Afhaal

Het beste sushirestaurant in de stad bezorgde om onduidelijke redenen niet in mijn postcodegebied. Ik kon wel afhalen en kreeg daarbij in de zomermaanden een korting van maar liefst 25%. Ik had het saldo van mijn rekening bekeken en vond dat het er wel af kon. Zo vaak eet ik niet van de Japanner.

De fietstijd bedroeg een minuut of 20, samen met het afhalen zelf en het terugfietsen ongeveer 45 minuten. Dat was geen probleem. Ik had toch niets beters te doen. Zelf een goede maaltijd bereiden duurde bovendien net zo lang. ‘Lekker belangrijk,’ zou mijn vader hierop zeggen.

Ik had het menu in de loop van de week meerdere keren bestudeerd. De namen waren lastig te onthouden, iets met sashimi, maki en nigiri. Welke bij wat hoorde wist ik niet, een gebrek aan ervaring. Ze hadden er op de website gelukkig plaatjes bij.

Ik wist inmiddels wat ik wilde hebben, en het was veel, een hoeveelheid waarvan de bereider zou denken dat die voor minimaal drie personen bedoeld was. Ik kon prima alleen genieten, ging het er goed van nemen, had bedacht dat ik rond vijf uur zou beginnen met bestellen, maar verwachtte niet zo lang te kunnen wachten.

Mijn vakantie was begonnen. ’s Ochtends had ik een laatste druppel vrijwilligerswerk gedaan. De bijdrage was onlangs gestort. Daarmee kon ik het feestmaal bekostigen. Het is maar goed dat ik niet echt veel te besteden heb, anders zou ik dit zo vaak doen dat de lol er vanaf ging.

Locatie

Melanie en ik zijn, naast dat we elkaar dagelijks zagen, maanden verbonden geweest via de app Zoek vrienden. Na het eerste proberen hebben we de functie niet meer uitgezet.

Ik keek het meest. Zij heeft er nooit een gewoonte van gemaakt. Het was niet zo interessant om te zien dat ik nog steeds thuis zat, boodschappen deed of misschien een uurtje bij de plas lag. Als ik dan toch een keer op pad was, dacht ze er meestal niet aan om te kijken.

Dat deed ik altijd wel. Soms stuurde ik haar een schermafbeelding, zodat ze zelf ook kon zien waar ze uithing. Soms was het echt praktisch, bijvoorbeeld om te zien of ze al van haar werk vertrokken was en hoe ver onderweg. Dan wist ik vrij nauwkeurig wanneer het eten op tafel kon. Als ze een avond op stap was, wist ik of het de moeite loonde een nieuwe aflevering te starten. Ja, het was best handig.

Tot we toe waren aan een breuk en recht konden doen aan de gevoelens dat de app belachelijk en afkeurenswaardig is. Zij ging met de kinderen een kleine week fietsen. Ik wist vooraf dat ik er geen genoeg van zou krijgen hun locatie na te gaan en heb haar daarom gevraagd de vriendschap op te zeggen. Alleen zij kon dat, zodat ik haar niet meer kon volgen.

We zijn nu een dag of vier gescheiden. Ik vertrouw erop dat ze is waar ze wezen moet en zie haar wel weer verschijnen.

Naam

Bij een filiaal van koffieketen Starbucks bestelde ik eens een koffie. Uit de meewarige blik van het meisje maakte ik op dat mijn keuze uitzonderlijk was. Ik kon meteen afrekenen en mijn beker meenemen. Andere klanten bestelden gangbaarder en bewerkelijker koffievarianten. Hun namen moesten op het karton. Het omroepen later gaf de zaak iets van een schoolklas.

Dat ik sinds een paar jaar mijn vaste wandelroute schoonhoud, heeft daar niet direct iets mee te maken. Aan het begin van de zomer vul ik drie boodschappentassen, daarna wekelijks ongeveer een halve. De oogst bestaat voornamelijk uit de gebruikelijke verdachten: blikjes, flesjes, sigarettenpakjes.

Een enkele keer raak ik in gesprek met iemand die me bezig ziet. De loftuitingen zijn niet van de lucht. Daarnaast valt de boosheid op. Dat het een schande is dat er zoveel op straat wordt gegooid. Dat je het in hun eigen voortuin zou moeten dumpen. Dat ze smeriger zijn dan honden, bezwoer een vrouw me ook.

