Wind

 

Op mijn eigen schaal ben ik een avonturier. De reis voerde naar Schiermonnikoog. Dat was al heel wat, gezien mijn geschiedenis. Het is helemaal niet zo lang geleden dat ik de grootste moeite had met de vijf minuten in de trein naar Bilthoven. Naar Schier betekent bus, trein, bus, boot en fiets. Van deur tot deur is het vijf en een half uur. Tot aan de boot kon ik nog makkelijk terug en heb ik die mogelijkheid veelvuldig overwogen.

Een verblijf van drie nachten stond gepland, twee volle dagen. Het eiland is me goed bekend. Meestal kwam ik er in de herfst. Het voorjaar leent zich ook goed voor een bezoek, nog voor de grote drukte, zeker doordeweeks. Het weer is een stuk aangenamer en er is volop groei.

De eerste ochtend liep ik het dorp uit en daarna er met een wijde boog omheen. Een opwarmertje.

De tweede dag was bestemd voor een tocht over het strand richting het oosten. Daar is niets, behalve veel zand en zee. Tot ver voorbij paal 10, anderhalf uur heen en anderhalf uur terug, was mijn plan. Ik wist niet wat ik kon verwachten, maar wel dat er iets stond te gebeuren. Dat is mijn ervaring daar.

Vanaf de eerste stappen dienden de zenuwen zich aan. Het kon de angst zijn om in paniek te raken in dat niemandsland. Dat is vreemd, want ik heb in het geval van paniek juist liever niemand in de buurt.

Al snel kwam een andere barrière naar voren, ook angst, maar dan om in een flow te raken, zo eentje als ik eerder heb beschreven. En dan vooral om er niet meer uit te komen of er slecht uit te komen, dat ik niet meer weet waar ik het moet zoeken. Dat zou dichtbij huis, in een veilige omgeving, wel op te vangen zijn. Nu was ik, voor mijn doen, erg ver van huis.

En de omgeving nodigde uit.

Na een halfuur gaan keerde ik om. Het was genoeg. Dat was geen besluit van mij, dat besluit nam mijn lijf. Ik probeerde daarna de ergste zenuwen kwijt te raken door even in het ondiepe water te liggen. Op weg terug naar mijn handdoek merkte ik nog ieder moment op te kunnen gaan in de stroom. Ook na een halfuur stevig stappen was ik er niet klaar mee. Rustend op het strand kwamen voor me de golfjes aanrollen en sloegen ze bescheiden om. Het geluid daarbij. Hoe mooi ook, dit was niet oké voor mij nu. Ik moest terug naar het appartement, de meest veilige plek voorhanden. Onderweg nog steeds die uitnodiging van de natuur.

Eenmaal binnen overwoog ik dezelfde dag nog de boot te nemen. De gedachte kalmeerde me niet. Een pilletje bood uitkomst voor dat moment. De rest van de middag sloot ik me op met de gordijnen dicht. Toen ik weer buiten kwam, waaide het tot mijn verbazing flink. De verleiding was groot een verband te zien tussen mijn onrust en de wind op til.

 

Gras

 

Het is sinds dit jaar dat ik gras ontdek. In combinatie met wind, liefst in vlagen, biedt het een aantrekkelijk gezicht. Veranderlijk als de golven van de zee. Wind maakt gras meer gras. Gras maakt wind meer wind.

Ik zou erop willen liggen. Niet erin, maar echt erop, en me laten dragen. Crowdsurfen op de kietelende toppen. Ik leg me in handen van de sprieten. Zij weten waar ik heen wil.

Op weg naar de Plas kom ik veel gras tegen. Dat begint al in het park op een steenworp afstand van huis. Op de speelweiden wordt het kort gehouden. Onder de kabelbaan is het weggesleten. Er zijn ook hoekjes waar het kan groeien en de halmen tot navelhoogte reiken. In het voorbijgaan neem ik ze in me op. Niet te lang bij stilstaan.

Aan de andere kant van de ringweg regeert het inmiddels uitgebloeide fluitenkruid. Geen gras, wel al langer dierbaar. Alleen al denken aan de eerste keer in het voorjaar dat ik door de zoete wolk fiets, is genoeg. Of dat ik er wandelend wat langer in vertoef. Aan weerszijden explodeert het wit. Het mooie aan schermbloemigen is de sensatie van oneindigheid die ze met zich meebrengen. Zoveel bloemen, zoveel sterren.

