Kleine

 

‘Ik ben al aan het schrijven,’ zeg ik tegen Meck, mijn jongste, die naast me fietst.

‘In je hoofd?’ vraagt hij.

Ik heb hem ter geruststelling een keer gezegd dat ook ik soms niet kan stoppen met denken.

‘Waar denk je dan aan?’

‘Dan denk ik aan wat ik zal schrijven,’ antwoordde ik slechts, om het voor hem overzichtelijk te houden. Het zou plezierig zijn als dat echt het enige was.

We zijn met de trein naar Amsterdam geweest, waar zijn beste vriend in het ziekenhuis ligt. Er gaat op zondag niets rechtstreeks van Holendrecht naar Zuilen. Op Breukelen hadden we tien minuten overstaptijd. Bij het naderen van dat station zag ik de vervallen loods weer, die me eerder ook al was opgevallen. We stapten uit.

‘Waar ga je naartoe, pap?’

‘Even daar kijken. We hebben nog wat tijd.’

Het perron reikte ver genoeg. We konden het verval van dichterbij aanschouwen. De driehoek van een luifel die boven de entree moest hebben gehangen, versperde die nu. De schuin op het dak geplaatste ramen waren meer gat dan glas. Sommige roldeuren waren grotendeels weg. We keken zo naar binnen. Daar groeiden struiken door scheuren in de betonnen vloer. In een eerder stadium van de teloorgang hadden ze graffiti gespoten waar maar kon. Ook die was overwoekerd.

Ik wilde er weleens binnen rondlopen en de macht van de natuur voelen, het verval en de groei aanraken en ruiken. Vanwege de rails en een hek was het onbereikbaar. We zouden om moeten lopen en waarschijnlijk over andere hekken moeten klimmen. We behoren niet tot een geslacht van hekkenklimmers.

Ik vroeg me af hoe lang dit nog zo zou staan? Het was een prima locatie voor een distributiecentrum. Dat was het misschien ooit ook. Mensen brachten er dagen door op een vorkheftruck of met een klembord in de linkerhand en een balpen rechts. Je kon dat nog zien.

We stonden er te ver vandaan om een goede foto te maken, zeker met de telefoon. Ik deed het toch.

‘Ga je er een blog over maken?’ vroeg Meck daarop. Het was nog niet in me opgekomen. Ik zei: ‘Misschien.’

Weer in de trein vroeg ik die kleine, van inmiddels twaalf, wat ik erover zou kunnen schrijven. Na even denken noemde hij feilloos de invalshoeken en mogelijke onderwerpen op, die ik zelf ook zou nagaan. Vanaf de vraag waarom ik er graag binnen zou rondlopen, en welk gevoel ik erbij had, tot wat er gaat gebeuren met de loods, plus hoe het ooit was, en uiteindelijk het idee om te noemen dat we op ziekenbezoek waren geweest.

Hij leest mijn blogs niet. Ik heb er precies drie voorgelezen, waarin hij of zijn broer voorkomen. Op basis daarvan doorziet hij mijn werkwijze en kan hij als het ware naast me komen zitten om het verhaal te dicteren. Ik kan wel inpakken. Mijn kind kan de was doen.

Natuurlijk zie ik hem graag de pen oppakken. Hoeft hij aan niets anders te denken dan aan wat hij zal schrijven.

 

 

Fictie

 

Dit is blog nummer vijftig. Als ik schrijf, schrijf ik ook voor jou. Ja jij, daar achter het scherm van je laptop, desktop of telefoon. Het is rap zo gegroeid dat ik geen dagboekaantekening meer maak zonder dat die potentieel materiaal is voor een blog. Ook nu. Je kijkt steeds over mijn schouder mee.

Dat is geen probleem. Alleen moet er wel genoeg gebeuren om aantrekkelijke verhalen te blijven presenteren. Het is soms zoeken naar belevenissen en invalshoeken. Mijn leven is niet arm, maar het levert toch niet voortdurend zomaar geschikte stof. Vandaar dat ik nu overweeg om over te stappen op fictie.

Er ligt nog een verzonnen verhaal dat half af is. Daar kan ik best wat over loslaten. Het gaat over een vertaler die in het huis van zijn net overleden moeder trekt en iets ontdekt. Dat is wel genoeg. Misschien moet ik me ertoe zetten het af te ronden, zodat ik daarna verder kan met iets nieuws. Misschien kan ik beter meteen met iets nieuws beginnen. Ik kan me ook blijven concentreren op het bloggen. Het is het een of het ander. Ik heb maar zoveel inspiratie, creatieve energie en tijd beschikbaar.