Als opruimer ken ik die woede niet. Ik ben eerder nieuwsgierig dan boos, nieuwsgierig naar wie zijn omgeving zo achterlaat. Veel aanknopingspunten zijn er niet, patronen zijn nauwelijks te herkennen. De anonimiteit van de werper, tenzij op heterdaad betrapt, is goed gewaarborgd. Een enkele keer kom ik meer te weten. Maar dan nog: wie ben ik om er iets van te zeggen? Ik ben een wandelaar, geen schoolmeester.

Deze buitenkans, na het uit de berm vissen van een koffiebeker met deksel, wil ik toch graag benutten: niet meer doen hè, Daniël.


Dit was de inzending die het niet haalde bij de columnistenjacht van de Volkskrant. Het is een drastisch ingekorte versie van een blog dat eerder op Nooit niks verscheen.

Wedstrijd

Het is vakantie, grotendeels. Vanochtend werd ik wakker en had ik echt geen idee welke dag het was. Met mijn hoofd nog op het kussen deed ik heel hard mijn best het te bedenken. Het duurde zeker een halve minuut voor ik wist dat dit een maandag betrof. Toen vulden mijn gedachten zich al snel met wat me te doen stond: niet heel veel. Ik moest naar de bakker en een supermarkt. Ik zou ’s middags zwemmen. Ik wilde een bestelling doen bij de slager voor de barbecue een dag later, dinsdag dus.

Op die dag zal mijn column in de Volkskrant verschijnen. Daar heb ik echter nog geen zekerheid over. Het is wel een steengoed stukje tekst, geen woord of letter te veel, precies wat het moet zeggen. Het is een ingekorte versie van een blog dat eerder op Nooit niks verscheen en nog veel beter is geworden. Ik heb het ingezonden voor de wedstrijd op de achterpagina. Mogelijk wordt mijn verhaal onderbroken voor een beoordeling. In dat geval wint het niet. Als het in zijn geheel wordt geplaatst, wint het wel. Ik vind het allebei goed. Nog één nachtje slapen. Ik ben er best nerveus over, dat mag blijken.

Morgenochtend hoef ik bij het ontwaken niet lang te denken welke dag het is. Nog voor de wekker stommel ik de trap af om de krant van de mat te rapen en achterop te kijken. De teleurstelling is groot als mijn column daar niet prijkt. Ik reken op succes.

Zusje

Mijn zus en ik schelen anderhalf jaar en dertig centimeter. De eerste herinneringen die me te binnen schieten aan ons samen, zijn onze handen op elkaars armen. Als kleine kinderen mepten we wat af. Ik heb geen idee meer waar onze ruzies mee begonnen. Het zal vaak onbeduidend zijn geweest. Ik zou de wederzijdse aanvallen, waarvan er waarschijnlijk meer van haar kwamen dan van mij, geen klappen willen noemen. Het waren eerder petsen, een woord dat in online woordenboeken nog maar beperkt voorkomt. Van Dale brengt het in verband met vinnig en venijnig. Ze leverden kortstondige rode plekken op, geen blauwe. Als er eentje was uitgedeeld, moest er uiteraard eentje worden teruggegeven, liefst iets harder dan de zojuist ontvangen. Zo ging het heen en weer. Soms renden we achter elkaar aan door het huis. Soms bleven we tegenover elkaar staan om elkaar pets na pets te geven. In de zomer, als we shirts met korte mouwen droegen, kwamen ze harder aan, vlakke hand op blote huid. We zeiden of gilden er vast iets bij: ‘Hier!’ Pets.

We kunnen het terugkijkend natuurlijk zien als liefde. Het was misschien een oefening voor latere relaties, of een huwelijk. Ze is deze week getrouwd. Ik heb in de bijna zeventien jaar met Melanie weinig aan petsen gedaan. Ik zou niet weten hoe dat bij het verse echtpaar zit.

Ik weet dat mijn zusje van zich af kan bijten. Ze laat niet over zich heen lopen of de kaas van het brood eten. Ze weet hoe ze het hebben wil en laat dat duidelijk merken. Daar is haar man intussen ook van op de hoogte. Ze hebben ruim de tijd genomen alvorens er ringen bij te halen. Zo is de kans op verrassingen kleiner.

