Behoedzaam

 

`Wie zegt je dat je voorzichtig moet zijn?’ Dat was in het voorbijgaan het enige wat ik hoorde. Het was aanleiding om weer eens ouderwets aan mezelf te twijfelen. Het leek me een stel dat met opzet dit soort dingen heel precies timet en met een bedoeling zo brengt. De vraag kwam uit de mond van de vrouw, gericht aan de man, maar mogelijk met een boodschap voor mij.

Liep ik weer eens rond als een leeuw met een wild zwiepende staart? Hadden ze me van ver aan zien komen? Ik kom hier blijkbaar nooit helemaal van af.

Iets later bedacht ik dat haar opmerking, er nog steeds van uitgaand dat die aan mij gericht was, ingegeven was door mijn recht op haar toelopen. Ik loop altijd links, niet alleen op de weg, ook op paden waar fietsers fietsen. Sommige mensen zijn en blijven eigenwijs en lopen aan de rechterkant. Soms maak ik er een spelletje van om te zien wie als eerste uitwijkt. Daar was ik nu niet mee bezig.

Wel was ik, zoals vaak, aan het inschatten of het mensen waren die ik kon groeten en zo ja hoe. Groeten onderweg is lang echt problematisch geweest. Ik ben me er nog steeds uitermate van bewust. Mijn angst is wel geslonken en ik ben intussen veel royaler.

Mijn hoed speelde ook een rol. Er liggen al jaren twee hoeden op de kapstok stof te vergaren. De zwarte roept associaties op met Zorro. Ik droeg hem toen ik in Nieuwegein bij de gesloten afdeling aankwam. Sindsdien heb ik hem niet meer opgehad. Het is een dingetje. Het dragen ervan is een verklikker. Het geeft aan dat ik ietwat up ben en mogelijk richting hypomanie ga, het voorstadium van manie. De bruine kan nog wel, die is vriendelijker.

Buiten de herfst is dit het beste jaargetijde. In de winter is een muts praktischer. ’s Zomers draag ik een pet. Soms niets. Een hoed is goed. De rand schermt een beetje van de hemel af.

Je moet hem verdienen, vind ik. Het is een hele kwestie te weten wanneer je hem waard bent. Ik ben hem natuurlijk altijd al waard geweest, vanaf het moment van aanschaf, misschien daarvoor al. Het gaat er uiteindelijk om of ik het aandurf hem te dragen.

Op vrijdagmiddag durfde ik het. Ik bracht de jongste naar orkest en fietste terug door de stad. Voorjaar in aantocht. Mijn banden zoemden. Ik was de koning te rijk. Kijk mij nou met mijn hoed!

De zaterdag daarop durfde ik het ook. Ik liep op weg naar de Plas dat stel tegemoet. Ik had allang bedacht om uit te wijken naar de berm. Ik zei goedemiddag en kreeg geen respons. Zij vroeg dus iets over voorzichtig zijn. Dat het zo liep kan er ook op duiden dat ze met de man in gesprek was en geen aandacht aan mij wilde besteden.

Dat ik behoedzaam moet zijn, wanneer ik behoefte heb aan een hoed, is zeker. Maaat kon zij niet weten. Toch?

 

lees ook Verwarde man, leed en herstel in 40 verhalen

 

Veters

 

Afgelopen zaterdag vierden we de verjaardag van Kees. Met een groepje winterzwemvrienden schoven we aan voor een diner. Kees had zijn grijze manen gekamd, droeg een bril en was keurig in pak. Zo zien we hem zelden. Zo vol vreugde ook niet vaak. Omringd door vrienden en familie, van jong tot oud, was hij duidelijk in een goed humeur. Op aanwijzen van een kleindochter (naar ik vermoed) dartelde hij door het restaurant om met verschillende gasten op de foto te gaan.

Bij de Plas heeft hij zijn vaste stek. Hij spreidt zijn zeiltje en handdoek uit in het hoekje bij de boomstammen. Samen met Willem heeft hij in de loop der jaren een imposante muur gebouwd van takken en stammetjes. Er komt geen zuchtje wind doorheen, vooropgesteld dat die uit de juiste richting waait. Als de zon zich laat zien, is het in die hoek al snel goed toeven. Het is de A-locatie van het veld.

