Treintje

Bij de laatste keer 24 uur urine verzamelen kwam ik uit op een volume dat ik hier niet durf te noemen. Ik ben daarom begonnen met minder water drinken. Het grote waterglas blijft voortaan in de kast. In plaats daarvan staat het Kikker-glas op het aanrecht, een kinderglas, dan weet ik welke van mij is. De doppers, altijd in de koelkast, sla ik niet meer in een paar teugen achterover. Eerst gaat het water in het glas, daarna neem ik er kleine slokjes van.

Dit probleem kent een lang verleden. Toen ik begon met lithium drukte men mij op het hart vooral voldoende te drinken. Ik kreeg ook een drogere tong, een bekende bijwerking. Het is uitgemond in overmatige consumptie en de vraag of die nog in te tomen is. Over een paar maanden gaat er opnieuw een dag plas naar het lab, een interessant meetmoment.

Als het meezit hoef ik niet meer zo vaak naar de wc. Zeker tijdens uitjes en op reis zal dat een groot verschil maken. Misschien kan ik ook weer zonder zorgen naar het theater of naar de bioscoop.

Daarnaast ga ik mijn zoutinname beperken, nodig voor de nieren. En de lever kan op verlichting rekenen. Ik stop helemaal met alcohol. Het wordt een treintje; wagonnetjes aankoppelen en gaan. Ik ben benieuwd wat de meeste problemen gaat opleveren, waar de grootste terugval zit en hoe die zich manifesteert.

Het bier is een grote kanshebber om hoog te eindigen. Het is ongezond, zeker voor mij met de medicatie die ik slik. Ik heb het lang weggewuifd met de gedachte dat een mens ergens aan dood moet. Een beetje genieten in de resterende tijd staat voorop. De meeste biertjes smaken me ook goed. De bijkomende lichte roes is welkom. Die geeft soms net wat verzachting aan het eind van de dag, of helpt bij sociaal contact. Er zit echter een grote maar aan en die betreft het maathouden. Bij bier verzin ik steeds een regel, bijvoorbeeld alleen voor het weekend in huis halen. Het is opvallend dat weekenden steeds vaker op woensdag beginnen. Die strijd, het afwegen van wel of niet, toegeven aan de zucht of hem negeren, ben ik zat. Daar zit de voornaamste motivatie.

Ik heb bedacht dat het een tijdje moeilijk zal zijn. Mijn hoop is dat daarna geleidelijk de behoefte verdwijnt. Ik teken er ook voor als die er af en toe nog is. Met roken is het zo gegaan, inmiddels 13 jaar geen sigaret aangeraakt. Ik weet wat me te doen staat. Succes helaas niet verzekerd. Toch voelt het als meer dan zomaar een poging.

Beschermd

Voor deze winter is het klaar met zwemmen in de plas. Aan het eind van het najaar heb ik het uit mijn handen laten glippen, was te vaak te bang om te gaan. Die gespannen periode is goeddeels achter de rug, maar de watertemperatuur is nu op z’n laagst. Ik kan het niet opbrengen daar weer aan te wennen.

Ik heb ook geen zin om naar het zwembad te gaan, ben bovendien het pasje kwijt waar de tienbadenkaart op staat. Dat is net het drempeltje dat me tegenhoudt, samen met het krappe kleedhokje, de zwembril en de andere zwemmers in mijn baan. Ik zie het binnenkort niet gebeuren. Het blijft bij wandelen.

Soms spreek ik nog af aan de waterkant, als het meezit eens in de week, met een vaste zwemvriend. Hij neemt in deze periode net iets vaker dan ik een duik. De meeste tijd daar gaat op aan een gesprek. Dat doet me goed. Behalve wat oeverloos gepalaver is het ook een wederzijds vinger aan de pols houden. We houden elkaar een beetje in de gaten. Hij mij in ieder geval. De duik beperkt zich tot dompelen; langer dan een halve minuut ben ik niet in het water.

Dat heel even blootstellen aan de kou, die voor de ongeoefende mens al snel pijn doet, is toch weldadig. Tijdens en achteraf. Wat aan me kleeft spoelt weg.

