Manager

 

Onze jongste had een eerste repetitie gehad samen met een pianiste. Ze gaan een optreden verzorgen tijdens een evenement in TivoliVredenburg. De muziekdocent heeft een paar keer benadrukt dat hij een getalenteerd trompettist is. Ze heeft al eens een jeugdorkest aangeraden, wat helaas niet in zijn straatje bleek te passen. Voor de halfjaarlijkse voorspeelavonden zoekt ze voor hem uitdagende stukken uit. Nu heeft ze dit geregeld. Ik ben al trots zonder dat hij een noot gespeeld heeft.

Aansluitend aten we in de stad. Het was de avond voor Koningsdag. We kwamen er niet onderuit om na het diner even over de vrijmarkt te lopen. Bij de eerste stappen langs de kleedjes met rommel opperde ik dat Meck wel wat kon spelen. Dat vond hij op zich leuk, maar hij had nauwelijks bladmuziek bij zich en geen muziekstandaard. Morgen dan, was al snel het plan.

Ter voorbereiding kocht ik bij een kraampje een hoed voor hem met de nationale driekleur omgeven door feloranje. Ik had afgedongen, twee derde van de vraagprijs betaald, en toch het gevoel bekocht te zijn. We zouden het mogelijk terugverdienen.

Op de grote dag, die het inmiddels genoemd kan worden, fietsten we met alle benodigdheden richting de stad: muziek, trompet, standaard, knijpers, hoed, eten en drinken, en een pet voor de muntjes. Ik drukte die kleine wel op het hart dat hij er niet te veel van moest verwachten: ‘Hou vooral in gedachten dat het leuk is om te spelen. Mensen waarderen het wel, ook als ze geen geld geven.’

Op een nauwkeurig geselecteerde plek blies hij eerst wat zenuwen van zich af. Ik zag en hoorde het vanaf de overkant van de straat, onopvallend opgesteld. Het spelen ging niet vlekkeloos, maar goed genoeg voor de omstandigheden. Van ver moet het geluid te horen zijn geweest. Het eerste kleingeld tinkelde in de pet. Beginnersgeluk, dacht ik op dat moment.

Maar ook op de tweede en derde locatie bleven de mensen geven. Vooral het Wilhelmus, talloze keren gespeeld, leverde veel op. Het was eigenlijk jammer dat hij steeds tijd kwijt was met het verwisselen van de muziek. Hij koos ervoor alle stukken maar een keer tegelijk te spelen. Bovendien lieten later op de dag zijn lippen het afweten. Ze weigerden nog langer correct spel mogelijk te maken. Ik kon maar net inslikken dat het niet uitmaakte hoe het klonk, als hij maar speelde. Rond twee uur gaf mijn artiest aan het echt wel te hebben gezien.

Op de fiets terug maakten we ieder een wilde gok hoeveel de opbrengst zou zijn. We zaten allebei op minder dan de helft, bleek later bij het tellen. Het kwam uit op grofweg 90 (negentig!) euro, een fortuin voor een jongen van elf. Het is iets minder dan wat hij in een jaar aan zakgeld krijgt. Ik dacht er vooral aan dat het, als we het iets anders hadden aangepakt, net zo goed 250 had kunnen zijn. De voormalige manager van Avicii is een lieverdje vergeleken met mij, de vader van Amy Winehouse een heilige.

 

Gebouw A

 

Mijn ouders huren ieder voorjaar voor een weekend een huis in of nabij de natuur, waar we met dertien in kunnen, vier koppels en vijf kinderen. Daarbij is het gewoonte dat ik me, na een dag met de groep opgetrokken te hebben, afzonder voor de nodige rust. Melanie was zo lief me te vergezellen. De anderen waren zo goed zich over onze kinderen te ontfermen, hoewel gezegd moet worden dat die steeds zelfstandiger zijn. Zij gingen naar het klimbos, wij naar de hei.

Op weg daarnaartoe deden we een loopmeditatie, niet gek voor de zondagochtend. Met mijn beste mindfulness-stem praatte ik ons de wandeling in.

Het kwam zo uit dat we aan het eind van die introductie gebouw A in zicht kregen. Het is het meest in het oog springende gebouw van het voormalige zenderpark Radio Kootwijk. Er werd in 1923 begonnen met draadloze trans-Atlantische telegrafie. Dat duurde maar kort. Andere vormen van communicatie verdreven de extreem lange golf, die men gebruikte om berichten te versturen. Later is er vanuit het complex onderzoek gedaan naar straling vanuit het heelal. Nu worden er soms evenementen georganiseerd.

