Auto

 

Ik vroeg een meisje wat ze graag wilde zijn. Ze zei: ‘Zie je dat niet, schatje, ik wil beroemd worden, een ster op het witte doek. Maar in de tussentijd kun jij wel iets voor me doen.’ Bleek dat ik haar auto mocht rijden. Later gaf ze toe niet eens een auto te hebben, maar wel blij te zijn met haar nieuwe chauffeur.

Mooi begin van een liefde. Drive my car is het eerste nummer dat voorbijkomt in de Carpool Karaoke met Paul McCartney. Het filmpje behelst een kleine toer door Liverpool. In de week waarin het verscheen, werd door de NPO een documentaire uitgezonden over de jaren dat The Beatles concerten gaven.

Filmpje en docu slingerden me hun universum in.

Elke avond start ik een willekeurig nummer op YouTube en laat me leiden door het algoritme. De video’s volgen elkaar op, meest van matige kwaliteit, soms met bewegend beeld, vaak alleen een afbeelding met muziek. Er is een terugkerende sensatie: ‘O ja, dat hebben ze ook gemaakt. Wat goed!’ Ik kan het niet helpen. En o ja, Help! is nog niet eens voorbijgekomen.

In de Carpool Karaoke zit aan het begin een verwijzing naar dat nummer. De presentator vraagt vanuit de auto per telefoon of Paul hem kan helpen. Een moment later stapt de superster in. Maar hij is helemaal geen superster, en toch weer wel. Het hele gebeuren zou je bijna de uitspraak ontlokken dat hij zo gewoon is gebleven.

Bij het terugkijken van concerten van McCartney valt op dat hij al die oudere nummers speelt zoals ze oorspronkelijk zijn opgenomen, geen tierelantijnen, geen uitbundige solo’s, gewoon van seconde één tot minuut drie, zoals het op de plaat staat. Melanie, die met een schuin oog meekijkt, zegt dat Paul vlak is. Dat raakt me uiteraard, maar het zou goed kunnen dat ze gelijk heeft. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij kraak noch smaak heeft. Is dat dan waarom hij nog steeds wereldwijd geadoreerd wordt? Is het de opgewekte stabiliteit die we allemaal zouden wensen?

De NPO-documentaire toont dat The Beatles mede vanwege de populariteit moesten stoppen met optreden. De muziekinstallaties waren niet krachtig genoeg om boven het gegil van de meisjes uit te komen.

Het is dan aandoenlijk hoe tijdens de recente toer door Liverpool mensen zich verzameld hebben voor zijn ouderlijk huis en hij bij het naar buiten komen welwillend een paar handen schudt. Een man zegt dat zijn broer naar hem vernoemd is en dat zijn muziek gespeeld werd op de uitvaart van zijn vader.

Paul stapt vervolgens in de auto en moet zichtbaar bijkomen van de opwinding, terwijl het níets is vergeleken met de maniakale verafgoding die hem en zijn vrienden vijftig jaar geleden overkwam.

Dat te zien, terwijl de eerste tonen van Blackbird klinken, breekt me enigszins.

Er waren op dat moment meer mensen in de kamer, waaronder kinderen, dus ik kon me niet laten gaan. Jammer, want het komt heel weinig voor dat ik zo mooi en onverwacht enigszins breek.

 

Voor de enkeling die het nog niet heeft gezien: Paul McCartney Carpool Karaoke (YouTube)

 

Koffie

 

Ik was een stuk jonger dan nu. We hadden een kind van bijna anderhalf en de tweede was op komst. In opdracht van de verhuurder werd de keuken van onze flat vervangen. Het plafond werd opnieuw gestuct en de asbesten vloertegels gingen eruit. In de periferie van alle activiteit hing ik dagen doelloos rond. Ik kon mijn draai niet vinden in mijn eigen woning.

Ik bood een keer koffie aan, daar hadden de werklui wel oren naar. Maar het water was net afgesloten. Ik snelde met de koffiepot naar boven om buurman Hans te vragen hem te vullen. Hij liet me binnen en zal iets gezegd hebben als: ‘Kom eerst even zitten. Wil je koffie?’ Dat was het begin van zijn mentorschap.

Het was niet de eerste koffie die hij me aanbood en er zouden er nog veel volgen. Soms zaten we in de keuken, maar meestal in de woonkamer aan tafel met uitzicht op het park. We keken tegen de boomkruinen aan. Een verzameling beestjes van onder meer glas versierde de vensterbank. Het zou ook kunnen dat ze in het raamkozijn stonden. Ik ben slecht in het opslaan van details. Ik weet nog wel dat Hans altijd mijn beker dampende koffie eerst op de VPRO-gids zette, om vervolgens het geheel naar mij toe te schuiven.