Aan de andere kant is er het uiterst zorgzame van mijn zus. Ze kan iemand tegen het lijf lopen en er dan helemaal zijn voor die persoon. Als kind aan het Utrechts Jaagpad in Leiden, onze geboorteplaats, was dat al zo. Een paar buren konden zich verheugen in haar volle aandacht. Een recent voorbeeld is een oudere man bij haar vorige adres in Zeist. Ongetwijfeld is er in haar nieuwe buurt binnenkort iemand die haar zorg te beurt valt. Naast de bruidegom uiteraard, die haar nooit helemaal voor zich alleen zal hebben.

In tijden dat ik het moeilijker had, was ze er voor mij. Niet onbelangrijk. En ze is die ene die elke week een berichtje stuurt in reactie op mijn blogs. (Nu kan ze niet anders dan dat blijven doen.)

Wat ik me nog meen te herinneren van onze venijnige vechtpartijen is dat onze moeder ons op den duur maar liet begaan, niet meer tussenbeide kwam, waarschijnlijk in de hoop dat we het vanzelf zouden afleren. Dat is een goede inschatting geweest. Het gaat er nu een stuk vriendelijker aan toe. We petsen al een tijd niet meer. De rode plekken zijn verdwenen. De liefde is gebleven. Die is bovendien groot genoeg om met een paar anderen te delen.

Dit is blog nummer 100 op Nooit niks. Ik neem een paar weken pauze, ook om aan een bundeling van de blogs te werken. Tot later. Mark

Billy

De vorige keer dat ik de plas overzwom was eind oktober 2004. Het is intussen vaak genoeg gememoreerd dat ik toen op de terugweg zo in paniek raakte dat ik anderhalf decennium niet durfde. Tot nu. Iets om blij over te zijn, het is gelukt.

Het lukte precies een week na het officiële begin van de zomer en drie weken nadat ik in een blog had aangekondigd het deze zomer te proberen. Daar zaten nog wat haken en ogen aan en de nodige tussenstadia. Zo wilde ik eerst dichtbij de oever aan de korte kant overzwemmen en daarna langzaam op het open gedeelte de afstand uitbreiden. Het had best een flink deel van de zomer in beslag kunnen nemen.

Gerrit, de tachtig gepasseerd en een winterzwemmer die alleen ’s zomers zwemt (ja, die zijn er), vertelde eind juni dat hij naar de overkant was gezwommen. Daarbij had hij steun gehad aan een zelf gefabriceerde drijver. Hij is een soort uitvinder, bouwt altijd ingenieuze windschermen om zijn dutjes achter te doen en zijn fameuze massages uit te voeren. Naar voorbeeld van de nieuwerwetse oranje zwemboeien, een enkele keer zie je een roze, had hij het kussen van een luchtbed geknipt, er met een sleutelring een koord aan bevestigd en dat om zijn middel geslagen. Onderweg in het water kon hij bij vermoeidheid even leunen en rusten. Zo ging hij de hele plas over en genoot af en toe van het uitzicht.

Door hem geïnspireerd besloot ik een poging te wagen. Ik ben er de persoon niet naar om zelf iets te maken, gooide er wat geld tegenaan en liet een exemplaar uit internet komen.

De oranje zwemboeien verschenen twee jaar geleden. Vorig jaar waren er al een stuk meer. Nu zie je ze overal. Bij de tocht van Van der Weijden kwam er een tv-beeld voorbij van een man of veertig met ieder een ballonnetje achter zich aan. De drijver heeft meerdere functies. Er kunnen waardevolle spullen droog in mee, die je niet op de oever wilt achterlaten. Zelfs een beetje kleding zou erin kunnen. Daarnaast is de zwemmer goed zichtbaar voor scheepvaartverkeer en in geval van nood voor redders.

Op de verpakking staat uitdrukkelijk vermeld dat het ding niet bedoeld is als ‘life saving device’. Daar wilde ik hem juist wel voor gebruiken. Leven zonder overzwemmen is minder leven. Hij kon net wat extra vertrouwen geven.

Billy, zoals ik hem meteen maar doopte, werd een dag eerder dan verwacht geleverd. Ik zou die donderdagmiddag meteen aan de bak kunnen, maar vond het te plotseling. Het was me plotseling genoeg toen ik de dag erna het koord omsnoerde. Zonder de andere zwemmers vooraf te informeren begon ik aan de tocht. Niet helemaal zonder zenuwen. Op driekwart dacht ik alsnog aan omkeren en keek om. Winterzwemmer Cor bevond zich vlak achter me, bleek, met zijn kalme slag. Ik zette door.