Je merkt, lezer, dat ik hardop denk. Hardop denken moet een mens soms durven. Daar komen de mooiste uitingen van, waarbij niet gezegd is dat deze daartoe behoort.

Een fictief verhaal vergt veel ambachtelijk werk en daarna is het maar afwachten of het ergens een plek vindt, of iemand het leest. Ik ben ongeduldig en niet zuinig, gul dus. Daar sluit beter bij aan om wekelijks iets online te zetten. Het voordeel van fictie daarentegen is de mogelijkheid er meer in kwijt te kunnen dan alleen de dingen die ik zoal tegenkom. Dat is nu de beperking die ik mezelf opleg. Er zal later vast blijken dat er een hele goede reden voor was.

En zo niet, dan toch.

De realiteit, die ik door te schrijven alsnog een beetje maak, levert vaak krachtige beelden. Vind ik zelf. Die beelden verzin ik niet, ze sluipen erin. Soms zie ik ze met verbazing onder mijn vingers ontstaan. Het komt ook voor dat ik denk dat het gewoon mooi is en dat ik pas bij teruglezen na enkele weken een onvermoede diepte zie.

Er kleeft een enkel nadeel aan deze werkwijze. Ik ben al niet zo’n prater en nu heb ik nog minder te vertellen. Het belangrijkste is al geschreven. Ik voel er niet voor het te herhalen. Soms loopt een gesprek dood, omdat ik moet zeggen dat er over het onderwerp al een blog is.

Toch maar door op de ingeslagen weg, denk ik hardop verder. Ieder verhaal is een piketpaaltje dat stevig de grond in gaat voor terreinwinst op de vergetelheid. Zo krijgt de werkelijkheid wortels. Op deze manier geef ik graag ruimte aan de verbeelding. Fantasie laat ik voorlopig aan anderen. Ieder moment is geschikt om te beginnen met fictie. In feite deed ik het al. In het echt is dit namelijk blog nummer achtenveertig.

 

Deur

 

In mijn herinnering was er één deur. Zwaar hout, goed in de lak, op slot. In de vroege ochtend had ik er een tijdje tegenaan gezeten, wachtend tot hij open zou gaan. Erachter woonden vast en zeker enkele geestelijken, monniken, die me toegang tot het gebouw zouden verschaffen, die mijn nood zouden lenigen.

Het was begin maart. Het jaartal ben ik kwijt. Iets had me doen besluiten in een rechte lijn naar Jeruzalem te lopen om daar vrede te brengen. Bij de toegang van een weiland liet ik mijn schoenen achter. Ik liep door een sloot. Mijn groene sweater met capuchon was nat tot aan mijn middenrif. Eronder droeg ik een leren broek. Kort na het koude bad bedacht ik net zo goed hier te kunnen blijven om mijn goede werk te verrichten. In Utrecht was genoeg te doen.

Op de weg terug belandde ik in De Meern. Toen ik tegen die deur ging zitten, was er nauwelijks verkeer. Ik dook weg voor de koplampen van een enkele passerende auto.

Vanuit een boom zong een merel, steeds een stukje en dan kennelijk wachtend op antwoord. In mijn oren waren het signalen naar de stad: ‘Hij zit bij mij hoor, hij komt eraan.’

De deur bleef dicht. Ik hoorde geluiden vanbinnen, maar het was blijkbaar nog te vroeg. Het wachten duurde me te lang en ik ging op pad, blootsvoets richting stad.

Deze week was ik onverwachts terug op de plek. De Meern is intussen ingelijfd door Utrecht en maakt onderdeel uit van Leidsche Rijn. Ik had de taak om bij de buurtteams flyers te bezorgen. Die bevatten informatie over de cursus digitaal herstelverhaal van Steunpunt GGZ, waar ik vrijwilliger ben en deelnemers begeleid bij het schrijfproces. Het is niet direct vrede brengen, maar toch goed werk. Ik geef het toe.

Het aardige is dat ik niet van tevoren van plan was om er een kijkje te nemen. Ik zoemde op de e-bike naar het relatief nieuwe gedeelte van de stad, mij grotendeels onbekend. De telefoon wees de weg. Toen ik over de Zandweg fietste, wist ik vrij goed waar ik me bevond. Toch verraste het me om ineens oog in oog te staan met het kerkje. Zo groot was het niet.

