Sticker

 

Ik ben het milieu en het klimaat beu. Het is milieu en klimaat voor en milieu en klimaat na. Milieu en klimaat zijn de norm. Ik heb mijn buik vol van milieu en klimaat. Hoe meer ik lees, zie en hoor over milieu en klimaat, des te minder ik voor milieu en klimaat ben. Ik laat milieu en klimaat voor wat ze zijn en doe wat ik goed acht voor mijn welbevinden. Ik ga zelfs in de contramine als het om milieu en klimaat gaat.

Ik laat de koelkast openstaan bij het inschenken van een glas melk en de kraan lopen terwijl ik tandenpoets. Ik gooi, als het zo uitkomt, papiertjes in de plasticbak, een verpakking bij gft en eten bij rest. Zonde. Ik douche weer warm en langer dan noodzakelijk. Ik hou de verwarming in de werkkamer aan voor het geval ik daar later op de dag nog ga zitten. Ik zou voor een weekend naar New York vliegen, als ik daar behoefte aan had.

We hebben nog wel een nee/ja-sticker op de klep van de brievenbus. Die zit er zolang ik me kan heugen, ook bij onze vorige woning al en bij mijn huis weer daarvoor. Die peuter je er niet eventjes af.

Zo blijven we verschoond van folders met schreeuwerige aanbiedingen en andere indringende manieren om ons tot kopen aan te zetten. Ik was al zo’n beetje vergeten hoe dat was, een stapel van die folders doorwerken.

Meerdere van die stapels vielen maandagochtend op de mat. Ze waren verpakt in plastic en met witte bandjes gebundeld. De chauffeur kieperde een berg van zijn steekwagen. Ik begon met opstapelen en bedankte hem al. ‘Nee,’ zei hij, ‘er komen nog twee.’ Ik was meteen plaatsvervangend aan het afzien voor mijn kind.

Onze oudste van dertien heeft zijn eerste baantje: reclamedrukwerk verspreiden. Hij heeft dat helemaal zelf bedacht, uitgezocht en geregeld. Melanie en ik kunnen niet anders dan hem erin steunen. Hij spaart voor een Playstation op zijn eigen kamer.

Ik liet hem ’s middags alleen op pad gaan, maar vond later dat ik hem voor deze eerste keer wel kon helpen. Het verspreiden van folders is het laten afgaan van een fragmentatiebom waarvan de scherven in de brievenbussen in de wijk terecht komen. Die scherven vallen dan weer uiteen in de huiskamers, hoewel er ook veel ongelezen schijnt te verdwijnen in de vuilnisbak. Het zal toch werken al die reclame. De adverterende bedrijven doen er veel moeite voor.

Ze knijpen hem nu, want er komt een ja/ja-sticker in Utrecht. In Amsterdam hebben ze die al. Alleen in brievenbussen met zo’n sticker mag ongeadresseerd reclamedrukwerk worden gegooid. Geen sticker is geen reclame, een omkering van de situatie zoals die nu is.

De invoering is gepland voor begin 2020, nog niet helemaal zeker, maar grote kans van wel. Onze eigen verspreider heeft een jaar en twee maanden om goed te kunnen sparen. Daarna zal de spoeling waarschijnlijk een stuk dunner worden. Jammer voor hem, maar ik ben dan toch weer blij voor milieu en klimaat.

 

Buikpijn

 

Er wordt tegenwoordig makkelijk gesproken van ervaringsdeskundig. In mijn geval geldt dat ik wel wat meegemaakt heb, maar geen opleiding volgde om dat professioneel in een kader te plaatsen. Mijn kunde is gebaseerd op het beschrijven van mijn ervaringen en al doende erop te reflecteren. Daarnaast kan ik door het coachen van anderen ook hun verhalen laten meewegen in mijn visie, voor zover ik die heb. Nog steeds niet officieel ervaringsdeskundig dus, maar goed, ik heb wat te vertellen.

Ik ben echter niet echt een verteller. Ik ben meer een schrijver. Ik heb graag de tijd om uitgebreid na te denken over een precieze formulering en de juiste woordvolgorde.

Over twee weken ga ik toch iets vertellen, over verwardheid. Het is voor een publiek van ongeveer tachtig mensen, managers in de zorg. Ze zijn benieuwd hoe ik als verward persoon graag behandeld zou willen worden, wat een goede aanpak is. Daar ben ik ook al niet deskundig in. Ik heb alleen mijn ervaring.