Ik heb het gedaan. Na vijftien jaar. ‘Niet te bevatten,’ zou ik een toegesnelde reporter hebben gemeld. De voornaamste emotie die middag was een stil verdriet.

Spel

Een vriendin en ik maakten de wereld beter. We groetten iedereen tijdens onze wandeling door parkbos Amelisweerd. Ik vertelde haar dat ik er soms een spel van maak, voortgekomen uit de periode dat groeten voor mij problematisch was. Het is simpel. Ik zeg iemand gedag en de reactie gebruik ik voor de volgende die ik tegenkom. Bijvoorbeeld ik: ‘Goedemorgen.’ Ander: ‘Hallo.’ Ik bij de volgende: ‘Hallo.’ Volgende: ‘Hoi.’ Ik daarna: ‘Hoi.’ Die daarna: ‘Dag.’ En zo verder. Ik heb het nauwelijks werkelijk gedaan, het is vooral een leuk idee. Ze kon er wel om lachen. We besloten een poging te doen.

Twee mannen kwamen ons tegemoet op een smal pad. Het zag eruit of ze geen gelijkwaardige relatie hadden, maar bijvoorbeeld coach en cliënt waren. De coach liep van ons af gezien rechts. Het was een forse man, waarmee ik bedoel dat hij een flinke pens had. Over de buik hing een streepjesoverhemd. De man luisterde naar de ander, die een stuk ieler was. Toen de twee zo dichtbij waren dat we konden horen waar het over ging, was de coach nog geen centimeter opzij gegaan. Van een afstandje leek hij dat al niet van plan, maar ik dacht dat hij op het laatst plaats zou maken. Hij deed het niet. Ik had me intussen achter mijn vriendin gemanoeuvreerd. Om een botsing te voorkomen moesten we zelfs een stap in het gras doen.

‘Ha lul,’ zei ik in het voorbijgaan.

‘Pardon?’ Hij stond meteen stil en draaide zich om.

‘Ik zei hallo,’ verduidelijkte ik.

‘Niet wat ik hoorde.’

‘Dat komt doordat je zo breeduit loopt dat we ons langs je moeten wringen. Volgens mij voer je een test uit.’

‘Wat voor test zou dat zijn?’

Ik voelde al dat ik dit ging verliezen, deed een stap naar voren en gaf hem met twee handen tegen zijn borst een duw. Het had nauwelijks effect op zijn houding.

‘Kom Mark, we gaan verder,’ zei mijn vriendin snel.

‘Ik wil eerst dat deze man sorry zegt.’

‘Sorry waarvoor?’ vroeg hij.

‘Sorry voor je onbeschofte gedrag.’

Nu deed hij een stap naar voren en duwde mij op dezelfde manier als ik hem net had geduwd. Ik raakte uit balans en moest een stap in de brandnetels zetten.

‘Mark!’ Een hand op mijn bovenarm.

‘Even nog.’

‘Even nog, ja,’ zei de coach, ‘jij bent eerder aan mij excuses verschuldigd. Je maakt me in het wilde weg uit voor lul, klootzak.’

De cliënt bemoeide zich er nu mee: ‘Laten we verder, Henk.’ Hier had hij niet voor betaald.

‘Ik weet het goed gemaakt,’ begon de coach. Hij had die zin net af, toen mijn rechtervuist op zijn neus landde. Er kraakte iets. Dit leek me een goed moment om onze wandeling te vervolgen. Op een drafje. De adrenaline in mijn lijf had vrij spel. Ik kon wat extra ruimte goed gebruiken.

Even verderop kwamen een man en een vrouw de hoek om.

‘Hallo,’ zei de man in het voorbijgaan.

Ik zei, geheel volgens de regels van het spel: ‘Pardon?’

Deze week verscheen mijn inzending voor een columnwedstrijd over eenzaamheid online. Op de tiende plaats geëindigd (van ca. 300 inzendingen). Over hoe Major Tom helpt: Helemaal alleen in het heelal.