Op zoek naar die deur, waar ik haveloos tegenaan gezeten moet hebben, bleken er twee deuren te zijn, vrijwel identiek. De rechter, concludeerde ik al snel, moest de mijne zijn geweest. Dat wist ik vrij zeker. Zo sentimenteel raakte ik op dat moment ook weer niet, dat ik de deur per se aan wilde raken. Ik stond even stil en nam de omgeving in me op. Ik kon niet uitmaken of de enige boom die er nog stond, de boom was waarin die merel had gezongen.

Thuis zocht ik wat op. De website van de Marekerk toont een tekening met voorgenomen bouwplannen. Aan de zijgevel komt een soort kas. De deur wordt onbereikbaar, tenzij je de kerk binnengaat. Misschien binnenkort toch nog eens op de fiets erheen en de lak aaien.

 

Alright

 

Ik stuitte via enkele kronkels op het woord alright. De oorspronkelijke schrijfwijze daarvan is all right. Beide mogen worden gebruikt, maar voor formele doeleinden raadt men (Oxford Dictionaries) de laatste aan. Dus: it’s all right. Daar kan ik wel wat mee.

Snel uitgesproken zal het in een gesprekje toch zijn: ‘How are you doin’?’ ‘Alright, man.’ Dat is oké. Ik bedoel niet dat ik er iets over te zeggen heb of dat gebruik van het woord goed te keuren is. Ik durf wel te zeggen dat alright in dit geval oké is.

Als je er twee woorden van maakt en ze een beetje uit elkaar trekt, ontstaat er een veel bredere betekenis. It’s all right. Het is allemaal goed. Ik druk het mezelf of mijn dierbaren weleens op het hart. Het is allemaal goed, ook de twijfels en de tegenvallers, verdriet, ziekte en verval. Dat geweld en onrecht er ook bij horen, is moeilijker te begrijpen, ze doen het wel. Het komt beter over als je de woorden zou horen: It is all (korte pauze met inademing)… right.

Voor de lol plak ik er nog een woordje achter: it’s all right now. Deze simpele zin is op twee manieren te interpreteren.

De eerste is de meest voor de hand liggende. Letterlijk vertaald krijg je: het is nu allemaal goed. Bijvoorbeeld: ik heb een berg bagger achter de rug, ik heb mijn portie gehad, ik heb het overleefd en uiteindelijk is het goed gekomen. Dat is vet gaaf, om maar zo te zeggen. Met een kleine draai kun je er ook van maken: ik heb bagger achter de rug en ervaar nog steeds bagger, maar het maakt niet uit, het is goed nu. Dat is nog veel vetter en gaver. Zo ver ben ik nog niet. Ik heb niet de indruk van mezelf dat ik het al écht zo kan zien. Later misschien.

Voor de tweede interpretatie ga ik schuiven met een betekenis. Right is niet langer goed of oké. Het verandert in juist of precies. It’s all right now kunnen we dan opvatten als: het is allemaal precies nu. Juist op dit moment dus. Ieder moment draagt alles in zich. Van het kleinst denkbare deeltje, en waarschijnlijk nog kleiner, tot de buitenste regionen van het heelal. Van mijn eigen leven tot de hele variëteit in het dieren- en plantenrijk. Van de letters op dit scherm tot alle verhalen die ooit verteld en geschreven zijn. Alles is precies nu. Het is er. En alles is aan verandering onderhevig. Ieder moment is alles anders.

Alles zou ook met elkaar verbonden zijn, niet alleen wat er nu is, maar ook wat er eerder was om de huidige staat te bereiken, en alles wat nog komt. Niets bestaat zonder al het andere. Dat is nogal moeilijk te bevatten. Ik kan het nog niet. Voorlopig vermoed ik dat het zo is.

Hoe je het ook bekijkt: it’s all right now. Dat hebben Jagger en Richards goed gezien toen ze Jumpin’ Jack Flash schreven.

 

YouTube: The Rolling Stones – Jumpin’ Jack Flash (met lyrics)

 

Manager

 

Onze jongste had een eerste repetitie gehad samen met een pianiste. Ze gaan een optreden verzorgen tijdens een evenement in TivoliVredenburg. De muziekdocent heeft een paar keer benadrukt dat hij een getalenteerd trompettist is. Ze heeft al eens een jeugdorkest aangeraden, wat helaas niet in zijn straatje bleek te passen. Voor de halfjaarlijkse voorspeelavonden zoekt ze voor hem uitdagende stukken uit. Nu heeft ze dit geregeld. Ik ben al trots zonder dat hij een noot gespeeld heeft.