Vorig jaar, toen we voor het familieweekend op dezelfde plaats bivakkeerden, was het een verrassing de kolos vanuit de verte te zien opdoemen. We kwamen vanuit een andere richting en hadden al een stuk over de hei gelopen. De betonnen verschijning in die omgeving kwam onwerkelijk over. Ik wist meteen hoe ik in een minder stabiele fase hiermee aan de haal kon gaan. Tijdens of op het randje van ontstonden hier dan de waanzinnigste ideeën. Dat er geen zendapparatuur meer aanwezig was, zou me er niet van weerhouden er een belangrijk knooppunt in te zien. Lijnen van over de aarde kwamen samen en met hetzelfde gemak vanuit het hele universum. Dit zou de aangewezen plek zijn om kracht, liefde en energie te ontvangen en door te geven.

Dat was toen. Deze keer kwam er iets anders op. Ik dacht: dit is een toevluchtsoord voor verweesde zielen. De grote ruimte binnen het gewapende beton is een opslag, een depot. Verloren geesten zijn hiernaartoe geleid en in afwachting om hervonden te worden.

Wat deed ik hier dan? Kwam ik iets brengen, of halen? Ik weet dat ik de laatste tijd een hoge dunk heb van mezelf. Ik ben op alle fronten goed bezig. Ik ben de voetballer in een flow. Kan niet missen. En als ik toch iets niet goed doe, een beetje vaag gezegd, is het ook goed. Ik heb de sensatie onder een steen vandaan te komen. Het loopt zoals het lang niet heeft gelopen. Dat is prima, maar mijn ik klopt zich er driftig over op de borst. Mijn zelfbeeld zingt zich langzaam los van de realiteit.

Tijd doorbrengen met familie bleek een remedie. Ik weet niet precies hoe dat werkt. Het heeft iets te maken met weten wat mijn plek is en mijn rol. Ik voelde weer grond onder de voeten.

Zo kon ik zonder iets uit te wisselen enkele momenten nabij gebouw A verblijven.

 

 

foto: Arnoud Klomp

 

Brief

 

Wijzigingen dienen te worden doorgegeven met een digitaal formulier, behalve die in mijn lichamelijke en geestelijke toestand. Informatie daarover wordt door een arts beoordeeld. Papier is het aangewezen medium. Met de tong tussen mijn tanden heb ik zitten tikken, daarna afgedrukt en ondertekend. Linksboven op de envelop staat in dikke letters: `medisch geheim’. De brief is de deur uit. Hij zal de postkamer van de uitkeringsinstantie inmiddels wel gepasseerd zijn. Een bevoegd persoon sorteert binnenkort op afdeling. Er is geen weg terug.

Ik ontvang een uitkering in het kader van de Wajong, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Zo heel jong ben ik niet meer. Dat was ik toen ik gehandicapt raakte. Het is de vraag hoe gehandicapt ik nu nog ben. Ik ben bereid, ongeacht de uitkomst, daarover met een arts van gedachten te wisselen. Met zoveel woorden staat het niet in de brief. Als er net als bij de vorige van anderhalf jaar geleden geen reactie komt, laat ik het zo.

Het gaat goed zoals het gaat. Ik heb geen behoefte om veel geld te verdienen, of per se zelf geld te verdienen. Dat ik voorstander ben van het basisinkomen staat hier niet geheel los van. Ik heb er nooit moeite mee gehad geld voor niks te krijgen. Ik voel daar geen schuld over, als zou ik de samenleving, en daarmee mijn medemens, benadelen. Ik ben er dankbaar voor dat dit kan, dat dit vangnet bestaat. Het stelt me in staat me te richten op het in mijn ogen zinvol invullen van mijn leven.

Ter verdediging, als die toch verlangd wordt, kan ik mijn twee vrijwilligersbaantjes aanvoeren. Ik begeleid online mensen met een psychiatrische achtergrond bij het schrijven van hun herstelverhaal. Ik wandel binnenkort weer met een oude dame uit het verzorgingshuis. Iemand moet het doen. Het schept voldoening.

Het kan wel zo. Ik ben er voor mezelf, mijn naasten en een paar anderen. Prima, al zeg ik het zelf. Daarnaast beschouw ik uit handen blijven van de hulpverlening al als een verdienste. Als je het zo wilt zien: dat scheelt geld en menskracht.

