Kaalslag

Er is wat moed voor nodig om te winterzwemmen. In de eerste plaats om eraan te beginnen, en later om door te zetten. Het is in essentie je kwetsbaar opstellen. De natuurelementen krijgen vat op het naakte lichaam. Er is het koude water met soms golven die in het gezicht slaan. Lichte onderkoeling is onvermijdelijk, tenzij je er heel kort in blijft, wat voor de meesten van ons niet de sport is. Eenmaal weer op de oever is er de lage luchttemperatuur. De wind onttrekt warmte aan de nog natte huid. Onverwijld afdrogen en aankleden is geboden.

We hebben geen kleedruimte bij de Plas. Meegenomen stukjes plastic beschermen onze spullen tegen vocht uit het gras en kunnen in geval van dreigende regen eroverheen worden gevouwen. Sommigen hangen hun kleren aan de fiets. Het gaat zo.

We hebben een vaste stek op de ligweide. Ook in de zomer, als er veel meer gasten zijn, is dat ons domein. Het is de plek waar we verzamelen, waar we liggen te zonnen, praten of puzzelen of een krant lezen. De oudste Kees betrekt altijd de uiterste hoek. De anderen nestelen zich ergens in de beschutting van de houtwal.

Nestelden, moet ik zeggen, want die wal is weg. Het was een imposant bouwwerk dat in de loop van twintig jaar gestalte had gekregen. Het was in de winter een welkome bescherming en fungeerde in andere jaargetijden als gezegd als pleisterplaats, bijna niet meer weg te denken. De stammen en takken waren begroeid met klimop en andere planten. Het geheel paste prima in de omgeving. Heel natuurlijk, zou je kunnen zeggen.

De beheerder van het terrein dacht daar anders over, of eigenlijk vooral de handhaver, een buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van het recreatieschap. De wal onttrok weleens door mannen uitgevoerde seksuele handelingen aan het oog. Daar moest de wal voor boeten.

Het hout was ineens verdwenen. Op een dinsdagochtend begin januari heeft een aannemer zwaar materieel ingezet om de boel te ruimen, ons later op de dag in ontsteltenis achterlatend. Zonder overleg of op z’n minst een waarschuwing vooraf had er een volledige kaalslag plaatsgevonden. De grond was omgewoeld door dikke banden, het riet was plat, diverse bomen gekapt, de broeihoop van de ringslangen gesloopt. Heel onnatuurlijk, zou je kunnen zeggen.

We hebben later in een gesprek nog wat uitleg gekregen. Het zou ook om groot onderhoud gaan van het terrein. Maar de belangrijkste reden van de sloop bleek toch het terugdringen van het praktiseren door die mannen. Wij hadden daar echter veel minder last van dan we profijt hadden van de wal. In de winter wordt er sowieso niet veel gepraktiseerd.

Het hoekje is nog begaanbaar maar te modderig om er uit en aan te kleden. We staan nu verspreid over het veld, zoekend naar wat beschutting tegen de winterwind die van alle kanten vrij spel heeft.

Ik moet dit natuurlijk niet overdrijven, we kunnen klaarblijkelijk wel wat hebben, er zijn bovendien ergere dingen, toch voelt het ontheemd. Het is in ieder geval een rotstreek.

Ruimte

Ze had heel goed verpleegster kunnen worden, iemand die nagaat of ik op tijd mijn medicijnen neem. Ze had heel vaak bezorgd kunnen zijn, als ik weer eens aangaf dat het druk was in mijn hoofd. Ze had strak mijn leefwijze in de gaten kunnen houden, opdat ik niet opnieuw uit de bocht zou vliegen. Ze had zich ook af kunnen keren van de ellende, en niks te maken willen hebben met mijn kwalen. Er zijn veel rollen die de partner van een schizoaffectieve bipolair op zich kan nemen, waarvan sommige een goede relatie zeker in de weg zouden staan.

Zij hield het hoofd koel en koos voor steun en warmte, met precies de goede afstand, net de juiste nabijheid.

Het is niet de hele tijd vanzelfsprekend geweest dat we bij elkaar zouden blijven. Van beide kanten zijn er ernstige twijfels geweest of de ander wel de ware was, of in ieder geval degene om het leven mee te delen. De kinderen hebben waarschijnlijk een breuk voorkomen, door er te zijn.

We zijn pas de afgelopen twee jaar (van de zestien jaar relatie) in een echt stabiele fase beland. Ik zie voor de laatste crisis daarbij een belangrijke rol.