Kees is een van de meest doorgewinterde zwemmers. Onlangs nog, met een watertemperatuur onder vier graden, bleef hij er acht volle minuten in. Een ander zou daar wel enige ruchtbaarheid aan geven en zichzelf op de borst kloppen. Hij zei slechts: `Goh, wat zijn mijn handen koud.’ Verder geen centje pijn. Alleen veters strikken ging niet zo makkelijk meer. Opvallend is wel dat hij daarbij bleef staan, zoals altijd. Ieder ander van zijn leeftijd zou er een stoel bij pakken, als het überhaupt al lukt. Hij bukt met gemak en legt zo een paar knopen.

Sinds twintig jaar doet hij aan winterzwemmen. Praktisch elke werkdag stapt hij aan het begin van de middag op de fiets. In het weekend is hij er niet, dat is zo gegroeid. Degelijk, dat is Kees, ontzettend degelijk en onverwoestbaar. Het moet gezegd dat hij niet altijd het water ingaat. Regen trotseert hij vaak nog met een kleine poncho over zijn schouders, maar dan uit- en aankleden vindt hij niks. Daarnaast heeft hij een broertje dood aan wind, vooral als die veel golfslag veroorzaakt. In dat geval is hij er snel weer uit.

Kees leeft alleen sinds zijn vrouw een jaar of zeven geleden overleed. Hij woont hier vlakbij. We zien elkaar voornamelijk bij de Plas, een enkele keer in de supermarkt. De gesprekken blijven kort. Het is vaak moeilijk me verstaanbaar te maken. En hij wil niet aan een gehoorapparaat. Misschien is het trots die hem weerhoudt. Het zou ook een manier kunnen zijn om zich geleidelijk af te zonderen van het rumoer.

In de krant had een artikel gestaan over een man met MS die sinds een paar jaar bij de Munt in het kanaal zwemt. Leuk natuurlijk, maar weinig opzienbarend voor de mannen die al twee decennia de winters trotseren. Willem opperde dat ze ook wel een stukje over Kees konden plaatsen. Daar wilde hij niets van weten, van dat gedoe.

We lichten de redactie dus maar niet in. Bovendien is de winter goeddeels voorbij. Er komt weer een lente aan, de eenennegentigste voor Kees.

 

Eenvoud

 

Ik wil mijn zenlerares een keer haar visie op het winterzwemmen vragen. Het kwam er nog niet van. Ik kan haar vertellen dat ik vier tot vijf keer per week naar de Plas ga. Soms wandel ik, anders op de fiets, afhankelijk van de beschikbare tijd en mijn stemming. Ik zoek een beschutte plek op het veld en kleed me uit. Eenmaal naakt bij het water aarzel ik niet meer. Ik loop tot mijn middel erin en vervolgens duik ik. Mijn hoofd blijft nog boven. Die dompel ik later een paar keer onder. Ik zwem drie tot zes minuten. De kou van het water maakt het leven eenvoudig.

De omgeving is iedere keer mooier. Hoe vaker ik er ben, hoe mooier. Onder alle omstandigheden is het water ongenaakbaar. Mijn voorkeur gaat uit naar rimpelloos. Maar een bries en schittering van de zon op de golfjes is ook niet te versmaden. Het riet is er altijd. Het buigt met de wind en is goud in de zon. Het is er ter geruststelling in het geval er paniek dreigt. Erachter reiken de kale bomen naar de hemel. Vanuit het water is er uitermate goed zicht op de wolkenluchten. Soms ben ik erg blij dat deze plek dichtbij is. Ik hoef niet ver.

Deze woensdag, de laatste van februari, was de koudste dag van deze winter en zal dat waarschijnlijk blijven. In tegenstelling tot de afgelopen week liet de zon zich minder zien. De temperatuur was rond min vijf, gevoelstemperatuur min vijftien, dat laatste in de wind. Wij hadden bescherming van bomen en een houtwal. Willem en ik waren de enigen deze keer. Tegen de houten beschoeiing lag wat ijs. Rechts daarvan was nog net ruimte om ongeschonden te water te gaan. Het verleden heeft uitgewezen dat ijs erg scherp kan zijn. Buitengaats lagen aan weerszijden nog een paar plakken, duidelijk zichtbaar door het laagje sneeuw erop. We bleven er ver van.

Willem zwom eerst, daarna ik. Een minuut of vier in het water leek me lang genoeg. Mijn benen waren al koud van het fietsen in de wind. Ik had best een lange onderbroek aan kunnen doen, bedacht ik. Bij het aankleden waren mijn benen rood en blauw. Ze voelden zo koud dat ik even dreigde om te vallen. Met enige haast trok ik shirts, vest en broek aan. De zon kwam op het juiste moment door om een beetje te helpen bij het warmer worden.