Het duurt niet lang. De bloemetjes zijn alweer verdord. Van wat overbleef aan verlepte stengels, is een meter breed gemaaid. Zo ook het gras langs het pad aan het eind linksaf. Ongeveer de helft is blijven staan. Het is van alles door elkaar, een rijke variëteit. Houdt dit zichzelf in evenwicht? Hoeveel beleid zit er achter? Of zouden de beheerders liever andere planten zien? Ze mogen van mij het gras laten gaan zoals het nu gaat. Zie de kracht van een spriet om in korte tijd zo omhoog te schieten en in veel gevallen ook nog een halm te torsen. Zie hem alleen maar spriet zijn, met de wijsheid te allen tijde mee te buigen. En zonder moeite terug te keren naar een positie rechtop. Alleen bij stevige wind en veel regen wil een bosje er nog weleens bij gaan liggen. Zo is gras.

Naast het fietspad van de Burgemeester Huydecoperweg is niet gemaaid. Tussen het weiland en het asfalt komen de halmen tot mijn zadel. Ik steek mijn arm uit om mijn handpalm te laten aaien. Hoewel ik me niet een bepaald moment kan herinneren, brengt het me terug naar de kindertijd. Blijkbaar komt daar schaamte bij kijken, want als er een auto passeert, heb ik mijn hand weer aan het stuur.

En dan bij de Plas, een recreatiegebied uit de jaren zeventig, waar veel bomen groeien langs het pad en weinig gras. Als er wind is, manifesteert die zich hoog in de kruinen. Ook fijn. Net als het korte gras op de zonneweide fijn is. Om een hand doorheen te halen. Om een badhanddoek op uit te spreiden. Om op te zitten en een boek te lezen. Of om kort te liggen en daarna een duik te nemen in het water met een ribbel op het oppervlak.

 

Sporen

 

Ik bied dagelijks een van straat geraapt voorwerp te koop aan. Het kan van alles zijn: een blikje, een flesje, een sigarettenpakje, een kroonkurk, et cetera. De advertenties op Marktplaats bevatten naast een vijftal foto’s onder meer de vindplaats, het tijdstip van aantreffen en het materiaal waaruit het voorwerp is vervaardigd. In de beschrijving staan overige eigenschappen en ook suggesties voor het gebruik van het voorwerp. Meestal zijn dat decoratieve functies. De prijzen variëren van €2,50 voor een elastiekje tot €22,50 voor een pizzadoos.

Het procedé is simpel. Ik hoef er niet speciaal voor op pad. Aangezien ik elke dag buiten kom, tref ik altijd wel iets aan. Ik maak een foto van de vondst zoals het ligt in de omgeving, vervolgens eentje van bovenaf met de camera ter hoogte van mijn middel en tot slot eentje van dichtbij. Daarna pak ik het voorwerp op, altijd een speciaal moment, en bestudeer ik het nader. Het gaat mee in de fietstas of soms in een meegebracht hersluitbaar zakje. De volgende stappen vinden thuis plaats. Ik fotografeer het voorwerp nog van twee kanten met een witte achtergrond. Later op de dag, als ik even tijd heb, plaats ik de advertentie.

Dat geeft me ook gelegenheid te kijken of er nog biedingen zijn op de vorige advertenties en hoeveel mensen die hebben bekeken. Dat laatste valt niet tegen. Ik had verwacht eerst op de tamtam te moeten roffelen, maar al snel bleek dat er vanzelf potentiële kopers langskwamen. Ik zou nog graag willen achterhalen waar die mensen precies op gezocht hebben. Met name een blikje, waar energydrink in heeft gezeten, krijgt veel aandacht. Ook een bij de Dirk gevonden reclamefolder doet het goed. Die zou ingelijst niet misstaan in woonkamer of hal.

Mijn doelgroep bestaat uit mensen die eens iets anders in huis willen, bijvoorbeeld in de vensterbank of op het nachtkastje. Alle voorwerpen hebben geschiedenis. Van ontwerp tot fabricage en van gebruik tot wegwerpen. Het laatste kan bewust gebeurd zijn of achteloos. Ondanks dat daar niets over bekend is, dragen de voorwerpen dit met zich mee. Ze zijn de sporen van de soort mens, specifieker nog de moderne stadsmens.

Sporen zijn alom aanwezig. De hele geplande omgeving – en dat is in Nederland praktisch alles – kun je als zodanig beschouwen. Er is echter maar weinig daarvan wat letterlijk zo voor het oprapen ligt.