De onderwerpen die we bespraken waren te uiteenlopend om zo even te kunnen noemen. Hij was het meest aan het woord. Hij vertelde verhalen, ik luisterde en knikte voornamelijk. En ik deed mijn best ze te ontrafelen en een eventuele onderliggende strekking mee te krijgen. Dat hij meer wilde zeggen dan hij zei, was wel duidelijk. Het was een puzzel wat precies.

Het kwam vaak voor dat ik in de dagen na een ontmoeting meende te weten waar hij op doelde en wat dat voor mij persoonlijk betekende. De volgende keer beklom ik opgetogen de trappen, vastberaden te laten zien dat ik het had begrepen. Dat lukte vrijwel nooit. Ik zat er net weer naast of er was iets anders waar ik mijn aandacht op zou moeten richten. Ondanks de terugkerende frustratie, bleef ik gaan. Hij liet me steeds weten welkom te zijn.

Het was een periode waarin ik behoefte had aan een ouder iemand die me een beetje richting gaf. Ik schat dat het acht jaar heeft geduurd. Ik ben veranderd, mede onder invloed van wat hij vertelde. Later besefte ik pas dat het lang een droom van me was geweest om een ouder en levenswijs persoon tegen te komen. Dat was Hans dus.

Hij leeft nog, hoor. We wonen verder bij elkaar vandaan, niet meer in hetzelfde gebouw. We zien elkaar af en toe bij de bakker. Ik ga nog sporadisch bij hem langs, te weinig, hoor ik me schuldbewust denken. Maar het is ook zo dat de noodzaak ontbreekt er nog iets van te leren. Zo gaat dat. Ik hoef hem bovendien niets meer te laten zien.

Met die gedachte ga ik binnenkort nog maar eens langs. Hou je vast, Hans, ik kom eraan!

 

Verhaal

 

Je moet altijd maar één ding tegelijk willen veranderen. Ik wilde twee dingen veranderen. Ten eerste vond ik dat ik nu maar eens wat vroeger uit bed moest, half zeven in plaats van half acht. Dan kon ik direct van tussen de lakens op het meditatiekussen ploffen. De tijd die ik zou winnen kon ik goed gebruiken voor schrijven en coachen en andere dingen. De eerste twee weken beviel dat prima. Ik had meer moeite met opstaan, maar vooral meer tijd over ’s ochtends. Ik was ruim voor de lunch gereed voor de lunch.

Het tweede, wat ik gelijktijdig inzette met het vroeger opstaan en het meteen mediteren, was het schrijven aan een fictief verhaal dat zo’n anderhalf jaar in een la had gelegen. Ik had veel verfrissende ideeën, koos een nieuwe voorlopige titel en maakte er serieuze arbeid van. Dat betekende in mijn geval vier dagdelen per week ervoor gaan zitten. En dat waren intensieve uren, die uitliepen in nog eens zolang rondlopen met gedachten over onder meer de vorm, wendingen en precieze formuleringen.

Het verhaal zat in mijn hoofd, het hoefde alleen nog maar op papier ofwel scherm te verschijnen. Ik kon daar erg opgewonden over zijn, en nog. Maar goed, hoe? Ik heb wel gemerkt dat het een ontzettend traag en tijdrovend proces is. Bijna voorbij traagheid die je kunt voorstellen. Frustrerend eigenlijk, dat het niet zo huppakee uit mijn vingers rolt. Het zal er wel bij horen. Ik was bereid er veel energie in te investeren.

Tijdens een wandeling vertelde ik Melanie hoe ik mijn dagen dacht in te delen. Het was een strakke planning voor mijn doen, er moet altijd nog veel lucht bij. ‘Wanneer schrijf je het blog dan?’ vroeg ze terecht. Dat zou ik grotendeels in het weekend doen. Ik moest daarbij een beetje lachen omdat ik ineens een druk baasje bleek.

Waar ik nu naartoe wil is dat deze twee veranderingen na een week of twee al uitmondden in de outburst, zoals de huisarts het noemde, van vorige week. Je weet nooit hoe alles elkaar precies beïnvloedt. Was de gevoeligheid oorzaak van het vele schrijven en het vroege opstaan? Of was het andersom? Dat minderen van medicatie, waar ik al mee bezig was, kwam erbij. En dan nog de autonome golfbeweging waar geen mens vat of zicht op heeft.

