Donderdag

 

Het is donderdag en ik heb nog niks. Ondanks dat de kinderen vakantie vieren, heb ik voldoende tijd gehad. Maar ik schrijf langzaam. De materie moet eerst in de marinade, ook als het over ogenschijnlijk simpele onderwerpen gaat.

Het is een ambachtelijke aanpak die het voor mij doet. Ik begin op papier. Daarna komt er een eerste versie digitaal. Die moet minimaal een keer in zijn geheel overgetypt. Als dat gedaan is, volgt het mierenneuken; de precieze plek van alle woorden, komma’s, het nagaan van termen die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, nog een keer ergens de volgorde veranderen, toch een ander woord daar.

Als het goed genoeg is, en ik er nog opwinding aan beleef, lees ik het voor aan Melanie. Die geeft haar fiat of keurt het af. We hebben het erover. Dat heet volgens mij eindredactie.

Ik ben heel tevreden over deze werkwijze. Het behoedt me voor overhaast publiceren en soms ook voor het plaatsen van ongepaste teksten. Ja, lezer, die mis je dus.

Mijn positie was de afgelopen maanden riant. Bij het plaatsen van een blog lag er altijd eentje klaar voor de volgende week. Dat was afgelopen vrijdag niet zo. Geen idee waardoor de vertraging was ontstaan, maar geen probleem, er was nog tijd.

Dezelfde dag kwam er een schets uit mijn handen voor een column, een column-column met een mening, over de hysterie rond de dood en verdwijning van Anne Faber. Ik moest die uitwerken voor ik verder kon met iets anders. Best goed geschreven, al zeg ik het zelf. Hij zou niet misstaan in een krant. Tussen deze blogs wel. Bij plaatsing zouden we bovendien een week verder zijn en hoefde de kwestie niet opnieuw opgerakeld. Daar ageerde de tekst juist tegen. Mijn redacteur was het ermee eens.

Bij een nieuwe poging op maandagochtend ontstond er geen blog maar een dialoog. Twee mannen spreken elkaar op een niet nader genoemde plek. De eerste vraagt hoeveel contact de ander nog heeft met diens ex. Daarna ontspint zich een gesprekje waarin de tweede man ingepeperd krijgt dat hij nog steeds onder de knoet zit. Aan het einde blijkt… om het kort te houden: het is best grappig, al zeg ik het zelf, maar niet geschikt voor hier. Ik kon niet anders dan meegaan in dat oordeel van de eenkoppige commissie.

De derde tekst van de week vond ze wel geschikt, net aan. Dat verhaal gaat over een winterzwemster waarvan de vraag is of ze winterzwemster is. Die dompelt alleen maar. De mannen, waaronder ik, doen daar minachtend over, wellicht ten onrechte. Dit kwam dus met de hakken over de sloot in aanmerking. Ik vond het bij nader inzien zelf niet goed genoeg. De opwinding ontbrak.

Genoeg gewerkt, nog steeds lege handen. Ik word zenuwachtig. Ik heb zelf gezegd wekelijks iets te plaatsen. Daar moet ik me aan houden, vind ik. Getuige bovenstaande inspanningen heb ik geen vakantie gehad. Zonde om deze plek op de site dan leeg te laten. Er moet iets gebeuren. En snel.

 

Egel

 

Onze jongste heet Meck. Die naam komt niet veel voor in Nederland. In de afgelopen tien jaar zijn er tien jongens zo genoemd. Een betekenis van de naam is niet te vinden. Laten we er daarom van uitgaan dat die er niet is. Er zit wel een verhaal aan vast, een sprookje beter gezegd.

In de zomer verbleef Melanie met een vriendin en de kinderen enkele dagen in een vakantiehuisje in Maarn. Op zoek naar de kortste weg naar het zwemmeer pakte ze er een fietskaart bij. Haar oog viel op het gestileerde zwarte tentje van camping Meck. Praktisch om de hoek.

Het is verre van toevallig dat onze jongen van elf ook zo heet. Een jaar voor zijn geboorte fietsten we met zijn broer in de omgeving van Utrecht. We belandden op een camping in Maarsbergen. De campinghouder had zijn nering zijn eigen voornaam gegeven. Het was een sympathieke man en de naam stond ons aan. We noteerden die ergens of hielden hem in ons achterhoofd, voor het geval er een tweede kind zou komen. Aldus geschiedde.

We wilden nog een geboortekaartje sturen, maar zoals dat gaat, is het daar niet van gekomen.