Getriggerd door mijn eigen initiatief, het sturen van die brief, blik ik voorzichtig vooruit. Zoals mijn leven ingedeeld is en hoe ik inspanning ervaar, verwacht ik niet veel te kunnen werken. Drie ochtenden misschien, met weinig tot geen mensen om me heen. Er blijft altijd zo belachelijk veel aan me kleven. De energie die dat kost, besteed ik liever aan iets anders. Mijn creativiteit en kracht komen het best tot uiting bij een flinke mate van vrijblijvendheid. Ik wil bijtijds kunnen bijsturen.

De arts gaat lezen dat het wat beter gaat. Het is afwachten hoe hij of zij mijn woorden interpreteert. Ik had nog gedacht om de spellingscontrole achterwege te laten. Ik heb zelfs overwogen een paar terugkerende taalfouten in te voegen, het equivalent van ongeschoren, slordig gekleed en onwelriekend op een afspraak verschijnen. Niets daarvan. Ik betreed het strijdperk met open vizier en een beetje bevreesd. En zie wel wat ervan komt.

 

Spiegel

 

Nu mijn wangen en kin weer kaal zijn, oog ik volgens Melanie tien jaar jonger. Ik weet niet of ik daar blij mee ben. Ik zal het me toch niet ingebeeld hebben dat ik de afgelopen tijd met meer respect en welwillender werd bejegend door onbekenden, misschien ook door bekenden. Zonder dat mensen zich er bewust van waren, reageerden ze anders. Om iets gedaan te krijgen, bijvoorbeeld het ontvangen van een groet of een glimlach, hoefde ik me minder in te spannen. Die grijzende gezichtsbeharing kreeg veel gedaan. Zonder zou je me aan kunnen zien voor een gewiekste makelaar of een gladde advocaat, mét was ik meer van de straat. De levenservaring spatte ervan af.

Het baardje is weer weg. Het is door de afvoer gespoeld. De haartjes waren er maar een paar maanden. In januari vond ik het na even niet scheren wel goed staan en heb ik het zo gelaten. Tot ik er deze week ineens genoeg van had. Ik mis hem toch wel, merk ik. Binnen twee weken is hij terug, als ik dat wil. Ik weet nog niet of het echt iets voor mij is.

Het is ook een praktische kwestie. Een baard laten staan blijkt niet minder werk dan regelmatig scheren. Scheren moet ik toch. Mijn schedel wil ik eens in de paar dagen laten glimmen. Wat daar nog groeit, benadrukt vooral wat er niet meer groeit. Daar heb ik lang geleden mee leren leven. Het moet wel gebeuren.

Als ik daarmee bezig was, gingen meteen stukjes wang, onderlip en nek mee. Het hoefde niet super strak gestileerd, maar mocht ook geen wildgroei worden. Zie hoeveel aandacht er kan worden besteed aan een achteloos ogend uiterlijk.

En dan heb ik het nog niet gehad over het op lengte houden. Daar kon ik zo tegenop zien. Twee keer per week moest de baardtrimmer erlangs. Als ik dat net gedaan had, vond ik de haren eigenlijk te kort. Ergens tussen dat moment en de volgende keer was het precies goed, maar slechts voor een dag. De juiste stand vinden en dagelijks aan de slag was me te veel.

Er kwam nog bij dat de accu van de baardtrimmer lam was. Hij laadde niet meer op. De enige mogelijkheid om hem te gebruiken was met het netsnoer. In de badkamer is wel een spiegel maar geen stopcontact. Op de overloop is een stopcontact maar geen spiegel. Ik moest in het halfdonker op gevoel trimmen, dan naar de badkamer lopen, inspecteren en terug voor de gemiste stukjes, tot drie of vier keer toe.

Op de overloop ontbreekt ook nog een wasbak, waar de haartjes keurig in konden vallen om later makkelijk weg te spoelen. De stofzuiger kwam eraan te pas om de sporen te verwijderen. Als die net beneden stond, veegde ik ze maar flauwtjes tegen de plint.

Mocht ik toch weer behoefte krijgen om wat ouder te lijken, zal er iets moeten veranderen. Ik dacht aan een spiegel boven het stopcontact op de overloop, met een lamp erboven en een wasbak eronder.