We hadden bedacht om ons twaalf-en-een-half-jarig huwelijk te vieren, op bescheiden wijze op een zondagmiddag in een koffietentje bij het station. In de aanloop naar die viering kreeg ik het benauwd, net als bij het trouwen en het kopen van ons huis. Het zijn momenten dat de verbinding nog eens extra wordt vastgeklonken.

Ik stak haar aan. Het bleef weliswaar binnen de perken, toch waren er van beide kanten weer twijfels. We spraken ze uit, iets waar niet iedereen voor zou kiezen, denk ik. Daar zaten we mooi, het feestje was geregeld, zaaltjegehuurd, catering besteld, uitnodigingen verstuurd. We moesten in ieder geval verder tot die dag.

We gingen intussen aan het praten, emotionele gesprekken, dat begrijp je. Ze draaiden eropuit dat we zouden kiezen voor onzekerheid, dat we de twijfel toelieten. Ieder voor zich mocht twijfelen en ieder zou het ook de ander gunnen. Dat was een verademing. Elkaar die ruimte bieden is voor ons de sleutel gebleken om nog dichter tot elkaar te komen.

We hebben een paar belangrijke gezamenlijke bezigheden die mede het wezen vormen van onze verbintenis. We wandelen, we doen de afwas, we kijken series, we liggen ’s avonds samen in bed en hebben soms seks, we mediteren. Bij dat laatste zitten we 25 minuten in stilte tegenover elkaar op ons kussen. Aan die activiteit gaat nogal eens tegenzin vooraf. Soms motiveer ik haar en een andere keer zij mij. Daar zijn dan opvallend weinig woorden mee gemoeid.

Ik ben blij met haar. En zij met mij, durf ik te zeggen. Minder klef kan ik het niet maken. We hebben het goed samen. Melanie vindt het naar als ik zeg dat het ooit een keer, door wat dan ook, voorbij zal zijn. Die gedachte is voor mij juist een aansporing er nog eens goed van te genieten.

Makkelijk

Ik had mijn boodschappen afgerekend en stond ze in te pakken. Melk en sinaasappelsap onderin, verse spinazie en eieren bovenop. De volgende klant bij de kassa was een man van mijn leeftijd, naar ik schat, afgaand op zijn stem. Ik heb niet de gelegenheid gehad hem goed te bekijken. Daar was wel reden toe, want dit was een bijzondere man.

Een deur voor een ander openhouden stelt voor hem niets voor, hij denkt er niet bij na, hij merkt waarschijnlijk niet eens dat hij het doet. Hij haalt tijdens de pauze koffie voor de hele afdeling. Hij is op straat alert op oude dametjes om naar de overkant te begeleiden. Als er een pakketje voor de buren bij hem is bezorgd, houdt hij in de gaten wanneer ze weer thuis zijn en brengt het even langs. Hij geeft een pen aan, nog voordat je in de gaten hebt er een nodig te hebben. Als het even kan is hij er voor een ander.

Daar is iets voor te zeggen. We benne op de wereld om mekaar te hellepe, niewaar.

Als kind leer je dat bepaalde dingen beleefd zijn om te doen, zoals die deur openhouden of iemand voor laten gaan. Als puber kun je lak hebben aan deze regels. Maar later, als de rook een beetje opgetrokken is, kom je erachter dat het meer is dan alleen beleefdheid. Je merkt dat je het leven van een ander op veel manieren een beetje aangenamer kunt maken en dat dat goed is om te doen, dat je er zelf bovendien baat bij kunt hebben. Door mensen te helpen help je jezelf en in de optiek van sommigen zelfs het universum. Of je komt gunstig voor de dag bij het verdelen van de plekjes in een hemel.

Veel kleine dingen tellen daarbij zwaarder dan een paar grote gebaren.

Zo komt het dat ik bijvoorbeeld de caissière vriendelijk groet, maar weer niet te joviaal, want dan denkt ze dat ik iets van haar wil, wat in bijna alle gevallen niet zo is, een enkele keer wel, dan groet ik wat neutraler, en ik zeg zo aardig mogelijk vaarwel, liefst met een positieve wens over het verdere verloop van de dag, of ik zeg, ter verlichting van het leven achter de kassa, nog iets anders, wat doorgaans niet wordt begrepen, dus laat ik het vaker achterwege, de intentie is goed.