Gips

Buurman Frank had tegen het eind van een donderdagmiddag gebeld. Mijn belsignaal stond uit. Toen ik later de melding zag, vroeg ik me uiteraard af wat hij van me had gewild. Zoals dat gaat liet het los, kwam het terug, liet het los, enzovoorts. Hem bellen ging me te ver. Als het belangrijk was, kwam hij er vast op terug. Maar toch, nieuwsgierigheid. Wat had hij te vragen of te melden dat niet persoonlijk of met een appje kon? Het ging, naar zal blijken, om een roep uit een ander tijdperk.

Toen wij hier negen jaar geleden neerstreken, woonde Frank al in dit straatje. Er zit één huis tussen dat van zijn gezin en het onze. Hele dikke vrienden zijn we niet. We kunnen goed met elkaar overweg. Ik heb een paar keer geholpen met brandhout stapelen. We zien elkaar bij feestelijke buurtaangelegenheden en soms bij de buurtborrel. Hij sleept regelmatig een tablet en een luidspreker mee naar buiten om in de tuin muziek te luisteren. Een enkele keer zit ik erbij. We zagen elkaar afgelopen zomer op Ameland en spraken af voor een genoeglijk samenzijn met onze gezinnen. Dan heb je grofweg een beeld van de relatie.

De vrijdagmiddag na het gemiste gesprek had ik even tijd voor de borrel. Drie mensen rond de picknicktafel wenkten me. Frank en een andere buurman stonden bier te drinken op het dakterras op de schuur. Ik zou niet lang kunnen blijven, maar had een missie. Zonder aarzeling beklom ik de trap. Nog niet boven confronteerde ik Frank al met zijn belgedrag. Na enig denken kwam hij met een verklaring. Zijn telefoon had niet direct begrepen dat hij niet mij wilde bereiken maar een andere Mark, een goede vriend van hem. Het horen van diens achternaam deed bij mij een belletje rinkelen. Die kende ik van vroeger, zoals je dat zegt, niet heel goed, zijdelings. Ik wist dat hij bassist was. Dat beaamde Frank. Daarop kwamen er meer namen. Dat is nog vrij gewoon, maar niet dat we blijkbaar van dezelfde vriendengroep deel hadden uitgemaakt zonder het van elkaar te weten of elkaar destijds te hebben ontmoet. In goed Hollands: what are the odds? Hij ging met ze naar Corsica en Zeeland, ik naar Praag en Noord-Holland. Er kwam een gedeelde geschiedenis boven die we nooit deelden.

Frank bracht ook een Koninginnedag van begin jaren negentig ter sprake, dat ze met de groep roeiboten hadden gehuurd. De tocht ging over de Oudegracht. Dat had ik ook ooit gedaan. Ik was een paar keer samen met vriend Rutger initiator geweest van tripjes die als gedenkwaardig de boeken in zijn gegaan. Eén daarvan was het meest gedenkwaardig. Door enkele zich vlot voltrekkende gebeurtenissen waren onze boten gezonken. Mede daardoor meende ik me die middag goed te herinneren.

Op het dakterras zei ik: ‘Mark was er een keer bij en had toen een arm in het gips, die niet droog was gebleven.’

‘Nee,’ riep Frank uit, ‘dat was ik! En het was mijn béén.’

Bleken we elkaar ineens al veel langer te kennen.

Geduld

Op woensdagochtend maak ik een rondje langs bakker, kaasboer en soms viskraam. Sinds ik Picnic, is de supermarkt uit het rijtje verdwenen. Dat scheelt wachten bij de kassa, terwijl ik mezelf voorhou dat wachten niet erg is. Ik observeer intussen wel. Ik heb geen haast. Idealiter heb ik op zo’n ochtend verder niets gepland.

Deze week was ik wat later op pad. Ik had eerst iets anders en moest tóch langs een supermarkt omdat ik bij Picnic fruit was vergeten. Ik vergeet altijd wel wat, maar hoef niet meer op de fiets met die pakken sap en zuivel en ander zwaar spul. Dat strookt niet helemaal met het beeld dat ik van mezelf heb: een sterke vent, bovendien met stevige fietstassen. Wat heb ik nou te zeuren? Wel wat dus. Dat gesjouw ging me steeds meer tegenstaan. Het is nou eenmaal zo.