Op de terugweg droeg ik de kou mee. De wind deed net of ik geen jas aanhad. Mijn broek had al helemaal niet veel om het lijf. Ik trapte flink door, in de hoop zo wat warmte te genereren, maar meer nog om snel op de bank te kunnen zitten bij de kachel en met een beker thee. Het is gelukkig maar een kwartier van de Plas naar huis. Het moet gezegd dat dit niet het aangenaamste gedeelte is. Het hoort erbij. En op een bepaalde manier hou ik ervan. Dat zal wel zen zijn.

 

Rolschildering

 

December vorig jaar was ik in Museum Oud Amelisweerd (MOA), niet te verwarren met Museum of Modern Art (MoMA) of met de man die jarenlang het gezicht vormde van de Volksrepubliek China (Mao). Met China had het wel van doen. In de kamers van het landhuis te Bunnik hing Chinese kunst afgewisseld met werken van Armando (Armando). Er waren onder meer vazen, een kamerscherm en behang. De oude rolschilderingen troffen me het meest.

De tableaus laten vaak beneden op de voorgrond een tafereel zien met dieren of mensen. Op de achtergrond rijst imposant gebergte op. Het symboliseert voor mij de verbintenis tussen het nietige en het allergrootste. Je kunt daar beneden zitten, op een bankje bijvoorbeeld, of op een kleed op de grond, terwijl je de aanwezigheid weet, ook zonder ernaar te kijken, van het gesteente dat zich omhoog heeft gewerkt. De kracht der natuur.

Begin van dit jaar zaten we hier thuis ineens op een nieuwe bank. Het voorste deel van de woonkamer was omgebouwd en er was een muur vrijgekomen die smeekte om iets. In mijn gedachten was dat iets al snel een rolschildering.

Bij zoeken kwam een veilingsite boven waar een Japans exemplaar aangeboden werd. De terminologie is opvallend bij zo’n veiling. Vooral het gebruik van het woord ‘winnen’ wordt slim ingezet. Het winnen van een kavel. Er valt weinig te winnen, je betaalt er gewoon voor. Dat neemt niet weg dat deze manier van voorschotelen de kooplust opdrijft. Mijn eigen limiet werd die eerste keer overboden.

Een week later bij een ander exemplaar viste ik weer naast het net. Ondanks dat mijn budget omhoog kroop, zat ik er in week drie opnieuw naast.

In week vier waren er drie werken die mijn interesse hadden. Mijn voorkeur ging uit naar de op handgeschept papier afgebeelde berg Fuji. Op de voorgrond zijn heuvels en wat bosschages te zien. Dan is er een tijd niets en daarboven met enkele streken de top van de vulkaan. Eind negentiende eeuw vervaardigd. Het geheel is ruim twee meter hoog en een centimeter of veertig breed.

Enkele dagen na het winnen mocht ik tekenen voor ontvangst van een solide pakketje. Voorzichtig sneed ik zoveel plakband weg tot het karton de opgerolde rolschildering prijsgaf. Ongehavend de reis volbracht. Nog voorzichtiger rolde ik hem uit op de vloer. Het was inderdaad de gewenste schildering. Ik pakte hem aan de bovenkant heel voorzichtig vast om te zien hoe hoog hij zou komen. Mijn voorzichtigheid had haar uiterste bereikt. De bovenkant glipte uit mijn vingers.

De kracht der natuur.

Dubbelgevouwen lag het honderdtwintig jaar oude handgeschepte papier voor mijn voeten op de houten planken. Bij de inspectie kort daarop hoefde ik niet erg goed te kijken om de kreuk tussen bosschages en de top te zien. Daar was helaas niets aan goed te praten. Ik heb geprobeerd te bedenken dat het oude werk nu nieuwe geschiedenis heeft. Ook dat mocht niet baten.

Bij weinig licht zie je de vouw niet. Dat is dan de schrale troost.

 

Stoer

 

Ik moest een etmaal een bloeddrukmeter mee. Het doel was om een goed beeld te krijgen van mijn bloeddruk gedurende een doorsneedag. Het ding mat iedere twintig minuten. Er klonk dan een pieptoon en direct daarop vulde de band zich met lucht. Tijdens de meting moest ik mijn linkerarm, waar de band omheen zat, ontspannen houden en liefst licht gestrekt. Bovendien was het belangrijk dat ik niet praatte.