Maar die man na mij tilde het de ander aangenaam maken naar een hoger niveau. Hij zei tegen de caissière: ‘Alle barcodes liggen in de juiste richting.’ Hij had de verpakkingen zo op de band gelegd dat het meisje ze niet hoefde te draaien en niet naar de streepjes hoefde te zoeken. Wat een baas.

Wat mij betreft kostte het hem wel punten dat hij er zelf ruchtbaarheid aan gaf. Had hij niet hoeven doen. Aan de andere kant wist ik er dan niet van en zou alleen de caissière na een paar pakken zuivel hebben gemerkt dat deze man het de mensen wel heel makkelijk maakt.

Knetter

In de Netflix-serie Atypical kwam een Engelse uitdrukking voorbij: ‘He’s not all there.’ De hoofdpersoon, een achttienjarige autistische jongen, in wiens bijzijn dat over hem werd gezegd, moest ervan bekomen door lange tijd vier soorten pinguïns achter elkaar op te zeggen.

Er zijn in online woordenboeken veel betekenissen te vinden van ‘not all there’: ‘crazy or mentally deranged’, ‘dimwitted’, ‘a little bit stupid or crazy’, ‘not mentally sound’, ‘slightly stupid or strange’. Wat mij betreft is de mooiste en daarmee in mijn ogen de beste: ‘absent-minded’.

Ik weet niet meer hoe de vertaler het in de ondertiteling getypt heeft. Waarschijnlijk dekt de letterlijke vertaling ‘Hij is er niet helemaal bij’ niet goed de lading. Het zal meer iets zijn van ‘Hij is een beetje achterlijk’. In goed Nederlands: ‘Hij spoort niet helemaal’.

Ik kijk het terug. Het is geworden: ‘Hij is niet in orde.’ Matig maar waarschijnlijk noodzakelijk om een scène later ‘I am all there, aren’t I dad?’ te kunnen vertalen met ‘Ik ben wel in orde, toch pa?’

Be that as it may, het trof mij omdat ik mezelf soms in een vergelijkbare positie zie. Ik ben er nog steeds net niet helemaal. Die vier of vijf psychoses uit het verleden spelen vast een rol. Ik weet nog niet precies hoe dat in elkaar steekt. Misschien moet ik er eerst helemaal zijn, mocht dat ooit gebeuren, om het te begrijpen.

Ik weet ook niet wat eraan te doen. Het enig mogelijke lijkt wachten. Er zit niets anders op dan de kleine vernederingen van mensen die me niet kennen over me heen te laten komen. Ik zie het ongeloof in hun ogen, want op het eerste gezicht heb ik het uiterlijk en het postuur van iemand die er helemaal is. Maar zodra ik echt dichtbij kom of begin te praten kan zomaar blijken dat ik er niet helemaal ben.

Het volgende vond plaats in de rij voor de oliebollenkraam. Het was oudjaarsdag en iedereen wilde oliebollen. De lange rij ging in een rechte lijn van de ingang van de supermarkt naar de kraam. Ik sloot aan en zei tegen het stel voor me dat het alvast scheelde dat het zo ordentelijk ging. Het jaar was bijna voorbij, ik deed gek, ik zei maar wat. Zij glimlachte zuinigjes. Hij keek niet op of om.

Twintig tellen later zeiden ze iets tegen elkaar over geknetter, ofwel in mijn oren: he’s not all there.

Ik heb vaker met dit bijltje gehakt, hoefde niet vier soorten pinguïns op te noemen, bleef rustig staan en liet een ruime meter afstand tussen mij en het stel ontstaan.

Vanuit mijn ooghoek zag ik de kerel naar me kijken, verbaasd waarschijnlijk. Waar hebben we nu mee te maken?, hoorde ik hem denken. Ze bemoeiden zich verder niet met mij. Dat zou ik ook niet doen, echt niet, als een vreemde op straat zomaar iets tegen me zegt. Afstand houden, hooguit even glimlachen, in ieder geval niets terugzeggen, zeker niet als het gaat om iemand met een enigszins afwezige geest.

Voornemen

Ik droomde van een leeg document. Het liep tegen vieren op een donderdagmiddag. Ik zat op het punt om het op te geven, om dan maar een week over te slaan. Ik dacht aan het afgelopen jaar waarin dat buiten de zomervakantie drie keer was gebeurd. Los daarvan had ik iedere keer wel wat. Soms met veel wringen en persen, soms met gemak.