Aansluitend aten we in de stad. Het was de avond voor Koningsdag. We kwamen er niet onderuit om na het diner even over de vrijmarkt te lopen. Bij de eerste stappen langs de kleedjes met rommel opperde ik dat Meck wel wat kon spelen. Dat vond hij op zich leuk, maar hij had nauwelijks bladmuziek bij zich en geen muziekstandaard. Morgen dan, was al snel het plan.

Ter voorbereiding kocht ik bij een kraampje een hoed voor hem met de nationale driekleur omgeven door feloranje. Ik had afgedongen, twee derde van de vraagprijs betaald, en toch het gevoel bekocht te zijn. We zouden het mogelijk terugverdienen.

Op de grote dag, die het inmiddels genoemd kan worden, fietsten we met alle benodigdheden richting de stad: muziek, trompet, standaard, knijpers, hoed, eten en drinken, en een pet voor de muntjes. Ik drukte die kleine wel op het hart dat hij er niet te veel van moest verwachten: ‘Hou vooral in gedachten dat het leuk is om te spelen. Mensen waarderen het wel, ook als ze geen geld geven.’

Op een nauwkeurig geselecteerde plek blies hij eerst wat zenuwen van zich af. Ik zag en hoorde het vanaf de overkant van de straat, onopvallend opgesteld. Het spelen ging niet vlekkeloos, maar goed genoeg voor de omstandigheden. Van ver moet het geluid te horen zijn geweest. Het eerste kleingeld tinkelde in de pet. Beginnersgeluk, dacht ik op dat moment.

Maar ook op de tweede en derde locatie bleven de mensen geven. Vooral het Wilhelmus, talloze keren gespeeld, leverde veel op. Het was eigenlijk jammer dat hij steeds tijd kwijt was met het verwisselen van de muziek. Hij koos ervoor alle stukken maar een keer tegelijk te spelen. Bovendien lieten later op de dag zijn lippen het afweten. Ze weigerden nog langer correct spel mogelijk te maken. Ik kon maar net inslikken dat het niet uitmaakte hoe het klonk, als hij maar speelde. Rond twee uur gaf mijn artiest aan het echt wel te hebben gezien.

Op de fiets terug maakten we ieder een wilde gok hoeveel de opbrengst zou zijn. We zaten allebei op minder dan de helft, bleek later bij het tellen. Het kwam uit op grofweg 90 (negentig!) euro, een fortuin voor een jongen van elf. Het is iets minder dan wat hij in een jaar aan zakgeld krijgt. Ik dacht er vooral aan dat het, als we het iets anders hadden aangepakt, net zo goed 250 had kunnen zijn. De voormalige manager van Avicii is een lieverdje vergeleken met mij, de vader van Amy Winehouse een heilige.

 

Gebouw A

 

Mijn ouders huren ieder voorjaar voor een weekend een huis in of nabij de natuur, waar we met dertien in kunnen, vier koppels en vijf kinderen. Daarbij is het gewoonte dat ik me, na een dag met de groep opgetrokken te hebben, afzonder voor de nodige rust. Melanie was zo lief me te vergezellen. De anderen waren zo goed zich over onze kinderen te ontfermen, hoewel gezegd moet worden dat die steeds zelfstandiger zijn. Zij gingen naar het klimbos, wij naar de hei.

Op weg daarnaartoe deden we een loopmeditatie, niet gek voor de zondagochtend. Met mijn beste mindfulness-stem praatte ik ons de wandeling in.

Het kwam zo uit dat we aan het eind van die introductie gebouw A in zicht kregen. Het is het meest in het oog springende gebouw van het voormalige zenderpark Radio Kootwijk. Er werd in 1923 begonnen met draadloze trans-Atlantische telegrafie. Dat duurde maar kort. Andere vormen van communicatie verdreven de extreem lange golf, die men gebruikte om berichten te versturen. Later is er vanuit het complex onderzoek gedaan naar straling vanuit het heelal. Nu worden er soms evenementen georganiseerd.