Wat blijft liggen, is verloren. Het verdwijnt een keer in een verbrandingsoven of waait anoniem een oceaan in. Ik red er wat van. De waarde die ik toevoeg is het selecteren en het uitlichten. Meer doe ik niet. Ik schrijf of teken niet er niet op. Ik modelleer er niets aan, voeg niets toe. Hooguit kan er tijdens het vervoer ongewild een kleine verandering plaatsvinden. Ook tijdens het verzenden kan dat gebeuren. Daar moet niet te veel belang aan worden gehecht. Het gaat er vooral om dat het spoor doorgetrokken wordt, verdiept en uitgebreid. Dat verdient het.

 

naschrift: Vandaag is de veel bekeken advertentie van een blikje verwijderd. Na navraag schreef Marktplaats: ‘… Je advertentie is verwijderd omdat je een lege verpakking van een voedingsmiddel wilt aanbieden. Deze heb je als afval van de straat geraapt. Marktplaats behoudt zich wat dit betreft het recht om advertenties zoals deze naar eigen inzicht te verwijderen.’

Met mogelijk verwijdering van de site als consequentie van doorgaan, zie ik me genoodzaakt het project, zoals het nu is, te beëindigen. De advertenties tot nu toe, behalve die ene, kun je nog vinden op Marktplaats als je zoekt naar ‘vers geraapt’.

laatste update: inmiddels zijn er nieuwe advertenties te zien op Facebook.

 

Hendel

 

Erg veel komt er niet binnen. Dat hoeft niet teleurstellend te zijn, ware het niet dat ik om de haverklap kijk of er iets binnen is. Pas sinds een jaar of twee heb ik een smartphone. Vrijwel meteen maakte ik het toestel gereed om e-mails te verzenden en te ontvangen. Ik denk vooral omdat het kon. Met een e-mailaccount op mijn telefoon had ik bovendien weer helemaal aansluiting. Het kwam ook nog van pas. De laptop hoefde niet meer open, of te worden opgestart. Altijd de post binnen handbereik.

Al gauw groeide de gewoonte om ieder vrij moment de telefoon te pakken, hem met een snelle vingerbeweging te ontgrendelen en op de blauwe knop met de witte envelop te drukken. Het is de hendel van een gokkast overhalen. Dat laatste heb ik niet van mezelf, maar ergens gelezen, in een krant. Het volgende heb ik wel zelf bedacht, denk ik, grotendeels.

Een bericht krijgen is winst, ongeacht of het goed of slecht nieuws is, ongeacht of het van een goede vriend, een vage kennis of een kille instantie afkomstig is. Endorfinen komen los. Het is hoe dan ook een bevestiging van mijn bestaan. Iemand geeft die door mij iets te sturen.

Verlies, geen mail, is een domper. Hoe miniem ook. Het is een bres in mijn identiteit, een opening naar de leegte, naar al het negatieve dat ik over mezelf kan denken. Met voorop de onvrede over het feit dat ik zo nodig alweer moest kijken. Even dát aantikken. Daarna direct het verlangen naar de volgende keer dat zich een kans op winst voordoet. Die zal niet lang op zich laten wachten. Het icoontje blijft trekken. Het gaat razendsnel. Bijna zonder dat ik het doorheb, heeft mijn vinger het opnieuw gevonden.

Daar wilde ik vanaf. Mijn oplossing was om na gebruik in ‘instellingen’ het e-mailaccount uit te zetten. En weer aan als ik het echt nodig had. Met een paar stappen ertussen, dacht ik, zal ik het wel laten om ieder moment mijn mail te bekijken. Bleek van niet. Het kostte nog te weinig moeite om mijn shot te krijgen. En binnen korte tijd stond het account weer continu aan. Dat heb ik zo een paar keer geprobeerd, steeds met goede hoop en teleurstellende afloop. Tot ik besloot een rigoureuzer stap te nemen en de hele zaak eraf te gooien. Een paar keer diep ademhalen en hup, weg ermee. ‘Weet u zeker dat u het account wilt verwijderen?’ Ja.

Zelfs dat (zucht) bleek niet afdoende, want ik ontdekte dat inloggen via de webbrowser ook nog mogelijk was. De pagina hield ik geopend. Het aanvinken van het hokje ‘aangemeld blijven’, voorkwam echter niet dat ik er steeds uitgeknikkerd werd. Ik zie het als een geval waarbij haperende techniek helpt. Wat ook helpt, is de lengte van mijn wachtwoord; die is flink, een hele zin. Ik was het zat om te blijven typen. Weg ermee, nu echt, pagina sluiten, klaar.

Dat is twee weken terug. En het is, in het kort, een verademing.