Ik zou er graag mijn werk van maken, columns schrijven. Ik zou graag meer mensen bereiken. Daarmee wil ik mijn huidige aanhang niet tekortdoen. Soms doe ik net of ik één van jullie een brief schrijf. Al doende heb ik die persoon in gedachten. Misschien ben jij het wel deze keer.

Ik eis van mezelf dat ik elke week een stukje schrijf. Zo bewijs ik dat ik het kan, dat ik kan blijven presteren. Ik wil de redactie van dat tijdschrift of die website laten zien dat ik iemand ben waar je op kunt bouwen.

Intussen onderneem ik bar weinig om me kenbaar te maken. Ik mis het gen om op sociale media te roepen. Ik ken de juiste mensen nog niet. De juiste mensen kennen mij nog niet. Ik heb een hekel aan netwerken, zowel aan het werkwoord zelf als aan het doen. Je kunt op mijn grafsteen zetten: ‘Hij netwerkte niet.’

Dat heeft als gevolg dat ik op dit moment niet verder kom dan dit blog. Natuurlijk, ik weet ook wel dat het een succes is, maar ieder stadium verlangt een volgend stadium. En als het stadium dat niet doet, dan ik wel.

Het is tijd voor een volgende stap en daar kan ik je hulp bij gebruiken. Zie het als iets terug doen voor de gratis verstrekte teksten, of gewoon als een gunst.

In de eerste plaats mag je heel hard positief denken en het mij vanuit je hart gunnen dat ik in het komende jaar op enigerlei wijze een groter publiek kan bereiken. Maak er voor mijn part een kerstgedachte van, een soort goed doel.

Ten tweede zou ik je willen vragen, en dit valt me erg zwaar, jouw netwerken in te zetten. Ga bijvoorbeeld de link van je favoriete blog van het afgelopen jaar delen in al je facebooks, twitters, linkedins en wat dies meer zij. Mijn dank zal groot zijn.

Zelf moet ik ook aan de bak. Ik moet gerichter aan de slag. Ik heb, behalve dit voornemen, echter geen idee waar te beginnen. Tips zijn welkom.

Misschien is dit juist een oefening in tevreden zijn met wat ik heb. Kijk nou, ik zit bijna aan de vijfenzeventig blogs, zomaar, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En waar gaan ze nou helemaal over? Misschien: het alledaagse een beetje glans geven.

Daar ga ik dan maar mee door. Er komen vast weer kleine belevenissen of ideeën en gedachten die de lege documenten kunnen vullen. Ik blijf elke week op deze plek een blog publiceren. Alleen de komende twee sla ik even over. Dan weet je dat alvast.

Mierig

Ik heb vanochtend het woord prozaïsch opgezocht in de Dikke van Dale, de elfde uitgave uit 1984: niet verheven, alledaags, nuchter. Het woordenboek is naar hier verhuisd toen mijn ouders een heel stuk kleiner gingen wonen. De drie delen staan vooral ornament te zijn naast de tv, die veel vaker wordt geraadpleegd.

Ik ga doorgaans, als ik meer over een woord wil weten, te rade bij woorden.org. Het is een armere methode, maar wel veel handiger en sneller. Armer onder meer omdat ik in een woordenboek van papier al zoekende meer lemma’s tegenkom, en mogelijk daardoor ideeën opdoe. Handiger en sneller omdat het internet is.

Heb ik het mis of wordt prozaïsch vooral in minachtende zin gebruikt? Het is maar alledaags. Daar geeft Van Dale geen uitsluitsel over. De omschrijving op woorden.org zegt het volgende: gewoon, helemaal niet bijzonder. Dat klinkt in mijn oren niet positief. Wie wil nou iets dat helemaal niet bijzonder is? Wie waardeert het gewone? Misschien waren er in 1984 mensen voor wie dat opging. Het moet nu allemaal uitzonderlijk, het hele leven, elke dag.

Ik verveel me. Van Dale zegt bij zich vervelen: geen tijdspassering hebben, niet weten wat te doen en daardoor landerig gestemd zijn. Landerig vervolgens: het land hebbende, slecht geluimd, niet opgewekt, vervelend, zonder fut. Overigens geeft de website bij zich vervelen: niet weten wat te doen of saai vinden wat je aan het doen bent. Landerig komt niet voor in de beschrijving, is in mijn online woordenboek helemaal niet te vinden.