Ik weet niet goed waarom ik toegezegd heb dit te doen. Niemand dwingt me. Voor de bescheiden financiële tegemoetkoming hoeft het niet. Ik ben ook niet persoonlijk gevraagd. Er kwam een oproep en daar heb ik op gereageerd. Misschien vind ik dat ik het behoor te doen. Mogelijk verkoop ik een boek of twee.

Een kwartier blijkt best makkelijk te vullen. Met het voorlezen van twee verhalen uit Verwarde man kom ik al over de helft. Ertussenin iets uitleggen over wensen bij waanzin gaat me in de beslotenheid van de werkkamer redelijk af. Hoe dat straks zal zijn als ik daar sta, is nog maar de vraag.

Ik wil niet woordelijk zinnen uit mijn hoofd leren, acht me daartoe ook niet in staat. Bovendien is er dan geen ruimte voor kleine grapjes, mochten die opkomen. Helemaal voor de vuist weg aanvangen, is zeker geen optie. Inmiddels heb ik een begin en weet ik ongeveer via welke punten ik naar het eind wil.

Het belachelijke van de hele exercitie is de tijd die ik ermee bezig ben en de energie die erin gaat zitten. Voor een praatje. Mijn perfectionisme en mijn zucht naar eindeloos nuanceren zitten in de weg. Het houdt niet op. En het is vakantie. En ik heb verder niet zo veel te doen.

Het kan maar beter achter de rug zijn. Het ergste wat kan gebeuren, is dat ik dichtklap. In dat geval heb ik altijd de verhalen uit het boek nog en lees ik er desnoods eentje extra voor. Laat ik mijn leesbril niet vergeten (volgende keer schrijf ik een groteletterboek).

In mijn zenuwen vooraf ben ik geneigd een voorstelling te maken van hoe het zal zijn. Hoe zien managers in de zorg er eigenlijk uit? Hoe is de opstelling? Wat vertellen de andere sprekers? Is er een katheder of zoiets? Ik hoop het. En hopelijk ben ik in staat een slok te nemen uit het glas water dat voor me klaarstaat, trillen mijn handen niet te erg.

Je mag aan me denken die dag.

 

Pindakaas

 

Ik ben niet echt te dik, wel een beetje. Eerder had ik al zelfstandig het plan om meer te bewegen. Daar kon ik me niet helemaal aan houden, of het was om te beginnen niet strak genoeg. In ieder geval was er na een paar maanden een negatief resultaat, nog iets zwaarder. Mijn gewicht kroop omhoog, zoals het op de site van Voedingscentrum zo mooi heet.

Mijn BMI bevond zich niet in het rood. Ik kon het nog wel wat langer aankijken, ware het niet dat Melanie op een avond liet weten dat ze niet met mijn buikje kan leven. Inderdaad is het mijn buikje, bemoei je er niet mee, was mijn eerste idee. Maar goed, zij heeft er meer zicht op dan ik, zo vaak kijk ik niet in de spiegel. Mijn eigen toch wel ontevredenheid en haar wanhoop (‘Ik weet niet of ik zo nog van je kan houden.’) brachten me ertoe de app van stal te halen.

Samen (de app en ik) hebben we een duurzaam plan opgesteld. Ik vulde wat gegevens in, waaronder mijn leeftijd, mijn huidige gewicht, de gewenste duur en het gewenste resultaat. De app rekende het aantal grammen uit dat ik per week lichter zou worden, mits ik me aan het voorgeschreven aantal calorieën zou houden. Daar zit het ‘m in.

Het plan gaat eigenlijk niet verder dan bijhouden wat ik drink en eet. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de pondjes eraf vliegen, dan komen ze er net zo snel weer aan. Van eerdere pogingen weet ik ook dat noteren van wat naar binnengaat een heel eind helpt om ervoor te zorgen dat er minder naar binnengaat. De ergste boosdoeners laat ik schuldbewust al grotendeels achterwege.

Na iedere maaltijd en elk tussendoortje neem ik even de tijd voor de administratie. Als ik weet wat er op het menu staat, kan ik ook vooruit werken. Mijn app zet alles keurig op een rij. Hij bevat een database met zo goed als elk product dat in Nederland te krijgen is, mét voedingswaarde. Daarnaast hebben andere gebruikers maaltijden ingevoerd, zodat ik niet steeds hoef te puzzelen met een onsje peen of een blokje spek.