Ik heb het blog van vorige week nog eens teruggelezen. Het is in mijn ogen een positief verhaal, maar dat zou kunnen komen doordat ik er zelf de hele tijd bij was. Het gaat over iemand die op tijd in de gaten heeft dat er actie ondernomen moet worden, of juist rust gezocht, om te voorkomen dat een plotselinge ernstige dip uitmondt in een echte episode. Zo werd het door veel lezers niet ervaren. Het stuk riep niet alleen medeleven op, maar ook bezorgdheid. Over dat laatste kan ik kort zijn: niet nodig.

Het gebeuren heeft me opnieuw geleerd kalmpjes aan te moeten doen. Of en wanneer dat verhaal afkomt, blijft daarom onbekend.

 

Minder

 

De incidenten namen de afgelopen weken geleidelijk in aantal en ernst toe. Sommige signalen kon ik, hoewel vaak niet eenvoudig te duiden, als bruikbaar beschouwen. Sommige vielen binnen het domein van waanideeën, voor zover ik daar zelf over kon oordelen. En dan waren er ook nog een boel die in een grensgebied verkeerden. Het werd weer een puzzel.

Maar het was nog te doen. Ik hoopte met de tijd op een nieuw evenwicht uit te komen. Dat liet op zich wachten. Ik zakte eerst langzaam en toen ineens hard.

Begin deze week werd ik gevloerd door een golf van verdriet, waar ik de oorsprong niet van ken. Een paar keer per dag overviel me een enorme zwaarte. Daar was geen afleiding tegen opgewassen. Het nam me over en liet niet los. Ik kon niet anders dan het ook aan de buitenkant dragen. Dat is naar, daar reageren mensen op. En ik dan op mijn beurt weer met verder zinken.

Ondanks dat het hele diepe tijdelijk was, zou het best nog even door kunnen zeuren. Om de schade te beperken zoek ik stilte, schrap ik belastende activiteiten en plan voedende. Meer wandelen en zwemmen. Als ik een baan had gehad, had ik me ziekgemeld. Heb ik overigens wel voor mijn vrijwilligerswerk gedaan. Het is geen griep, wel flink balen.

Deze melancholie zou voedingsbodem kunnen zijn voor zowel een manie als een depressie. Een manie ontstaat uit het onbewust op alle mogelijke manieren proberen het ontstane gat te dichten, keihard werken. Er moet gehoor worden gegeven aan het verlangen naar iets groots. Of ervoor weglopen, rennen. De andere zijde is lethargie, je totaal overgeven aan het onhaalbare en de zinloosheid, in het verdriet blijven hangen en geen manier zien om het licht ruimte te geven. Volgens deze zienswijze zouden verlangen en verdriet aan de basis staan van beide uitersten. Het is een gedachte, ik heb slechts mijn eigen ervaring.

De duik van deze week was dus al een tijdje in de maak. Toch zag ik hem niet aankomen. Het is het soort blindheid waardoor je eerst je hoofd moet stoten om te weten dat je had moeten bukken. Kan gebeuren, geen man overboord. Dat is dan het voordeel van die ervaring.

Deze bescheiden episode is te koppelen aan een lagere dosering medicatie. Ik gebruik twee stemmingsstabilisatoren. De naam maakt keurig duidelijk wat die doen. Daarnaast slik ik een antipsychoticum. Dat remt wanen en hallucinaties en heeft óók een stabiliserende werking. Ondanks het innemen van deze drie dempers was ik allerminst afgevlakt. Toch zou ik, al was het alleen omdat het misschien mogelijk was, graag met minder toekunnen.

Het antipsychoticum moest eraan geloven, hoewel niet zo drastisch als deze zin suggereert. Ik had een tweejarig plan gemaakt voor het afbouwen, dit jaar in stapjes de helft en volgend jaar de rest. Twee maanden geleden nam ik voor het eerst iets minder om te zien welk effect dat zou hebben.

Dit dus. Die twee jaar afbouwen zouden er weleens drie of meer kunnen worden.

 

Aankoop

 

Ik blijf zoeken naar redenen om de aanschaf te verantwoorden, maar weet al dat ik het ding gewoon wil hebben. Na het invullen van mijn adres werd ik onderbroken en kwam ik er even niet aan toe de bestelling af te ronden. Het venster staat nog open. Een laatste knop indrukken volstaat. Ik ga een nieuw horloge kopen.