 

Medicijn

 

Methotrexaat is een medicijn tegen reuma. Het heeft maanden geduurd voor ik de naam zonder hakkelen uit mijn hoofd wist. Ik maakte er steeds ‘metrothexaat’ van. Eens per week neem ik het in.  Bij de eerste uitgifte werd me bij de apotheek op het hart gedrukt alvorens de pilletjes uit de strip te drukken, de kraan aan te zetten. Zo kon ik direct, zonder iets aan te raken, mijn handen wassen. In het lichaam doet de stof zijn werk, daarbuiten is hij erg schadelijk. Rommel natuurlijk, maar ik slik het nu zo’n anderhalf jaar en het lijkt te werken.

Na langdurig gebruik kan er schade aan de lever optreden. Dat is een goede reden om die andere schadelijke factor te minimaliseren: alcoholinname. Paradoxaal genoeg heeft het gebruik van het medicijn juist aangezet tot meer drinken.

Toen anderhalf jaar geleden de methotrexaat op mijn pad kwam, had ik al een beetje genoeg van bier drinken. Het bericht dat het medicijn en alcohol niet goed samengingen, kwam me wel goed van pas. Ik merkte een lichte afhankelijkheid ontwikkeld te hebben. En aan afhankelijkheid heb ik een broertje dood, veel meer nog dan aan mogelijke gezondheidsschade. Ik ga toch een keer, cru gezegd.

Met roken kon het me ook niet zoveel schelen dat mijn longen naar de mallemoer gingen. Ik baalde er vooral van dat ik die sjekkies móest roken. Na veel oprechte pogingen heb ik me daar uiteindelijk van bevrijd. Ik heb nu ruim vijf jaar niet gerookt, zou er af en toe best nog eentje op willen steken, maar weet dat die ene een nieuwe keten in gang zet.

Na het starten met de pilletjes, stopte ik dus helemaal met drinken. Geen probleem.

Een paar maanden later vroeg ik de reumatoloog of af en toe een glas tijdens een etentje of een feestelijke gelegenheid mogelijk was. Volgens haar waren de regels niet zo strikt als ik had gedacht. Een beetje mocht wel, ‘maar in ieder geval niet op de dag van inname en zeker niet meer dan twee glazen per dag’.

Dat vul ik nu keurig in.

De glazen zijn blikjes of flesjes, best wat meer dus. In de tussentijd heb ik nog een keer geprobeerd helemaal te stoppen. Dat beviel weer goed en ik hield vol tot ons huwelijksjubileum. Dan mocht ik wel een glas of twee, vond ik. Het volgende weekend was er weer een gelegenheid. Het weekend daarop was het weekend zelf gelegenheid genoeg. Razendsnel vond ik me terug op een hellend vlak.

Om die reden is minderen, wat ik meer dan eens geprobeerd heb, niet echt een optie. Met bier in huis is er altijd wel een reden te bedenken om een blik of een fles open te trekken. Als het niet in huis is, is de supermarkt vlakbij. Ik moet helaas toegeven dat de afhankelijkheid diep zit. Mogelijk is het nu wel de methotrexaat die me behoedt voor het uitgroeien van een onschuldige gewoonte in een gemene verslaving.

Het zou ook kunnen dat het al zover is.

 

Spel

 

Goedbeschouwd ontbreekt het ons aan bijna niets. We zijn net niet helemaal een happy family. Naaf, onze oudste van dertien, heeft iets aan zijn knie.

De naam van de aandoening is ons niet bekend; vergeten te vragen aan de orthopeed. Die heeft wel aan de hand van een MRI-scan uitgelegd dat in een deel van het bot te weinig zuurstof zit. Onder het kraakbeen zit bovendien een ruimte die daar niet hoort.

Met plezier herhaal ik de metafoor die de dokter gebruikte om het te verduidelijken. Stel je een houten vloer voor met daaronder beton. Het hout is het kraakbeen, het beton het bot. Als er een gat in het beton zit en je zou boven dat gat op het hout springen, loop je kans door de planken heen te gaan. ‘Dat is er aan de hand,’ besloot hij.

Het is een geschikte orthopeed, die het ook voor een kind inzichtelijk kan maken. Naaf had net een proefwerk biologie over het bewegingsapparaat achter de rug. Dus die had aan een half woord genoeg.

De orthopeed legde twee opties voor: 1. een operatie, waarbij twee schroefjes in het bot gedraaid zouden worden teneinde de groei te bevorderen, of 2. vier maanden rust en zien of het euvel daardoor verdwijnt.

Na enig beraad kozen we voor de rust.