De rest van de week kies ik voor het comfort van op het droge blijven. Daar sta ik soms bij stil, of denk ik over na tijdens het wandelen. Des te meer waardeer ik de kleding die me tegen de elementen beschermt. Er kruipt een milde tevredenheid tevoorschijn: dat ik ook in staat ben me eraan over te geven, als het even niet gaat.

Kalender

De maandkalender van 2015 hangt boven mijn bureau, net als elf jaar geleden. Ik vond een aantekening terug van de dag dat ik hem kocht. Dat was al een eindje in januari van dat jaar; hij moet afgeprijsd zijn geweest. Nu hij twee keer is te gebruiken, is de kalender nog voordeliger. Bovenop de kast ligt een stapeltje andere kalenders. Alleen de schrikkeljaren zullen niet zo snel weer aan de beurt zijn. De maanstanden kloppen ook niet meer. Het gaat me erom visueel te hebben waar we zijn in de maand.

De platen op de bovenste helft hebben een thema: fietsen, weerfenomenen, vogels. Op deze prijken gerestaureerde (of heel goed geconserveerde) Volkswagen-busjes. Bij januari staat een blauwe uit 1967 afgebeeld. Het is gefotografeerd in wat je voorstelt bij de Californische zon, uitbundig. De auto glimt mogelijk meer dan toen hij uit de fabriek rolde. Hoewel niet beschilderd of bestickerd, dringt zich de associatie op met flowerpower. Bij de andere maanden zijn net zulke stralende exemplaren afgebeeld, in datzelfde zonlicht. Ze detoneren heftig met het grijs buiten, en in mijn lijf en brein.

De stilte in de kamer mag er zijn. Er komt zacht muziek uit de speaker rechts voor me, zweverige klanken van Einaudi, geen tekst. Ik probeer vrede te hebben met hoe ik nu ben, wil niet klagen. De ene fase gaat naadloos over in de volgende; van dreigen door te schieten in een manie, naar een periode vol spanning, angst en paniek, tot de huidige intense luiheid en neiging naar somberte. Het is hoopvol dat er verandering in blijft.

Ik slaap veel deze dagen, zowel ’s nachts als tussen de middag. Vermoedelijk overschrijd ik opgeteld de tien uur per etmaal. Mijn gebrek aan ambitie komt eens te meer tot uiting. De behoefte aan beschikbare uren voor iets anders is klein. Het heeft ook wel iets lekkers. Je kunt het zien als een soort winterslaap: uitrusten van het gedoe van het afgelopen jaar en voorbereiden op wat komen gaat.

Een vlugge blik op de kalender leert dat over anderhalve week de schrijfcursus begint, waar ik me voor heb ingeschreven. Dan moet ik er staan, of zitten eigenlijk, of zijn, het is online. De opzet is om meer ruimte te geven aan fantasie. Dat kan ik goed gebruiken, eindelijk een beetje weg van wat er hier en nu speelt. Ik kan er nog geen voorstelling van maken wat het teweeg gaat brengen. Misschien verzin ik straks iets dat speelde in 2015, of in 1967. Ik zal waarschijnlijk een anker in de realiteit willen hebben. Het kan nooit helemaal uit het niets komen.

Je bent wel alvast gewaarschuwd: over een paar weken kan je niet meer alles geloven wat je hier leest. Of kon dat toch al niet?

Bekend

In de supermarkt bij de kiwi’s sprak een vrouw me aan. Ze herkende me van tv. Of ik een presentator was. Of een acteur. Geen van beide. Ik had op dat moment niet de tegenwoordigheid van geest haar toe te vertrouwen dat ze met Beau van Erven Dorens van doen had, of misschien Humberto Tan. Een gemiste kans.