Begrijpelijk dat het de man niet onbewogen liet, toen deze zomer uit het niets een naar hem vernoemd jongetje op de stoep stond. Hij ontving Meck en Melanie hartelijk en verontschuldigde zich dat hij niet zijn beste kleding aanhad voor de foto.

Het bij die ontmoeting toegezegde T-shirt, met naam uiteraard, bracht hij op een zondag in september zelf langs. Bij een kop koffie vertelde hij eigenlijk Marius te heten. Vanwege zijn haardracht waren zijn klasgenoten op de technische school hem Meck gaan noemen. Zijn korte haar zou hebben geleken op dat van een stripfiguur uit een tijdschrift, hij wist niet zeker welk. Steeds meer mensen gingen hem zo noemen. ‘Spreek ik met Meck?’ vroegen ze aan de telefoon. Voor het gemak nam hij uiteindelijk ook maar op met die naam.

Hij wist echter niet hoe hem te schrijven. Het kon Mac zijn. Met een e en ck vond hij mooier. Zijn keus. Konden wij mee leven.

De vraag in welk tijdschrift de strip had gestaan, liet hem na die zondag blijkbaar niet los. Een paar weken later ontving Melanie een appje met een foto van een Panorama uit 1963. Had hij online opgeduikeld en aangeschaft.

De strip achterop heet Mecki in het land der Snurkjes. En Mecki is een egel. De stekels kun je inderdaad aanzien voor kort haar. Het karakter stamt uit een Duitse poppenserie. Die heeft weer zijn oorsprong in een sprookje van de gebroeders Grimm uit 1843, Der Hase und der Igel. De egel weet door een list keer op keer een hardloopwedstrijd te winnen van de haas, die na de vierenzeventigste keer dood neervalt.

Laat ik dit sprookje, in een bewerking van Jacques Vriens, nou zo vaak voor het slapengaan hebben voorgelezen, niet wetende dat een van de jochies naast me zijn naam aan die slimme egel te danken had.

 

Ongesneden

 

Een paar jaar terug moest je op zaterdagochtend nog buiten aansluiten. Wringend deed ik een stap in de winkel, reikend naar het nummertjesapparaat, soms om er daarna op attent gemaakt te worden dat het display niet werkte. In dat geval kwam er enige communicatie aan te pas: ‘Was u de laatste?’ ‘Nee hoor, die mevrouw is voor u en nu bent u de laatste. Haha.’ Glimlachen maar.

Er konden ook misverstanden ontstaan.

‘Pardon, meneer.’

‘O, ik dacht dat ik voor u was.’

‘Nee hoor, ik was eerder binnen, misschien had u mij niet gezien.’

‘O.’

‘Maar gaat u maar hoor.’

‘Nee nee, ieder op zijn beurt.’

‘Nee, gaat u maar.’

‘Zeker weten?’

‘Zeker, toe maar.’

Zoiets maak je er niet meer mee. Vijf dames stonden destijds achter de toonbank. Nu kunnen ze het makkelijk met z’n tweeën af.

Het brood is hetzelfde gebleven. Het banket ook. De gevulde koeken behoren tot de beste van het land. Ik nam ze een keer mee naar mijn oma, die weduwe is van een banketbakker, en zij was erg onder de indruk. Dat zegt genoeg. Naast mijn eigen smaak natuurlijk. En die van Melanie.

Ons bakkertje is de beste. Daarbij, we houden niet van supermarktbrood. De kinderen wel, maar die weten nog niet waar ze van moeten houden. Ik haal meestal volkoren, per twee of drie tegelijk, ongesneden. Dat is belangrijk, niet van die magere sneetjes. Die hebben de kinderen weliswaar liever, maar die weten nog niet waar hun voorkeur naar uit moet gaan. Ik doe de boodschappen, dus ik beslis.

Het is alleen de vraag hoe lang ik nog de keus heb. De nieuwe sluitingstijd van de winkel is een veeg teken. Voorheen was die tot vier uur ’s middags open. In de zomerweken werd dat, bij gebrek aan klandizie, vervroegd naar één uur. Twee jaar terug bleef dat ook in het najaar zo, en in de winter en in het voorjaar. Blijkbaar was het hard nodig om in de personeelskosten te snijden.

Het valt inderdaad ook doordeweeks op dat er steeds minder klanten zijn in de bakkerswinkel. Het zal niet makkelijk zijn het hoofd boven water te houden met het kwade daglicht waar brood tegenwoordig in staat. Daarnaast snoepen de nieuwe Turkse bakker en de nieuwe Marokkaanse bakker in het kleine winkelcentrum ongetwijfeld wat af van de oude Nederlandse bakker. En er zijn vast nog andere factoren, waar ik geen zicht op heb.

