Les

 

Laat ik maar toegeven dat het naast een les ook een teleurstelling is. Mijn verwachtingen van eens per twee weken een ochtend werken in het Noorderpark leken reëel. De boswachter een beetje helpen met onderhoud, dat moest kunnen.

Toch? Op de afgesproken tijd en plek stond al een deelnemer te wachten, waar een praatje mee gemaakt moest worden. Ik ben geen praatjesmaker en hij blijkbaar ook niet. Na een paar minuten werden we uit de ongemakkelijke situatie gered door het arriveren van de rest. We staken gezamenlijk de weg over en wachtten op een laatkomer. De meesten besloten alvast naar de werkplek te gaan. Ik bleef achter met initiator Frank, een enthousiaste kerel, die naast zijn werk als journalist allerlei sociale projecten heeft lopen.

In het voorjaar had ik al eens gereageerd op een oproep van hem in een wijkblad. Toen zag ik vlak voor de start de noodzaak niet meer om mee te doen. Het leek me meer tijdverdrijf dan iets echt zinvols. Het zouden ook zenuwen geweest kunnen zijn. Het beeld kantelde later door een paar zinnen in een artikel van Frank in de papieren DUIC (De Utrechtse Internet Courant). Zijdelings kwam daarin het werk in het park ter sprake. Dat de hulp van vrijwilligers hard nodig was. Toch zinniger dan gedacht dus.

We hadden, terwijl we stonden te wachten, een goed gesprek. Eerst was Frank in de veronderstelling dat ik meedeed om uit een isolement te komen, of om weer actief te worden, of om weer buiten te zijn. Ik somde rap mijn verantwoordelijkheden en bezigheden op, waarvan ik later besefte er nog een paar te zijn vergeten. Later besefte ik ook mijn sociale kruit in dat gesprek te hebben verschoten.

Bij de werkplek, een stuk te verschralen grond rond een nagebouwde loopgraaf, waren de anderen al bezig. Ik pakte handschoenen en een hooivork en ging rustig aan de slag. Het was op dat stukje land een wirwar van staande en terloopse gesprekjes en losse opmerkingen her en der. Ik dacht aan een verhuizing, waarbij elk passeren in de hal aangegrepen wordt voor interactie. Voor mij zat er niets anders op dan de boel af te sluiten. Hier kon ik niet in gedijen. Dit was niet mijn habitat. Plat gezegd: dit moest ik niet willen.

Ik ben de voorgenomen anderhalf uur gebleven, tot en met de pauze. Na de koffie heb ik kartrekker Frank een hand gegeven en gezegd dat ik nog niet wist of het iets voor mij was: ‘Bedankt tot zover.’ Daar had best een komma tussen gekund: ‘Bedankt, tot zover.’

Toch jammer, ik had het zo mooi uitgedacht: de ene week op vrijdag werken in het park en de andere week wandelen in hetzelfde park met bewoners van het azc. Bij die wandelingen ben ik zelf initiator en kartrekker. We lopen een uurtje, voornamelijk in stilte. Te beginnen deze week vrijdag. De vraag is eerst of er animo voor is. Daarna of dat wél bij mij past. Het zal in ieder geval weer een les zijn, hopelijk geen teleurstelling.

 

Riff

 

De lage tonen reiken met gemak tot onze tent. Het is de tweede avond op een camping in de Dordogne. Bij het zwembad speelt een coverband. Melanie is daar even geweest voor de wifi en meldt dat het om een stel oude rockers gaat. Het repertoire is ernaar: Eagles, Beatles, Doors, vul zelf verder aan. Ze gaan lang door. Als wij in de slaapzak schuiven, zetten de mannen nog een nummer in. De basriff klinkt bekend. Dit valt uit de toon met de rest, het is een stuk recenter, in mijn beleving. De tekst is niet goed te horen. Ik kan er slecht tegen dat ik de muziek niet kan thuisbrengen. Er is een vermoeden dat het van The White Stripes is. Onwaarschijnlijk, wat moet deze belegen club daarmee? ’s Ochtends bij de douches fluit iemand het riedeltje nog eens, heel kort, zes noten. Wat mis ik?

De kwestie zakt weg, om de week daarop weer te komen bovendrijven. Zestig kilometer zuidelijker, op het park van onze tweede vakantieweek, speelt een andere band. Bij het zwembad. Na een serie chansons klinkt ineens die basriff weer, duidelijk hoorbaar op de veranda van ons westernhuisje. Tum-tuh-tuh-tuh-tum-tum. Twee Franse bands die ogenschijnlijk onafhankelijk van elkaar een nummer spelen dat uit de toon valt. Hier is iets aan de hand. Maar wat? Het zou kunnen dat het lied groot is in Frankrijk, hoge notering gehad op de hitlijsten. Het deuntje is pakkend en gaat tegelijk diep. Het blijft lang in de kop, net als de vragen. Nog een week later, weer thuis, komen er meer bij.