Naar mijn beste weten ben ik nooit op televisie geweest. Ja, lang geleden, op een zender met een heel klein bereik. Een vriend en ik hadden een filmpje gemaakt. Dat was naar aanleiding van het kennismakingsbezoek van Máxima aan Utrecht in 2001, toen nog verloofde van de aanstaande koning. Willem-Alexander was er zelf ook bij. Wij hadden ons opgesteld in de mensenhaag langs de route door Pijlsweerd. Vanaf de hoek waar we stonden konden we van ver het gezelschap, met de nodige beveiligers en hotemetoten, zien naderen.

Naarmate Máxima dichterbij kwam scandeerden de andere aanwezigen en ik steeds luider haar naam. Met mijn lengte lukte het om vanachter het dranghek een hand ver naar voren te steken. Ze nam hem aan. We keken elkaar kort in de ogen. Haar blik van herkenning is duidelijk op video vastgelegd.

Het is alleen nooit helder geworden wie of wat ze herkende. We hadden elkaar nooit eerder gezien. Had het iets te maken met een vorig leven? Viel het haar op dat ik een vreemde eend in de bijt was tussen het voornamelijk volkse publiek? Ik zou het graag nog eens vragen, maar daar zal het niet van komen. Nog los van het feit dat zij zich die straathoek waarschijnlijk niet eens herinnert. Als het naast alle indrukken van die dag überhaupt in haar geheugen terechtkwam.

Voor mij was dat uiteraard anders, zeker nadat mijn vriend een raak filmpje van de ontmoeting had gemonteerd. We boden het aan bij MeerTV, een platform dat lokaal uitzond en beginnende makers de gelegenheid bood hun werk te laten zien. De redacteuren waren enthousiast over wat we gemaakt hadden. Ze roemden de wisselwerking tussen mijn filmende vriend, met zijn droge opmerkingen en vragen tussendoor, en mijn verschijning voor de camera. We deden maar wat en hebben die chemie later niet meer ingezet, wilden er geen formule van maken of het verder uitmelken. Het blijft ons grootste succes.

De vrouw bij de kiwi’s kon me daar moeilijk van kennen. Ze leek niet te willen geloven dat ik een gewone sterveling was. Ik glimlachte maar, misschien zoals een tv-presentator zou doen.

Een paar stappen verder, bij het brood, kreeg ik argwaan; was het mogelijk dat de vrouw me om een andere reden aansprak? Dat ik weer eens met een norse tronie rondliep en dit haar poging was mijn gemoed iets te laten opklaren. Als dat haar bedoeling was, is dat goed gelukt.

In de soep

Eindelijk had ik weer eens een ontspannen dag. Ik nam alle tijd om de Indische pindasoep uit het vegetarische kookboek te maken. Uitje snipperen, sperziebonen afhalen, zoete aardappel schillen en in blokjes. Zo liep de woensdagmiddag op z’n eind. De weken ervoor was er steeds wel iets waar mijn hoge stressniveau op inhaakte, altijd iets om me druk over te maken, de zenuwen van te krijgen. Ik was blij dat deze periode achter de rug leek. Op de keukenradio speelde een zender met de slogan: ‘de hele dag relaxte muziek’. Het kon niet beter.

Mijn telefoon ging over, één keer. Het scherm toonde de naam van mijn oudste zoon (net 21). Die was ’s ochtends uit Helsinki vertrokken met het plan om in drie dagen naar huis te rijden. In z’n eentje. In zijn niet al te jonge Alfa Romeo.

Ik appte hem: ‘Alles goed?’ Direct daarop belde hij opnieuw, met de mededeling dat hij langs de kant van de weg stond. Hij was op de snelweg over een rondslingerende steen gereden. Aan de rechterkant van de auto waren beide banden geklapt. Hij wist even niet goed wat te doen.

De ANWB had hij al gebeld. Omdat het een aanrijding betrof, kon die niets voor hem betekenen. De verzekering zou het moeten oppakken. Daar had hij geen nummer van voorhanden. Ik stelde voor dat op te zoeken, hing op en klapte mijn laptop open. Op dat moment kwam Melanie uit haar werk. Ik bracht haar op de hoogte van de penibele situatie waarin haar kind verkeerde. Ze wilde weten waar hij was. Ik belde terug om het te vragen. ‘Langs de snelweg.’ ‘Ja, oké, maar in welk land?’ Dat bleek Litouwen te zijn.