Ik blijf wel bij de kaasboer kopen. Het is een kwestie van kwaliteit. Dat geldt ook voor de bakker, die alweer enige tijd een nieuwe eigenaar heeft en tot mijn opluchting een opleving doormaakt en niet meer tegen sluiting aanleunt. Het brood blijft hetzelfde, net als de klantvriendelijkheid. Het is geen probleem als ik bel om te vragen of ze iets voor mij apart willen leggen. Dan grijp ik niet mis, als ik er pas aan het eind van de ochtend ben.

Bij binnenkomst zag ik mijn bestelling al in het daartoe bestemde rek liggen. Ik hoefde alleen nog af te rekenen. Ik kon echter niet meteen met mijn buit naar buiten.

Een moeder (ik schat 80) en een dochter (60) waren voor mij aan de beurt. Ze namen de tijd. De dochter wilde graag die laatste mokkapunt. ‘Weet je dat de gevulde koeken lekker zijn hier?’ zei moeder. ‘O, ik dacht dat je die van de supermarkt bedoelde.’ ‘Nee, deze.’ ‘Doe dan maar twee gevulde koeken erbij. En wat is dat ronde brood? O nee, zonnepit, dat hoef ik niet, doe dan maar…’ Zo ging het nog even door. Daarna maakten de twee ruzie over wie er zou betalen, waarschijnlijk een vast ritueel. Het zou vermakelijk zijn, als ze niet zo zelfingenomen waren met hun toneelstukje. Maar goed, ze vertrokken, ik kon betalen, de winkel verlaten en op naar de volgende.

Daar stonden ze weer. Ik kwam alleen voor kaas. Bij de kaasboer, die eigenlijk een delicatessenwinkel is, is veel meer te krijgen. Ze hielden samen twee medewerkers bezig met hun uitgebreide wensen en speciale eisen. Ze voerden hun eenakter voor moeder en dochter nogmaals op. Ik stond te wachten en dacht: ‘Ik vind het niet erg om te wachten. Ik heb de tijd. Ik ben iemand die geduld op kan brengen.’ Maar ik vond het wel erg. Mijn geduld was op. Zo was het nou eenmaal. Ik wilde voort.

Toen ik eindelijk aan de beurt was en de dames nog in de zaak, lag er iets op het puntje van mijn tong. Bang dat het te onaardig uit mijn mond zou komen, heb ik het maar ingeslikt.

Over

Ik zou het stil moeten houden tot het zover is. Daar ben ik niet goed in.

Het treffendste voorbeeld van mijn behoefte om voortijdig dingen te delen, dateert van vijftien jaar geleden. Ik had voor een zaterdagavond een tafel voor twee gereserveerd in een restaurant net buiten de stad. Het idee was om Melanie daar ten huwelijk te vragen. Ons eerste kind was op komst en nog los van de liefde leek het wel handig getrouwd te zijn. Ik kon niet wachten. Op de woensdag voorafgaand floepte het aanzoek er al uit. Ze zei evengoed ja, ondanks dat de feestelijkheid van een diner buiten de deur ontbrak.

Nu betreft het mijn plan om deze zomer de plas weer over te zwemmen. Dat zou ik veel beter kunnen uitvoeren zonder er ruchtbaarheid aan te geven. Daar heb ik grote moeite mee. Het is al aan het mislukken.

Mijn laatste oversteek was in 2004, vijftien jaar geleden alweer, inderdaad sinds ik getrouwd ben en sinds ons eerste kind zich voorbereidde om tevoorschijn te komen. Toen overviel me in het water voor het eerst van mijn leven paniek. Mijn armen en benen verlamden, ik kwam nog heel langzaam vooruit. Mijn adem zat hoog en was snel. En bovenal was ik overtuigd het niet te redden tot de oever, kopje onder te gaan en het leven te laten. Wat moesten degenen beginnen die achter zouden blijven? De nieuwe verantwoordelijkheid drukte op me.

In de tien jaar daarvoor zwom ik juist veelvuldig de plas over, ’s zomers soms meerdere keren per dag. Wat afstand betreft, kan ik het nog makkelijk aan. Hetzelfde aantal meters of meer zwem ik langs het riet. Daar ben ik ook niet gevrijwaard van zenuwen, maar kan ik ze gedoseerd toelaten door vanaf het voorjaar steeds iets verder te gaan.