 

Precies

 

In dit geval permitteer ik me een langere opsomming, komt-ie: de keukenradio, de oven, de vaste telefoon boven en die beneden, de tafeltjes aan weerszijden van de echtelijke sponde, de laptop en de tablet, vier smartphones, een e-reader en nog een e-reader, de computer in de werkkamer en tot slot mijn linker pols. De overeenkomst is duidelijk: ze bevatten allen een klokje dat bij benadering de juiste tijd aangeeft. Dan ben ik de meditatieklok nog vergeten. En er slingert een ongebruikt horloge in de fruitschaal. Nu ik erover denk, ik weet ook nog ergens een sporthorloge, en een hartslagmeter. Bij elkaar zijn dat in één huis twintig (!) plekken waar het juiste uur kan worden afgelezen. Dan heb ik de televisie plus de mediabox over het hoofd gezien. Mis ik nog iets? Jazeker, de fietscomputer van de e-bike. Die ligt nota bene in mijn zicht. Nu hou ik er echt mee op. Alleen de wekkerradio’s op de kinderkamers tel ik nog mee. Dat maakt het vijfentwintig rond.

Het geeft te denken.

Soms probeer ik me een tijdje niet bewust te zijn van de tijd. Er valt nog lastig aan te ontkomen. Binnenshuis in ieder geval. Als ik met opzet in het ongewisse probeer te blijven, loop ik er wel ergens per ongeluk tegenaan. Ik wil blijkbaar op de hoogte blijven, liefst zo precies mogelijk.

De Wake-up Light naast het bed aan de kant van Melanie loopt een paar minuten voor. Het helpt haar op tijd op te staan. Ik kan er slecht tegen. Aan mijn kant staat een klokje dat de atoomtijd weergeeft. Overal om ons heen beschikbaar en zo uit de lucht geplukt door dit simpel ogende apparaatje. Dat is beter. Geen seconde vroeger of later dan het werkelijk is. Daar hou ik van.

Heel vroeger, in een ander tijdperk, zette ik mijn horloge nog geregeld gelijk met de stationsklok. Dat was behelpen want die dingen gaven nooit de exacte tijd aan. Bovenaan aangekomen hield de secondewijzer even halt om een moment later zijn weg naar de volgende hele minuut aan te vangen. Zo was het nooit duidelijk of de nul samenviel met het begin van die pauze of met het einde ervan. De eerstvolgende keer op een station zal ik eens kijken of ze daar al wat aan hebben gedaan.

Of ik koos, als ik lang niet met de trein hoefde, voor het toen nog niet antieke en inmiddels weer in zwang geraakte Teletekst. De gele cijfertjes achtte ik betrouwbaar genoeg. Nog weer voordat we Teletekst hadden, was de beste optie onopgemerkt bellen met de tijd. De service bestaat nog steeds, de stem is dezelfde gebleven: ‘Bij de volgende toon is het veertien uur, zeven minuten en veertig seconden.’ Iedere tien seconden was er een toon. Met de wijsvinger bij het knopje van mijn Casio, in opperste concentratie, wachtend tot de hele minuut eraan kwam en indrukken op het enig juiste moment. Vervolgens kon ik weer tevreden vooruitkijken naar een paar weken met een aanvaardbare afwijking rond mijn pols.

 

Omvang

 

Iets aanvaarden is best ingewikkeld. Het is niet erg tastbaar. Het is iets anders dan je erbij neerleggen. Aanvaarden is er vrede mee hebben dat iets is zoals het is. Je kunt het ook acceptatie noemen, maar dat heeft net een andere nuance: inactiever en meer lijdzaam ondergaan. Aanvaarden daarentegen is iets opnemen, het dragen. Als het bijvoorbeeld om een lastige keuze gaat, dan moet je met alles wat je hebt die keuze zijn. Incorporeren is ook mooi in dit verband. Laat de kwestie onder je huid toe, geef je eraan over en doorleef het.

Tot zover de woorden. Tijd voor de praktijk.

Ik heb een buik die gestaag in omvang toeneemt. Ja, lach maar. Vooralsnog kunnen we het hebben over een buikjé. Volgens de Body Mass Index ligt mijn gewicht iets boven het ideale, ruim binnen de marge dus. Toch begint zich onder mijn middenrif steeds duidelijker een bolling af te tekenen.

Aanvaarden, zou je zeggen. Ik ben toch al bijna vijf jaar de veertig gepasseerd. Helemaal mee eens. Maar wat dient hier precies te worden aanvaard?