Het betekent geen gym en geen voetbal. Bij navraag bleek fietsen, uitgezonderd in gematigd tempo van en naar school, ook niet te mogen. Tot zover mijn plan om een racefiets voor hem aan te schaffen en samen te toeren. We zitten te puzzelen waar de beweging dan vandaan kan komen. Zwemmen, als in baantjes trekken, voelt hij niks voor. Dat was het enige wat overbleef.

Hij zit nu bijna een maand stil. Het is hem niet aan te zien. Naaf is cool. Hij is er niet de persoon naar om tegen de muren op te vliegen. Balen doet hij zeker wel. Met het voetbalseizoen is het gedaan. Voetbal is een belangrijk deel van zijn leven. Hij mist het. Het rennen, de bal aan zijn voet, het spelen. Het contact met zijn teamgenoten, denk ik ook wel. Met vrienden afspreken om een balletje te trappen is er niet bij.

Gelukkig is er Fortnite. Fortnite is een spel onder andere op de Playstion. Het is vorig jaar zomer gelanceerd en was afgelopen januari wereldwijd 40 miljoen (!) keer gedownload. Naaf speelt niet anders. Hij zou liever zien dat de gameconsole op zijn kamer stond. Melanie en ik houden hem voorlopig bij ons in de woonkamer. Helemaal afzonderen kan altijd nog.

Het aardige aan Fortnite is dat de spelers online teams vormen. Hadden wij vroeger niet. Tijdens het killen en looten overleggen ze via de headset over hoe nu verder. Het uitwisselen van tactieken en het maken van grappen gaan hand in hand.

Het blijft een beetje jammer dat het enige zweet het zweet in zijn handen is en de enige beweging die van zijn vingers aan de knoppen. We kunnen ermee leven, voor een paar maanden.

 

Reiger

 

Mijn zenlerares heeft me aangeraden een bepaalde ervaring niet te delen. Haar advies luidde om die voor mezelf te koesteren en op die manier zijn uitwerking te laten hebben. Dan ben je bij mij aan het verkeerde adres. Melanie weet dat. Ik kan niet liegen én ik kan nauwelijks iets voor me houden. Heb ik geprobeerd, een maand of twee in dit geval. In die tijd is er een gemene pusbult ontstaan die erom schreeuwt tussen duim en wijsvinger te grazen te worden genomen.

Het is een jaar geleden dat ik het eerste blog plaatste op deze site. Ik herinner me mijn voornemen om openhartig te berichten over de geest in het algemeen en de mijne in het bijzonder. Het was toen al duidelijk dat er verandering op til was, misschien vooral omdat er altijd verandering op til is. In het verlengde van mijn boek hoopte ik in dit blog te kunnen schrijven over het pad dat ik bewandel. Daar hoort deze ervaring bij.

Het is een delicate onderneming. Punt is dat het onder woorden brengen van een ervaring de ervaring vaak tekortdoet. Ontluistering ligt op de loer. Ik moet omzichtig te werk gaan. Ik ga het ergens over hebben, zonder het erover te hebben. Pin me nergens op vast. Ik verklap alvast dat het niet over een reiger gaat.

Intussen wilde ik het wel even hebben over de reiger die ik zag staan in een ondiepe sloot. Het water was troebel als chocolademelk en toch had de vogel het voor elkaar gekregen er een visje uit te vissen. Het spartelde tussen de uiteinden van de snavel. Ik zag het in het voorbijgaan. Het verdere verloop was te raden. Wat voorafging weten we ook. De reiger heeft daar roerloos gestaan, lang genoeg om bij de vis het idee van gevaar weg te nemen. Daarna was er een snelle uithaal met de kop en met uiterste precisie getimed een hap van de bek.

De reiger is zich hoogstwaarschijnlijk niet bewust van zichzelf. Laten we het aannemen. Hij kent geen ik. Alles bestaat voor hem in een onbegrensde ruimte. Hij ervaart geen hier en nu, dat zou namelijk betekenen dat er een notie is van elders en vroeger en later. Er is niet iets dat waarneemt. Er is alleen maar reigerheid.

De mens is zich wel van zichzelf bewust. Dat lijkt net zoveel in de weg te zitten als dat het helpt. We leveren een gevecht om af en toe los te komen van dat bewustzijn en alleen maar te zijn. Zo is het voor mij althans. Daartoe zit ik twee keer per dag op een kussen, wandel ik, doe ik de afwas, luister ik muziek, van alles; langzaamaan komt een steeds groter deel van mijn leven in het teken te staan van die bevrijding.