Onze oudste en ik zijn getuige van de overwinning van FC Utrecht op miljoenenclub Zenit. Het stadion kolkt. De helden van dat moment maken een ereronde langs de tribunes. Uit de luidsprekers klinkt tot mijn verbazing dat lied weer, een instrumentale versie deze keer. Er ontstaat een notie van magie.

Die wordt om zeep geholpen door het onderzoek dat volgt.

Aanvankelijk is de speurtocht vruchteloos. Er zijn weinig aanknopingspunten. Beluisteren van de intro’s op de enige compact disc in huis van The White Stripes levert niets op. Een melodie typen in de zoekmachine is nog niet mogelijk. Het zou handig zijn, zegt Melanie, om een deel van de tekst te hebben. Prompt schiet me iets te binnen: één regel. Dat blijkt de goeie. Er past een lied bij, met de riff. Het is inderdaad van The White Stripes, en miljarden kennen het.

Niet omdat het gecoverd is door de Franse singer-songwriter Ben l’Oncle Soul. Dat leek me bij die ontdekking nog een prima verklaring voor het spelen door de Franse coverbands. Verre van dat. Het waren de Italianen die het lied bij het WK van 2006 oppakten om hun kampioenschap te vieren. Sindsdien verspreidde het zich als een olievlek en is het alom te horen in stadions, bij verscheidene sporten. Het prachtige Seven Nation Army is verworden tot de Po-po-po-song.

Er kan zoveel aan een mens voorbijgaan. Volgende keer laat ik het.

 

op YouTube: The White Stripes / Ben l’Oncle Soul / stadion in Michigan

 

Vlaggen

 

De schoolvakantie loopt op zijn eind en daarmee ook mijn vakantie. Ik heb niet helemaal stilgezeten in de tijd dat de kinderen thuis waren, maar alles stond op een laag pitje; minder schrijven, weinig vrijwilligerswerk, voor het overige alleen het hoogstnoodzakelijke. Plus twee weken echt weg van alles, om te merken dat ik heel makkelijk heel veel vergeet van wat me bezighield en wat druk opleverde.

Voor we naar zuidelijker streken vertrokken, had ik mijn plannen voor erna op orde. Inclusief een vers dag- en weekschema. Naast wat ik al deed, is er plaats voor twee nieuwe vrijwilligersbaantjes. Het zijn plannen. De ene week ga ik aan het werk in het park waar ik vaak wandel en de andere week ga ik wandelen met bewoners van het azc in datzelfde park. Dat is op vrijdag. Op woensdagochtend een nieuwe groep zen. Ook een plan, wel al ingeschreven en betaald. Op maandag en donderdag begeleid ik, zoals inmiddels gewend, mensen met psychiatrische problematiek bij het schrijven van hun herstelverhaal. Daarnaast is er de zorg voor kinderen en huishouden. En ik wil toekomen aan schrijven. En weer winterzwemmen met mijn winterzwemmatties. Ik krijg er de bibberaties van als ik het zo op een rijtje zie. Gaat dat allemaal lukken? Ik heb goede hoop en vertrouwen. Er is één ding waar ik echt tegenop zie: vlaggen.

Daar ben ik nu twee seizoenen onderuit gekomen, maar ik vind (en anderen waarschijnlijk ook) dat het eigenlijk niet kan, dat wegduiken voor die verantwoordelijkheid.

Onze oudste zoon voetbalt in een team waarbij naast een scheidsrechter ook twee grensrechters bij de wedstrijd moeten zijn. Van scheids zijn is in mijn geval zeker geen sprake. Ook voor de functie van grensrechter wordt een beroep gedaan op de ouders van de spelers. Er zijn drie manieren om die taak te ontlopen. Geen daarvan verdient een schoonheidsprijs, kan ik alvast verklappen. De eerste gaat nog en heb ik eenmaal gebruikt: zeggen dat ik het niet kan. Letterlijk: ‘Ik zie het niet.’ En dat is niet ver van de waarheid. De regels van buitenspel ken ik. Hoe ze correct toe te passen ligt buiten mijn vermogen. Mijn aandacht gaat, hoezeer ik ook mijn best doe, altijd uit naar randverschijnselen en niet naar het spel. Als de wedstrijd na afloop besproken wordt, of soms tijdens, blijk ik weer de essentie van wat er gebeurd is te hebben gemist. Ook nog om moeten gaan met de toorn van de tegenpartij of van de eigen spelers en hun vaders, dat is helemaal niet aan mij besteed.