Het mooist van alles is de scanfunctie. Mijn app kan de barcode op een verpakking lezen en interpreteren. De eerste keer dat ik het meemaakte was verrukkelijk. Het is gewoon lekker om te zien dat techniek zulke dingen voor elkaar krijgt. En dat het werkt. Het zal wel vrij simpel uit te voeren zijn tegenwoordig, maar ik vind het geweldig.

Neem een pot pindakaas. Ik richt mijn telefoon erop, de barcode wordt in beeld als het ware even vastgepakt en een tel later verschijnt een afbeelding van die pot en dat merk. Vervolgens kan ik zelf bepalen hoeveel ik ervan heb gegeten. Ik geef toe, ik weeg soms dingen, maar dit niet. Hoeft ook niet. Er zijn standaardhoeveelheden om uit te kiezen. Bijvoorbeeld: smeersel voor één boterham (15 gram). Alles wat ik nog hoef te doen, is niet te dik smeren.

 

Zuurstof

 

Bij de internist had ik gestaag oplopende getallen gezien. Het ging om mijn nierfunctie, die vanwege decennialang lithiumgebruik onder druk staat. Ze schatte de normale waarde voor een man van mijn postuur op zestig en het scherm gaf honderdveertig aan, ruim twee keer zoveel. Dat was geen reden voor mij om meteen door te vragen, ook omdat er kennelijk bij haar geen luide alarmbellen rinkelden. Bovendien was ik daar om te praten over mijn te hoge bloeddruk, die al een luikje opende naar de eindigheid van mijn bestaan.

In de dagen erna werd de kwestie rond wat die honderdveertig precies betekende prangender. Internet leidde al snel via ervaringsverhalen van andere lithiumgebruikers naar nierdialyse en de beperkende effecten daarvan. Over exacte getallen vond ik niets. Ik wist genoeg om naar een doemscenario gezogen te worden. Even hoefde het allemaal niet meer voor mij.

Dat was een goed moment om een afspraak te maken bij de huisarts. ‘Oplettendheid is geboden,’ zei ze ‘maar het is nog maar een beginnetje van schade.’ De waarde blijkt op te kunnen lopen tot zeshonderd of zelfs achthonderd voordat dialyse ter sprake komt. En zo hard gaat het nu ook weer niet. Haar woorden namen mijn ongerustheid weg.

Er was wel een vraag achtergebleven, die vaker voorkomt na ingrijpende levensgebeurtenissen. Mee eens, zo ingrijpend was dit niet, toch genoeg om stil te staan bij wat er werkelijk toe doet. Dat kreeg ik mooi cadeau.

Er begon iets te broeien en er groeide een idee. Ik weet niet precies waar het vandaan kwam. Eerst waren er vage contouren. Ik zag flarden van krantenberichten, een promo van een tv-programma, een fragment van een film, hoorde iemand iets zeggen. Het was niet te doorgronden hoe het zich precies manifesteerde, hoe dingen samenvloeiden en uitkwamen op een licht veranderde levenshouding, die er altijd al leek te zijn geweest, alsof het vanbinnen een tijdlang lag te wachten en nu begon te resoneren met de buitenwereld. Het was me echter nog onduidelijk wat de handen en voeten waren van het idee.

Mijn jongste zoon bracht voor een belangrijk deel verheldering. Hij zit sinds anderhalve maand in de brugklas. Maandag kwam hij uit school en vertelde opgetogen dat hij iets leuks had gehoord bij geschiedenis. Mijn hoofd stond niet direct naar zijn verhaal. Op een rustiger moment vroeg ik wat de leraar had verteld.

Het ging om basisbehoeften. Aan de hand daarvan, hoe de mens daarvoor zorgde en zorgt in verschillende tijden en op verschillende plaatsen, is een cultuur te karakteriseren.

Het is simpel. Een mens heeft zuurstof nodig, eten en drinken en rust en slaap. Dat zijn de voornaamste drie. Daarnaast zijn veiligheid en gezelschap van belang om het leefbaar te houden. Het is een manier van kijken die bevrijdt. Ademen, eten en drinken, geregeld mensen zien, ’s avonds de deur op slot en voldoende slapen. Verder hoeft er niet zo veel.

 

100%

 

Kledingwinkels mijd ik als ik kan. Online kopen is een uitkomst. Het leek me in dit geval toch praktischer direct te passen en te beoordelen. Ik wilde twee nieuwe overhemden en wist het juiste adres. Op twee medewerkers na was de winkel leeg. Het was een doordeweekse ochtend, een goed moment om in alle rust kleding te kopen. Een vrouw met een Engels accent hielp me bij het kiezen en afrekenen. Iets triggerde de andere vrouw om persoonlijke belangstelling te tonen.