De copingstrategie van Melanie was om dingen op te gaan zoeken. Ze regelde wat er op afstand te regelen viel. Ik ging verder met de soep. In de hoop de ontspanning terug te vinden. Onbegonnen werk.

De zenuwen waren helemaal terug; trillende handen, bevende benen, de adem hoog. Ik besloot er een half pilletje aan te spenderen om de scherpste kantjes eraf te halen. Het was onvermijdelijk dat de zorgen door mijn hoofd bleven spoken en door mijn lijf raasden. Kon hij daar wegkomen, weg uit de kou en het donker? En zou hij een plek voor de nacht kunnen vinden? Het lukte niet om een schepje bouillonpoeder zonder morsen in de pan te mikken.

Na enige tijd kwam het bericht dat een sleepdienst ingeschakeld werd. Het zou daarna nog zo’n anderhalf uur duren voordat die arriveerde. We droegen onze gestrande reiziger op om laagjes kleding aan te trekken en in beweging te blijven. Daar had hij zelf ook al aan gedacht.

Het volgende dat we vernamen, was dat de auto bij een garage stond. Die zou de volgende ochtend om acht uur opengaan. In het betreffende plaatsje had ons kind een appartement gevonden waar hij kon slapen. Dat konden Melanie en ik toen ook met een gerust hart doen. Van de soep hebben we niet veel gegeten.

Hospitaleros

Op weg naar Deventer voor een ontmoeting met een vriendin zat ik in een vierzits met mijn rug naar de rijrichting. Liever keek ik in de trein vooruit, maar de laagstaande zon straalde onbarmhartig door het vuile raam. Om niet voortdurend met mijn ogen te hoeven knijpen was ik kort na vertrek naar deze kant verkast. Mijn jas, muts en sjaal lagen op de bank tegenover me. Aan de andere zijde van het gangpad haalden vier vriendinnen herinneringen op aan skiklasjes. Er was niets om me aan te ergeren, dat mocht ook weleens.

Bij de stop in Apeldoorn stapte een wat ouder stel de coupé binnen, zeventigers. Ze hadden hun zinnen gezet op de zitplaatsen tegenover mij. De man wees op mijn spullen en vroeg met een minimaal aantal woorden, eigenlijk geen, alleen ‘ahum’, of ik die wilde verwijderen. Ik nam ze op schoot. Zij namen plaats.

Ieder van hen had een nauwelijks gevulde rugzak bij zich, met wandelstokken onder de bandjes aan de zijkant. Ze droegen hoge wandelschoenen.

Het is niet mijn gewoonte gesprekjes met vreemden te beginnen; wellicht moet ik dat vaker doen. Het schijnt dat je er een gelukkiger mens van wordt. Het gebeurde bijna buiten mijn wil om dat ik vroeg naar het voor de hand liggende: of ze gingen wandelen. Dat gingen ze.

Na een vervolgvraag werd het stel toeschietelijker. Ze waren op weg naar een locatie in de natuur om daar een cursus hospitaleren te volgen (niet te verwarren met ‘hospitaliseren’, wat ik eerst deed). Ze wilden leren hoe je een herberg langs de Camino beheert en pelgrims verwelkomt. De cursus was bedoeld voor mensen die de tocht zelf al gedaan hadden.

Ik vertelde in ’96 de reis te hebben ondernomen, te voet vanuit Utrecht. Voor het gemak liet ik deze keer achterwege dat ik in Frankrijk een flink stuk had gelift; doet er ook niet toe. De man zei: ‘Dat zou ik nooit in mijn eentje durven.’ ‘Ik ook niet meer,’ reageerde ik: ‘het zal jeugdige overmoed geweest zijn, ik was begin twintig.’

De trein reed. We belandden in een serieuze conversatie, wisselden wat ideeën en ervaringen uit. Later zag ik op de reisplanner dat het ritje tien minuten had geduurd; het leek langer.