Ik doe het niet.

Wedstrijden mijden is een andere manier om onder het vlaggen uit te komen. Uitwedstrijden sla ik sowieso over. Thuis wil ik er nog weleens bij zijn. De beste optie is in dat geval om vijf minuten na aanvang te arriveren, als de taken zijn verdeeld, de scheidsrechter en grensrechters hun posities hebben ingenomen. Het is laag, ik weet het. Het ziet ernaar uit dat ik me het komende seizoen weer laag ga gedragen.

 

Beton

 

Wie heeft er geen Boeddhabeeld in huis? Of anders in de tuin. Het is een gewild woonaccessoire. Het is niet te verwachten dat iedereen die een beeld heeft, ook een idee heeft, al is het maar een begin, van wat Boeddha een paar duizend jaar geleden onderwees. Geeft helemaal niks. Wat niet is, kan nog komen. Of niet. Ook goed. Al die beelden op dressoirs en in vensterbanken geven toch even die herkenning. Of je nou thuis bent in de filosofie of niet.

Geïnteresseerd in de leer en sinds ruim tien jaar, op en af, beoefenaar van meditatie, meen ik misschien ook eens iets in huis te moeten halen. Maar dan natuurlijk vanuit de zuiverst bereikbare beweegredenen en op verantwoorde manier gekozen. Ik zou op zoek moeten naar iets authentieks. Handwerk. Met geschiedenis. Ergens een gespecialiseerd winkeltje vinden. Een beeltenis die door zijn schoonheid en het vakmanschap van de maker Melanie en mij zal inspireren.

Het loopt anders. Het begint bij een kapotte heggenschaar. Op naar het tuincentrum voor een nieuwe. Ik kom daar onvermijdelijk langs de Boeddhabeeldenafdeling. Er staan ook een paar tuinkabouters. Ze hebben er Boeddhabeelden in alle soorten en maten, niets officieels natuurlijk, gewoon handel. Toch even kijken. Alleen kijken, niet kopen. Het is je reinste kitsch. Er is er wel een bij die me toch aanstaat. ‘Mark, laat je niet afleiden, heggenschaar!’ Weer thuis blijkt bij nadere inspectie de oude heggenschaar makkelijk te repareren. Daarbij niet de schoonheidsprijs in de wacht slepend, maar hij werkt weer naar behoren. Dus kan die nieuwe terug. Volgens de aankoopbon geen geld retour, wel een tegoedbon. Die wil ik zo snel mogelijk verzilveren, omdat anders de geldigheidsdatum onherroepelijk in een la voorbijglijdt. Mijn gedachten gaan naar dat beeld.

Na nog wat ongemakkelijk rondscharrelen in de tot expositieruimte omgebouwde kas, valt mijn oog op een ander beeld dan waar ik eerst mijn zinnen op had gezet. Deze voelt stevig en gewichtig aan, zeg maar zwaar, geen plastic. Onderop het maaksel zit een sticker met de prijs en het materiaal waaruit het is vervaardigd: beton.

Eenmaal in de tuin kan het beeld ook Melanie’s goedkeuring wegdragen. Het krijgt een niet heel prominente plek, maar wel duidelijk zichtbaar voor wie weet dat-ie daar staat. De figuur van ongeveer 35 centimeter hoog heeft een bakje in de schoot. Geen idee waar dat toe dient. Misschien kunnen vogels er na een regenbui uit drinken.

Al snel blijkt bij regen aarde tegen het beton op te spatten. Het beeld wordt niet of heel langzaam droog. Ik voorzie dat onze Boeddha na enige tijd groen zal uitslaan. Om dat te voorkomen haal ik hem binnen, maak hem schoon en laat hem drogen. Ik besluit het beeld een plek te geven in de slaapkamer annex meditatieruimte. Op het moment dat ik het beton op het laminaat laat zakken, zie ik het: het bakje is de maat van een waxinelichtje. Ik heb een veredelde waxinelichtjeshouder in huis gehaald. Meteen een waxinelichtje uit een la opgediept en er een aansteker naast gelegd.

 

Huis

 

Het echte mannenwerk, het grote klussen in huis, is aan mij niet besteed. Ik ben altijd bang meer kapot te maken dan heel. Bovendien heb ik mijn handen vol aan het schoonhouden van het huis. Daarnaast doe ik boodschappen, bereid ik zes dagen per week de avondmaaltijd en meestal vang ik de kinderen op uit school. Een echte huisman dus. Dat is geen keus, het is me in de schoot geworpen. Wie ben ik dan om het ervan af te schuiven? Neemt niet weg dat ik al jaren bezig ben om deze rol volledig te aanvaarden.