In wakende toestand mezelf helemaal vergeten lukt praktisch nooit. Onlangs gebeurde het. Mijn lerares heeft liever niet dat ik daarover schrijf. Later misschien, niet nu. Kan ik niet. Ik hou je op de hoogte, voor zover mogelijk.

 

Behoedzaam

 

`Wie zegt je dat je voorzichtig moet zijn?’ Dat was in het voorbijgaan het enige wat ik hoorde. Het was aanleiding om weer eens ouderwets aan mezelf te twijfelen. Het leek me een stel dat met opzet dit soort dingen heel precies timet en met een bedoeling zo brengt. De vraag kwam uit de mond van de vrouw, gericht aan de man, maar mogelijk met een boodschap voor mij.

Liep ik weer eens rond als een leeuw met een wild zwiepende staart? Hadden ze me van ver aan zien komen? Ik kom hier blijkbaar nooit helemaal van af.

Iets later bedacht ik dat haar opmerking, er nog steeds van uitgaand dat die aan mij gericht was, ingegeven was door mijn recht op haar toelopen. Ik loop altijd links, niet alleen op de weg, ook op paden waar fietsers fietsen. Sommige mensen zijn en blijven eigenwijs en lopen aan de rechterkant. Soms maak ik er een spelletje van om te zien wie als eerste uitwijkt. Daar was ik nu niet mee bezig.

Wel was ik, zoals vaak, aan het inschatten of het mensen waren die ik kon groeten en zo ja hoe. Groeten onderweg is lang echt problematisch geweest. Ik ben me er nog steeds uitermate van bewust. Mijn angst is wel geslonken en ik ben intussen veel royaler.

Mijn hoed speelde ook een rol. Er liggen al jaren twee hoeden op de kapstok stof te vergaren. De zwarte roept associaties op met Zorro. Ik droeg hem toen ik in Nieuwegein bij de gesloten afdeling aankwam. Sindsdien heb ik hem niet meer opgehad. Het is een dingetje. Het dragen ervan is een verklikker. Het geeft aan dat ik ietwat up ben en mogelijk richting hypomanie ga, het voorstadium van manie. De bruine kan nog wel, die is vriendelijker.

Buiten de herfst is dit het beste jaargetijde. In de winter is een muts praktischer. ’s Zomers draag ik een pet. Soms niets. Een hoed is goed. De rand schermt een beetje van de hemel af.

Je moet hem verdienen, vind ik. Het is een hele kwestie te weten wanneer je hem waard bent. Ik ben hem natuurlijk altijd al waard geweest, vanaf het moment van aanschaf, misschien daarvoor al. Het gaat er uiteindelijk om of ik het aandurf hem te dragen.

Op vrijdagmiddag durfde ik het. Ik bracht de jongste naar orkest en fietste terug door de stad. Voorjaar in aantocht. Mijn banden zoemden. Ik was de koning te rijk. Kijk mij nou met mijn hoed!

De zaterdag daarop durfde ik het ook. Ik liep op weg naar de Plas dat stel tegemoet. Ik had allang bedacht om uit te wijken naar de berm. Ik zei goedemiddag en kreeg geen respons. Zij vroeg dus iets over voorzichtig zijn. Dat het zo liep kan er ook op duiden dat ze met de man in gesprek was en geen aandacht aan mij wilde besteden.

Dat ik behoedzaam moet zijn, wanneer ik behoefte heb aan een hoed, is zeker. Maaat kon zij niet weten. Toch?

 

lees ook Verwarde man, leed en herstel in 40 verhalen

 

Veters

 

Afgelopen zaterdag vierden we de verjaardag van Kees. Met een groepje winterzwemvrienden schoven we aan voor een diner. Kees had zijn grijze manen gekamd, droeg een bril en was keurig in pak. Zo zien we hem zelden. Zo vol vreugde ook niet vaak. Omringd door vrienden en familie, van jong tot oud, was hij duidelijk in een goed humeur. Op aanwijzen van een kleindochter (naar ik vermoed) dartelde hij door het restaurant om met verschillende gasten op de foto te gaan.

Bij de Plas heeft hij zijn vaste stek. Hij spreidt zijn zeiltje en handdoek uit in het hoekje bij de boomstammen. Samen met Willem heeft hij in de loop der jaren een imposante muur gebouwd van takken en stammetjes. Er komt geen zuchtje wind doorheen, vooropgesteld dat die uit de juiste richting waait. Als de zon zich laat zien, is het in die hoek al snel goed toeven. Het is de A-locatie van het veld.