Mijn huidige horloge, dat ik al bijna mijn oude noem, werkt nog goed. Dat doet het al ruim tien jaar. Als ik me de prijs goed herinner, heeft hij me jaarlijks minder dan een tientje gekost. De band is van metaal met stukjes leer, waarvan een paar zijn losgelaten. Na meerdere keren verwisselen van de batterij door iemand anders dan de fabrikant, was de behuizing niet meer waterdicht. Dat was niet heel belangrijk, maar telde wel. Voor het zwemmen in de Plas moest ik mijn oude hartslagmeter om.

Dat beviel prima, tot een tijdschrift op de mat viel, verpakt in een plastic jasje dat ook een folder van een horlogemerk bevatte. Ik ben dan blijkbaar toch vatbaar voor de boodschap die het gelikte plaatje overbrengt en de verkoopargumenten. Als een kind keek ik ernaar, dat in november door het krantje van de Intertoys bladert en met de tong tussen de tanden omcirkelt wat het hebben wil, meer wel dan niet. En dat ben ik dan, die zich grotendeels ongevoelig waande voor reclame, die het doorzag en die zich niet liet beïnvloeden. Juist die mensen gaan het makkelijkst om, hoorde ik ze bulderen van het lachen op de afdeling marketing. Als een blad in de wind. Ineens was ik als was.

Naast die hele dure modellen stak mijn favoriet gunstig af. De eenvoud en ogenschijnlijke soliditeit van het klokje vielen precies goed. Mooie teksten deden de rest. De band is licht van gewicht, gemaakt van slijtvast titanium. Wat wil je nog meer? Een batterij bijvoorbeeld, die nooit verwisseld hoeft te worden. Minuscule lichtgevoelige cellen in de wijzerplaat laden hem op. Daar ben ík dan weer gevoelig voor. Nooit meer openschroeven met verlies van waterdichtheid. Ik was verkocht.

Het is voor mij een behoorlijke uitgave, een flink deel van mijn maandinkomen. Maar het horloge kan, afgaand op de folder, zeker twintig jaar mee. Het is maar de vraag of ik zelf zo lang meega. Die prijs blijft toch een goede aanleiding om er een paar dagen over na te denken, maar natuurlijk niet zo lang dat de begeerte kans krijgt helemaal weg te zakken.

Per mail informeerde ik nog bij de webwinkel of ik de band zelf kon inkorten. Dit zou een drempel kunnen zijn. Ze maakten het me te makkelijk. Per ommegaande kreeg ik een link naar een video met duidelijke uitleg hoe te handelen. Het benodigde apparaatje zou meegestuurd worden.

Ondanks de paar nachten slapen blijft het een impulsaankoop. De beslissing is buiten mijn wil om genomen. Het indrukken van die laatste knop is een formaliteit. Maar snel doen dan. Ik ben na ontvangst vast een paar dagen als een kind zo blij.

 

Gezicht

 

Ik was na het zwemmen langs de supermarkt gegaan. Meestal hou ik wel zo’n beetje in de gaten wat er aan mensen rondloopt in een winkel. Het is een manier om mijn weg tussen de schappen te bepalen. Het was vrij rustig deze middag. Ik had als laatste een paprika in mijn mandje gelegd en was op weg naar de kassa. In het brede pad tussen links de vleeswaren en rechts het varkensvlees, het was niet anders, keek ik ineens een vrouw aan, die ik daarvoor niet had gezien.

Ze had een jong gezicht omlijst door lange grijze krullen. Onze blikken bleven een moment aan elkaar gehaakt. Daarna draaide ik weg. Ik weet dus niet wat zij toen deed. Ik kan verder geen uiterlijke kenmerken herinneren, behalve dat ze heel vriendelijk keek. Dat was niet vriendelijk met de bedoeling vriendelijk te zijn, alleen maar vriendelijkheid, uit een onpeilbare diepte. Ze lachte of glimlachte niet, en toch bezat ze de ontspanning van een lach.

Je zou het open kunnen noemen. Of uitnodigend. Een warme uitstraling. Allemaal woorden. In ieder geval was ik de volgende stappen richting kassa licht van de wijs door deze ultrakorte ontmoeting. Ik kreeg de indruk dat ze meteen alles had gezien wat er bij mij werkelijk toe deed. Ze was misschien ook aantrekkelijk en knap. Ik wilde echter niet haar hebben, ik wilde hebben wat zij had.