Enige hoop is gevestigd op de fonkelnieuwe supermarkt die onlangs zijn deuren opende. Mogelijk heeft die een aanzuigende werking waar de andere winkeliers van kunnen profiteren. Ik ben er gaan kijken en schrok van de achterwand. Die bestaat voor twee derde uit transparante bakken met een uitgebreid assortiment broodjes, voor ieder wat wils. Dit zou weleens de nekslag voor het bakkertje kunnen zijn. Het deed pijn in mijn buik.

Ik blijf op het beste hopen, maar vrees tegelijk dat ik binnenkort echt de laatste zal zijn, de laatste klant. En dat onze kinderen hun zin krijgen.

 

Bushalte

 

Op een middag begin januari werd op de Tigrisdreef een vrouw aangereden door een auto. Kort daarna kwam ik langs, terug van de Plas, en zag haar liggen. Vijf meter verderop een schoenlaarsje. Nog iets verder een kleine, rode auto. Meestal onthoud ik model en merk. Een jongeman, kennelijk de bestuurder, liep met een telefoon aan zijn oor. Vier omstanders begonnen zich te bekommeren om de vrouw, wiens leeftijd later in de krant stond. Voor mij leek er op dat moment niets nuttigs toe te voegen, dus fietste ik door.

Om de hoek bedacht ik nog dat ik mijn grote winterjas als een deken over haar heen had kunnen leggen. Het was koud. Daarom had ik die jas na het zwemmen ook hard nodig. En wanneer krijg ik hem terug? Wat zit er allemaal van waarde in de zakken? Wordt hij vies? Ik merkte dat er veel gedachten door mijn hoofd gingen die er niet toe deden. Ik was al thuis.

Toen ik een kwartier later naar school liep, was de weg afgezet. Een traumahelikopter landde op het naastgelegen grasveld. Langs de afzetting hadden zich plukjes mensen verzameld. De vrouw lag nog op het asfalt. Verpleegkundigen of artsen waren druk bezig iets te doen. De afstand was te groot om te zien wat.

Mijn oudste bleek al via een andere route naar huis te zijn gelopen. Met de jongste ging ik langs de rood-witte linten. Hij besteedde precies zoveel aandacht aan het schouwspel als ik had willen doen: geen. Ik bleef toch nog even staan. Er gingen geruchten dat het om een zeventienjarig meisje zou gaan. Sommigen wisten zelfs al meer feitjes over de achtergrond van het slachtoffer. Het duurde lang voor ze met de helikopter naar het ziekenhuis kon. Ik heb er niet op gewacht.

Acht maanden later komt het tafereel opnieuw tot leven.

De weg is nu afgezet over een lengte van zo’n vijfhonderd meter. Bij de bushalte staat een gelede stadsbus. Het rode autootje is ter plekke. Er zijn camera’s en meetapparatuur aan bevestigd en de kentekenplaten zijn afgeplakt. Er zitten twee stevige agenten ingepropt. Ze rijden meerdere keren met verschillende snelheden langs de stilstaande bus.

Dit is precies de situatie waar ik de kinderen vaak voor gewaarschuwd heb: ‘Altijd wachten tot de bus weg is bij de halte, zodat je kunt zien of er iets aankomt.’ Ik blijf er zelf ook alert op.

De kwestie van onderzoek voor de politie is waarschijnlijk of de automobilist de maximumsnelheid heeft overschreden. Het autootje rijdt nogmaals hard over de weg, die angstvallig vrijgehouden wordt van ander verkeer. Het komt vandaag niet in botsing.

Het is eind september en een stuk warmer dan in januari, niet dat het een klap minder erg zou maken. Je ziet het nog gebeuren: het machtige lichaam van die bus, de snelheid van de auto, een onbewaakt ogenblik, een afleidende gedachte misschien of een beetje haast. Ze kwam achter de bus vandaan, hij kon haar niet ontwijken.

Ze heeft het ongeluk niet overleefd. Achtentwintig was ze.

 

Veld

 

Aan het eind van de zomer ruikt het water een beetje groen. Het heeft een hele winter voor zich om op te frissen. Dan behoort deze plek weer tot de winterzwemmers, hoewel we maar een hoekje nodig hebben. Een muur van opgestapelde boomstammen zorgt voor wat beschutting tegen de wind. Het blad van een overhangende meidoorn beschermt tegen regen, voor zolang het duurt. Het veld zal zo’n twintig bij dertig meter zijn, omzoomd door bomen. De lange zijde aan de zuidkant grenst aan het water. Vanaf de houten beschoeiing loopt de zandbodem tussen brede rietkragen geleidelijk naar beneden. Voorbij het riet begint de diepte.