Vooral het schoonmaken is een nooit eindigend verhaal. Hier wringt het, omdat het iets is wat ik niet graag doe, maar wat wel moet gebeuren. Mijn standaarden zijn niet heel hoog, die van Melanie gelukkig ook niet. Ik heb haar nog nooit (bijna nooit) horen zeggen dat de tegels nu echt eens gedweild moesten worden, of de tv-kast afgestoft, de ramen gezeemd, de keuken geboend. Als ze het niet meer kan aanzien en ze tijd heeft, doet ze het zelf. Mij daarmee diskwalificerend als hoofd poetser, maar dat is mijn schuld. Had ik het zelf maar eerder moeten doen.

Tijd zat. Tijd is het probleem niet. Het is een kwestie van zin of geen zin. Van even doen is bijna nooit sprake. Er moet gepland worden. Naartoe geleefd. Opgeladen. En zelfs dan kan er op het laatste moment een andere activiteit zijn die meer trekt. Nietsdoen bijvoorbeeld. Of alles wat je kunt bedenken op een laptop. Rommelen. Schrijven. Of wandelen en zwemmen.

Maar het echte werk moet een keer. Al snel is het ophikken tegen, niet ik tegen het werk, maar het werk tegen mij. Het roept. Het moet. Uiteindelijk komt het er een keer van. Eenmaal bezig vaak met onverwacht plezier. Gek dat ik dat steeds vergeten ben als de plee moet worden geschrobd.

Het huis van onder tot boven schoon en opgeruimd is het ideaal. Ondanks mijn in gebreke blijven en ondanks mijn frequente weigerachtigheid, blijf ik beloven alles in het werk te stellen dat voor elkaar te krijgen. Het is op zich goed zoals het is, maar het kan altijd beter.

Het gevaar ligt op de loer dat ‘beter’ het uitgangspunt wordt. Wat ik van mezelf verwacht veroorzaakt dan de onvrede. Ik krijg het simpelweg niet voor elkaar ieder moment dat de situatie erom vraagt de stofzuiger te pakken of een emmer sop vol te laten lopen. Het gewoon doen, zonder intern mokken, is nog niet zo vanzelfsprekend als ik zou willen.

Als ik dan toch aan de slag ga, zie ik altijd wel dingen die ook eens moeten gebeuren. Opgehoopt stof achter de wasmachine. Dat doe ik nog een keer, denk ik dan, en dat denk ik de volgende keer weer en de keer daarop.

Eigenlijk de enige kans die het huis heeft om helemaal te glimmen, van kruipruimte tot nok, met alle spullen op een gepaste plek, is als we het te koop zouden aanbieden. Voor de kijkers.

 

Wind

 

Op mijn eigen schaal ben ik een avonturier. De reis voerde naar Schiermonnikoog. Dat was al heel wat, gezien mijn geschiedenis. Het is helemaal niet zo lang geleden dat ik de grootste moeite had met de vijf minuten in de trein naar Bilthoven. Naar Schier betekent bus, trein, bus, boot en fiets. Van deur tot deur is het vijf en een half uur. Tot aan de boot kon ik nog makkelijk terug en heb ik die mogelijkheid veelvuldig overwogen.

Een verblijf van drie nachten stond gepland, twee volle dagen. Het eiland is me goed bekend. Meestal kwam ik er in de herfst. Het voorjaar leent zich ook goed voor een bezoek, nog voor de grote drukte, zeker doordeweeks. Het weer is een stuk aangenamer en er is volop groei.

De eerste ochtend liep ik het dorp uit en daarna er met een wijde boog omheen. Een opwarmertje.

De tweede dag was bestemd voor een tocht over het strand richting het oosten. Daar is niets, behalve veel zand en zee. Tot ver voorbij paal 10, anderhalf uur heen en anderhalf uur terug, was mijn plan. Ik wist niet wat ik kon verwachten, maar wel dat er iets stond te gebeuren. Dat is mijn ervaring daar.

Vanaf de eerste stappen dienden de zenuwen zich aan. Het kon de angst zijn om in paniek te raken in dat niemandsland. Dat is vreemd, want ik heb in het geval van paniek juist liever niemand in de buurt.