Er komen daarentegen in het online puzzelwoordenboek 18 synoniemen van landerig naar voren, waaronder mierig. Mierig hoef ik niet eens in het zoekvak van woorden.org te typen, geen kans. De Dikke verwijst weer terug naar landerig, maar noemt ook lastig en geeft daarbij als voorbeeld: dat kind is zo mierig vandaag. Wil degene die dat als laatste gezegd heeft zich melden bij de balie. Er staat me nog wel bij ooit gehoord te hebben: ‘Loop niet zo te mieren!’

Er bestaat ook mierigheid, althans in 1984 bestond het nog. Dat brengt me ertoe het door de enigszins overeenkomende klank opborrelende meligheid op te zoeken. Meligheid is online eenvoudig hoe melig iets of iemand is. Het woord blijkt vroeger niet te hebben bestaan. 34 jaar geleden nog maar, ik was twaalf. Er was in mijn beleving meligheid alom, vooral onder meisjes. Ik deed er zelden aan mee, en nog niet, helemaal niet meer eigenlijk. De laatste keer dat meligheid bij mij de overhand nam, was dat diep beledigend voor een tafelgenoot. Je wilt het niet weten. Of wel, maar ik vertel het niet.

Melig zonder -heid erachter was er in 1984 wel, maar liefst met vijf betekenissen, waarvan de tweede luidt: niet fris, flauw, lusteloos; erg, verschrikkelijk, zeer; flauw-grappig. En dan dus nog vier andere, het wordt er niet duidelijker op. De website is compacter en geeft er twee. De eerste gaat over vruchten. De tweede luidt: in een stemming dat je steeds moet lachen, ook al is er niks echt leuk.

Club

Onze winterzwemclub heet Met gezonde tegenzin, afgekort MGT, en bestaat onder die naam ruim twintig jaar. Het was oorspronkelijk de titel voor het blaadje dat nog sporadisch en in zeer afgeslankte vorm verschijnt.

Ik heb er samen met Els, die inmiddels verder weg woont, in het begin zorg voor gedragen. Toen had het een strak uiterlijk, keurig in kolommen ingedeeld. Later nam Guda het over, die helaas niet meer naar de Plas kan komen, en was de vorm vrijer. Vooral in de omslagen legde ze veel creativiteit. Jan verzorgde vanaf het begin de rubriek Temperatoernaja Gazeta, waarin wetenswaardigheden over onder meer het temperatuurverloop van het water, volop statistieken en records. Verder stond het iedereen vrij bijdragen te leveren. Het was gezien de relatief kleine groep opmerkelijk dat het blad het nog zo lang heeft uitgehouden.

De club slonk echter zo dat er weinig te melden overbleef. Als er iets te delen was, konden Kees en Willem dat ook wel gewoon tegen elkaar zeggen. Ze hielden een paar jaar lang met z’n tweeën het vuurtje gaande. Yvon en Guda lieten zich toen ook af en toe zien. De activiteit bij de Plas was tot een minimum gedaald.

Misschien had het verband met het overlijden van George. Hij was een belangrijke motor achter allerlei activiteiten, iemand die mensen enthousiasmeerde en bij elkaar bracht. Hij had op een koude dag een stuk gezwommen. Hij was op het pad in elkaar gezakt. Robert, een andere zwemmer, trof hem daar even later levenloos aan.

Ooit waren er zo’n twintig mensen die zich met enige regelmaat in het koude water waagden. Er waren goed bezochte herfstduiken, vollemaan duiken, voorjaarsduiken en nieuwjaarsduiken. Alleen de laatste is overgebleven, of weer in ere hersteld, dat weet ik niet precies.

Voor zover ik kan zien, heeft drie winters terug een kentering ingezet toen Frans zich bij het groepje voegde. Dat was wat anders, eentje erbij in plaats van eentje eraf. Het jaar daarop meldde ik me weer na lange tijd afwezigheid. Vorig jaar was een status quo. Dit najaar en begin winter maken we een ware opleving mee.

Kees, naamgenoot van die andere, is sinds oktober met pensioen en er weer vaak bij. Melanie, niet de mijne overigens, zwom tot begin december tot de helft van de Plas en terug, ruim tien minuten. Haar lijf is zeker winterzwemproof, maar ze kiest er vooralsnog voor verder te gaan in het zwembad. Jolande zien we soms. Mieke bij mooi weer. Van Piet weet ik dat hij de intentie heeft en de tijd om vaker te verschijnen. En er zijn twee veelbelovende nieuwkomers op het front. Cor maakt weinig heisa en kan zich qua gezwommen tijd al meten met de doorgewinterde badgasten. Voor Annemarie lijkt het zich blootstellen aan de kou ook geen probleem.