Vorig jaar, toen we voor het familieweekend op dezelfde plaats bivakkeerden, was het een verrassing de kolos vanuit de verte te zien opdoemen. We kwamen vanuit een andere richting en hadden al een stuk over de hei gelopen. De betonnen verschijning in die omgeving kwam onwerkelijk over. Ik wist meteen hoe ik in een minder stabiele fase hiermee aan de haal kon gaan. Tijdens of op het randje van ontstonden hier dan de waanzinnigste ideeën. Dat er geen zendapparatuur meer aanwezig was, zou me er niet van weerhouden er een belangrijk knooppunt in te zien. Lijnen van over de aarde kwamen samen en met hetzelfde gemak vanuit het hele universum. Dit zou de aangewezen plek zijn om kracht, liefde en energie te ontvangen en door te geven.

Dat was toen. Deze keer kwam er iets anders op. Ik dacht: dit is een toevluchtsoord voor verweesde zielen. De grote ruimte binnen het gewapende beton is een opslag, een depot. Verloren geesten zijn hiernaartoe geleid en in afwachting om hervonden te worden.

Wat deed ik hier dan? Kwam ik iets brengen, of halen? Ik weet dat ik de laatste tijd een hoge dunk heb van mezelf. Ik ben op alle fronten goed bezig. Ik ben de voetballer in een flow. Kan niet missen. En als ik toch iets niet goed doe, een beetje vaag gezegd, is het ook goed. Ik heb de sensatie onder een steen vandaan te komen. Het loopt zoals het lang niet heeft gelopen. Dat is prima, maar mijn ik klopt zich er driftig over op de borst. Mijn zelfbeeld zingt zich langzaam los van de realiteit.

Tijd doorbrengen met familie bleek een remedie. Ik weet niet precies hoe dat werkt. Het heeft iets te maken met weten wat mijn plek is en mijn rol. Ik voelde weer grond onder de voeten.

Zo kon ik zonder iets uit te wisselen enkele momenten nabij gebouw A verblijven.

 

 

foto: Arnoud Klomp

 

Brief

 

Wijzigingen dienen te worden doorgegeven met een digitaal formulier, behalve die in mijn lichamelijke en geestelijke toestand. Informatie daarover wordt door een arts beoordeeld. Papier is het aangewezen medium. Met de tong tussen mijn tanden heb ik zitten tikken, daarna afgedrukt en ondertekend. Linksboven op de envelop staat in dikke letters: `medisch geheim’. De brief is de deur uit. Hij zal de postkamer van de uitkeringsinstantie inmiddels wel gepasseerd zijn. Een bevoegd persoon sorteert binnenkort op afdeling. Er is geen weg terug.

Ik ontvang een uitkering in het kader van de Wajong, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Zo heel jong ben ik niet meer. Dat was ik toen ik gehandicapt raakte. Het is de vraag hoe gehandicapt ik nu nog ben. Ik ben bereid, ongeacht de uitkomst, daarover met een arts van gedachten te wisselen. Met zoveel woorden staat het niet in de brief. Als er net als bij de vorige van anderhalf jaar geleden geen reactie komt, laat ik het zo.

Het gaat goed zoals het gaat. Ik heb geen behoefte om veel geld te verdienen, of per se zelf geld te verdienen. Dat ik voorstander ben van het basisinkomen staat hier niet geheel los van. Ik heb er nooit moeite mee gehad geld voor niks te krijgen. Ik voel daar geen schuld over, als zou ik de samenleving, en daarmee mijn medemens, benadelen. Ik ben er dankbaar voor dat dit kan, dat dit vangnet bestaat. Het stelt me in staat me te richten op het in mijn ogen zinvol invullen van mijn leven.

Ter verdediging, als die toch verlangd wordt, kan ik mijn twee vrijwilligersbaantjes aanvoeren. Ik begeleid online mensen met een psychiatrische achtergrond bij het schrijven van hun herstelverhaal. Ik wandel binnenkort weer met een oude dame uit het verzorgingshuis. Iemand moet het doen. Het schept voldoening.

Het kan wel zo. Ik ben er voor mezelf, mijn naasten en een paar anderen. Prima, al zeg ik het zelf. Daarnaast beschouw ik uit handen blijven van de hulpverlening al als een verdienste. Als je het zo wilt zien: dat scheelt geld en menskracht.

Getriggerd door mijn eigen initiatief, het sturen van die brief, blik ik voorzichtig vooruit. Zoals mijn leven ingedeeld is en hoe ik inspanning ervaar, verwacht ik niet veel te kunnen werken. Drie ochtenden misschien, met weinig tot geen mensen om me heen. Er blijft altijd zo belachelijk veel aan me kleven. De energie die dat kost, besteed ik liever aan iets anders. Mijn creativiteit en kracht komen het best tot uiting bij een flinke mate van vrijblijvendheid. Ik wil bijtijds kunnen bijsturen.