Kees is een van de meest doorgewinterde zwemmers. Onlangs nog, met een watertemperatuur onder vier graden, bleef hij er acht volle minuten in. Een ander zou daar wel enige ruchtbaarheid aan geven en zichzelf op de borst kloppen. Hij zei slechts: `Goh, wat zijn mijn handen koud.’ Verder geen centje pijn. Alleen veters strikken ging niet zo makkelijk meer. Opvallend is wel dat hij daarbij bleef staan, zoals altijd. Ieder ander van zijn leeftijd zou er een stoel bij pakken, als het überhaupt al lukt. Hij bukt met gemak en legt zo een paar knopen.

Sinds twintig jaar doet hij aan winterzwemmen. Praktisch elke werkdag stapt hij aan het begin van de middag op de fiets. In het weekend is hij er niet, dat is zo gegroeid. Degelijk, dat is Kees, ontzettend degelijk en onverwoestbaar. Het moet gezegd dat hij niet altijd het water ingaat. Regen trotseert hij vaak nog met een kleine poncho over zijn schouders, maar dan uit- en aankleden vindt hij niks. Daarnaast heeft hij een broertje dood aan wind, vooral als die veel golfslag veroorzaakt. In dat geval is hij er snel weer uit.

Kees leeft alleen sinds zijn vrouw een jaar of zeven geleden overleed. Hij woont hier vlakbij. We zien elkaar voornamelijk bij de Plas, een enkele keer in de supermarkt. De gesprekken blijven kort. Het is vaak moeilijk me verstaanbaar te maken. En hij wil niet aan een gehoorapparaat. Misschien is het trots die hem weerhoudt. Het zou ook een manier kunnen zijn om zich geleidelijk af te zonderen van het rumoer.

In de krant had een artikel gestaan over een man met MS die sinds een paar jaar bij de Munt in het kanaal zwemt. Leuk natuurlijk, maar weinig opzienbarend voor de mannen die al twee decennia de winters trotseren. Willem opperde dat ze ook wel een stukje over Kees konden plaatsen. Daar wilde hij niets van weten, van dat gedoe.

We lichten de redactie dus maar niet in. Bovendien is de winter goeddeels voorbij. Er komt weer een lente aan, de eenennegentigste voor Kees.

 

Eenvoud

 

Ik wil mijn zenlerares een keer haar visie op het winterzwemmen vragen. Het kwam er nog niet van. Ik kan haar vertellen dat ik vier tot vijf keer per week naar de Plas ga. Soms wandel ik, anders op de fiets, afhankelijk van de beschikbare tijd en mijn stemming. Ik zoek een beschutte plek op het veld en kleed me uit. Eenmaal naakt bij het water aarzel ik niet meer. Ik loop tot mijn middel erin en vervolgens duik ik. Mijn hoofd blijft nog boven. Die dompel ik later een paar keer onder. Ik zwem drie tot zes minuten. De kou van het water maakt het leven eenvoudig.

De omgeving is iedere keer mooier. Hoe vaker ik er ben, hoe mooier. Onder alle omstandigheden is het water ongenaakbaar. Mijn voorkeur gaat uit naar rimpelloos. Maar een bries en schittering van de zon op de golfjes is ook niet te versmaden. Het riet is er altijd. Het buigt met de wind en is goud in de zon. Het is er ter geruststelling in het geval er paniek dreigt. Erachter reiken de kale bomen naar de hemel. Vanuit het water is er uitermate goed zicht op de wolkenluchten. Soms ben ik erg blij dat deze plek dichtbij is. Ik hoef niet ver.

Deze woensdag, de laatste van februari, was de koudste dag van deze winter en zal dat waarschijnlijk blijven. In tegenstelling tot de afgelopen week liet de zon zich minder zien. De temperatuur was rond min vijf, gevoelstemperatuur min vijftien, dat laatste in de wind. Wij hadden bescherming van bomen en een houtwal. Willem en ik waren de enigen deze keer. Tegen de houten beschoeiing lag wat ijs. Rechts daarvan was nog net ruimte om ongeschonden te water te gaan. Het verleden heeft uitgewezen dat ijs erg scherp kan zijn. Buitengaats lagen aan weerszijden nog een paar plakken, duidelijk zichtbaar door het laagje sneeuw erop. We bleven er ver van.