In de eerste plaats dat het me blijft bezighouden. Ik zou er namelijk niet mee bezig willen zijn. Ik zou óf de buik voor lief willen nemen, óf een vanzelfsprekendheid aan de dag leggen bij het bestrijden ervan. Een van de twee is ideaal, alles ertussen is balen. Balen dus, want soms denk ik: ‘Laat maar gaan.’ En de volgende dag: ‘Doe er wat aan.’

Het makkelijkst zou zijn het te laten gaan. Gewoon eten en drinken waar ik zin in heb. Op de bank hangen wanneer me dat uitkomt. ’s Ochtends, als de kinderen naar school zijn, weer in bed kruipen in plaats van een stuk fietsen of wandelen. En daar geen greintje schuldgevoel bij hebben. Het credo van minder eten en meer bewegen aan mijn laars lappen. De levensgenieter uithangen.

Dat heb ik een tijdje gedaan, met stiekem de hoop dat er vanzelf behoefte aan minder eten meer bewegen zou ontstaan. Ik behoor toch graag tot het slanke deel van de bevolking. Ik kan het niet helpen mezelf in het zwembad te vergelijken met plattere buiken. Met de nodige inbeelding kom ik nog bij ze in de buurt. Een spiegel of, eerlijker nog, een foto leren een harde les. Met trots deze trofee dragen lukt me nauwelijks. Ik zie liever niet dat de buik nog geprononceerder wordt.

Logischerwijs kom ik dan weer uit bij het aanvaarden van de moeite die nodig is om in vorm te blijven. Dan moet ik me aan geplande beweging houden. Als het kan nog iets extra doen. Daarbij een strak regime van voedselinname volgen, er nu echt een leefstijl van maken. Risicovolle producten niet in huis halen. Ertegen vechten wanneer iets uit de voorraadlade of koelkast wenkt. Blijven onderzoeken waar het misgaat. Aan de slag.

Of nee, toch niet. Toch maar weer kiezen voor beide: een beetje buik en een beetje gezond. En ermee bezig blijven. En een beetje balen op z’n tijd.

 

Helder

 

Op een donderdagochtend begin deze maand vertoefde ik enige momenten in een soort van verlichte staat. Je kent het wel: één met de kosmos, verruimde blik, geen opwinding, ook geen vaststelling van kalmte, alleen maar dat moment, alleen maar zijn. Er wordt wel gedacht dat het denken dan ophoudt. Dat hoeft niet per se. Het tobben stopt wel. Vanonder de deken van gedoe verschijnt een sprankelende helderheid. Het zal minder dan een minuut hebben geduurd. Na afloop begreep ik pas wat er aan de hand was geweest.

De aanloop ging ongeveer zo. Na een klein uur wandelen in het Noorderpark stak ik de ringweg over via de fietsersbrug. Ik bleef even stilstaan om te kijken naar de stroom auto’s onder me. Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naartoe? Nog wat mijmerend over die vragen bereikte ik het parkje vlakbij huis. Het volgende wat ik nog weet is dat ik dacht: ‘Het zou prima zijn als ik nu door de bliksem getroffen word en sterf.’

Op zich niet zo opmerkelijk. Zo sta ik in het leven. Het is erin geslopen. Ieder moment is geschikt om het leven te laten. Dit is niet vanwege een gebrek aan rijkdom, of vanwege vermoeidheid, of een doodswens. Integendeel. Ik zal niet zelf kiezen er uit te stappen. Ik verheug me bij de gedachte nog lang te leven. Tegelijk zie ik geen reden, geen werkelijke reden, waarom het nu niet afgelopen zou mogen zijn. Er is niets wat zo nodig nog gedaan moet worden of moet worden beleefd. Het is af. Net zo goed als het tien jaar geleden af was. Net zo goed als het over tien jaar af zal zijn. Dat is hoe ik erover denk, het is mijn overtuiging. Nu was er plotseling ook het besef.

Het onweerde niet. Het regende zelfs niet. De zon scheen tussen de wolken. Bij mijn volgende stappen ervoer ik een grenzeloos vertrouwen in de toekomst. Wat komt dat komt en wat komt is goed. Er zullen moeilijkheden zijn, zeker, maar geen daarvan zo groot dat er geen weg doorheen is. Dit drong op zo’n manier tot me door dat het in andere omstandigheden overweldigend zou zijn geweest. Nu dus niet, nu was het zo, zonder meer. Het vertrouwen dat alles goed is zoals het is, kreeg een stevig, nieuw fundament.