Het advies was eerder geweest om mijn leefstijl aan te passen: minder zout, geen drop, voldoende beweging en ontspanning, ietsje afvallen. Dat wierp vruchten af. Maar inmiddels werkte er meer tegen. Het is allemaal niet zo onrustbarend, probeerde ik maar te denken. Een toegenomen risico op hart- en vaatziekten, kreeg ik steeds te horen. Dat was natuurlijk niet goed. Ook niet dat ik het steeds te horen kreeg. Om nu eens te weten of er echt maatregelen (lees: medicijnen) genomen moesten worden, kreeg ik dat apparaat te leen. Het hing aan een bijgeleverde riem om mijn middel en was met een snoer verbonden met de band.

De eerste keer pompen deed zich voor op de fiets. Ik had zojuist het gebouw verlaten waar een dame uitleg had gegeven over werking en gebruik. Voor een geldige uitslag moest zeventig procent van de metingen gelukt zijn. Ik was erop gebrand dat percentage ruimschoots te halen. Ik hield halt en liet mijn arm hangen.

Toen de band de knelling had laten varen, keek ik op mijn horloge. Grote kans dat de volgende meting in de supermarkt zou zijn, in het ongunstigste geval tijdens het inpakken van drie tassen, terwijl de spullen van twee volgende klanten al van de band schoven.

Het viel mee. Ik redde het tot buiten met de boodschappenkar.

Daar kwam ik in aanraking met de man die daar vaker rondhangt, soms met zijn hand op of een bekertje voor muntgeld. Ik mag me er niet door laten leiden, maar zijn gezicht staat me niet aan. Gluiperig. Een paar dagen eerder suggereerde hij dat ik de schuur leeggehaald had. Ik had geen zin om uit te leggen dat ik die zeven karretjes in de wijk had verzameld en met risico op deuken in geparkeerde auto’s teruggereden. Dus zei ik alleen maar: ‘Ja.’ Zijn reactie, vergezeld van een gemeen lachje: ‘Ja, zegt-ie.’

Nu vond hij dat mijn pet stoer stond. Ik nam maar aan dat het een compliment was en bedankte hem daarvoor.

Dat was niet genoeg: ‘Dat weet je toch wel, dat hij stoer staat. Waarom zet je hem anders op?’

Ik zeg tegenwoordig vaker zomaar wat: ‘Ik verwachtte neerslag.’

Op dat moment klonk zacht de pieptoon en begon de band om mijn arm te knellen. Ik veranderde in een paspop, mijn lippen stijf op elkaar.

De man ging door: ‘Dat verwachten we allemaal elke dag, neerslag.’

Stilte. Ik keek hem alleen maar aan.

Hij weer: ‘Maar het is nog droog, toch?’

Mond dicht.

Hij: ‘God is zeker nog niet wakker.’

Ik zei niets. De band ontspande. De man droop af.

 

Borrel

 

De storm had me te pakken. Bij de krachtigste vlagen zat ik bevend naar de steeds verder hellende schutting te kijken. Hoe erg zou het zijn, als die omging? We hebben het niet over een ramp. In het ergste geval moest een nieuwe schutting worden geplaatst. Veel gedoe, maar overkomelijk. Die relativering nam het trillen niet weg.

Het leek erop dat er iets nog anders speelde. Misschien was het de storm zelf die mijn onrust veroorzaakte. Ik zat relatief veilig in huis, niet op een kotter op zee, niet in een bos met kreupele bomen. De bomen voor de deur zouden bij eventuele overgave in een andere richting vallen, evenwijdig aan de straat. Toch bleef ik beven.

In de tijd dat ik te maken had met manieën en psychoses, ging ik altijd naarstig op zoek naar het beginpunt van een episode, in de hoop zo een oorzaak te vinden. Het leverde hoofdbrekens op. Hoe graag ik ook een moment of gebeurtenis vast wilde pinnen als start van de hoge vlucht, het bleek steeds weer om een continuüm te gaan. Ik kon niet ontdekken waar ik de fout in was gegaan en of een andere keuze op een bepaald punt een andere loop had bewerkstelligd. Achteraf gezien was er niets om mezelf kwalijk te nemen. Het betrof altijd een ongelukkig samenspel.

Als ik nu een moment moest kiezen, in het geval ik uit de bocht was gevlogen, zou die storm van inmiddels twee weken terug wel een goede gegadigde zijn geweest. Veel ingrediënten waren aanwezig.