Tijdens het afrekenen keek ik om me heen naar andere mensen om te zien of het aan mij lag, of ik tijdelijk vanwege het een of ander een roze bril droeg. Alle anderen kwamen flets op me over.

Buiten overwoog ik te wachten op de vrouw en haar aan te spreken. En dan wat? Dat heb ik niet gedaan. Het kon de betovering van daarvoor alleen maar verpesten.

Zonder dat ik het terug kon halen, is haar gezicht me de rest van de middag bijgebleven. Eigenlijk vooral wat het met me deed heb ik onthouden. Dit komt maar zelden voor. Het gaat hier niet over op slag verliefd zijn. Ik haast me te zeggen dat ik niet veel gelukkiger kan zijn dan nu met Melanie. Ik weet niet zo goed wat het wel is. Het heeft, denk ik, iets te maken met het herkennen van mezelf in de ander, of andersom. De wens ook zo te zijn kwam sterk naar voren. Warmte in overvloed met gepaste reserve gebracht, zonder daar moeite voor te hoeven doen.

Van de andere kant weet ik uiteraard niet wat zij in die korte tijdspanne zag. Ik keek snel weg, uit angst te verdrinken, uit angst ongepast lang te kijken. Dat is misschien wat ze zag, een bange man. Zou goed kunnen. Of maak ik dat er nu zelf van? In mijn eigen ogen ben ik nog steeds op veel vlakken terughoudend vanwege angst. Het lukt me minder goed dan ik zou willen om met overgave naar buiten te treden. Dus ja, ik ben best een bange man, maar wel eentje met een duidelijk verlangen.

 

Kleine

 

‘Ik ben al aan het schrijven,’ zeg ik tegen Meck, mijn jongste, die naast me fietst.

‘In je hoofd?’ vraagt hij.

Ik heb hem ter geruststelling een keer gezegd dat ook ik soms niet kan stoppen met denken.

‘Waar denk je dan aan?’

‘Dan denk ik aan wat ik zal schrijven,’ antwoordde ik slechts, om het voor hem overzichtelijk te houden. Het zou plezierig zijn als dat echt het enige was.

We zijn met de trein naar Amsterdam geweest, waar zijn beste vriend in het ziekenhuis ligt. Er gaat op zondag niets rechtstreeks van Holendrecht naar Zuilen. Op Breukelen hadden we tien minuten overstaptijd. Bij het naderen van dat station zag ik de vervallen loods weer, die me eerder ook al was opgevallen. We stapten uit.

‘Waar ga je naartoe, pap?’

‘Even daar kijken. We hebben nog wat tijd.’

Het perron reikte ver genoeg. We konden het verval van dichterbij aanschouwen. De driehoek van een luifel die boven de entree moest hebben gehangen, versperde die nu. De schuin op het dak geplaatste ramen waren meer gat dan glas. Sommige roldeuren waren grotendeels weg. We keken zo naar binnen. Daar groeiden struiken door scheuren in de betonnen vloer. In een eerder stadium van de teloorgang hadden ze graffiti gespoten waar maar kon. Ook die was overwoekerd.

Ik wilde er weleens binnen rondlopen en de macht van de natuur voelen, het verval en de groei aanraken en ruiken. Vanwege de rails en een hek was het onbereikbaar. We zouden om moeten lopen en waarschijnlijk over andere hekken moeten klimmen. We behoren niet tot een geslacht van hekkenklimmers.

Ik vroeg me af hoe lang dit nog zo zou staan? Het was een prima locatie voor een distributiecentrum. Dat was het misschien ooit ook. Mensen brachten er dagen door op een vorkheftruck of met een klembord in de linkerhand en een balpen rechts. Je kon dat nog zien.

We stonden er te ver vandaan om een goede foto te maken, zeker met de telefoon. Ik deed het toch.

‘Ga je er een blog over maken?’ vroeg Meck daarop. Het was nog niet in me opgekomen. Ik zei: ‘Misschien.’

Weer in de trein vroeg ik die kleine, van inmiddels twaalf, wat ik erover zou kunnen schrijven. Na even denken noemde hij feilloos de invalshoeken en mogelijke onderwerpen op, die ik zelf ook zou nagaan. Vanaf de vraag waarom ik er graag binnen zou rondlopen, en welk gevoel ik erbij had, tot wat er gaat gebeuren met de loods, plus hoe het ooit was, en uiteindelijk het idee om te noemen dat we op ziekenbezoek waren geweest.