‘Ga je het weer proberen?’ vroeg iemand begin september. ‘Proberen? Doen!’ was mijn naar overmoed hellende antwoord. De door mij getoonde stelligheid was niet op zijn plaats. Een bescheidener houding past het tegemoet treden van het koude water. Het is nog maar afwachten of het zwemmen dit najaar net zo voorspoedig gaat als het vorige. Laat ik het inderdaad proberen. Ik ga proberen weer vier tot vijf keer per week bij de Plas te zijn voor een duik. Hoe vaker ik ga, heb ik gemerkt, des te makkelijker het is.

De groep is veel kleiner dan die geweest is. Hij bestond ooit uit twintig mensen en nu zijn we met vier. Ik haal de gemiddelde leeftijd omlaag. Kees wordt, bij leven en welzijn, volgend jaar negentig. Vergeleken met hem zijn Willem en Frans nog jong.

We hebben geen appgroep. Het is elke dag afwachten wie er ’s middags rond de vaste tijd aanwezig is. Meestal is er wel iemand. We wisselen elkaar af met zwemmen, zodat degene op de kant een oogje in het zeil kan houden bij de kleding. We bespreken de weersomstandigheden en de watertemperatuur. Ik denk dat we wel steun hebben aan elkaar.

Het komt voor dat ik in mijn eentje ben. Op zich niet erg voor een keer. Het nadeel is dat ik mijn spullen niet onbeheerd achter kan laten, of niet wil. Ver zwemmen zit er dan niet in. Ik pendel heen en weer met het veld continu in een ooghoek. De kans op een kwaadwillende passant is klein. Mocht toch iemand mijn kleren wegnemen, dan heb ik een probleem. Behalve mijn huid heb ik niets. Echt niets.

Het veld is bestemd voor naaktrecreatie. In de jaren zeventig heeft een groep liefhebbers het op onofficiële wijze zich toegeëigend. Waarvoor dank. Later heeft de beheerder een bordje geplaatst, dat nu volledig verroest is en waarvan de tekst al decennia niet meer valt te lezen. Geeft niet, bijna iedereen weet het. En zo niet, dan komt die persoon er wel achter, als die hartje winter nietsvermoedend de hond uitlaat, op doortocht langs het veld komt en daar een figuur met rood uitgeslagen huid de wal op ziet stappen, terwijl in een beschutte hoek een paar anderen goed ingepakt met de armen staan te zwaaien en al springend proberen op temperatuur te komen. Heb je dat beeld? Daar ben ik graag weer onderdeel van.

 

Naam

 

Bij een filiaal van koffieketen Starbucks bestelde ik eens een koffie. Uit de meewarige blik van het meisje achter de toonbank maakte ik op dat mijn keuze uitzonderlijk was. De koffie was ook net op. ‘Heeft u drie minuutjes?’ Die had ik op zich wel, maar de drukte in de zaak verdroeg ik slecht, dus zei ik van niet. Daarop bood de medewerkster me als alternatief een americano aan. ‘Doe die dan maar, in de kleinste beker graag.’ Tall had die als benaming. Het bleek te gaan om espressootjes en water tanken tot het karton vol zat. Dat was zo gepiept. Ik kon meteen afrekenen en mijn beker meenemen. Mijn naam hoefde er niet op, bij de meeste anderen wel. Zij bestelden gangbaarder maar bewerkelijker koffievarianten. Medewerkers vroegen om hun naam en stiftten die op de beker. Op die manier konden de handelingen over het personeel verdeeld worden zonder dat de dranken zoekraakten. Het roepen van de klanten leverde de sfeer op van een schoolklas.

Dat alles heeft op het eerste gezicht niets te maken met het rapen van zwerfvuil. De route van huis naar de Plas hou ik zo goed mogelijk schoon. Het is een stuk van drie en een halve kilometer, grotendeels door landelijk gebied. Aan het begin van de zomer vulde ik drie boodschappentassen. Sindsdien is de oogst ongeveer een halve tas per week, voornamelijk met de gebruikelijke verdachten: blikjes, flesjes en sigarettenpakjes. Ik pak ze op met blote handen; goed wassen bij thuiskomst. Tissues en andere doekjes laat ik liggen.