De schutting ging uiteindelijk, maar bleef nog hangen tegen de perenboom. De deur van de poort begaf het ook. Er moesten reparaties worden verricht, dingen waar ik me niet toe in staat achtte. Hulp was al aangeboden door een buurman. Hij zekerde de schutting opnieuw aan de muur. Een dag later kon ik zelf iets doen in samenspraak met een buurvrouw. Het leverde allemaal wel stress op. Vanzelfsprekendheid in contact is nog ver te zoeken.

Een andere buurman bleek donderdag, een week na de storm, bereid de deur van de poort te repareren. Ik bood hem thee aan en we spraken uitgebreid, net zomin vanzelfsprekend.

Op vrijdag kwam de eerstgenoemde buurman palen plaatsen om de schutting verder te stutten. In zijn kielzog volgde buurman drie om te helpen. Ik zaagde de palen op maat. Dat kon ik nog. Buurman vier kwam commentaar leveren en zei dat de schroeven dieper moesten. Uiteindelijk stond de schutting een stuk steviger dan voor de storm. Buurman vijf had kippenvleugels om op een vuurtje te roosteren. Ik wist dat er bier was, maar nam toch nog wat mee. Het gebeurde nauwelijks eerder dat ik bij de buurtborrel aanschoof. Opmerkelijk genoeg beviel die nu best.

Gaat het niet te makkelijk? De storm was ontegenzeggelijk het beginpunt. Het vervolg was tot op heden een gunstig samenspel. Als dat maar goed gaat.

 

Suiker

 

Ik zat met vriend Piet in het café van filmmuseum Eye op de noordelijke oever van het IJ. Een magnifieke ruimte met dito uitzicht. We zagen het water dat door de wind beroerd werd. Aan de overzijde de achterkant van het station. Alleen die ruimte al en dat uitzicht zijn een bezoek aan het gebouw waard.

Musea bieden voor mij vaak, naast het tentoongestelde, bijkomende schoonheid. Soms blijft die me zelfs langer bij. Zo was ik in Museum Volkenkunde in Leiden vooral onder de indruk van de grote glazen deuren tussen de zalen.

In Eye zaten er veel meer mensen in het café dan er de exposities bekeken. Volgens mij hoef je ook geen kaartje te kopen om daar te mogen zitten. Achter het station neem je het gratis veer naar Noord. Van daar is het twee minuten gratis lopen. Alleen de versnaperingen kosten geld.

Ik bestelde, buiten mijn gewoonte om, een muntthee. Een glas heet water werd voor mijn neus gezet, met takken en blaadjes erin. Prima. Ik ben niet gewend mijn koffie of thee te zoeten, maar bij munt moet wel wat. Het bijgeleverde staafje zou zeker suiker bevatten. Ik probeerde het aan beide uiteinden en van alle kanten open te scheuren. Het wilde niet. Een jongen van de bediening moest assistentie verlenen. Ik vroeg of hij een schaar had. Dat was niet nodig. Er zat een beginnetje, een openingsscheurtje, bovenaan het staafje. Met bril was dat misschien te zien geweest. De jongen van de bediening scheurde het los en ging voort. Maar nog kreeg ik er geen suiker uit. Gelukkig was daar vriend Piet. Die opperde dat er waarschijnlijk honing in zat en dat ik moest knijpen.

De mevrouw met wie ik wandelde, zat ook altijd zo te hannesen met suikerstaafjes. Het was onze routine om eerst in het restaurant beneden een kopje koffie te drinken. Dan schoof ik haar rolstoel op een vaste plek aan een tafel waar al wat anderen zaten, minder oud dan zij. De koffie werd gebracht door een horecamedewerker. Mevrouw gebruikte twee suiker in de koffie. En twee koffiemelk uit van die cupjes. Aan de lipjes daarvan waagde ze zich niet. Die mocht ik lospeuteren.

Op tafel stonden twee afvalbakjes, metalen busjes met een transparant afvalzakje erin. Meestal was er iemand zo attent om een daarvan alvast onze kant op te schuiven. Het gebeurde meermaals dat mevrouw zoveel moeite had gedaan met die onwillige vingers tot eindelijk het papier de weerstand had opgegeven en er een bescheiden maar triomfantelijke grijns op haar gezicht verscheen en dat ze vervolgens per ongeluk de suiker in het afvalbakje kieperde.