Zo krijgt de club weer kleur op de wangen. We hebben met het warme najaar gelegenheid gehad goed op te laden voor de komende maanden. Het water schommelt de laatste weken rond zeven graden. Ruimschoots voldoende voor tegenzin, een gezonde welteverstaan.

Groef

De geschiedenis herhaalt zich en ik laat haar in dit geval begaan. Het is mijn diepgewortelde gewoonte om dingen vroegtijdig te beëindigen. De woensdagochtend was gereserveerd om naar zen te gaan. Dat doe ik al weken niet meer. Tijdens een lange wandeling kwam ik tot het besluit het ook maar niet meer te proberen. Zo komt het in een rijtje van Stedelijk Gym, onderwijskunde, een handvol creatieve cursussen, werken bij het fort en zo nog wat activiteiten die een roemloos en teleurstellend einde kenden.

Dat is in dit geval niet het enige zich herhalende. Voor het andere gaan we een jaar of zes terug in de tijd. Ik volgde voor de tweede keer een beginnerscursus zen. De eerste was bruut onderbroken geweest door een psychose. De praktijk van het mediteren zat er al in. Ik wilde de rituelen nog goed onder de knie krijgen, zodat ik daarna verder kon in een doorgaande groep.

Het plan strandde bij een opmerking van de lerares. Ze zei een keer bij de uitgang iets over het weer. Ik meende dat haar woorden betrekking op mij hadden, in negatieve zin. Zo was ik in die tijd. Het met mijn therapeut bespreken hielp niet voldoende. Het incident had me zo geraakt dat ik het niet zag zitten terug te gaan.

Vorig jaar begon ik ten langen leste toch bij een doorgaande groep, die op woensdagochtend, onder leiding van een doorgewinterde lerares. Haar inleidingen voorzagen in geestelijke voeding en brachten me verder op het zenpad. De rituelen leerde ik gaandeweg kennen. Het samen mediteren was oké. Toch zat ik thuis doorgaans beter. Ik moest bovendien steeds een flinke weerstand overwinnen om me tot de reis naar de meditatieruimte te zetten. Ik ging nog vaak genoeg.

De samenstelling van de groep is tamelijk constant. Aan het begin van dit seizoen kwam er een nieuwe leerling bij, mijn lerares van de beginnerscursus. Ik vond het aanvankelijk wel wat hebben om naast haar te zitten, zeg maar als gelijken.

De eerste les was ik er. De tweede sloeg ik over. Tijdens de derde ontaardde zij op de mat naast me in een onbedaarlijke hoestbui, typisch geval van kikker in de keel. Ik kon daar uiteraard niets aan doen. Ik had wel het idee er iets mee te maken te hebben. Zo ben ik nog steeds. Na afloop bij de uitgang zei ze iets wat me eens te meer aan het denken zette. Mijn oude kwaal speelde op.

Ik haakte af. De toch al te overwinnen weerstand had er een portie bijgekregen. Natuurlijk zou ik mezelf weer bij elkaar moeten rapen. Natuurlijk zou ik de angst voor herhaling en eventuele consequenties onder ogen moeten zien, omarmen en doorstaan. Als ik er verder beroerd voor stond, zou de urgentie daartoe groter zijn.

Ik laat het erbij. Ik vlij me zo comfortabel als gaat in de mij bekende groef. Ik mediteer gewoon thuis, zo belangrijk is die groep niet. Het is lekker rustig zonder wekelijks geestelijke voeding. Wel jammer van het geld.

Nodig

Lithium helpt mijn stemmingen in toom te houden. Het heeft bijwerkingen die mijn bewegingsvrijheid enigszins inperken. Ik heb veel dorst en moet vaak plassen. Zolang er een kraan en een wc in de buurt zijn is het een kwestie van drinken en gaan. Geen probleem.

Het is wel iets om rekening mee te houden als ik eropuit ga. Er moet om te beginnen voldoende water mee. In de auto op vakantie naar Zuid-Frankrijk is dat zeker vier liter. Een klein beetje daarvan is voor de anderen. Toch drink ik tijdens zo’n rit nog relatief weinig. Ik wil mijn reisgenoten niet onnodig vaak laten wachten voor plaspauzes. Maar eenmaal op de plaats van bestemming laat ik me vollopen.