Paniekaanvallen, of dreigende paniekaanvallen, zijn zacht gezegd onprettig. Ik probeer ze te voorkomen. De versnelde adem bijvoorbeeld, die gepaard gaat met de borstcrawl, kan een trigger zijn. Ik zwem daarom schoolslag, als het moet met mijn hoofd boven water. Ik ben al een tijd vooral bang voor angst.

Ik wil daar wat aan doen, maar er geen strijd van maken. Dat laatste blijkt niet te vermijden. Vorig jaar zomer ben ik begonnen vanaf de hoek van de plas langs de korte kant te zwemmen. Het is de afstand naar de overkant. Dat heb ik tegen het najaar gehaald. Nu ben ik opnieuw begonnen en zit ik bijna op de helft. Het lukt binnenkort naar verwachting weer helemaal. Er zijn daarna nog een paar oefeningen en tussenstadia te doorlopen voordat ik de oversteek waag.

Het zou mooi zijn met dit lustrum een tijdperk af te sluiten en weer gewoon over te zwemmen. Het gaat daarbij niet om de prestatie, eerder om de vrijheid en het volledig vertrouwd zijn met het water. Het is iets om alleen en in stilte te volbrengen. Dat in stilte kan ik niet, ik zeg: ik zwem deze zomer weer over.

Maar pin me er niet op vast.

Muziek

Terwijl ik dit schrijf, staat internetradio uit Italië aan. De zender vergezelt me al jaren. Er wordt niet gepraat en er is geen reclame. Af en toe is er de melding: ‘Venice Classic, webradio from Italy.’ Vervolgens start er weer een stuk. Heel zelden herken ik iets. Van de bijbehorende titel en componist heb ik meestal geen idee. Het is meer voor op de achtergrond, houvast in de stilte. Geluidsbehang, zou je oneerbiedig kunnen zeggen.

Zoiets heb ik ook als ik op mijn kussen zit. De meeste geluiden komen dan van buiten. Pas nog, tegen het eind van een meditatie, ervoer ik dat als een gestage stroom. Het was een trage, brede rivier achter het huis. Binnen verving op dat moment buiten en andersom.

In een poging uit te leggen hoe ik dat zie, of hoor eigenlijk, eerst iets over televisie. Wij hebben hier thuis twee luidsprekerboxen aan weerszijden van het scherm. Die staan ongeveer op gelijke afstand van de tv, het is een mannendingetje. Als iemand in een film, serie of praatprogramma praat, als er een raket de lucht in gaat, als een band of orkest speelt, dan kost het geen enkele moeite te ervaren dat bijbehorend geluid uit het scherm komt, sterker nog, dat die persoon iets zegt, dat die raket buldert of dat die instrumenten klinken. Pas als je er goed op gaat letten, komen de geluiden weer uit de luidsprekers.

In de rest van het leven lijkt dat juist omgekeerd. De geluiden zitten in ons hoofd, terwijl we continu het idee hebben dat ze van buiten komen. Je merkt het als je een moment je ogen sluit en probeert te lokaliseren waar je dingen hoort. Je kunt je voorstellen dat je een koptelefoon op hebt en dat alles tussen je oren afgespeeld wordt. Aangezien we anders gewend zijn, kan dit best lastig blijken.

Normaal hangen we aan elk geluid, zodra we er bewust van zijn, een label waar het vandaan komt en waar het bij hoort. Dat is wel zo veilig en gezond. Bijvoorbeeld op straat komt het van pas. Het helpt om de stadsbus te horen aankomen, die achter je rijdt. Verzin nog maar een paar situaties.

Maar we doen het ook als het niet nodig is. Getjilp komt van een mus. Geruis is de wind in de bomen. Gegil zijn de kinderen op het schoolplein. Dat is wat je denkt als je iets hoort, terwijl wat je ervaart niet de mus is, niet de wind in de bomen en niet de kinderen op het schoolplein. En juist ook wel, je bént ze zelfs, zegt de boeddhist.

Ik heb moeite dat laatste te vatten. Wat ik uit mezelf begrijp is dat dingen zich kunnen manifesteren als iets in mijn hoofd. Wanneer ik als het ware die koptelefoon opzet, die alles uit mijn omgeving afspeelt binnen mijn schedel, kan soms het onderscheid verdwijnen. Dan is hier daar en daar hier tegelijk. Snap je?

Die rivier stroomt altijd. Toch krijgt alles na verloop van korte tijd weer een naam.