Lachen kon natuurlijk hooguit ingehouden. Over en weer rond de tafel werden er wel wat veelbetekenende blikken uitgewisseld.

Steeds vaker liet ze ook het scheuren van de staafjes aan mij over. Toen ik zelf een keer de suiker in het afvalbakje mieterde, verscheen die triomfantelijk grijns weer, nu minder bescheiden.

 

Angst

 

Tot iemand mij op een plausibeler optie wijst, beschouw ik angst voor verlies van controle als fundament van mijn andere angsten. Verlies van controle ligt in allerlei vormen op de loer. Ik durf me vaak niet over te geven aan het onbekende. Zo ervaar ik dat meestal niet direct, maar achteraf redenerend komt het er wel op neer. Ik weet eigenlijk niet in hoeverre ik hieronder gebukt ga. Het is allemaal zo geïncorporeerd en verweven met mijn levenswandel, dat ik niet eens een goede voorstelling kan maken van hoe het zou zijn zonder. Aan de andere kant moet ik zeggen dat er nogal mee te leven is. Een beeld voor ogen krijgen van ernstiger beperkingen, is makkelijker.

Hoewel er ook andere zaken meespelen, is mijn weerzin voor sociale interactie terug te voeren op de kans de grip te verliezen. Het gesprek aangaan betekent in veel gevallen me op onbekend terrein begeven. Het verloop is ongewis. Dat is ook zo als ik zou gaan klussen. Wat je ziet, is wat je hebt. Wat je krijgt, is nog maar de vraag. Daarnaast zijn de mogelijke confrontaties met allerlei gebeurtenissen buiten het draaiboek om een bron van dagelijks te overwinnen tegenzin.

Ergens onderweg ben ik mijn jeugdige onbevangenheid verloren. Het was, om preciezer te zijn, op een zonnige dag in oktober van het jaar 2004. De locatie staat me ook nog goed bij, midden op de Maarsseveense Plas. Inmiddels zijn er dus ruim dertien jaren verstreken. En er is geen afdoende volwassen vertrouwen in de plaats gekomen.

Vreemd genoeg ben ik, terwijl dat het grootste verlies van controle zou zijn, niet bang om dood te gaan. Dat hoeft niets te zeggen over hoe ik reageer bij mijn levenseinde, of dat van een dierbare. Op dit moment ben ik er tamelijk opgeruimd over en stel ik vast dat leven en sterven me beiden even lief zijn.

Waarom dan die angst?

Tijdens het zwemmen in de Plas overkomt het me nog steeds. In de winter heb ik er minder last van, omdat ik vanwege de lage watertemperatuur toch niet ver kan. ’s Zomers is het aantal te zwemmen meters ook beperkt. Ik zwem langs het riet, waar het op de meeste plekken te diep is om te staan, maar toch veiliger aanvoelt. Op de heenweg is er geen probleem. Ik weet dat bij het zien van de af te leggen weg terug de paniek toe kan slaan. Ook hier zit er kennelijk iets in mijn lijf of in mijn kop dat vreest voor controleverlies, voor verlamming, voor kopje onder gaan, verdrinken, het leven laten. Toch.

Afgelopen zomer heb ik geleidelijk de te zwemmen afstand iets uitgebreid. Ik had me zelfs ten doel gesteld de overkant weer te halen. De eerste weken lukte het best. Daarna kreeg ik er genoeg van steeds gespannen het water in te moeten. Ik gaf het op en verzon dat het op de een of andere manier een wijs besluit was het erbij te laten.

Komende zomer misschien wat verder. Het onbekende tegemoet. Met mate.

 

Ambitie

 

In de documentaire Jim & Andy: The Great Beyond, te zien op Netflix, zegt acteur Jim Carrey als zichzelf: ‘I have no ambition whatsoever.’ Daar sluit ik me graag bij aan. Er is niets wat ik nog gedaan wil hebben of gedaan wil krijgen. Zelfs het voltooien van deze tekst is niet noodzakelijk om in vrede te kunnen gaan. Er hoeft niets per se.

Dat draagt wel iets verontrustends in zich, want het zou goed kunnen dat ik nog een hele tijd te gaan heb. Wat doe ik dan in die jaren? Ik weet het niet. Wat doe ik nu? Ik verveel me in ieder geval niet. Soms, gelukkig, maar niet structureel.