Achteraf kwalificeer ik de ervaring als heel bijzonder en heel gewoon tegelijk. Het geeft me vooral moed dat ik niet ernstig van slag of in de war raakte. Dat gebeurde de vorige keer nog wel. In die tijd volgde ik een cursus mindfulness. Thuis had ik een stuk langer zitten mediteren dan gebruikelijk. Na een halfuur zat ik ineens ontzettend goed. Alle last van mijn schouders. Dat was me even wat. Alleen wist ik daarna echt niet waar ik het moest zoeken. De leraar zei later: ‘Je moet nog wel je boterhammen kunnen smeren.’

Dat heb ik bij thuiskomst die donderdagochtend begin deze maand eerst maar gedaan. Met kaas en ham en jam. Kop thee erbij. Geen probleem.

 

Verstopt

 

In mijn exhibitionistische verleden had ik eens het plan om dagelijks, of zo vaak als een gelegenheid zich voordeed, mijn excrementen te fotograferen en het resultaat online te zetten. Internet stond in de kinderschoenen, alles kon nog. De belichting bleek lastig in de kleine ruimte. Bovendien was het contrast groot tussen het wit van het keramiek en het donkerbruin van het onderwerp. Al na een paar dagen meende ik dat mijn technische vaardigheden tekortschoten, wat het fotograferen betrof. Het is daarom verspilde moeite nu op zoek te gaan.

Toch wil ik je niet met lege handen huiswaarts sturen. Op de details van het eigenlijke loslaten zal ik niet ingaan. Er zit tegenwoordig wel regelmaat in, doch niet geheel de gewenste. Eerst moet zich wat ophopen, voor de boel loskomt. Mijn darmen kiezen ervoor eens in de drie dagen groen licht te geven. Gezegd kan worden dat het sinds het gebruik van een in water op te lossen poedertje veel minder problemen oplevert dan daarvoor. Die problemen waren weer bijwerkingen van een pilletje dat ik echt nodig heb om coherent te functioneren. Maar dit terzijde, tot ver buiten de kantlijn.

Vanwege genoemde frequentie verschijnt er vaak meer materie in de plee dan in een keer weg wil. Van het plateau schuiven met de eerste plens lukt. Maar dan. Het zou aan onze wc kunnen liggen; dat de bocht niet ruim genoeg is. Het stagneert. Het waterniveau stijgt tot aan het toiletblok. Nu is het zaak snel de gootsteenontstopper, die naast de pot staat opgesteld, ter hand te nemen. Met wat geluk is twee keer spoelen voldoende. En ploppen. Als de weg niet geheel versperd is, duurt de stremming langer, juist omdat het water erlangs stroomt. Met papier afdichten is een optie, of wachten tot een van mijn huisgenoten een contributie doet die de boel sealt. Die druk leg ik ze liever niet op. Aan het werk dus. Het komt vaak voor dat ik me afvraag of de stront – ik zal niet langer om de hete brij heen draaien – de woning gaat verlaten. Er verschijnen visioenen van geïmproviseerde gereedschappen, zoals een verbogen kleerhanger, om beweging in de zaak te krijgen. We hebben helaas geen abonnement op de loodgieter. De voorrijkosten zullen niet gering zijn. En vlak het gedoe niet uit. Plus de schaamte, schaamte ja.

Op vakantie is door mijn toedoen de boel een keer muurvast komen te zitten. Dat was nog voor het poedertje. Het lag ook aan de wc daar, vond ik. De eigenaar van het park kwam er zelf bij om de pot eraf te rukken. We waren net te laat op weg naar de speeltuin om zicht op het tafereel te ontlopen. De rest van de vakantie keurig opgehouden.

Thuis gaat dat niet. Hier is het hopen dat de hoop (sorry) de zwanenhals kiest. Als hij na de nodige hulp met een slurpend vaarwel vertrekt, is dat wellicht een grotere opluchting dan het afscheid van even daarvoor. Hebben we dat weer gehad. Op naar het volgende.

 

Geluid

 

Op de dag van de verkiezingen zagen mevrouw en ik elkaar voor het laatst. Van wandelen kon geen sprake meer zijn. Het zat er bijna op voor haar. Ze reageerde nauwelijks, en dan nog vooral op de kou van mijn hand op haar onderarm. Ik kwam net van buiten. Ze schrok ervan. Het speet me. We hebben elkaar niet meer gesproken. Zij kon niet praten en ik wist niet wat te zeggen.