Willem zwom eerst, daarna ik. Een minuut of vier in het water leek me lang genoeg. Mijn benen waren al koud van het fietsen in de wind. Ik had best een lange onderbroek aan kunnen doen, bedacht ik. Bij het aankleden waren mijn benen rood en blauw. Ze voelden zo koud dat ik even dreigde om te vallen. Met enige haast trok ik shirts, vest en broek aan. De zon kwam op het juiste moment door om een beetje te helpen bij het warmer worden.

Op de terugweg droeg ik de kou mee. De wind deed net of ik geen jas aanhad. Mijn broek had al helemaal niet veel om het lijf. Ik trapte flink door, in de hoop zo wat warmte te genereren, maar meer nog om snel op de bank te kunnen zitten bij de kachel en met een beker thee. Het is gelukkig maar een kwartier van de Plas naar huis. Het moet gezegd dat dit niet het aangenaamste gedeelte is. Het hoort erbij. En op een bepaalde manier hou ik ervan. Dat zal wel zen zijn.

 

Rolschildering

 

December vorig jaar was ik in Museum Oud Amelisweerd (MOA), niet te verwarren met Museum of Modern Art (MoMA) of met de man die jarenlang het gezicht vormde van de Volksrepubliek China (Mao). Met China had het wel van doen. In de kamers van het landhuis te Bunnik hing Chinese kunst afgewisseld met werken van Armando (Armando). Er waren onder meer vazen, een kamerscherm en behang. De oude rolschilderingen troffen me het meest.

De tableaus laten vaak beneden op de voorgrond een tafereel zien met dieren of mensen. Op de achtergrond rijst imposant gebergte op. Het symboliseert voor mij de verbintenis tussen het nietige en het allergrootste. Je kunt daar beneden zitten, op een bankje bijvoorbeeld, of op een kleed op de grond, terwijl je de aanwezigheid weet, ook zonder ernaar te kijken, van het gesteente dat zich omhoog heeft gewerkt. De kracht der natuur.

Begin van dit jaar zaten we hier thuis ineens op een nieuwe bank. Het voorste deel van de woonkamer was omgebouwd en er was een muur vrijgekomen die smeekte om iets. In mijn gedachten was dat iets al snel een rolschildering.

Bij zoeken kwam een veilingsite boven waar een Japans exemplaar aangeboden werd. De terminologie is opvallend bij zo’n veiling. Vooral het gebruik van het woord ‘winnen’ wordt slim ingezet. Het winnen van een kavel. Er valt weinig te winnen, je betaalt er gewoon voor. Dat neemt niet weg dat deze manier van voorschotelen de kooplust opdrijft. Mijn eigen limiet werd die eerste keer overboden.

Een week later bij een ander exemplaar viste ik weer naast het net. Ondanks dat mijn budget omhoog kroop, zat ik er in week drie opnieuw naast.

In week vier waren er drie werken die mijn interesse hadden. Mijn voorkeur ging uit naar de op handgeschept papier afgebeelde berg Fuji. Op de voorgrond zijn heuvels en wat bosschages te zien. Dan is er een tijd niets en daarboven met enkele streken de top van de vulkaan. Eind negentiende eeuw vervaardigd. Het geheel is ruim twee meter hoog en een centimeter of veertig breed.

Enkele dagen na het winnen mocht ik tekenen voor ontvangst van een solide pakketje. Voorzichtig sneed ik zoveel plakband weg tot het karton de opgerolde rolschildering prijsgaf. Ongehavend de reis volbracht. Nog voorzichtiger rolde ik hem uit op de vloer. Het was inderdaad de gewenste schildering. Ik pakte hem aan de bovenkant heel voorzichtig vast om te zien hoe hoog hij zou komen. Mijn voorzichtigheid had haar uiterste bereikt. De bovenkant glipte uit mijn vingers.

De kracht der natuur.

Dubbelgevouwen lag het honderdtwintig jaar oude handgeschepte papier voor mijn voeten op de houten planken. Bij de inspectie kort daarop hoefde ik niet erg goed te kijken om de kreuk tussen bosschages en de top te zien. Daar was helaas niets aan goed te praten. Ik heb geprobeerd te bedenken dat het oude werk nu nieuwe geschiedenis heeft. Ook dat mocht niet baten.

Bij weinig licht zie je de vouw niet. Dat is dan de schrale troost.