Al snel kwam een andere barrière naar voren, ook angst, maar dan om in een flow te raken, zo eentje als ik eerder heb beschreven. En dan vooral om er niet meer uit te komen of er slecht uit te komen, dat ik niet meer weet waar ik het moet zoeken. Dat zou dichtbij huis, in een veilige omgeving, wel op te vangen zijn. Nu was ik, voor mijn doen, erg ver van huis.

En de omgeving nodigde uit.

Na een halfuur gaan keerde ik om. Het was genoeg. Dat was geen besluit van mij, dat besluit nam mijn lijf. Ik probeerde daarna de ergste zenuwen kwijt te raken door even in het ondiepe water te liggen. Op weg terug naar mijn handdoek merkte ik nog ieder moment op te kunnen gaan in de stroom. Ook na een halfuur stevig stappen was ik er niet klaar mee. Rustend op het strand kwamen voor me de golfjes aanrollen en sloegen ze bescheiden om. Het geluid daarbij. Hoe mooi ook, dit was niet oké voor mij nu. Ik moest terug naar het appartement, de meest veilige plek voorhanden. Onderweg nog steeds die uitnodiging van de natuur.

Eenmaal binnen overwoog ik dezelfde dag nog de boot te nemen. De gedachte kalmeerde me niet. Een pilletje bood uitkomst voor dat moment. De rest van de middag sloot ik me op met de gordijnen dicht. Toen ik weer buiten kwam, waaide het tot mijn verbazing flink. De verleiding was groot een verband te zien tussen mijn onrust en de wind op til.

 

Gras

 

Het is sinds dit jaar dat ik gras ontdek. In combinatie met wind, liefst in vlagen, biedt het een aantrekkelijk gezicht. Veranderlijk als de golven van de zee. Wind maakt gras meer gras. Gras maakt wind meer wind.

Ik zou erop willen liggen. Niet erin, maar echt erop, en me laten dragen. Crowdsurfen op de kietelende toppen. Ik leg me in handen van de sprieten. Zij weten waar ik heen wil.

Op weg naar de Plas kom ik veel gras tegen. Dat begint al in het park op een steenworp afstand van huis. Op de speelweiden wordt het kort gehouden. Onder de kabelbaan is het weggesleten. Er zijn ook hoekjes waar het kan groeien en de halmen tot navelhoogte reiken. In het voorbijgaan neem ik ze in me op. Niet te lang bij stilstaan.

Aan de andere kant van de ringweg regeert het inmiddels uitgebloeide fluitenkruid. Geen gras, wel al langer dierbaar. Alleen al denken aan de eerste keer in het voorjaar dat ik door de zoete wolk fiets, is genoeg. Of dat ik er wandelend wat langer in vertoef. Aan weerszijden explodeert het wit. Het mooie aan schermbloemigen is de sensatie van oneindigheid die ze met zich meebrengen. Zoveel bloemen, zoveel sterren.

Het duurt niet lang. De bloemetjes zijn alweer verdord. Van wat overbleef aan verlepte stengels, is een meter breed gemaaid. Zo ook het gras langs het pad aan het eind linksaf. Ongeveer de helft is blijven staan. Het is van alles door elkaar, een rijke variëteit. Houdt dit zichzelf in evenwicht? Hoeveel beleid zit er achter? Of zouden de beheerders liever andere planten zien? Ze mogen van mij het gras laten gaan zoals het nu gaat. Zie de kracht van een spriet om in korte tijd zo omhoog te schieten en in veel gevallen ook nog een halm te torsen. Zie hem alleen maar spriet zijn, met de wijsheid te allen tijde mee te buigen. En zonder moeite terug te keren naar een positie rechtop. Alleen bij stevige wind en veel regen wil een bosje er nog weleens bij gaan liggen. Zo is gras.

Naast het fietspad van de Burgemeester Huydecoperweg is niet gemaaid. Tussen het weiland en het asfalt komen de halmen tot mijn zadel. Ik steek mijn arm uit om mijn handpalm te laten aaien. Hoewel ik me niet een bepaald moment kan herinneren, brengt het me terug naar de kindertijd. Blijkbaar komt daar schaamte bij kijken, want als er een auto passeert, heb ik mijn hand weer aan het stuur.

En dan bij de Plas, een recreatiegebied uit de jaren zeventig, waar veel bomen groeien langs het pad en weinig gras. Als er wind is, manifesteert die zich hoog in de kruinen. Ook fijn. Net als het korte gras op de zonneweide fijn is. Om een hand doorheen te halen. Om een badhanddoek op uit te spreiden. Om op te zitten en een boek te lezen. Of om kort te liggen en daarna een duik te nemen in het water met een ribbel op het oppervlak.