Hij leest mijn blogs niet. Ik heb er precies drie voorgelezen, waarin hij of zijn broer voorkomen. Op basis daarvan doorziet hij mijn werkwijze en kan hij als het ware naast me komen zitten om het verhaal te dicteren. Ik kan wel inpakken. Mijn kind kan de was doen.

Natuurlijk zie ik hem graag de pen oppakken. Hoeft hij aan niets anders te denken dan aan wat hij zal schrijven.

 

 

Fictie

 

Dit is blog nummer vijftig. Als ik schrijf, schrijf ik ook voor jou. Ja jij, daar achter het scherm van je laptop, desktop of telefoon. Het is rap zo gegroeid dat ik geen dagboekaantekening meer maak zonder dat die potentieel materiaal is voor een blog. Ook nu. Je kijkt steeds over mijn schouder mee.

Dat is geen probleem. Alleen moet er wel genoeg gebeuren om aantrekkelijke verhalen te blijven presenteren. Het is soms zoeken naar belevenissen en invalshoeken. Mijn leven is niet arm, maar het levert toch niet voortdurend zomaar geschikte stof. Vandaar dat ik nu overweeg om over te stappen op fictie.

Er ligt nog een verzonnen verhaal dat half af is. Daar kan ik best wat over loslaten. Het gaat over een vertaler die in het huis van zijn net overleden moeder trekt en iets ontdekt. Dat is wel genoeg. Misschien moet ik me ertoe zetten het af te ronden, zodat ik daarna verder kan met iets nieuws. Misschien kan ik beter meteen met iets nieuws beginnen. Ik kan me ook blijven concentreren op het bloggen. Het is het een of het ander. Ik heb maar zoveel inspiratie, creatieve energie en tijd beschikbaar.

Je merkt, lezer, dat ik hardop denk. Hardop denken moet een mens soms durven. Daar komen de mooiste uitingen van, waarbij niet gezegd is dat deze daartoe behoort.

Een fictief verhaal vergt veel ambachtelijk werk en daarna is het maar afwachten of het ergens een plek vindt, of iemand het leest. Ik ben ongeduldig en niet zuinig, gul dus. Daar sluit beter bij aan om wekelijks iets online te zetten. Het voordeel van fictie daarentegen is de mogelijkheid er meer in kwijt te kunnen dan alleen de dingen die ik zoal tegenkom. Dat is nu de beperking die ik mezelf opleg. Er zal later vast blijken dat er een hele goede reden voor was.

En zo niet, dan toch.

De realiteit, die ik door te schrijven alsnog een beetje maak, levert vaak krachtige beelden. Vind ik zelf. Die beelden verzin ik niet, ze sluipen erin. Soms zie ik ze met verbazing onder mijn vingers ontstaan. Het komt ook voor dat ik denk dat het gewoon mooi is en dat ik pas bij teruglezen na enkele weken een onvermoede diepte zie.

Er kleeft een enkel nadeel aan deze werkwijze. Ik ben al niet zo’n prater en nu heb ik nog minder te vertellen. Het belangrijkste is al geschreven. Ik voel er niet voor het te herhalen. Soms loopt een gesprek dood, omdat ik moet zeggen dat er over het onderwerp al een blog is.

Toch maar door op de ingeslagen weg, denk ik hardop verder. Ieder verhaal is een piketpaaltje dat stevig de grond in gaat voor terreinwinst op de vergetelheid. Zo krijgt de werkelijkheid wortels. Op deze manier geef ik graag ruimte aan de verbeelding. Fantasie laat ik voorlopig aan anderen. Ieder moment is geschikt om te beginnen met fictie. In feite deed ik het al. In het echt is dit namelijk blog nummer achtenveertig.

 

Deur

 

In mijn herinnering was er één deur. Zwaar hout, goed in de lak, op slot. In de vroege ochtend had ik er een tijdje tegenaan gezeten, wachtend tot hij open zou gaan. Erachter woonden vast en zeker enkele geestelijken, monniken, die me toegang tot het gebouw zouden verschaffen, die mijn nood zouden lenigen.

Het was begin maart. Het jaartal ben ik kwijt. Iets had me doen besluiten in een rechte lijn naar Jeruzalem te lopen om daar vrede te brengen. Bij de toegang van een weiland liet ik mijn schoenen achter. Ik liep door een sloot. Mijn groene sweater met capuchon was nat tot aan mijn middenrif. Eronder droeg ik een leren broek. Kort na het koude bad bedacht ik net zo goed hier te kunnen blijven om mijn goede werk te verrichten. In Utrecht was genoeg te doen.