De vrouw vroeg, toen we bijna mijn bestemming bereikten: ‘Wat heeft de wandeltocht je gebracht?’ Ik vond het te ver voeren om daar op in te gaan, maar hoorde me toch beginnen. Hoewel het in mijn huidige leven een povere rol speelt – ik ga voor zekerheid – bracht ik het oude liedje ten gehore: ‘Ik heb geleerd om te vertrouwen op de voorzienigheid; dat wat nodig is dient zich aan.’ Daar konden de hospitaleros in spe wel wat mee.

Als toegift debiteerde ik: ‘Naar analogie van wat bekend is over dieven kun je stellen: eens een pelgrim, altijd een pelgrim. De reis is zonder einde.’ Het was de hoogste tijd voor de conducteur om mijn station om te roepen en mij te stoppen.

Vingertoppen

Met een vriend stond ik aan de rand van de plas. We spraken over lichamelijke gebreken, onze kinderen, politiek. De punten van mijn schoenen rustten op het hout van de beschoeiing, mijn hakken trapten een stukje gras langzaam tot modder. Ik vertelde dat er sinds lange tijd weer eens een gedicht uit mijn handen was gekomen. Een rimpeling trok over het water. Mijn vriend vroeg of het wel goed met me ging. Het was, behalve een grapje, ook een terechte vraag, want het schrijven van gedichten is in het verleden vaak een verklikker gebleken van een verhoogde stemming.

Eerst kan ik in zo’n staat situaties extra goed aanvoelen; mijn antennes staan fijner afgesteld. In mijn alledaagse handelen sluipt een zekere vanzelfsprekendheid. Ik zou willen dat ik dat altijd in die mate had. Het maakt het leven makkelijker; contact verloopt soepeler, dingen deugen meer. De blokken die anders nog willen wringen vallen moeiteloos in de juiste vakjes.

We hadden lang genoeg gedraald. Kleren uit, tijd om erin te gaan.

Tijdens het zwemmen maakte ik me een beetje zorgen. Als die gevoeligheid verder zou toenemen, kon ze uitmonden in leven op het scherpst van de snede. Dat heeft zeker mooie en aantrekkelijke kanten, maar functioneren met die intensiteit is niet lang vol te houden. Daar heb ik ruimschoots ervaring mee. Het is verleidelijk om met de stroom mee te gaan, maar ik kan er beter uit blijven.

Na een kleine vijf minuten klom ik weer op de kant. Voetje voor voetje, bewust van iedere stap, liep ik daarna door het natte gras naar mijn handdoek en het bergje kleding dat lag te wachten. Tijdens het afdrogen kwam nog ter sprake wat we zouden willen veranderen in ons leven. Ik zei dat ik niets op het oog had. Mijn prioriteit, bedacht ik intussen, ligt bij het intomen van het aanstaande overschot aan energie. Het zojuist hervonden fingerspitzengefühl zal vooral in dienst moeten staan van zijn eigen beteugeling. Hoe moeilijk zo’n tegenbeweging ook is.

Het is alvast wat dat ik het zo snel herken. Dat is weleens anders geweest. De jaren beginnen te tellen, in dit geval in positieve zin. Gaandeweg heb ik me deze vaardigheid eigen gemaakt. Ik ben intens tevreden erover te kunnen beschikken.

Lopend op weg naar de uitgang vertelde ik nog vol esprit een verhaal dat mijn vriend niet eerder had gehoord en waar hij van opkeek. Hij hoorde het aan met zichtbaar plezier. Nadat we gedag hadden gezegd en ieder zijns weegs ging, ik wandelend naar huis, voelde ik dat het onmiskenbaar tijd werd voor handschoenen.