 

Sporen

 

Ik bied dagelijks een van straat geraapt voorwerp te koop aan. Het kan van alles zijn: een blikje, een flesje, een sigarettenpakje, een kroonkurk, et cetera. De advertenties op Marktplaats bevatten naast een vijftal foto’s onder meer de vindplaats, het tijdstip van aantreffen en het materiaal waaruit het voorwerp is vervaardigd. In de beschrijving staan overige eigenschappen en ook suggesties voor het gebruik van het voorwerp. Meestal zijn dat decoratieve functies. De prijzen variëren van €2,50 voor een elastiekje tot €22,50 voor een pizzadoos.

Het procedé is simpel. Ik hoef er niet speciaal voor op pad. Aangezien ik elke dag buiten kom, tref ik altijd wel iets aan. Ik maak een foto van de vondst zoals het ligt in de omgeving, vervolgens eentje van bovenaf met de camera ter hoogte van mijn middel en tot slot eentje van dichtbij. Daarna pak ik het voorwerp op, altijd een speciaal moment, en bestudeer ik het nader. Het gaat mee in de fietstas of soms in een meegebracht hersluitbaar zakje. De volgende stappen vinden thuis plaats. Ik fotografeer het voorwerp nog van twee kanten met een witte achtergrond. Later op de dag, als ik even tijd heb, plaats ik de advertentie.

Dat geeft me ook gelegenheid te kijken of er nog biedingen zijn op de vorige advertenties en hoeveel mensen die hebben bekeken. Dat laatste valt niet tegen. Ik had verwacht eerst op de tamtam te moeten roffelen, maar al snel bleek dat er vanzelf potentiële kopers langskwamen. Ik zou nog graag willen achterhalen waar die mensen precies op gezocht hebben. Met name een blikje, waar energydrink in heeft gezeten, krijgt veel aandacht. Ook een bij de Dirk gevonden reclamefolder doet het goed. Die zou ingelijst niet misstaan in woonkamer of hal.

Mijn doelgroep bestaat uit mensen die eens iets anders in huis willen, bijvoorbeeld in de vensterbank of op het nachtkastje. Alle voorwerpen hebben geschiedenis. Van ontwerp tot fabricage en van gebruik tot wegwerpen. Het laatste kan bewust gebeurd zijn of achteloos. Ondanks dat daar niets over bekend is, dragen de voorwerpen dit met zich mee. Ze zijn de sporen van de soort mens, specifieker nog de moderne stadsmens.

Sporen zijn alom aanwezig. De hele geplande omgeving – en dat is in Nederland praktisch alles – kun je als zodanig beschouwen. Er is echter maar weinig daarvan wat letterlijk zo voor het oprapen ligt.

Wat blijft liggen, is verloren. Het verdwijnt een keer in een verbrandingsoven of waait anoniem een oceaan in. Ik red er wat van. De waarde die ik toevoeg is het selecteren en het uitlichten. Meer doe ik niet. Ik schrijf of teken niet er niet op. Ik modelleer er niets aan, voeg niets toe. Hooguit kan er tijdens het vervoer ongewild een kleine verandering plaatsvinden. Ook tijdens het verzenden kan dat gebeuren. Daar moet niet te veel belang aan worden gehecht. Het gaat er vooral om dat het spoor doorgetrokken wordt, verdiept en uitgebreid. Dat verdient het.

 

naschrift: Vandaag is de veel bekeken advertentie van een blikje verwijderd. Na navraag schreef Marktplaats: ‘… Je advertentie is verwijderd omdat je een lege verpakking van een voedingsmiddel wilt aanbieden. Deze heb je als afval van de straat geraapt. Marktplaats behoudt zich wat dit betreft het recht om advertenties zoals deze naar eigen inzicht te verwijderen.’

Met mogelijk verwijdering van de site als consequentie van doorgaan, zie ik me genoodzaakt het project, zoals het nu is, te beëindigen. De advertenties tot nu toe, behalve die ene, kun je nog vinden op Marktplaats als je zoekt naar ‘vers geraapt’.

laatste update: inmiddels zijn er nieuwe advertenties te zien op Facebook.

 

Hendel

 

Erg veel komt er niet binnen. Dat hoeft niet teleurstellend te zijn, ware het niet dat ik om de haverklap kijk of er iets binnen is. Pas sinds een jaar of twee heb ik een smartphone. Vrijwel meteen maakte ik het toestel gereed om e-mails te verzenden en te ontvangen. Ik denk vooral omdat het kon. Met een e-mailaccount op mijn telefoon had ik bovendien weer helemaal aansluiting. Het kwam ook nog van pas. De laptop hoefde niet meer open, of te worden opgestart. Altijd de post binnen handbereik.