De dingen die ik doe en de keuzes die door mij gemaakt worden, komen niet voort uit ambitie. Er is geen eenduidig antwoord op de vraag wat er dan wel aan ten grondslag ligt. Medemenselijkheid misschien (zorg en vrijwilligerswerk). Behoefte aan beweging en een beetje ontbering (wandelen, fietsen, zwemmen). Plezier en voldoening in het scheppen (schrijven, fotograferen). Een paar dingen omdat ze gewoon leuk zijn (niet zo veel). En nog zo wat om de tijd aardig door te komen (films en series). Dan heb ik alles wel gehad, behalve mediteren.

Mediteren doe ik idealiter om het mediteren zelf. Dat zou, nu ik erover denk, voor al het andere ook moeten gelden. Elke activiteit heeft in zichzelf waarde, los van hoe nuttig of zinnig die activiteit is in eigen of andermans ogen. Ook voor niet iets doen. Niet iets doen zou volgens een bekende zenles iets anders zijn dan niets doen. Het zij zo. Er hoeft in ieder geval niets gedaan te worden om de wereld draaiende te houden.

Wat wel gedaan kan worden ligt vaak letterlijk voor de hand. Ik hoef geen doelen te bedenken of een levensdoel te ontdekken of te formuleren. Ik hoef me geen beeld te schetsen van iets om in de toekomst te bereiken. Alles wat ik nodig heb is hier. Hier komen de lijnen samen van mijn doen en laten in het verleden. Vanaf hier vertrekken de lijnen naar de toekomst. Onverwijld.

Het is goed om te weten wat ik kan en wat ik niet kan. Het is niet nodig uitdagingen te zoeken. Die dienen zich vanzelf aan. Of ik wil of niet, verandering is altijd gaande. Dat gaat maar door. Het is verleidelijk veranderende inzichten over de wereld en over mezelf als wezenlijk te beschouwen. Het gaat echter meer om wat zich afspeelt in mijn gut (helaas geen passend Nederlands woord gevonden). Voor mezelf lokaliseer ik die in de buurt van mijn stuitje.

Daar moet het vandaan komen. Daar komt het vandaan. Ik ben me er nauwelijks van bewust, maar het zou goed kunnen dat mijn ideeën, keuzes, verlangens en emoties er hun oorsprong hebben. Continu in wisselwerking met alles om me heen. Vaak ernstig vervormd door wat zich in mijn hoofd afspeelt, maar toch. Als ergens wijsheid te vinden is, is het daar. Met die bron binnen handbereik is ambitie nergens voor nodig.

 

Middelpunt

 

Aan het begin van de documentaire Alicia, onlangs uitgezonden door de publieke omroep, zegt een begeleidster van een kindertehuis tegen het daar geplaatste negenjarige kind dat ze een speciaal meisje is. Alicia reageert door te stellen dat ze een gewoon meisje is. De begeleidster herhaalt daarop dat ze toch echt speciaal is. Het meisje ontkent weer. Zo gaat het een keer of vijf tot Alicia zich er maar bij neerlegt.

We leren onze kinderen in deze tijd dat ze zo bijzonder zijn en uitzonderlijk. De kleintjes staan steeds meer in het middelpunt. Daarbij zien we over het hoofd dat ze er later mee overweg moeten kunnen om deel te zijn van iets dat veel groter is dan zijzelf. Onze signalen bewerkstelligen het tegenovergestelde. We zouden op de schaal van heel speciaal tot onbeduidend best een tikje op kunnen schuiven naar het laatste.

Daarbij ontzie ik mezelf niet.

Het was mijn idee om onze eerste zoon Naaf te noemen. Behalve voor de aangename klank, kozen we voor het beeld van het centrum, de plek waar de spaken samenkomen. Meer in het middelpunt plaatsen kon bijna niet. Dat is dertien jaar geleden. Deze week was hij jarig. Inmiddels blijkt hij al een tijd een jongen die liever wat in de periferie verkeert. Hij hoeft niet zo nodig op te vallen. Wat dat betreft had hij beter Jan kunnen heten.

Ondanks dat hij genoeg talent en capaciteiten heeft om uit te blinken, hoeft ook dat voor hem niet zo nodig. Op de basisschool was dat nog best lastig. Daar stak hij op veel fronten boven de rest uit. De status van slimste van de klas beviel hem niet. Op die aandacht zat hij niet te wachten. En hij kon er niets tegen doen. Ertegenin gaan door expres lagere resultaten te behalen had hij niet in de vingers. Er zat niets anders op dan het zich laten aanleunen en de bewondering van zijn klasgenoten te incasseren.