Voordat ik verderga moet ik zeggen dat me vaker wordt gevraagd wat ik doe. Een paar weken terug vond de vrouw bij de bakker een aanleiding om ernaar te informeren. We spraken elkaar al een tijdlang elke woensdag. Gezien ons bandje meende ik te kunnen volstaan met te zeggen dat ik huisman was. Dat volstond niet. Er moest nog een uitgebreid verhaal bij over hoe ik mijn dagen verder doorkwam. Ik nam me voor de volgende keer een andere insteek te kiezen.

De volgende keer was tijdens een bezoek aan een internist. Die had door de lijst medicijnen op haar scherm al kunnen vermoeden dat ik niet volop meedraai in de maatschappij. Ze vroeg er toch naar. Bij haar besloot ik schrijver te zijn. Het moment dat het uit mijn mond kwam, hoorde je de geloofwaardigheid door het rooster naar de binnentuin glippen. Arnon Grunberg is een schrijver, ja, en bijvoorbeeld Tommy Wieringa, Peter Buwalda misschien. ‘Ik schrijf wekelijks een blog,’ zei ik nog. Oké, een blog, leg maar eens uit dat het meer is dan een leuke hobby. ‘En ik zwem,’ pruttelde ik daarna, ‘en ben huisman.’

Niet geslaagd. Ik was zelfs vergeten mijn vrijwilligerswerk te noemen. Ik nam me meteen voor de volgende keer die activiteit primair op te voeren ter verdediging.

De vrouw met het Engelse accent vouwde geduldig de twee door mij gekozen overhemden op. Ze stelde geen vragen, behalve of ik in het klantenbestand stond en of ik een tasje wilde.

De ander was erbij komen staan: ‘Heb je een vrije dag?’ (Melanie zei later dat ze dit nóóit aan een vrouw zouden vragen.) Om ervan af te zijn zei ik mijn eigen tijd in te kunnen delen. Is nog waar ook. Het was niet genoeg. ‘Wat doe je dan?’ Nu moest ik mijn troef maar spelen: ‘Ik ben e-coach en begeleid mensen met een psychiatrische achtergrond bij het maken van hun herstelverhaal.’ Een hele mond vol en toch had ik het idee dat het te dun was, dus reutelde ik erachteraan: ‘En ik schrijf.’

‘O, wat schrijf je dan?’ Het was te verwachten. ‘Nou ja, een blog en ik heb een boek gepubliceerd over psychiatrie.’ Het maakte geen indruk. Ik had bijna gezegd dat ik ook nog zwom én huisman was. Het zou niet meer baten. Ik betaalde en liep licht vernederd de winkel uit.

Daarom weet ik het nu wel. Als er weer naar wordt gevraagd, zet ik vol in op die goeie ouwe honderd procent afgekeurd. ‘Op psychische gronden.’ Dat zal ze leren.

 

Stoplicht

 

Ik loop al maanden met het idee om een uurtje op een bepaald kruispunt te posten. Dat kan alleen op een zaterdagmiddag, op andere dagen is het niet druk genoeg om er iets aan te beleven. Begrijp goed dat ik het slechts zou doen om iets te schrijven te hebben, niet voor de sensatie. Ik wilde er à la Martin Bril weleens op uit, maar dan dichtbij blijven. Hoe dichterbij, hoe beter.

Een T-kruising nabij winkelcentrum Overvecht had ik op het oog. Toen een van mijn kinderen in de Action op zoek was naar een cadeau voor een vriendje, heb ik er eens een kwartier staan kijken. Het verkeer bleek een attractief schouwspel van onnodig voorrang geven, onrechtmatig voorrang nemen, net geen aanrijdingen en fietsers en voetgangers die zich ertussendoor wurmden. Er kan een schaal worden gemaakt met aan de ene kant de overdreven voorzichtige en aan de andere kant de extreem brutale. Ik dacht er op mijn gemak eens een nadere studie van te maken. En erover te berichten.

Het komt er niet van. Deze keer hield een regenfront me tegen dat de hele middag nodig had om voorbij te trekken. Het is nog niet zo makkelijk iets te ondernemen. Eerst een middagdutje doen leek me sowieso beter. Daarna zou ik verder zien.