De arts gaat lezen dat het wat beter gaat. Het is afwachten hoe hij of zij mijn woorden interpreteert. Ik had nog gedacht om de spellingscontrole achterwege te laten. Ik heb zelfs overwogen een paar terugkerende taalfouten in te voegen, het equivalent van ongeschoren, slordig gekleed en onwelriekend op een afspraak verschijnen. Niets daarvan. Ik betreed het strijdperk met open vizier en een beetje bevreesd. En zie wel wat ervan komt.

 

Spiegel

 

Nu mijn wangen en kin weer kaal zijn, oog ik volgens Melanie tien jaar jonger. Ik weet niet of ik daar blij mee ben. Ik zal het me toch niet ingebeeld hebben dat ik de afgelopen tijd met meer respect en welwillender werd bejegend door onbekenden, misschien ook door bekenden. Zonder dat mensen zich er bewust van waren, reageerden ze anders. Om iets gedaan te krijgen, bijvoorbeeld het ontvangen van een groet of een glimlach, hoefde ik me minder in te spannen. Die grijzende gezichtsbeharing kreeg veel gedaan. Zonder zou je me aan kunnen zien voor een gewiekste makelaar of een gladde advocaat, mét was ik meer van de straat. De levenservaring spatte ervan af.

Het baardje is weer weg. Het is door de afvoer gespoeld. De haartjes waren er maar een paar maanden. In januari vond ik het na even niet scheren wel goed staan en heb ik het zo gelaten. Tot ik er deze week ineens genoeg van had. Ik mis hem toch wel, merk ik. Binnen twee weken is hij terug, als ik dat wil. Ik weet nog niet of het echt iets voor mij is.

Het is ook een praktische kwestie. Een baard laten staan blijkt niet minder werk dan regelmatig scheren. Scheren moet ik toch. Mijn schedel wil ik eens in de paar dagen laten glimmen. Wat daar nog groeit, benadrukt vooral wat er niet meer groeit. Daar heb ik lang geleden mee leren leven. Het moet wel gebeuren.

Als ik daarmee bezig was, gingen meteen stukjes wang, onderlip en nek mee. Het hoefde niet super strak gestileerd, maar mocht ook geen wildgroei worden. Zie hoeveel aandacht er kan worden besteed aan een achteloos ogend uiterlijk.

En dan heb ik het nog niet gehad over het op lengte houden. Daar kon ik zo tegenop zien. Twee keer per week moest de baardtrimmer erlangs. Als ik dat net gedaan had, vond ik de haren eigenlijk te kort. Ergens tussen dat moment en de volgende keer was het precies goed, maar slechts voor een dag. De juiste stand vinden en dagelijks aan de slag was me te veel.

Er kwam nog bij dat de accu van de baardtrimmer lam was. Hij laadde niet meer op. De enige mogelijkheid om hem te gebruiken was met het netsnoer. In de badkamer is wel een spiegel maar geen stopcontact. Op de overloop is een stopcontact maar geen spiegel. Ik moest in het halfdonker op gevoel trimmen, dan naar de badkamer lopen, inspecteren en terug voor de gemiste stukjes, tot drie of vier keer toe.

Op de overloop ontbreekt ook nog een wasbak, waar de haartjes keurig in konden vallen om later makkelijk weg te spoelen. De stofzuiger kwam eraan te pas om de sporen te verwijderen. Als die net beneden stond, veegde ik ze maar flauwtjes tegen de plint.

Mocht ik toch weer behoefte krijgen om wat ouder te lijken, zal er iets moeten veranderen. Ik dacht aan een spiegel boven het stopcontact op de overloop, met een lamp erboven en een wasbak eronder.

 

Medicijn

 

Methotrexaat is een medicijn tegen reuma. Het heeft maanden geduurd voor ik de naam zonder hakkelen uit mijn hoofd wist. Ik maakte er steeds ‘metrothexaat’ van. Eens per week neem ik het in.  Bij de eerste uitgifte werd me bij de apotheek op het hart gedrukt alvorens de pilletjes uit de strip te drukken, de kraan aan te zetten. Zo kon ik direct, zonder iets aan te raken, mijn handen wassen. In het lichaam doet de stof zijn werk, daarbuiten is hij erg schadelijk. Rommel natuurlijk, maar ik slik het nu zo’n anderhalf jaar en het lijkt te werken.