Rollen

Mijn vader moest zijn kamer opruimen. De verhuizing naar een nieuw woonzorgcentrum was net achter de rug; twee dagen verbleef hij er nu. Het vorige onderkomen was krap bemeten, ronduit benepen zelfs. De hal, de gangen, de lift, alles paste maar net binnen het in een woonwijk geperste gebouw. Het uitzicht vanuit zijn kamertje liet te wensen over: steen, asfalt, geen groen. Hij kon er niet aarden. Op de afdeling woonden voornamelijk mensen met een verder gevorderd stadium van dementie. Daar kwam bij dat hem vanuit die instelling weinig vrijheid geboden werd. Hij was er vanaf het begin doodongelukkig.

Mijn broer en zus hadden hun handen weer vol gehad aan het zoeken naar een nieuwe plek en alles wat erbij kwam kijken. Ze zijn sowieso veel in touw sinds de ziekte mijn vader steeds meer beperkingen oplegt. Als het ene geregeld is, verandert de situatie weer snel en moet het volgende probleem worden opgelost. Mijn zus verzuchtte al eens dat ze er geen baan bij kon hebben. Ik kan niet overzien hoeveel tijd en energie al die mantelzorg vergt, dat nog los van de bijkomende emoties.

Mijn eigen rol is bescheidener. De verdeling van de taken heeft zich op organische wijze gevormd naar mogelijkheden en belastbaarheid. Ik ga op de koffie; voor een praatje en soms wat beweging.

Voor de eerste keer op weg naar de nieuwe locatie kreeg ik in de trein een appje van mijn broer: of ik ook even wilde kijken hoe ver het opbergen van de kleding was gevorderd. Kleine moeite.

Opgetogen toonde mijn vader de ruimte waar hij nu was geland. Het deed me goed te zien dat die meteen een gunstige invloed op zijn stemming had. Hij was heel tevreden met de grotere kamer, met weer plek voor een televisie en een eigen douche en wc. Het uitzicht was aanmerkelijk verbeterd. Hij mocht ook gaan en staan waar hij wilde. Hier kon hij het naar eigen zeggen wel een tijdje uitzingen.

Voor de kast lagen de bewuste kledingstukken, sommige half in een boodschappentas. Inruimen had hij willen doen, maar was hij nog niet aan toegekomen. De krant had hem die ochtend in beslag genomen. Ik legde alvast twee stapeltjes in een la. Daarna dronken we koffie in een cafeetje beneden. Een wandelingetje zat er ook nog in.

Het was zacht buiten en de zon prikte af en toe door de sluierbewolking. Zonder wandelstok, vergeten mee te nemen, ging het lopen moeizaam. Toen we even stonden uit te blazen tegen de leuning van een brug, belde mijn zus me. Ze was net zelf gebeld. Iemand van de verpleging had geconstateerd dat er nog kleding op de grond lag in de kamer van meneer. Dat kon echt niet. Daar moest iets aan gebeuren. Of ik dat door wilde geven. Daar stond ik dus, op die brug, mijn vader vaderlijk toe te spreken.

Onderdompelen

De precieze overwegingen om mijn verjaardag te willen vieren ben ik vergeten. Ik werd 53, geen rond getal, daar lag het dus niet aan. Het leek me anderhalve maand eerder, denk ik, wel aardig om met een paar mensen samen te komen in een eetcafé in de buurt. Voor ik het wist had ik (even tellen) acht vrienden uitgenodigd, dat zijn ze allemaal. Een vriendin liet al snel weten in het buitenland te zijn. Een ander appte ’s middags dat hij niet fit was. De rest was er, met Melanie, mijn jongste en ikzelf erbij negen in totaal.

Vooraf was ik zenuwachtiger dan waar ik op had gerekend. Zelf ga ik zelden naar verjaardagen of feestjes. Het ligt me niet, dat soort sociale interactie. Liever heb ik een-op-eencontact, zodat in relatieve rust een gesprek kan ontvouwen, bijvoorbeeld tijdens een wandeling, of voorafgaand aan een duik. Zo zie ik de meesten doorgaans ook, individueel.

Nu voelde ik me als gastheer ineens verantwoordelijk voor het welslagen van een bijeenkomst waarbij iedereen samen zou zijn. Als dat maar goed ging.