Op de weg terug belandde ik in De Meern. Toen ik tegen die deur ging zitten, was er nauwelijks verkeer. Ik dook weg voor de koplampen van een enkele passerende auto.

Vanuit een boom zong een merel, steeds een stukje en dan kennelijk wachtend op antwoord. In mijn oren waren het signalen naar de stad: ‘Hij zit bij mij hoor, hij komt eraan.’

De deur bleef dicht. Ik hoorde geluiden vanbinnen, maar het was blijkbaar nog te vroeg. Het wachten duurde me te lang en ik ging op pad, blootsvoets richting stad.

Deze week was ik onverwachts terug op de plek. De Meern is intussen ingelijfd door Utrecht en maakt onderdeel uit van Leidsche Rijn. Ik had de taak om bij de buurtteams flyers te bezorgen. Die bevatten informatie over de cursus digitaal herstelverhaal van Steunpunt GGZ, waar ik vrijwilliger ben en deelnemers begeleid bij het schrijfproces. Het is niet direct vrede brengen, maar toch goed werk. Ik geef het toe.

Het aardige is dat ik niet van tevoren van plan was om er een kijkje te nemen. Ik zoemde op de e-bike naar het relatief nieuwe gedeelte van de stad, mij grotendeels onbekend. De telefoon wees de weg. Toen ik over de Zandweg fietste, wist ik vrij goed waar ik me bevond. Toch verraste het me om ineens oog in oog te staan met het kerkje. Zo groot was het niet.

Op zoek naar die deur, waar ik haveloos tegenaan gezeten moet hebben, bleken er twee deuren te zijn, vrijwel identiek. De rechter, concludeerde ik al snel, moest de mijne zijn geweest. Dat wist ik vrij zeker. Zo sentimenteel raakte ik op dat moment ook weer niet, dat ik de deur per se aan wilde raken. Ik stond even stil en nam de omgeving in me op. Ik kon niet uitmaken of de enige boom die er nog stond, de boom was waarin die merel had gezongen.

Thuis zocht ik wat op. De website van de Marekerk toont een tekening met voorgenomen bouwplannen. Aan de zijgevel komt een soort kas. De deur wordt onbereikbaar, tenzij je de kerk binnengaat. Misschien binnenkort toch nog eens op de fiets erheen en de lak aaien.

 

Alright

 

Ik stuitte via enkele kronkels op het woord alright. De oorspronkelijke schrijfwijze daarvan is all right. Beide mogen worden gebruikt, maar voor formele doeleinden raadt men (Oxford Dictionaries) de laatste aan. Dus: it’s all right. Daar kan ik wel wat mee.

Snel uitgesproken zal het in een gesprekje toch zijn: ‘How are you doin’?’ ‘Alright, man.’ Dat is oké. Ik bedoel niet dat ik er iets over te zeggen heb of dat gebruik van het woord goed te keuren is. Ik durf wel te zeggen dat alright in dit geval oké is.

Als je er twee woorden van maakt en ze een beetje uit elkaar trekt, ontstaat er een veel bredere betekenis. It’s all right. Het is allemaal goed. Ik druk het mezelf of mijn dierbaren weleens op het hart. Het is allemaal goed, ook de twijfels en de tegenvallers, verdriet, ziekte en verval. Dat geweld en onrecht er ook bij horen, is moeilijker te begrijpen, ze doen het wel. Het komt beter over als je de woorden zou horen: It is all (korte pauze met inademing)… right.

Voor de lol plak ik er nog een woordje achter: it’s all right now. Deze simpele zin is op twee manieren te interpreteren.

De eerste is de meest voor de hand liggende. Letterlijk vertaald krijg je: het is nu allemaal goed. Bijvoorbeeld: ik heb een berg bagger achter de rug, ik heb mijn portie gehad, ik heb het overleefd en uiteindelijk is het goed gekomen. Dat is vet gaaf, om maar zo te zeggen. Met een kleine draai kun je er ook van maken: ik heb bagger achter de rug en ervaar nog steeds bagger, maar het maakt niet uit, het is goed nu. Dat is nog veel vetter en gaver. Zo ver ben ik nog niet. Ik heb niet de indruk van mezelf dat ik het al écht zo kan zien. Later misschien.