Een enkele keer raak ik in gesprek met iemand die me bezig ziet. De loftuitingen zijn dan niet van de lucht. Daarnaast valt de boosheid op. Dat het een schande is dat er zoveel op straat wordt gegooid. Dat je het in hun eigen voortuin zou moeten dumpen. Dat ze smeriger zijn dan honden, bezwoer een vrouw me ook. Als raper ken ik die woede nauwelijks. Het werk resulteert in mildheid. Toen ik bij toeval eens een collega-raapster tegenkwam, konden we hartelijk lachen om onze buit.

Ik ben eerder nieuwsgierig dan boos, nieuwsgierig naar wie zijn omgeving zo achterlaat. Veel aanknopingspunten zijn er niet. Patronen zijn nauwelijks te herkennen.

Een enkele keer kom ik iets meer te weten. Zo zuigt iemand in het Noorderpark op Anta Flu eucalyptus en laat de groene snoepwikkeltjes door zijn of haar vingers op het pad glippen. Zeker al maanden, waarschijnlijk langer. Mocht ik het een keer zien gebeuren, dan zou ik in stilte bukken, het plastic oprapen en het in mijn broekzak stoppen.

Wie ben ik om er iets van te zeggen?

Dat ik ervoor kies het afval op te ruimen, geeft me nog niet de autoriteit om de vervuiler aan te spreken op zijn gedrag. Toch grijp ik de buitenkans die zich nu voordoet graag aan. De anonimiteit van de werper is doorgaans goed gewaarborgd. Dat is net even anders bij degene die een kartonnen beker met deksel van Starbucks in de berm heeft gegooid.

Niet meer doen, hè, Daniël.

 

Slotveer

 

De deur tussen de woonkamer en de hal sloot sinds een paar maanden niet goed. Toen het mankement zich net voordeed, heb ik geprobeerd om het loopslot, zoals de juiste benaming blijkt, eruit te halen. Het kleinste beetje weerstand van het materiaal was genoeg om mijn actie te staken. Schroeven er weer in en voorlopig zo laten.

De klink hing slap in zijn schild. Het was de schoot, weet ik inmiddels, die daardoor niet ver genoeg in de sluitplaat stak. Mijn vocabulaire is met een paar mooie woorden uitgebreid. Er bestaat een dagschoot, en soms daaronder een nachtschoot.

Prachtig.

En vergeet niet het slotveer, het bootje dat mensen en goederen naar de andere kant van de gracht brengt. Quatsch natuurlijk, het is dé slotveer, die de klink na gebruik in de oorspronkelijke positie laat terugkeren. Die slotveer was gebroken, verklap ik alvast. Bij een beetje tocht, bijvoorbeeld als de achterdeur openging, zwaaide de tussendeur open. Daar is mee te leven, maar het wordt vervelend op den duur.

Weinig mensen weten dat ik best handig ben. Dat verberg ik zelfs zo goed dat ik het zelf vergeet. Bij iets maken moet vaak eerst gesloopt of gedemonteerd worden. Het is onzeker of het resultaat beter uitpakt dan wat er al is. Daarom ben ik behoudend in dit opzicht. Pas als het echt niet anders kan, ga ik over tot actie.

Dat is in de meeste gevallen, in overleg met Melanie, het inschakelen van een derde. Zo heeft mijn schoonvader ons huis van onder tot boven aangepakt. Hij is juist niet iemand die verbergt dat hij best handig is. Tegels leggen, houten vloer, slaapkamerkast maken, keuken plaatsen, berghok timmeren, de lijst is lang. Bij geen van de onderdelen zou ik weten waar te beginnen. Het is ook een kwestie van ervaring, schijnt.

Ondanks dat ik weinig klus, weet ik dat er iets mysterieus hangt rond dingen die moeten gebeuren. Plotseling, om onverklaarbare reden is er de geest, gevolgd door een begin. Zekerheid over het slagen is er allerminst, maar er komt beweging in. Die deur kan ik toch zeker zelf repareren. Het is me net dat beetje eer te na om mijn schoonvader ook daarvoor te vragen.

Eerst moet er doorzettingsvermogen worden aangewend om het loopslot eruit te krijgen. Wat meer wrikken en wat harder trekken. Openschroeven en daarna ontdekken dat de slotveer dus kapot is. Een nieuw slot kopen blijkt te verkiezen boven het onderdeel vervangen. Meteen langs de bouwmarkt. Het valt me reuze mee dat loopsloten en de bijbehorende uitsparingen in deuren standaardmaten hebben. Omdraaien van de richting van de schoot is een fluitje van een cent. Maar: voor het plaatsen van een nieuwe sluitplaat moet er gehakt worden in de deurpost.