Na langdurig gebruik kan er schade aan de lever optreden. Dat is een goede reden om die andere schadelijke factor te minimaliseren: alcoholinname. Paradoxaal genoeg heeft het gebruik van het medicijn juist aangezet tot meer drinken.

Toen anderhalf jaar geleden de methotrexaat op mijn pad kwam, had ik al een beetje genoeg van bier drinken. Het bericht dat het medicijn en alcohol niet goed samengingen, kwam me wel goed van pas. Ik merkte een lichte afhankelijkheid ontwikkeld te hebben. En aan afhankelijkheid heb ik een broertje dood, veel meer nog dan aan mogelijke gezondheidsschade. Ik ga toch een keer, cru gezegd.

Met roken kon het me ook niet zoveel schelen dat mijn longen naar de mallemoer gingen. Ik baalde er vooral van dat ik die sjekkies móest roken. Na veel oprechte pogingen heb ik me daar uiteindelijk van bevrijd. Ik heb nu ruim vijf jaar niet gerookt, zou er af en toe best nog eentje op willen steken, maar weet dat die ene een nieuwe keten in gang zet.

Na het starten met de pilletjes, stopte ik dus helemaal met drinken. Geen probleem.

Een paar maanden later vroeg ik de reumatoloog of af en toe een glas tijdens een etentje of een feestelijke gelegenheid mogelijk was. Volgens haar waren de regels niet zo strikt als ik had gedacht. Een beetje mocht wel, ‘maar in ieder geval niet op de dag van inname en zeker niet meer dan twee glazen per dag’.

Dat vul ik nu keurig in.

De glazen zijn blikjes of flesjes, best wat meer dus. In de tussentijd heb ik nog een keer geprobeerd helemaal te stoppen. Dat beviel weer goed en ik hield vol tot ons huwelijksjubileum. Dan mocht ik wel een glas of twee, vond ik. Het volgende weekend was er weer een gelegenheid. Het weekend daarop was het weekend zelf gelegenheid genoeg. Razendsnel vond ik me terug op een hellend vlak.

Om die reden is minderen, wat ik meer dan eens geprobeerd heb, niet echt een optie. Met bier in huis is er altijd wel een reden te bedenken om een blik of een fles open te trekken. Als het niet in huis is, is de supermarkt vlakbij. Ik moet helaas toegeven dat de afhankelijkheid diep zit. Mogelijk is het nu wel de methotrexaat die me behoedt voor het uitgroeien van een onschuldige gewoonte in een gemene verslaving.

Het zou ook kunnen dat het al zover is.

 

Spel

 

Goedbeschouwd ontbreekt het ons aan bijna niets. We zijn net niet helemaal een happy family. Naaf, onze oudste van dertien, heeft iets aan zijn knie.

De naam van de aandoening is ons niet bekend; vergeten te vragen aan de orthopeed. Die heeft wel aan de hand van een MRI-scan uitgelegd dat in een deel van het bot te weinig zuurstof zit. Onder het kraakbeen zit bovendien een ruimte die daar niet hoort.

Met plezier herhaal ik de metafoor die de dokter gebruikte om het te verduidelijken. Stel je een houten vloer voor met daaronder beton. Het hout is het kraakbeen, het beton het bot. Als er een gat in het beton zit en je zou boven dat gat op het hout springen, loop je kans door de planken heen te gaan. ‘Dat is er aan de hand,’ besloot hij.

Het is een geschikte orthopeed, die het ook voor een kind inzichtelijk kan maken. Naaf had net een proefwerk biologie over het bewegingsapparaat achter de rug. Dus die had aan een half woord genoeg.

De orthopeed legde twee opties voor: 1. een operatie, waarbij twee schroefjes in het bot gedraaid zouden worden teneinde de groei te bevorderen, of 2. vier maanden rust en zien of het euvel daardoor verdwijnt.

Na enig beraad kozen we voor de rust.

Het betekent geen gym en geen voetbal. Bij navraag bleek fietsen, uitgezonderd in gematigd tempo van en naar school, ook niet te mogen. Tot zover mijn plan om een racefiets voor hem aan te schaffen en samen te toeren. We zitten te puzzelen waar de beweging dan vandaan kan komen. Zwemmen, als in baantjes trekken, voelt hij niks voor. Dat was het enige wat overbleef.