Voor ons als ouders, misschien meer dan voor hemzelf, was het spannend hoe het de eerste maanden in de brugklas zou gaan. Tot onze opluchting blijkt nieuwe vrienden maken geen probleem. We zien ze weliswaar nooit hier. We horen soms hun namen en zien hun avatars over het beeldscherm flitsen. In real life afspreken is er niet bij. Ze ontmoeten elkaar op school of bij de voetbal. De rest gaat online. Ze vormen teams en strijden tegen andere teams. Daar komt veel coördinatie en communicatie bij kijken. Prima.

Voor bijna alle vakken moet hij nu hard werken voor redelijke cijfers. Dat is zacht gezegd geen onverdeeld genoegen, het valt vaak tegen. Ik denk toch dat hij zich in de middenmoot beter op zijn gemak voelt. Daar kan hij zich onopvallend in nestelen. Hij zoekt een bankje achterin de klas en ziet het wel.

Bij Naaf hoef je er niet mee aan te komen dat hij heel speciaal is. Zoals Alicia liever een gewoon meisje is, is Naaf liever een gewone jongen. Dat hij heel bijzonder is, hou ik dus meestal maar voor me.

 

Bedding

 

We verbleven in de zomervakantie twee nachten op een camping langs de Dordogne. De eerste avond had ik een luie stoel gepakt en zat ik anderhalf uur op de oever naar de rivier te kijken. Ongestoord en in stilte. Het water voor me stroomde zichtbaar en vrij vlot. De maan verscheen. Verder gebeurde er niets.

De situatie nodigde uit om in gedachten te filosoferen over het wezen van de rivier. Is dat de bedding? Is dat het water? Kun je wel spreken over iets dat bestaat? In ieder geval is de rivier op geen enkel moment hetzelfde. Als er iets wezenlijks aan een rivier is, dan is het wel verandering. Ik realiseerde me meteen niet erg origineel te zijn met dit idee. Toch voelde het heel oorspronkelijk zo met het water op een paar meter van mijn voeten.

Zo kon ik ook mijn gedachten herkennen als een stroom en ze laten komen en laten gaan. Over wat de bedding moest zijn had ik niet een heel duidelijk idee. Niet mijn hoofd in ieder geval, eerder mijn buik, misschien mijn adem. Het komt en het gaat. Het mocht wel zo. Het mocht van mij wel blijven duren.

Een stel zat een tijdje op een bankje vlakbij. Dat leidde me nauwelijks af. Ik zat gewoon goed, had uitzicht op het water en verder gebeurde er nog steeds niets. Er gebeurde niets tot ik besloot de stoel op te pakken en terug te lopen naar de tent. Dat was het.

Terwijl ik voorgaande schreef, kwamen onwillekeurig de treinritten in me op van mijn ouderlijk huis naar mijn studentenkamer. Op zondagavond van Leiden naar Utrecht. Van de weilanden buiten was weinig te zien. De ruiten spiegelden oneindig zichzelf en de stille coupé met mij erin. In cadans van station naar station. Dan mocht van mij de reis immer voort de nacht in, eerst richting Duitsland en daarna verder naar een onbenoembaar oord. Daar maakte ik me niet eens een voorstelling van.

Het liefst wilde ik zo eindeloos verblijven, net als bij de rivier, terwijl er niets gebeurde. Overstappen zou zinloos zijn. Betovering willen vasthouden gaat onherroepelijk over in fijnknijpen. Hem opzoeken is bovendien een onbegonnen zaak. Het overkomt je of het overkomt je niet.

November nadert zijn eind terwijl er niets noemenswaardigs is gebeurd. Ik moet het nu blijkbaar doen met herinneringen. Of heeft dat terugdenken me juist opgewarmd voor enkele verse momenten in mijn element?

Op de voorlaatste dag van de maand wandel ik naar de Plas. Het veld daar is drassig. Volgens de thermometer van een andere zwemmer is het water gedaald tot acht graden. Het duurt op de terugweg even voor ik weer warm ben. Ik heb de tijd. De handschoenen voorkomen niet dat mijn handen koud blijven. Mijn voeten besluiten desondanks een omweg te nemen. Bij het volgende keuzepunt plakken ze er nog een stuk aan vast en daarna nog twee keer. Vlakbij huis, met inzettende schemering, besef ik dat dit wandelen zo wel mag blijven duren. Gewoon blijven gaan. Verder hoeft er niets te gebeuren.