Ik doe het, het lukt, ik heb het gefikst. De deur sluit weer goed. Ik ben nu heer en meester over het slot.

Melanie hoopt al hardop dat dit de start is van een glansrijke kluscarrière. Daar zou ik, als ik haar was, toch niet al te hoog op inzetten.

 

Les

 

Laat ik maar toegeven dat het naast een les ook een teleurstelling is. Mijn verwachtingen van eens per twee weken een ochtend werken in het Noorderpark leken reëel. De boswachter een beetje helpen met onderhoud, dat moest kunnen.

Toch? Op de afgesproken tijd en plek stond al een deelnemer te wachten, waar een praatje mee gemaakt moest worden. Ik ben geen praatjesmaker en hij blijkbaar ook niet. Na een paar minuten werden we uit de ongemakkelijke situatie gered door het arriveren van de rest. We staken gezamenlijk de weg over en wachtten op een laatkomer. De meesten besloten alvast naar de werkplek te gaan. Ik bleef achter met initiator Frank, een enthousiaste kerel, die naast zijn werk als journalist allerlei sociale projecten heeft lopen.

In het voorjaar had ik al eens gereageerd op een oproep van hem in een wijkblad. Toen zag ik vlak voor de start de noodzaak niet meer om mee te doen. Het leek me meer tijdverdrijf dan iets echt zinvols. Het zouden ook zenuwen geweest kunnen zijn. Het beeld kantelde later door een paar zinnen in een artikel van Frank in de papieren DUIC (De Utrechtse Internet Courant). Zijdelings kwam daarin het werk in het park ter sprake. Dat de hulp van vrijwilligers hard nodig was. Toch zinniger dan gedacht dus.

We hadden, terwijl we stonden te wachten, een goed gesprek. Eerst was Frank in de veronderstelling dat ik meedeed om uit een isolement te komen, of om weer actief te worden, of om weer buiten te zijn. Ik somde rap mijn verantwoordelijkheden en bezigheden op, waarvan ik later besefte er nog een paar te zijn vergeten. Later besefte ik ook mijn sociale kruit in dat gesprek te hebben verschoten.

Bij de werkplek, een stuk te verschralen grond rond een nagebouwde loopgraaf, waren de anderen al bezig. Ik pakte handschoenen en een hooivork en ging rustig aan de slag. Het was op dat stukje land een wirwar van staande en terloopse gesprekjes en losse opmerkingen her en der. Ik dacht aan een verhuizing, waarbij elk passeren in de hal aangegrepen wordt voor interactie. Voor mij zat er niets anders op dan de boel af te sluiten. Hier kon ik niet in gedijen. Dit was niet mijn habitat. Plat gezegd: dit moest ik niet willen.

Ik ben de voorgenomen anderhalf uur gebleven, tot en met de pauze. Na de koffie heb ik kartrekker Frank een hand gegeven en gezegd dat ik nog niet wist of het iets voor mij was: ‘Bedankt tot zover.’ Daar had best een komma tussen gekund: ‘Bedankt, tot zover.’

Toch jammer, ik had het zo mooi uitgedacht: de ene week op vrijdag werken in het park en de andere week wandelen in hetzelfde park met bewoners van het azc. Bij die wandelingen ben ik zelf initiator en kartrekker. We lopen een uurtje, voornamelijk in stilte. Te beginnen deze week vrijdag. De vraag is eerst of er animo voor is. Daarna of dat wél bij mij past. Het zal in ieder geval weer een les zijn, hopelijk geen teleurstelling.

 

Riff

 

De lage tonen reiken met gemak tot onze tent. Het is de tweede avond op een camping in de Dordogne. Bij het zwembad speelt een coverband. Melanie is daar even geweest voor de wifi en meldt dat het om een stel oude rockers gaat. Het repertoire is ernaar: Eagles, Beatles, Doors, vul zelf verder aan. Ze gaan lang door. Als wij in de slaapzak schuiven, zetten de mannen nog een nummer in. De basriff klinkt bekend. Dit valt uit de toon met de rest, het is een stuk recenter, in mijn beleving. De tekst is niet goed te horen. Ik kan er slecht tegen dat ik de muziek niet kan thuisbrengen. Er is een vermoeden dat het van The White Stripes is. Onwaarschijnlijk, wat moet deze belegen club daarmee? ’s Ochtends bij de douches fluit iemand het riedeltje nog eens, heel kort, zes noten. Wat mis ik?