Op weg naar de slaapkamer kwam ik een foto tegen met een gedicht. Het lijstje is boven water gekomen bij het opruimen van de werkkamer en staat tijdelijk, nog onbekend voor hoe lang, op de verwarming van de overloop. Ik bleef een moment staan en las het weer.

Het gedicht zal een jaar of tien oud zijn. Er hoeft niet veel dieps achter te worden gezocht. Het is het soort dat ik graag aan de lopende band had geschreven.

Ik ben nu niet bezig met dichten. Het kriebelt wel even als ik dit zie. Welke waarheden liggen er nog meer te wachten om in woorden gevat te worden of omheen te draaien?

Deze woorden zijn afgedrukt op een foto van de Catharijnesingel. We kijken recht tegen een rij huizen aan. Het standpunt van de fotograaf, die ik ben in dit geval, is aan de overzijde van een brug. Links loopt een blonde vrouw met een tas aan haar schouder langs de reling. Dat ze handschoenen draagt, zegt iets over het jaargetijde. Ik weet niet meer wanneer de foto gemaakt is, kan hem ook niet terugvinden op de harde schijf. Er rijden twee auto’s langs, ieder in een andere richting. Twee fietsers, net als de blonde vrouw op de rug gezien, wachten tot het nadrukkelijk aanwezige rode stoplicht op groen springt.

Als ik dan toch thuisblijf, kan dat gedicht wel wat aandacht krijgen. Ik ben er nog steeds tevreden over en wil het meer mensen laten lezen dan alleen degenen die langs de verwarming lopen op de overloop. De titel heb ik veranderd. Die was oorspronkelijk Nu.

 

Moment

Nu is oneindig kort. Nu duurt
een leven. Nu is tevreden

met voorbijgaan.
Er is geen moment

dat nu niet kent.
Nu is er altijd

en blijft even. Er lang
bij stilstaan

en nu is verdwenen.

 

Humor

Mijn twee vrienden en ik hebben een nieuwe hobby: comedy. We zijn twee keer gaan kijken naar een open podium, ook wel aangeduid met open mic (spreek uit: open maaik). Men gebruikt rondom comedy veel engelse termen, de genreaanduiding alleen al. Verder zijn er de onmisbare comedians. Het over komedianten hebben zou ronduit belachelijk zijn. Comedians dus, en ze staan: stand-upcomedians of stand-uppers. De serie grappen die ze afvuren op het publiek heet een set.

Zo’n open mic kan tenenkrommende momenten opleveren. Er komt van alles voorbij. Van iemand die net de beginnerscursus heeft afgerond tot een regelrechte rot in het vak. Van eenvoudig grollen aan elkaar rijgen, met seksistische en soms zeer smakeloze erbij, tot uitgedokterde verhalen doorspekt met intelligente grappen. Meestal gaat het over autobiografische elementen, of wordt voorgewend dat die autobiografisch zijn. De comedian pikt een facet uit zijn of haar leven, vergroot dat uit en gebruikt het als haakje om de set aan op te hangen.

Dat kan ik ook, dacht ik na afloop, alleen dat staan op een podium zou me vermoorden. (een omgekeerd anglicisme) Ik ben een zenuwlijder. Dat verwacht je niet, los van die trillende handen zie ik er best capabel uit. Toch? (hier een eerste interactie met de mensen op de voorste rij) Als je mij over straat ziet lopen, denk je niet van: hé, daar gaat een zenuwlijder. Maar ik was ooit zelfs een verwarde man. (ongemakkelijkheid treedt binnen)

Sorry, dat zeg ik niet goed, tegenwoordig hebben we het over personen met verward gedrag. Die zijn er in soorten en maten. Ik behoorde tot de psychiatrische gevallen. (meer ongemak)

In Nederland blijft het aantal personen met verward gedrag toenemen. (men denkt: waar gaat dit heen? men houdt de adem in) In de Verenigde Staten hebben ze er ook problemen mee, maar natuurlijk op een heel andere schaal, met name rond één persoon. (eindelijk, de eerste bevrijding van een lachje) Dat een persoon met verward gedrag het zo ver kan schoppen. (haha) Niet veel mensen staan erbij stil, maar Donald Trump betekent ontzettend veel voor de emancipatie van personen met verward gedrag. (meer lachen en meteen eroverheen:) Wat een voorbeeldfunctie heeft die man! (bulderen)

Nee, even alle gekheid op een stokje. (goedkoop, maar kan werken) Het was echt serieus shit… (stilte) Maar ik ben erdoorheen en hoop er in de toekomst van verschoond te blijven. (weer wat ongemak)