Al gauw groeide de gewoonte om ieder vrij moment de telefoon te pakken, hem met een snelle vingerbeweging te ontgrendelen en op de blauwe knop met de witte envelop te drukken. Het is de hendel van een gokkast overhalen. Dat laatste heb ik niet van mezelf, maar ergens gelezen, in een krant. Het volgende heb ik wel zelf bedacht, denk ik, grotendeels.

Een bericht krijgen is winst, ongeacht of het goed of slecht nieuws is, ongeacht of het van een goede vriend, een vage kennis of een kille instantie afkomstig is. Endorfinen komen los. Het is hoe dan ook een bevestiging van mijn bestaan. Iemand geeft die door mij iets te sturen.

Verlies, geen mail, is een domper. Hoe miniem ook. Het is een bres in mijn identiteit, een opening naar de leegte, naar al het negatieve dat ik over mezelf kan denken. Met voorop de onvrede over het feit dat ik zo nodig alweer moest kijken. Even dát aantikken. Daarna direct het verlangen naar de volgende keer dat zich een kans op winst voordoet. Die zal niet lang op zich laten wachten. Het icoontje blijft trekken. Het gaat razendsnel. Bijna zonder dat ik het doorheb, heeft mijn vinger het opnieuw gevonden.

Daar wilde ik vanaf. Mijn oplossing was om na gebruik in ‘instellingen’ het e-mailaccount uit te zetten. En weer aan als ik het echt nodig had. Met een paar stappen ertussen, dacht ik, zal ik het wel laten om ieder moment mijn mail te bekijken. Bleek van niet. Het kostte nog te weinig moeite om mijn shot te krijgen. En binnen korte tijd stond het account weer continu aan. Dat heb ik zo een paar keer geprobeerd, steeds met goede hoop en teleurstellende afloop. Tot ik besloot een rigoureuzer stap te nemen en de hele zaak eraf te gooien. Een paar keer diep ademhalen en hup, weg ermee. ‘Weet u zeker dat u het account wilt verwijderen?’ Ja.

Zelfs dat (zucht) bleek niet afdoende, want ik ontdekte dat inloggen via de webbrowser ook nog mogelijk was. De pagina hield ik geopend. Het aanvinken van het hokje ‘aangemeld blijven’, voorkwam echter niet dat ik er steeds uitgeknikkerd werd. Ik zie het als een geval waarbij haperende techniek helpt. Wat ook helpt, is de lengte van mijn wachtwoord; die is flink, een hele zin. Ik was het zat om te blijven typen. Weg ermee, nu echt, pagina sluiten, klaar.

Dat is twee weken terug. En het is, in het kort, een verademing.

 

Precies

 

In dit geval permitteer ik me een langere opsomming, komt-ie: de keukenradio, de oven, de vaste telefoon boven en die beneden, de tafeltjes aan weerszijden van de echtelijke sponde, de laptop en de tablet, vier smartphones, een e-reader en nog een e-reader, de computer in de werkkamer en tot slot mijn linker pols. De overeenkomst is duidelijk: ze bevatten allen een klokje dat bij benadering de juiste tijd aangeeft. Dan ben ik de meditatieklok nog vergeten. En er slingert een ongebruikt horloge in de fruitschaal. Nu ik erover denk, ik weet ook nog ergens een sporthorloge, en een hartslagmeter. Bij elkaar zijn dat in één huis twintig (!) plekken waar het juiste uur kan worden afgelezen. Dan heb ik de televisie plus de mediabox over het hoofd gezien. Mis ik nog iets? Jazeker, de fietscomputer van de e-bike. Die ligt nota bene in mijn zicht. Nu hou ik er echt mee op. Alleen de wekkerradio’s op de kinderkamers tel ik nog mee. Dat maakt het vijfentwintig rond.

Het geeft te denken.

Soms probeer ik me een tijdje niet bewust te zijn van de tijd. Er valt nog lastig aan te ontkomen. Binnenshuis in ieder geval. Als ik met opzet in het ongewisse probeer te blijven, loop ik er wel ergens per ongeluk tegenaan. Ik wil blijkbaar op de hoogte blijven, liefst zo precies mogelijk.

De Wake-up Light naast het bed aan de kant van Melanie loopt een paar minuten voor. Het helpt haar op tijd op te staan. Ik kan er slecht tegen. Aan mijn kant staat een klokje dat de atoomtijd weergeeft. Overal om ons heen beschikbaar en zo uit de lucht geplukt door dit simpel ogende apparaatje. Dat is beter. Geen seconde vroeger of later dan het werkelijk is. Daar hou ik van.

