hij zelf ook al aan gedacht.

Het volgende dat we vernamen, was dat de auto bij een garage stond. Die zou de volgende ochtend om acht uur opengaan. In het betreffende plaatsje had ons kind een appartement gevonden waar hij kon slapen. Dat konden Melanie en ik toen ook met een gerust hart doen. Van de soep hebben we niet veel gegeten.