De kwestie zakt weg, om de week daarop weer te komen bovendrijven. Zestig kilometer zuidelijker, op het park van onze tweede vakantieweek, speelt een andere band. Bij het zwembad. Na een serie chansons klinkt ineens die basriff weer, duidelijk hoorbaar op de veranda van ons westernhuisje. Tum-tuh-tuh-tuh-tum-tum. Twee Franse bands die ogenschijnlijk onafhankelijk van elkaar een nummer spelen dat uit de toon valt. Hier is iets aan de hand. Maar wat? Het zou kunnen dat het lied groot is in Frankrijk, hoge notering gehad op de hitlijsten. Het deuntje is pakkend en gaat tegelijk diep. Het blijft lang in de kop, net als de vragen. Nog een week later, weer thuis, komen er meer bij.

Onze oudste en ik zijn getuige van de overwinning van FC Utrecht op miljoenenclub Zenit. Het stadion kolkt. De helden van dat moment maken een ereronde langs de tribunes. Uit de luidsprekers klinkt tot mijn verbazing dat lied weer, een instrumentale versie deze keer. Er ontstaat een notie van magie.

Die wordt om zeep geholpen door het onderzoek dat volgt.

Aanvankelijk is de speurtocht vruchteloos. Er zijn weinig aanknopingspunten. Beluisteren van de intro’s op de enige compact disc in huis van The White Stripes levert niets op. Een melodie typen in de zoekmachine is nog niet mogelijk. Het zou handig zijn, zegt Melanie, om een deel van de tekst te hebben. Prompt schiet me iets te binnen: één regel. Dat blijkt de goeie. Er past een lied bij, met de riff. Het is inderdaad van The White Stripes, en miljarden kennen het.

Niet omdat het gecoverd is door de Franse singer-songwriter Ben l’Oncle Soul. Dat leek me bij die ontdekking nog een prima verklaring voor het spelen door de Franse coverbands. Verre van dat. Het waren de Italianen die het lied bij het WK van 2006 oppakten om hun kampioenschap te vieren. Sindsdien verspreidde het zich als een olievlek en is het alom te horen in stadions, bij verscheidene sporten. Het prachtige Seven Nation Army is verworden tot de Po-po-po-song.

Er kan zoveel aan een mens voorbijgaan. Volgende keer laat ik het.

 

op YouTube: The White Stripes / Ben l’Oncle Soul / stadion in Michigan

 

Vlaggen

 

De schoolvakantie loopt op zijn eind en daarmee ook mijn vakantie. Ik heb niet helemaal stilgezeten in de tijd dat de kinderen thuis waren, maar alles stond op een laag pitje; minder schrijven, weinig vrijwilligerswerk, voor het overige alleen het hoogstnoodzakelijke. Plus twee weken echt weg van alles, om te merken dat ik heel makkelijk heel veel vergeet van wat me bezighield en wat druk opleverde.

Voor we naar zuidelijker streken vertrokken, had ik mijn plannen voor erna op orde. Inclusief een vers dag- en weekschema. Naast wat ik al deed, is er plaats voor twee nieuwe vrijwilligersbaantjes. Het zijn plannen. De ene week ga ik aan het werk in het park waar ik vaak wandel en de andere week ga ik wandelen met bewoners van het azc in datzelfde park. Dat is op vrijdag. Op woensdagochtend een nieuwe groep zen. Ook een plan, wel al ingeschreven en betaald. Op maandag en donderdag begeleid ik, zoals inmiddels gewend, mensen met psychiatrische problematiek bij het schrijven van hun herstelverhaal. Daarnaast is er de zorg voor kinderen en huishouden. En ik wil toekomen aan schrijven. En weer winterzwemmen met mijn winterzwemmatties. Ik krijg er de bibberaties van als ik het zo op een rijtje zie. Gaat dat allemaal lukken? Ik heb goede hoop en vertrouwen. Er is één ding waar ik echt tegenop zie: vlaggen.

Daar ben ik nu twee seizoenen onderuit gekomen, maar ik vind (en anderen waarschijnlijk ook) dat het eigenlijk niet kan, dat wegduiken voor die verantwoordelijkheid.

Onze oudste zoon voetbalt in een team waarbij naast een scheidsrechter ook twee grensrechters bij de wedstrijd moeten zijn. Van scheids zijn is in mijn geval zeker geen sprake. Ook voor de functie van grensrechter wordt een beroep gedaan op de ouders van de spelers. Er zijn drie manieren om die taak te ontlopen. Geen daarvan verdient een schoonheidsprijs, kan ik alvast verklappen. De eerste gaat nog en heb ik eenmaal gebruikt: zeggen dat ik het niet kan. Letterlijk: ‘Ik zie het niet.’ En dat is niet ver van de waarheid. De regels van buitenspel ken ik. Hoe ze correct toe te passen ligt buiten mijn vermogen. Mijn aandacht gaat, hoezeer ik ook mijn best doe, altijd uit naar randverschijnselen en niet naar het spel. Als de wedstrijd na afloop besproken wordt, of soms tijdens, blijk ik weer de essentie van wat er gebeurd is te hebben gemist. Ook nog om moeten gaan met de toorn van de tegenpartij of van de eigen spelers en hun vaders, dat is helemaal niet aan mij besteed.