Het kwam zo uit dat ik een week eerder wel bij een feestje aanwezig was geweest. Een van mijn genodigden vierde thuis, ook met een bescheiden aantal mensen, zijn zestigste verjaardag. Daar aanwezig zijn ging me opvallend makkelijk af. Ik beschouwde het maar als een soort generale en putte er wat vertrouwen uit.

Het maakte slechts een beetje verschil. Op mijn eigen grote dag probeerde ik toch uitvluchten te verzinnen, manieren om er onderuit te komen. Het was een mechanisme dat ik aan had kunnen zien komen. De mate waarin overviel me alsnog. Zou ik ziekte kunnen veinzen? Mijn zenuwen overdrijven en zeggen dat ik het echt niet trok? Zonder opgaaf van reden wegblijven? Op mijn eigen feestje. Waarom, vroeg ik me af, heb ik me hieraan blootgesteld? Waar is dit voor nodig?

Dezelfde vragen stel ik soms bij het buiten zwemmen in de herfst, en zeker in de winter. Tijdens het uitkleden op het veldje, met de wind recht op mijn onbeschermde huid, wil ik echt niet. Het is een gevoel waar niet tegenop te denken valt, geen redelijk argument houdt stand. Het idee zometeen te water te gaan maakt me zelfs een beetje bang.

Zo zag ik, gek genoeg, ook op tegen het samenzijn, juist met die vertrouwde mensen. Ik was me in de loop van de dag als het ware heel langzaam aan het uitkleden voor een onderdompeling waar ik, naarmate die dichterbij kwam, steeds minder zin in had. Het grote verschil, warmte in plaats van kou, leek niet uit te maken. De weerstand was even groot. Maar ook nu, eenmaal kopje onder in die kroeg, wist ik meteen waar ik het voor deed.

De verantwoordelijkheid voor het welslagen van de avond rustte niet alleen op mijn schouders. Ieder nam zijn of haar deel op zich, vanzelfsprekend, alsof het nooit anders had kunnen zijn. Eigenlijk best gezellig. Nee hoor, dat mag sterker: hartverwarmend.

Popcorn

Meer dan een kwarteeuw geleden, de Twin Towers stonden nog overeind, bezocht ik voor een paar dagen New York. Het was onderdeel van iets groters, ik was niet speciaal voor die stad in het vliegtuig gestapt. Ik reisde alleen, iets wat ik me nu nog nauwelijks kan voorstellen. Met de andere gasten van het hostel om de hoek van Central Park had ik geen contact. In een bar op Amsterdam Avenue dronk ik een whisky met een man die zich een paar glazen later tot oplichter ontpopte. Verder sprak ik niemand.

Ik had mijn skates mee en maakte wat rondjes door het park. De loomheid en de zachtheid van de Indian Summer deden zich gelden. Ik wilde me niet overgeven aan de geijkte bezienswaardigheden, liever begaf ik me onder de plaatselijke bevolking aan de rand van Harlem, toen al niet meer het diepe getto. Zo zonder iets bijzonders om te doen draaide het uit op slenteren door de brede straten en langs basketbalveldjes.

Halverwege een middag kwam ik langs een bioscoop waar Saving Private Ryan op het punt stond te beginnen. De titel zei me niet veel, maar het leek me het proberen waard.

In de veronderstelling dat het nu eenmaal zo hoorde in een Amerikaanse bioscoop, kocht ik bij de balie een extreem grote beker cola en een extreem grote bak popcorn. De zaal was al donker en zat vol toen ik de toegangsdeur met mijn voet openduwde. Alles bezet, alleen míjn stoel was nog vrij. Tijdens de tocht door het gangpad viel me op dat niemand anders iets te eten of te drinken mee had. Behoedzaam nam ik plaats tussen twee mensen. Ik kon alleen maar raden naar de blikken die me ten deel vielen. Veel aandacht zal men mij ook weer niet geschonken hebben, want de film was al bezig.