Heel vroeger, in een ander tijdperk, zette ik mijn horloge nog geregeld gelijk met de stationsklok. Dat was behelpen want die dingen gaven nooit de exacte tijd aan. Bovenaan aangekomen hield de secondewijzer even halt om een moment later zijn weg naar de volgende hele minuut aan te vangen. Zo was het nooit duidelijk of de nul samenviel met het begin van die pauze of met het einde ervan. De eerstvolgende keer op een station zal ik eens kijken of ze daar al wat aan hebben gedaan.

Of ik koos, als ik lang niet met de trein hoefde, voor het toen nog niet antieke en inmiddels weer in zwang geraakte Teletekst. De gele cijfertjes achtte ik betrouwbaar genoeg. Nog weer voordat we Teletekst hadden, was de beste optie onopgemerkt bellen met de tijd. De service bestaat nog steeds, de stem is dezelfde gebleven: ‘Bij de volgende toon is het veertien uur, zeven minuten en veertig seconden.’ Iedere tien seconden was er een toon. Met de wijsvinger bij het knopje van mijn Casio, in opperste concentratie, wachtend tot de hele minuut eraan kwam en indrukken op het enig juiste moment. Vervolgens kon ik weer tevreden vooruitkijken naar een paar weken met een aanvaardbare afwijking rond mijn pols.

 

Omvang

 

Iets aanvaarden is best ingewikkeld. Het is niet erg tastbaar. Het is iets anders dan je erbij neerleggen. Aanvaarden is er vrede mee hebben dat iets is zoals het is. Je kunt het ook acceptatie noemen, maar dat heeft net een andere nuance: inactiever en meer lijdzaam ondergaan. Aanvaarden daarentegen is iets opnemen, het dragen. Als het bijvoorbeeld om een lastige keuze gaat, dan moet je met alles wat je hebt die keuze zijn. Incorporeren is ook mooi in dit verband. Laat de kwestie onder je huid toe, geef je eraan over en doorleef het.

Tot zover de woorden. Tijd voor de praktijk.

Ik heb een buik die gestaag in omvang toeneemt. Ja, lach maar. Vooralsnog kunnen we het hebben over een buikjé. Volgens de Body Mass Index ligt mijn gewicht iets boven het ideale, ruim binnen de marge dus. Toch begint zich onder mijn middenrif steeds duidelijker een bolling af te tekenen.

Aanvaarden, zou je zeggen. Ik ben toch al bijna vijf jaar de veertig gepasseerd. Helemaal mee eens. Maar wat dient hier precies te worden aanvaard?

In de eerste plaats dat het me blijft bezighouden. Ik zou er namelijk niet mee bezig willen zijn. Ik zou óf de buik voor lief willen nemen, óf een vanzelfsprekendheid aan de dag leggen bij het bestrijden ervan. Een van de twee is ideaal, alles ertussen is balen. Balen dus, want soms denk ik: ‘Laat maar gaan.’ En de volgende dag: ‘Doe er wat aan.’

Het makkelijkst zou zijn het te laten gaan. Gewoon eten en drinken waar ik zin in heb. Op de bank hangen wanneer me dat uitkomt. ’s Ochtends, als de kinderen naar school zijn, weer in bed kruipen in plaats van een stuk fietsen of wandelen. En daar geen greintje schuldgevoel bij hebben. Het credo van minder eten en meer bewegen aan mijn laars lappen. De levensgenieter uithangen.

Dat heb ik een tijdje gedaan, met stiekem de hoop dat er vanzelf behoefte aan minder eten meer bewegen zou ontstaan. Ik behoor toch graag tot het slanke deel van de bevolking. Ik kan het niet helpen mezelf in het zwembad te vergelijken met plattere buiken. Met de nodige inbeelding kom ik nog bij ze in de buurt. Een spiegel of, eerlijker nog, een foto leren een harde les. Met trots deze trofee dragen lukt me nauwelijks. Ik zie liever niet dat de buik nog geprononceerder wordt.

Logischerwijs kom ik dan weer uit bij het aanvaarden van de moeite die nodig is om in vorm te blijven. Dan moet ik me aan geplande beweging houden. Als het kan nog iets extra doen. Daarbij een strak regime van voedselinname volgen, er nu echt een leefstijl van maken. Risicovolle producten niet in huis halen. Ertegen vechten wanneer iets uit de voorraadlade of koelkast wenkt. Blijven onderzoeken waar het misgaat. Aan de slag.

Of nee, toch niet. Toch maar weer kiezen voor beide: een beetje buik en een beetje gezond. En ermee bezig blijven. En een beetje balen op z’n tijd.