Cognitieve gedragstherapie, afgekort cgt, heeft me ontzettend geholpen. Je hebt er vast weleens van gehoord. (tijd voor meer interactie:) Even handopsteken: wie heeft ooit cgt gehad? (aarzelend een paar handen) Oké, en wie is er beter van geworden? (iemand roept: de therapeut) (haha…) Dat had ik willen zeggen. (…ha) En toch, cgt is het duizenddingendoekje onder de therapieën. (glimlachjes) Je kunt er van alles mee aanpakken: angst, depressie, waanideeën. Laat ik nou alle drie hebben gehad. Het heeft goed gewerkt voor mij. Ik leef alleen nog in de waan dat ik op een podium kan staan om mensen aan het lachen te maken. (hmm)

Dompelen

 

Er kan geen sprake zijn van een harde grens, het is een geleidelijke overgang. Toch zou het tweede weekend van september gezien kunnen worden als het begin van het winterzwemseizoen. Het zijn de laatste dagen dat het betaalde badstrand aan de andere kant van de Plas open is.

Ook op ons veldje klopt het najaar aan.  De zomergasten die maandenlang het veld bevolkten en er hun domein van maakten, zijn weer vertrokken. Die laten zich voorlopig niet zien. Ze weten niet dat er nog genoeg mooie dagen zullen zijn. Als je de mindere op koop toe neemt, of daar ook waarde in kunt vinden, krijg je die cadeau.

Dat is weggelegd voor het clubje zwemmers dat het jaar rond te water gaat. Bij de mannen gaat de voorkeur hartje winter uit naar een paar minuten zwemmen. Er is nog steeds discussie over de vraag of dompelen, even erin en meteen eruit, ook telt.

Wat Yvon betreft wel, die dompelt. Ze heeft daarvoor haar eigen methode. Met een badmuts op als bescherming, en om de haren droog te houden, stapt ze van de houten beschoeiing, loopt achterwaarts de zwakke helling af tot ze diep genoeg is en gaat dan onder het slaken van een kreet door de knieën. Dat is het, dan loopt ze terug.

Daar doen wij zwemmers een beetje lacherig en neerbuigend over. Het komt weleens voor dat we het bij dompelen houden, maar bijna altijd blijven we in het water tot er een pijngrens bereikt is en het begin van onderkoeling intreedt. Dat is pas genieten.

Zo ver is het nog niet. De Plas koelt langzaam af. Yvon zwemt nog een stuk.

Ze was er in de zomer praktisch elke dag. Ze komt uit Hilversum fietsen om hier te zitten. Het is haar dagelijkse uitje. Ondanks haar tamelijk hoge leeftijd (mag ik dat zeggen?) wil ze niets weten van een e-bike. Haar witte Koga voldoet prima.

Ze kan dagenlang zitten. Ik vroeg haar of het niet verveelde. Helemaal niet. Twee jaar terug had ze het puzzelen ontdekt. Ze lost sudoku’s op en wordt daar steeds beter in. Ze kan er zo in opgaan, vertelde ze, dat ze alles om zich heen vergeet. Als ze opschrikt uit haar concentratie, moet ze uit het niets bedenken wat ook weer het plan was voor de dag.

Verwacht bij deze meditatieve bezigheid echter geen ingetogen dame, dat is ze verre van. Yvon laat van zich horen. Soms als ze begint te praten, houdt ze niet meer op. Het enthousiasme spat eraf. Yvon wil overal het fijne van weten en heeft veel contact met de mensen om haar heen. Ze toont interesse en is op de hoogte.

Door de maanden heen is zij een vaste waarde op het veld, niet te beroerd om wat langer te blijven om mijn spullen in de gaten te houden als ik zwem. Zo zien we elkaar vaak. In de winterperiode misschien iets minder, maar ze blijft haar tochtjes maken. En dompelen, ongeacht wat de mannen daarvan vinden.

 

Gooi

 

Het was nodig de werkkamer eens goed op orde te brengen. Melanie bereidt er haar lessen voor en werkt thuis indien nodig voor haar andere werkgever. Ik doe er mijn schrijfwerk en online coaching als de woonkamer bevolkt is. Die heeft met de toenemende kans op rondhangende pubers intussen afgedaan als geschikte werkruimte. Incidenteel kan ik er nog zitten, maar je weet nooit wanneer er lesuren uitvallen op de middelbare.