Het was baanbrekend hoe hyperrealistisch de landing op de kust van Normandië in beeld werd gebracht. En in geluid. Toen ik de film onlangs thuis nog een keer zag, ontdekte ik destijds in dat zaaltje de eerste scènes te hebben gemist. Zodra ik zat, vlogen de eerste kogels al over het scherm. Er slingerden ledematen over het zand en door zwarte rookwolken. Ingewanden puilden uit buikwanden. Kogelgaten verschenen in hoofden. Mensen vielen om, schreeuwden, jankten, bidden. Ik ga me de moeite besparen om uit te zoeken hoeveel minuten die geweldsorgie duurde, veel in ieder geval.

Ik begon intussen toch maar aan de popcorn die pontificaal op mijn schoot stond en probeerde geluidloos te kauwen. Het wilde niet erg smaken. Het voelde alsof ik een overtreding beging. Een slok cola nemen leek ook al zo ongepast onder het leed dat van het scherm spatte. Ik had nog een lange weg te gaan.

Veroordeeld tot gespartel

Mijn eerste paniekaanval ooit overkwam me 21 jaar geleden in het water. Ik was begin dertig en daarvoor was er nooit zoiets gebeurd. Hij leek uit de lucht te komen vallen, maar intussen. Mijn vrouw en ik waren net getrouwd en we verwachtten ons eerste kind. We woonden ook net samen, de komst van de kleine had van alles in een stroomversnelling gebracht. Me niet bewust bang te zijn voor wat dan ook, zat er onderhuids kennelijk iets te borrelen.

Zoals vaker stak ik zwemmend de plas over, heen en terug ongeveer 800 meter. Het was half oktober, ik wilde eens proberen de hele winter door te zwemmen. De watertemperatuur was 15 graden, nog goed te doen. De zon scheen die middag volop en de wind bleef beperkt tot een minimale bries. Onder zulke omstandigheden was het een stuk makkelijker om de koelte te doorstaan.

Ik zwom. Op de oever aan de overzijde stond een man met een werphengel. Om een onverklaarbare reden verontrustte me dat zo dat ik eerder omkeerde dan ik gewend was te doen. Halverwege de terugweg begon het.

Mijn armen wilden niet meer. Mijn beenslag zwakte af. Noodgedwongen ging ik over van borstcrawl op schoolslag, dan zou de duizeligheid misschien afnemen. Mijn doorgaans ferme slag werd een krachteloos gespartel, het water werd stroop, voor mijn gevoel lag ik stil. En ik moest vooruit, nog zo’n vier banen in een vijftigmeterbad, onhaalbaar op deze wijze. Ik kon niet naar een trappetje om er eerder uit te klimmen, verdrinken lag op de loer. De consequenties van mijn dood schoten door mijn hoofd: mijn lief zou alleen zijn bij het grootbrengen van ons kind, een kind dat het zonder vader moest stellen. Op het veldje in de verte bewogen figuurtjes in een wereld waar ik al niet meer toe behoorde. Dit was het dan.

Ten langen leste begon een andere zwemmer aan de oversteek. Eenmaal dichtbij genoeg vroeg ik hem of hij met me mee terug wilde zwemmen. Het kan heel goed zijn dat ik mijn verzoek begon met een welgemeend ‘help!’. De rust en de kracht namen het daarna weer over. Die ander kon me nauwelijks bijhouden. Evengoed zwem ik sindsdien langs de kant, overigens geen garantie voor het wegblijven van paniek.

Een paar jaar terug deden zwemboeien hun intrede. In de felgekleurde ballon neem ik sleutels, pasjes en soms mijn telefoon mee, handig om diefstal te voorkomen. Bovendien kan ik er, indien nodig, onderweg op leunen. Zo zijn er meer dingen in mijn leven die wat zekerheid moeten verschaffen in reactie op de algemeen aanwezige angst voor de angst. Activiteiten kleiner maken of achterwege laten horen daar ook bij. Ik mag graag denken dat ik me niet laat beperken, toch blijft de impact fors. Die eerste paniekaanval werkt door, ik ben hem nog steeds niet echt te boven. Wie weet ooit.

een versie van deze tekst verschijnt ook in Plusminus Magazine
illustratie: Bert Bakker