Voor een dag wandelen sjouw ik ook flesjes mee, het aantal afhankelijk van de weersomstandigheden. Het is altijd te veel, zoals achteraf dan blijkt. Ik kan met minder toe dan ik zelf inschat en er blijkt meestal wel een mogelijkheid tot bijvullen.

Wateren stuit buiten een stedelijk gebied niet op moeilijkheden. In andere gevallen ben ik steeds aan het rekenen en anticiperen. Ik probeer er zicht op te houden wanneer zich de volgende mogelijkheid voordoet om mijn blaas te legen.

Het bezoeken van Nederland – Frankrijk afgelopen vrijdag in de Kuip was in dat opzicht een hele opgaaf. Ik ging er samen met mijn oudste naartoe. Hij is van vertrek tot thuiskomst niet naar de wc geweest. Zes en een half uur ophouden lijkt me ook weer niet gezond. Het is wel makkelijk als je zo weinig hoeft.

Ik was vlak voordat we op de fiets stapten nog gegaan en had de laatste druppel eruit geperst. Omdat ik niet verwachtte drank mee te mogen nemen in het stadion, had ik maar één flesje bij me. Dat was op Rotterdam Centraal voor driekwart leeg, echt maar een paar slokjes voor mijn doen. Toch diende de aandrang zich al aan.

Onze beoogde overstap stroomde voor onze ogen vol. We moesten naar een ander perron en daar een tijdje wachten op de volgende trein, de sprinter naar Dordrecht, zonder toilet. Ik doorstond het ritje met de knieën bij elkaar.

Het voelde niet alsof ik de toiletten in het stadion zou halen. De mensenmassa bewoog tergend langzaam over het station en langs de poortjes. De druk op mijn blaas golfde van iets meer verlichting tot bijna onhoudbaar. Een meisje een paar meter voor ons zei dat ze nodig moest. Dat ik niet de enige bleek te zijn, hielp maar een beetje.

Vanaf de brug over het spoor was te zien dat we nog een weg te gaan hadden. Het dromde samen voor de ingangen. Die van ons moesten we eerst nog vinden. Mijn opluchting was daarom groot bij het zien van een plaszuil op het plein. Ik kon wel even zonder privacy en was blij man te zijn.

Halverwege de tweede helft van de wedstrijd moest ik nog een keer. Daar had ik een paar weken eerder al rekening mee gehouden. We zaten op de stoelen direct naast de trap.

Column

 

Het kwam al een tijd niet meer voor dat ik op donderdagmiddag nog niets had. Ik schiep zelf de verplichting iedere vrijdagochtend een blog te plaatsen. Dat lukt, niet zonder moeite, maar het lukt. Soms is er op de zaterdag ervoor al een bruikbaar idee. Anders komt dat in de loop van de week. Het begint met een schets. Die werk ik uit en herschrijf ik daarna eens of vaker.

Om me te behoeden voor missers, die ik zelf in de strijd met komma’s en alinea’s over het hoofd zie, lees ik Melanie voorafgaand aan publicatie de blogs voor. Het is goedkeuring en klaar om te plaatsen óf onverbiddelijk terug naar de schrijftafel. Je mag weten dat ik weleens twijfel aan deze manier van werken. Het zou kunnen dat dingen die warrig op haar overkomen door anderen als poëtisch worden ervaren. Aan de andere kant pikt ze vaak terecht onvolkomenheden uit een tekst. We houden het voorlopig zo.

Tijdens een wandeling vertelde ze over haar aspiratie om zelf een column te schrijven. Dat zou dan voor een blad voor wiskundeleraren zijn. Ze is sinds een paar jaar docent op een vmbo-school en maakt in en rond de klas van alles mee. Dat moet toch kunnen, eens in de zoveel tijd een stukje? Volgens haar maak ik als huisman weinig tot niets mee, in ieder geval veel minder dan zij meemaakt. En toch verschijnt er elke week een verhaal. Hoe kan dat?

Ik maak inderdaad niet zo veel mee. Toch waren er deze week weer drie mogelijke onderwerpen. Ze hebben het om verschillende redenen niet tot deze fase gered. Overwegingen om te stoppen met de doorlopende cursus zen verzandden in een voor dit moment te persoonlijke gedachte om zelf juist leraar te willen zijn. Er waren ook mijn presentatie (die goed ging) van vorige week en de rol van het gebruikte kalmerende middel. Helemaal uitgewerkt bleek het verhaal kant noch wal te raken. Tenslotte was er een mening over een door de buurt opnieuw in te richten perk. Door daar iets over te schrijven zou ik de discussie onder de buren te veel in de wielen fietsen. Zo bleef er niets over.