Voor de tweede interpretatie ga ik schuiven met een betekenis. Right is niet langer goed of oké. Het verandert in juist of precies. It’s all right now kunnen we dan opvatten als: het is allemaal precies nu. Juist op dit moment dus. Ieder moment draagt alles in zich. Van het kleinst denkbare deeltje, en waarschijnlijk nog kleiner, tot de buitenste regionen van het heelal. Van mijn eigen leven tot de hele variëteit in het dieren- en plantenrijk. Van de letters op dit scherm tot alle verhalen die ooit verteld en geschreven zijn. Alles is precies nu. Het is er. En alles is aan verandering onderhevig. Ieder moment is alles anders.

Alles zou ook met elkaar verbonden zijn, niet alleen wat er nu is, maar ook wat er eerder was om de huidige staat te bereiken, en alles wat nog komt. Niets bestaat zonder al het andere. Dat is nogal moeilijk te bevatten. Ik kan het nog niet. Voorlopig vermoed ik dat het zo is.

Hoe je het ook bekijkt: it’s all right now. Dat hebben Jagger en Richards goed gezien toen ze Jumpin’ Jack Flash schreven.

 

YouTube: The Rolling Stones – Jumpin’ Jack Flash (met lyrics)

 

Manager

 

Onze jongste had een eerste repetitie gehad samen met een pianiste. Ze gaan een optreden verzorgen tijdens een evenement in TivoliVredenburg. De muziekdocent heeft een paar keer benadrukt dat hij een getalenteerd trompettist is. Ze heeft al eens een jeugdorkest aangeraden, wat helaas niet in zijn straatje bleek te passen. Voor de halfjaarlijkse voorspeelavonden zoekt ze voor hem uitdagende stukken uit. Nu heeft ze dit geregeld. Ik ben al trots zonder dat hij een noot gespeeld heeft.

Aansluitend aten we in de stad. Het was de avond voor Koningsdag. We kwamen er niet onderuit om na het diner even over de vrijmarkt te lopen. Bij de eerste stappen langs de kleedjes met rommel opperde ik dat Meck wel wat kon spelen. Dat vond hij op zich leuk, maar hij had nauwelijks bladmuziek bij zich en geen muziekstandaard. Morgen dan, was al snel het plan.

Ter voorbereiding kocht ik bij een kraampje een hoed voor hem met de nationale driekleur omgeven door feloranje. Ik had afgedongen, twee derde van de vraagprijs betaald, en toch het gevoel bekocht te zijn. We zouden het mogelijk terugverdienen.

Op de grote dag, die het inmiddels genoemd kan worden, fietsten we met alle benodigdheden richting de stad: muziek, trompet, standaard, knijpers, hoed, eten en drinken, en een pet voor de muntjes. Ik drukte die kleine wel op het hart dat hij er niet te veel van moest verwachten: ‘Hou vooral in gedachten dat het leuk is om te spelen. Mensen waarderen het wel, ook als ze geen geld geven.’

Op een nauwkeurig geselecteerde plek blies hij eerst wat zenuwen van zich af. Ik zag en hoorde het vanaf de overkant van de straat, onopvallend opgesteld. Het spelen ging niet vlekkeloos, maar goed genoeg voor de omstandigheden. Van ver moet het geluid te horen zijn geweest. Het eerste kleingeld tinkelde in de pet. Beginnersgeluk, dacht ik op dat moment.

Maar ook op de tweede en derde locatie bleven de mensen geven. Vooral het Wilhelmus, talloze keren gespeeld, leverde veel op. Het was eigenlijk jammer dat hij steeds tijd kwijt was met het verwisselen van de muziek. Hij koos ervoor alle stukken maar een keer tegelijk te spelen. Bovendien lieten later op de dag zijn lippen het afweten. Ze weigerden nog langer correct spel mogelijk te maken. Ik kon maar net inslikken dat het niet uitmaakte hoe het klonk, als hij maar speelde. Rond twee uur gaf mijn artiest aan het echt wel te hebben gezien.

Op de fiets terug maakten we ieder een wilde gok hoeveel de opbrengst zou zijn. We zaten allebei op minder dan de helft, bleek later bij het tellen. Het kwam uit op grofweg 90 (negentig!) euro, een fortuin voor een jongen van elf. Het is iets minder dan wat hij in een jaar aan zakgeld krijgt. Ik dacht er vooral aan dat het, als we het iets anders hadden aangepakt, net zo goed 250 had kunnen zijn. De voormalige manager van Avicii is een lieverdje vergeleken met mij, de vader van Amy Winehouse een heilige.