Onze opdracht was een zo leeg mogelijke plek te creëren. De tv moest in ieder geval weg. We zijn inmiddels twee televisieschermen verder. Sinds de laatste verhuizing stond het apparaat ongebruikt in een kast. Hij kon er alleen uit door die kast te demonteren, een goede verklaring waarom het toestel het daar zo lang had uitgehouden.

Zonder plan van aanpak trokken we eerst maar eens de boeken van de planken. Dat was een goed begin en zette de boel in beweging. Een grote stoel verhuisde een verdieping hoger naar een kinderkamer. Papier in mappen kreeg een andere plek of verdween. Een andere grote stoel ging voor twee tientjes de deur uit. Bij die deal probeerde ik vergeefs het tv’tje mee te geven.

Een oude lcd-monitor stond ook in de weg en zonder uitzicht op hernieuwd gebruik had ik besloten om de typemachine de deur uit te doen. We laadden ze samen met de tv op de achterbank van een geleend autootje.

De kringloop wilde de monitor en de typemachine nog wel hebben, maar zo’n beeldbuis verkochten ze echt niet meer. Een poging op Marktplaats leek me gedoemd tot mislukken, dus reden we nog een keer naar het afvalscheidingsstation.

Eerder in de week waren we daar al geweest, een plek waar je eigenlijk af en toe een uurtje moet staan kijken. Je kunt het plezier aan de mensen aflezen. Het scheiden van afval is een levend gezelschapsspel. De achterkleppen van de auto’s gaan open en met de tong tussen de tanden wordt naar de container gezocht passend bij het afgedankte attribuut in handen. De medewerkers zijn zowel coaches als scheidsrechters. Spullen achterlaten mag, meenemen is strikt verboden.

Wij hadden die keer onder andere verfresten, te vroeg gestorven elektronica en gebarsten bloempotten. Die laatsten kletsten lekker aan stukken in de bak met puin. Ik stapelde de kleine elektronica keurig bij wat er al stond in de zeecontainer met wit- en bruingoed. Van een vriendin hadden we naast wat verf nog een magnetron mee. Weer bij de container gaf een medewerker aan  dat ik het apparaat een gooi mocht geven, zo ver mogelijk naar achteren. Dat hoefde hij niet nog eens te zeggen.

Het ritje later met alleen de tv was te beschouwen als de afsluiting van ons project. Deze keer wisten we de weg naar de zeecontainer meteen te vinden. Voordat ik het toestel een gooi gaf had ik echter moeten bedenken dat de beeldbuis kon imploderen met uiteindelijk het effect van een explosie. Hij vloog al. Het bleef bij een plof.

 

Consult

 

Afspraken met hulpverleners daagden uit om met iets te komen. Ze moesten benut worden en ergens toe dienen, die gesprekken, ook als ik op dat moment best zonder kon. Toen ik regelmatig iemand zag, had ik altijd wel wat. Dit liep niet, dat zat tegen, het ging niet zoals ik wilde. Of het ging best goed de laatste tijd, maar zus en zo en dit en dat. Een gesprek op de poli schiep verwachtingen en ernaartoe fietsend vulde ik die alvast in. Het kwam ook voor dat ik opgeruimd en monter de spreekkamer betrad en er ter plekke toch iets aan de hand bleek. De constructie hield zichzelf in stand.

Ook als ik nu iemand zou zien, heb ik best nog wel wat. De noodzakelijke vinger aan de pols houden betekent altijd alert zijn op afwijkingen. Mijn goede oude psychiater leerde me dat er drie pijlers zijn bij het beoordelen van een manie of een depressie. Er is gevoel, er zijn gedachten en er is gedrag. Die variabelen na te gaan is een handzame manier om te zien hoe het ermee is.

Neem bijvoorbeeld dit moment. Vooral het gevoel zit in de min. Ik loop het grootste deel van de dag rond met een hoofd als een suikerbiet, een lachje kan er nauwelijks af. Daar voel ik me dan niet eens zo slecht bij. Je kut voelen is niet altijd klote.

Wat mijn gedachten betreft springen twee dingen in het oog. Om te beginnen denk ik al weken onmatig laag over mensen die ik op straat zie. Die is te dik, die rijdt te hard, die praat te luid, die heeft geen controle over zijn hond (neem dan geen hond!) et cetera. Deze aanhoudende stroom van afwijzingen is vooral zo vermoeiend omdat ik me er maar al te goed van bewust ben.