De druk loopt op. Ik moet blijven presteren. Ik heb stiekem de ambitie om voor een tijdschrift of een website te schrijven. Als die mogelijkheid zich voordoet, er is nog geen opening, moet ik het wel waarmaken. De druk zal verder oplopen. Nu kan ik ervoor kiezen, als het even tegenzit, om een weekje over te slaan, hoewel ik me afvraag of die keus er echt nog is.

Ik heb Melanie tijdens die wandeling gezegd dat het een kwestie is van beginnen. Het heeft niet veel zin te bedenken waar het nu eens over zou kunnen gaan. Het beste is te gaan zitten en de pen over het papier te laten glijden of de cursor over het scherm. Vergeet dat het goed moet zijn, of leesbaar. Dat komt later. Het gaat in de eerste plaats om wat je beweegt. Zo simpel is het.

 

Piep

 

Ik verdiep me een beetje in elektrogevoeligheid. Dat komt niet zomaar uit de lucht vallen. Er zit sinds enkele maanden een irritant hoge piep in mijn linkeroor, tinnitus. Het is niet constant even hard, het komt en het gaat. Het zullen de popconcerten uit het verleden zijn, hoewel niet overdreven veel, die nu hun tol eisen. Het zou ook een andere oorzaak kunnen hebben.

De oorsprong van mijn onderzoek ligt bij Chantal. We kennen elkaar via grote vriend Rutger, al zegt je dat mogelijk niet veel. We kennen elkaar, punt.

Ze heeft een boek geschreven over ziek zijn van elektrosmog. Scepsis was mijn eerste reactie, waar ik nog een tijd aan vasthield.

Chantal was een keer hier in huis om een optreden te bespreken, dat uiteindelijk vanwege mijn zenuwen niet doorging. Ze had er begrip voor. Ze was vol begrip. Dat was niet wederzijds, moet ik eerlijk zeggen.

Haar conditie kennende had ik wel alvast het wifi-modem van de stroom gehaald. Bij binnenkomst detecteerde ze met haar lijf de dect-telefoon. Die ging ook uit. Ze liep door de kamer met een stralingsmeter. Ik dacht: het zal wel. Wat mij betreft kon het net zo goed een ingebeelde ziekte zijn.

Het is me nu onbekend of dit voor of na haar boekpresentatie was. Ik moest destijds gniffelen over een zinnetje op de uitnodiging. Het verzoek was om contant geld mee te nemen, omdat het draadloze pinapparaat van de uitgever (overigens ook de mijne) niet kon worden gebruikt. De betreffende werfkelder was zo veel mogelijk vrijgemaakt van straling.

Ik kon er niet bij zijn, vooral weer door mijn zenuwen. Later heb ik niet de moeite genomen het boek te bestellen.

Vorige maand was er een documentaire op tv over klachten die veroorzaakt worden door alomtegenwoordige straling, niet alleen van dect en wifi, maar ook van telefoonmasten en elektriciteitskabels. Erg veel wijst erop dat mensen daar last van kunnen hebben. Er is echter geen consensus over het bewijs en er is geen officiële erkenning, mogelijk doordat telecomgiganten en andere bedrijven enorme belangen hebben bij het in stand houden en uitbreiden van de netwerken.

Ik had na het zien behoefte om te lezen en haalde het boek in huis. Het begint met een verhelderende inleiding over het onderwerp en de reden van Chantal om het te schrijven, haar eigen zoektocht naar wat voor haar werkt. Daarna volgen weergaven van gesprekken met mensen die elektrogevoelig zijn, meest in ernstige mate, en daardoor voor vergaande veranderingen in hun leven moeten kiezen. Het is overtuigend en beklemmend.

De docu en het boek wierpen de vraag op aan welke straling ik zelf blootsta en hoe gevoelig ik daarvoor ben. Ik ben liever met andere dingen bezig, maar kon even niet anders.

Tinnitus wordt een paar keer genoemd als klacht. Na enige proeven met buiten en binnen en apparaten aan en uit, ontdekte ik niet direct een verband. Het loopt zo’n vaart niet, denk ik. Maar ik ben wel om. Er is van mijn kant nu ook volop begrip.

 

Chantal Halmans schreef De draadloze kooi. Ziek van elektrosmog

De documentaire Ubiquity is nog te zien op NPO start.