Het afgelopen anderhalf jaar maakten we wekelijks een wandeling in de omgeving van het verzorgingshuis. Zij in de rolstoel en ik erachter. We troffen het meestal met het weer. We lieten ons ook niet afschrikken door minder gunstige omstandigheden. Ik liet haar de keus. Ze wilde graag naar buiten, al was het maar om even aan te voelen hoe het was aan de andere kant van het raam. Soms een klein rondje, als het even kon wat langer. Ze genoot er volop van en liet dat blijken. Tijdens het lopen hadden we de beste gesprekken.

‘Stilte is ook een geluid,’ stelde ze een paar keer vast. ‘De meeste mensen luisteren niet goed genoeg om het te kunnen horen,’ voegde ze daar dan aan toe, en: ‘Hoor je het?’

Het geluid stilte was blijkbaar voor haar niet de afwezigheid van iets, maar juist iets wat altijd aanwezig was. Dat idee sprak me zeker aan, maar hoe ik ook mijn best deed, voor mij waren er vooral het gekwinkeleer van vogels, het geruis van blad hoog in de bomen en dat van het verkeer op een nabijgelegen weg. Ik probeerde goed genoeg te luisteren en kon het toch niet horen. Uit mijn herinnering diepte ik een stilte op. Die was van Schiermonnikoog en écht zonder geluid, niet eentje dus die zij bedoelde.

Ze vond het op de woensdagen dat we wandelden zo rustig in en om het park, zo weinig mensen. In mijn optiek viel dat nogal mee voor een doordeweekse ochtend: joggers, honden met baasjes, fietsers onderweg naar studie of werk of wat dan ook. Leven genoeg. Zij zag dat anders. Dit was een terugkerende constatering: ‘Wat is het toch stil.’ Kennelijk had ze meer oog voor de lege ruimte tussen de mensen dan voor de mensen zelf, zoals ze oor had voor de lege ruimte tussen de geluiden.

Mevrouw gaf meermaals aan geen medelijden te willen voor de tijd die ze alleen in haar appartement zat. Ze had genoeg aan het uitzicht van de elfde verdieping. Naar ik begreep kwamen er best wel mensen langs. Toch kende ze haar momenten van eenzaamheid. Volgens mij kon ze goed alleen zijn. Er flakkerden vast pijntjes op uit het verleden en kwesties van het heden. Ook daartussen, stel ik me zo voor, zal zich een weldadige ruimte hebben gemanifesteerd. Het geluid stilte was voor haar overal, en altijd aanwezig.

Zo bezien is een afscheid zonder woorden helemaal niet slecht. Later vernam ik dat ze aan het eind van die dag haar laatste adem uitblies. 95 jaar. Haar stem is nog per volmacht uitgebracht.

 

Priesters

 

Het water van de Plas doet het voorkomen er altijd al te zijn geweest. Dat is niet zo. Het kent geschiedenis, dat wel. Ooit waren er legakkers en trekgaten. Daarvoor was er veen, waarvan veel is weggestoken. In de jaren zestig van de vorige eeuw vond er zandwinning plaats voor de aanleg van Overvecht. De grote hoeveelheden zand werden door dikke buizen getransporteerd. Tijdens de werkzaamheden welde uit de bodem water op dat afkomstig was uit een laag onder de Utrechtse Heuvelrug. Daar is het zevenduizend jaar geleden als regen uit de lucht komen vallen, en ongetwijfeld ook als hagel en sneeuw. Vervolgens ving het een trage tocht aan. Eerst naar beneden door klei en zand. Daarna horizontaal, met een snelheid van vijf tot tien meter per jaar. Over de grof geschatte twintig kilometer van daar naar hier deed het dan 2000 tot 4000 jaar. Het water zit in de omgeving alom in de grond. Het komt uit de kraan. Op een steenworp afstand pompt Vitens het op. Vrumona vult de flessen Sourcy ermee. Het zit ook in de tweeliterpakken Bar-le-Duc. Het is je reinste zuiverheid. En daar zwemmen we in.

Het was een lang gekoesterde wens van mij om een hele winter door te zwemmen. Die is dit jaar uitgekomen. Het water was hartje winter een stuk kouder dan dat uit de kraan. Ook een fles of pak uit de koelkast haalt het niet. Op school leerden we dat water nooit het vriespunt bereikt; ijzig kan het toch zeker zijn. Door er regelmatig in te gaan bleek de kou te verdragen. Vier tot vijf keer per week offerde ik wat warmte van mijn lijf. Het ritueel is het afgelopen halfjaar ankerpunt in mijn dag geworden. Met opzet trad ik de pijn en het ongemak (laten we het op ongemak houden) tegemoet. Vooraf was er altijd een niet te omzeilen tegenzin. Achteraf viel het mee en was ik blij weer te zijn geweest.