Ik doe het niet.

Wedstrijden mijden is een andere manier om onder het vlaggen uit te komen. Uitwedstrijden sla ik sowieso over. Thuis wil ik er nog weleens bij zijn. De beste optie is in dat geval om vijf minuten na aanvang te arriveren, als de taken zijn verdeeld, de scheidsrechter en grensrechters hun posities hebben ingenomen. Het is laag, ik weet het. Het ziet ernaar uit dat ik me het komende seizoen weer laag ga gedragen.

 

Beton

 

Wie heeft er geen Boeddhabeeld in huis? Of anders in de tuin. Het is een gewild woonaccessoire. Het is niet te verwachten dat iedereen die een beeld heeft, ook een idee heeft, al is het maar een begin, van wat Boeddha een paar duizend jaar geleden onderwees. Geeft helemaal niks. Wat niet is, kan nog komen. Of niet. Ook goed. Al die beelden op dressoirs en in vensterbanken geven toch even die herkenning. Of je nou thuis bent in de filosofie of niet.

Geïnteresseerd in de leer en sinds ruim tien jaar, op en af, beoefenaar van meditatie, meen ik misschien ook eens iets in huis te moeten halen. Maar dan natuurlijk vanuit de zuiverst bereikbare beweegredenen en op verantwoorde manier gekozen. Ik zou op zoek moeten naar iets authentieks. Handwerk. Met geschiedenis. Ergens een gespecialiseerd winkeltje vinden. Een beeltenis die door zijn schoonheid en het vakmanschap van de maker Melanie en mij zal inspireren.

Het loopt anders. Het begint bij een kapotte heggenschaar. Op naar het tuincentrum voor een nieuwe. Ik kom daar onvermijdelijk langs de Boeddhabeeldenafdeling. Er staan ook een paar tuinkabouters. Ze hebben er Boeddhabeelden in alle soorten en maten, niets officieels natuurlijk, gewoon handel. Toch even kijken. Alleen kijken, niet kopen. Het is je reinste kitsch. Er is er wel een bij die me toch aanstaat. ‘Mark, laat je niet afleiden, heggenschaar!’ Weer thuis blijkt bij nadere inspectie de oude heggenschaar makkelijk te repareren. Daarbij niet de schoonheidsprijs in de wacht slepend, maar hij werkt weer naar behoren. Dus kan die nieuwe terug. Volgens de aankoopbon geen geld retour, wel een tegoedbon. Die wil ik zo snel mogelijk verzilveren, omdat anders de geldigheidsdatum onherroepelijk in een la voorbijglijdt. Mijn gedachten gaan naar dat beeld.

Na nog wat ongemakkelijk rondscharrelen in de tot expositieruimte omgebouwde kas, valt mijn oog op een ander beeld dan waar ik eerst mijn zinnen op had gezet. Deze voelt stevig en gewichtig aan, zeg maar zwaar, geen plastic. Onderop het maaksel zit een sticker met de prijs en het materiaal waaruit het is vervaardigd: beton.

Eenmaal in de tuin kan het beeld ook Melanie’s goedkeuring wegdragen. Het krijgt een niet heel prominente plek, maar wel duidelijk zichtbaar voor wie weet dat-ie daar staat. De figuur van ongeveer 35 centimeter hoog heeft een bakje in de schoot. Geen idee waar dat toe dient. Misschien kunnen vogels er na een regenbui uit drinken.

Al snel blijkt bij regen aarde tegen het beton op te spatten. Het beeld wordt niet of heel langzaam droog. Ik voorzie dat onze Boeddha na enige tijd groen zal uitslaan. Om dat te voorkomen haal ik hem binnen, maak hem schoon en laat hem drogen. Ik besluit het beeld een plek te geven in de slaapkamer annex meditatieruimte. Op het moment dat ik het beton op het laminaat laat zakken, zie ik het: het bakje is de maat van een waxinelichtje. Ik heb een veredelde waxinelichtjeshouder in huis gehaald. Meteen een waxinelichtje uit een la opgediept en er een aansteker naast gelegd.