Het tweede aspect is het fantaseren naar aanleiding van dingen die hadden kunnen gebeuren. Een bijna-ongeluk is daar het beste voorbeeld van. Ik zie veel mogelijke rampen en bedenk daarbij hoe ik zou handelen als die echt gebeurden. Eerst 112 bellen, of dat aan anderen overlaten, de slachtoffers bijstaan, wat kan ik doen, wel eerst mijn fiets op slot, je zal net zien dat iemand ermee vandoor gaat als ik goed werk verricht, het kan allemaal, of zou ik de veroorzaker eerst eens goed verrot schelden? Ik kan niet ophouden het te verzinnen. Dat het door mijn hoofd gaat is kenmerkend voor een meer neerslachtige periode.

De factor gedrag is het meest geruststellend. Ik slaap goed. Ik ben redelijk actief wat bewegen betreft. Ik heb niet meer moeite dan anders met de dingen die moeten gebeuren. Eetlust: check. Zin in seks: check. Niks alarmerends. Het gaat wel zo.

Dit gaat weer plaatsmaken voor iets anders. Of dat nu beter is of slechter, maakt eigenlijk niet uit. Maar ik ben maar een mens en hoop toch altijd op ietsje beter.

Wat gedrag nog aangaat: schrijven lukt. Bij het ontbreken van hulpverleners ventileer ik dit maar even zo. Met je welnemen.

 

Sprongetje

Vakantie vier je. Nou ben ik van nature niet van het opgewekte, maar vooruit, we vierden vakantie. Op de Wadden.

We bezochten eerst Terschelling. Het viel me daar al snel op dat ik vrijaf had gekregen van mijn neiging van alles te zoeken achter gedrag en uitlatingen van medemensen. De warme dagen leken mijn afwijking te hebben weg geschroeid. Tijdelijk natuurlijk, hij zou wel weer terugkeren. Maar het was al prima om er even van verlost te zijn en in staat te zijn relatief zorgeloos het eiland en het weer op me te laten inwerken.

Onze volgende bestemming was Ballum op Ameland. We hadden gedacht aan het eind van de eerste week een boot te kunnen nemen van het ene naar het andere eiland. Twee jaar geleden hopten we zo van Terschelling naar Vlieland. In oostelijke richting bleek dat niet mogelijk, tenzij we een hoge prijs betaalden, bijna zo dramatisch als het klinkt. Er zat niets anders op dan een reis via het vasteland. De tijd die we daarvoor nodig hadden, zou volstaan om met een auto een heel eind richting Zuid-Frankrijk te rijden. Het deerde nauwelijks. We waren met z’n vieren en zolang we met z’n vieren waren was het goed. Samen tegen de wereld, hoewel er geen vijandschap te bekennen was, een gevoel dat je tijdens prille liefde ook kunt hebben. Zo ervoer ik het althans. Ik weet niet hoe onze prepubers er tegenaan keken en of ze er überhaupt gedachten aan wijdden.

Naast het dorp lag het vliegveld van Ameland. Stel je daar niet te veel bij voor: een hangar, een miniatuuruitvoering van een verkeerstoren en een landingsstrip van gras. De aanvliegroute ging recht over het huisje dat we hadden gehuurd. In een slechte bui zou ik dat als overlast ervaren. Mild als de vakantie me stemde, nam ik die paar eenmotorige vliegtuigjes voor lief. Nog beter zouden die te verdragen zijn, dacht ik, als we er gebruik van maakten.

De meest in het oog springende activiteit bij het vliegveld was skydiven. Je kon dat ook aanduiden met parachutespringen, hoewel de dertig seconden durende vrije val volgens de website het belangrijkste deel van de ervaring moest zijn. Een gat in de lucht springen. Voor de recreant was een tandemsprong mogelijk. De tweehonderd euro per sprong was niet het enige dat me weerhield. Een brug te ver, zou ik zeggen. Van de anderen hoefde het ook niet.

De tweede toeristische attractie was een rondvlucht boven het eiland. Dat sprak meer aan, maar leverde nog genoeg bibbers. Het vliegtuigje bood naast de piloot plaats aan drie volwassenen óf twee volwassenen en twee kinderen. Door de telefoon kon niet bepaald worden of onze kinderen nog klein genoeg waren. Ik bedacht al dat ik wel aan de grond zou blijven, mocht het niet passen. Bij het betreden van het kantoortje zag de man meteen dat het wel zou lukken. We konden er met z’n vieren in. Hij wees op een indringende manier naar mij en zei: ‘Die gaat voorin.’

Zo geschiedde.