Dit succes is mede te danken aan de ervaren winterzwemmers waar ik me bij kon aansluiten. Zonder de anderen van het groepje te willen benadelen, noem ik vooral Kees en Willem. Net als de Plas zijn ze er niet altijd geweest, hoewel het zo lijkt, maar hebben ze wel geschiedenis. We kennen elkaar al langer. Ze zijn ongeveer een decennium buiten beeld geweest voor mij, en ik daardoor voor hen. Ze zijn in die tijd stug doorgegaan de winters te trotseren. Jaren achtereen zonder verzaken. Eindeloos veel dagen met gezonde tegenzin het water tegemoet treden. Warmte offeren en het vuurtje brandende houden, terwijl veel leden van de oorspronkelijke groep afhaakten. Zonder Kees en Willem had ik dat waarschijnlijk in oktober of november ook gedaan, als ik al begonnen was aan de reis.

Het voorjaar heeft zich inmiddels van zijn beste kant laten zien. De temperaturen gaan omhoog. Langzaamaan kan ik weer langer in het water blijven. Dat is een beloning. Ik ben de voorbije winter dankbaar, het water van de Plas, en die twee mannen dus.

 

De dingen

Goedemorgen bomen. Dag buizerd. Hallo fort. Ik wandel een vaste route door en om het Noorderpark. Al vaak gedaan en waarschijnlijk vandaag niet voor het laatst. Hét gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen, is me ooit onder ogen gekomen toen een huisgenoot me erop wees. Het gedicht maakte het zware licht. Het verwijst naar opgeruimd in het leven staan, zoals een kind dat kan. Zonder oordelen, met een zekere speelsheid en opgewekt. De dingen zien zoals ze zijn.

Mij vergezellen drommen gedachten, over praktische zaken of over kwesties rond de geest en relaties. Als mens ben ik veroordeeld tot de vraag hoe me te verhouden tot de dingen. Aan de bijbehorende verwarring en zwaarmoedigheid valt blijkbaar niet te ontkomen. Ze werpen een sluier over de omstandigheden. Het getob is zeker minder dan pakweg vijf jaar terug. Het is alvast een hele opluchting dat af en toe te kunnen vaststellen. Zo er een lijn te ontwaren is, gaat die richting meer helderheid. Toch loop ik intussen in de prut rond. Dat ontken ik niet. Het is alvast een begin.

En ik heb besloten de prut tot op zekere diepte te delen. Gelardeerd met hier en daar een aardigheidje uiteraard, om het draaglijk en leesbaar te houden. De blik gaat van buiten naar binnen. In mijn hoofd is alles heel eenvoudig, zong Raymond van het Groenewoud. Dat moet nog blijken. Later verschuift de aandacht mogelijk naar wat zich in mijn omgeving afspeelt. Of over wat er stilstaat. En inderdaad hoe ik me daartoe verhoud. Er blijven zich hoe dan ook dingen aandienen, van buiten en van binnen. Ga maar na.

Niet ver van waar ik nu loop ligt de Gageldijk, een weg parallel aan de noordelijke ring van Utrecht. Sommige huizen hebben er een naam of een motto. In de bakstenen zuiltjes aan weerszijden van een van de toegangspaden staan letters gebeiteld. Aan de linkerkant: ’T IS ALTIJD.

Hoezo? Wat krijgen we nu? Wat is het altijd? Het antwoord prijkt op een steen aan de andere kant: WAT. De letters zijn erg ongelijk verdeeld over beide zuilen. Kennelijk was deze combinatie van woorden zo belangrijk dat men dat op de koop toenam. Ik heb dat lange tijd als raadselachtig ervaren, want beschouwde het als een uitspraak met een negatieve connotatie. ’t Is altijd wat met die gast. ’t Is altijd wat in die buurt. Zucht, ’t is altijd wat.

Nooit niks, zou je ook kunnen zeggen. Dat is een dubbele ontkenning, maar in dit geval niet om de afwezigheid te benadrukken van iets. Min min is plus. Nooit niks. Deze woorden zijn beter te verdelen als je aan het beitelen gaat. Later is tot me doorgedrongen wat de leus bij het huis inhoudt. Altijd wat. Gelukkig maar. De bewoners geven aan dat ze leven. Het tegenovergestelde van altijd wat is niet nooit niks maar áltijd niks. Ook wel aangeduid met ‘dood’. Dus hoera, we leven. Ik leef. Ik leef en groet de dingen op mijn pad. ’t Is altijd wat.