Hij zit nu bijna een maand stil. Het is hem niet aan te zien. Naaf is cool. Hij is er niet de persoon naar om tegen de muren op te vliegen. Balen doet hij zeker wel. Met het voetbalseizoen is het gedaan. Voetbal is een belangrijk deel van zijn leven. Hij mist het. Het rennen, de bal aan zijn voet, het spelen. Het contact met zijn teamgenoten, denk ik ook wel. Met vrienden afspreken om een balletje te trappen is er niet bij.

Gelukkig is er Fortnite. Fortnite is een spel onder andere op de Playstion. Het is vorig jaar zomer gelanceerd en was afgelopen januari wereldwijd 40 miljoen (!) keer gedownload. Naaf speelt niet anders. Hij zou liever zien dat de gameconsole op zijn kamer stond. Melanie en ik houden hem voorlopig bij ons in de woonkamer. Helemaal afzonderen kan altijd nog.

Het aardige aan Fortnite is dat de spelers online teams vormen. Hadden wij vroeger niet. Tijdens het killen en looten overleggen ze via de headset over hoe nu verder. Het uitwisselen van tactieken en het maken van grappen gaan hand in hand.

Het blijft een beetje jammer dat het enige zweet het zweet in zijn handen is en de enige beweging die van zijn vingers aan de knoppen. We kunnen ermee leven, voor een paar maanden.

 

Reiger

 

Mijn zenlerares heeft me aangeraden een bepaalde ervaring niet te delen. Haar advies luidde om die voor mezelf te koesteren en op die manier zijn uitwerking te laten hebben. Dan ben je bij mij aan het verkeerde adres. Melanie weet dat. Ik kan niet liegen én ik kan nauwelijks iets voor me houden. Heb ik geprobeerd, een maand of twee in dit geval. In die tijd is er een gemene pusbult ontstaan die erom schreeuwt tussen duim en wijsvinger te grazen te worden genomen.

Het is een jaar geleden dat ik het eerste blog plaatste op deze site. Ik herinner me mijn voornemen om openhartig te berichten over de geest in het algemeen en de mijne in het bijzonder. Het was toen al duidelijk dat er verandering op til was, misschien vooral omdat er altijd verandering op til is. In het verlengde van mijn boek hoopte ik in dit blog te kunnen schrijven over het pad dat ik bewandel. Daar hoort deze ervaring bij.

Het is een delicate onderneming. Punt is dat het onder woorden brengen van een ervaring de ervaring vaak tekortdoet. Ontluistering ligt op de loer. Ik moet omzichtig te werk gaan. Ik ga het ergens over hebben, zonder het erover te hebben. Pin me nergens op vast. Ik verklap alvast dat het niet over een reiger gaat.

Intussen wilde ik het wel even hebben over de reiger die ik zag staan in een ondiepe sloot. Het water was troebel als chocolademelk en toch had de vogel het voor elkaar gekregen er een visje uit te vissen. Het spartelde tussen de uiteinden van de snavel. Ik zag het in het voorbijgaan. Het verdere verloop was te raden. Wat voorafging weten we ook. De reiger heeft daar roerloos gestaan, lang genoeg om bij de vis het idee van gevaar weg te nemen. Daarna was er een snelle uithaal met de kop en met uiterste precisie getimed een hap van de bek.

De reiger is zich hoogstwaarschijnlijk niet bewust van zichzelf. Laten we het aannemen. Hij kent geen ik. Alles bestaat voor hem in een onbegrensde ruimte. Hij ervaart geen hier en nu, dat zou namelijk betekenen dat er een notie is van elders en vroeger en later. Er is niet iets dat waarneemt. Er is alleen maar reigerheid.

De mens is zich wel van zichzelf bewust. Dat lijkt net zoveel in de weg te zitten als dat het helpt. We leveren een gevecht om af en toe los te komen van dat bewustzijn en alleen maar te zijn. Zo is het voor mij althans. Daartoe zit ik twee keer per dag op een kussen, wandel ik, doe ik de afwas, luister ik muziek, van alles; langzaamaan komt een steeds groter deel van mijn leven in het teken te staan van die bevrijding.

In wakende toestand mezelf helemaal vergeten lukt praktisch nooit. Onlangs gebeurde het. Mijn lerares heeft liever niet dat ik daarover schrijf. Later misschien, niet nu. Kan ik niet. Ik hou je op de hoogte, voor zover mogelijk.