Territorium

 

Ik heb niets tegen honden, ik vertrouw ze alleen niet. Of impliceert dat dat ik wel iets tegen honden heb? Nou goed, ik heb iets tegen honden. Soms tegen een individu van de soort, altijd tegen het concept in het algemeen. Er zijn er intussen erg veel, honden en hondjes. Ik wil dat wel even opzoeken. Volgens puppyplaats.nl – betrouwbaarder is er niet – worden er momenteel in Nederland 2,2 miljoen gehouden. Dit op zich lijkt me al een probleem.

En die mening is echt niet alleen maar terug te voeren op dat ene incident.

Ik weet niet meer precies hoe oud ik was, vijftien misschien. Ik bezorgde een zondagskrant in de wijk en op het achterliggende bedrijventerrein. Geen idee eigenlijk wat een zondagskrant te zoeken had op een bedrijventerrein, waar op zondag alles dicht bleef. De enige woning was een verdwaalde bungalow. In die tijd kende ik bungalows alleen van Sporthuis Centrum. Hier stond er eentje in het wild tussen de blokkendozen van distributiecentra, metaalbewerkers, een cateraar en wat kantoorpanden. Geen mens te bekennen.

Wel een hond. Die zat altijd achter de voordeur van de bungalow. De brievenbus zat in de deur. De hond trok de krant, nadat ik die er een klein stukje ingestoken had, verder door de brievenbus.

Op een van de ochtenden stond de deur wijd open. Het zal toch niet heel warm zijn geweest, want ik had mijn winterjas aan. Dat weet ik goed, omdat de tanden er moeiteloos doorheen gingen. De hond lag op de mat. Ik gooide de krant achter hem in de hal. Een beetje dom, dat wel. Mijn reflex van terugtrekken bleek eindeloos veel trager dan de zijne van toehappen.

Lijkbleek kwam ik thuis. Pas daar heb ik gekeken wat de schade was. De ernst van de verwondingen viel mee. Nog wel naar de eerste hulp geweest voor een tetanusprik. Hechtingen bleken niet nodig. Het was vooral de schrik die er goed in zat, die er blijkbaar nog in zit.

Het wantrouwen is van blijvende aard. Dat kan ik na dertig jaar wel zeggen. Ze moeten gewoon uit de buurt van mijn kuiten blijven. Ook geen gesnuffel, en al helemaal geen agressief gegrom, niks, wegwezen.

Het park hierachter kent gelukkig diverse territoria. Er zijn gebieden waar honden niet mogen komen, gebieden waar ze aan de lijn moeten en gebieden waar ze los mogen lopen. Begrijpelijkerwijs vermijd ik die laatste zoveel mogelijk. Je loopt er kans een vrouw tegen te komen van hondenuitlaatservice Kwispel. Of iets dergelijks. Ik zie haar weleens van een afstandje. Met een roedel van divers allooi beweegt ze zich traag over de graslandjes. Dat is daar en ik ben hier, dan is het goed.

Mijn echte ongenoegen is pas gewekt, mijn gevoel voor rechtvaardigheid aangetast, mijn verontwaardiging groeiende, als, zoals van de week, een stel met twee loslopende mormels mijn huisdiervrije gebied doorkruist. Ik slik de vraag of de dame en heer op de hoogte zijn van de regels weer in.

Volgende keer, beloof ik mezelf in het voorbijgaan, ga ik vriendelijk blaffen.

 

Goudkoorts

 

Dit is de eerste herfst sinds lange tijd dat ik geen last heb van ernstige mentale oprispingen. Ik weet niet zo goed hoe ik dat anders kan omschrijven, geestelijke relletjes misschien. De stress neemt toe. De druk loopt op. En er zijn meer zogenoemde betrekkingsideeën. Zonder aanwijsbare reden. Het was per najaar en winter meerdere keren nodig om op de rem te staan en bij te sturen. Dat hield in: het schrappen van geplande activiteiten, overgebleven bezigheden op een laag pitje zetten en meer rust nemen. Hoeft niet meer.

Nu even afkloppen.

Het is mijn favoriete bezigheid te zoeken naar oorzaken. De eerste mogelijkheid ligt voor de hand: ik plan minder, hou overgebleven activiteiten op een laag pitje en neem meer rust. Bijsturen is dan niet nodig. Daarnaast mag ik graag denken dat mijn gestage mediteren een rol speelt. En het hele jaar zwemmen in de Plas doet ook wat.

Een documentaire op de Duitse televisie bracht me nog op een ander spoor. Das Salz der Erde gaat over de wereldberoemde fotograaf Sebastião Salgado, mij tot voor kort onbekend. De film begint met beelden van Serra Pelada, een open goudmijn die begin jaren tachtig duizenden Braziliaanse gelukzoekers trok. Op een foto zien we het gekrioel van honderden mannen in een enorm gat in de grond. Met zalvende stem vertelt Sebastião hoe hij de plek aantrof: ‘Ik zag het begin der tijden, het bouwen van de piramides, de toren van Babel. Er was alleen wat gemurmel hoorbaar, en af en toe een ingehouden vloek. Geen machines.’ Vijftig tot zestig keer per dag klauterden de mannen met zakken modder de geïmproviseerde trappen op. ‘Als je eenmaal met goud in aanraking bent geweest,’ zegt Salgado, ‘laat het je niet meer los.’

Ik ben met goud in aanraking geweest. Dat zou ik niet van de daken moeten schreeuwen, maar ik kan het niet laten, ik doe het toch, zo ben ik. Ik heb goud gevonden in de dieptes van mijn manische psychoses en later in mildere ervaringen. Inderdaad ontstaat er, na eenmaal een klompje uit de modder te hebben gevist, een groot verlangen naar meer. Ik had een sterke behoefte aan bevestiging van de aanwezigheid van het meest kostbare. Er was altijd een onderstroom in me die naar beneden neeg.

Het zou zomaar kunnen dat die neiging inmiddels een gepaste plek heeft gevonden, op de plank met verlangens waar ik niet per se gehoor aan hoef te geven.

Het was een grote chaos in en rond die mijn. Het was ieder voor zich en waanzin voor allen. Uiteindelijk verliet men de plek, terwijl er vermoedelijk nog veel goud lag. Het gat liep vol en vormt nu een klein meer. Ernstig vervuild weliswaar, maar dat weerhoudt me er niet van er een beeld aan te ontlenen.

Ik zie me zwemmen. Tussen mij en het goud het koele water. Ik ben me bewust van het kostbare op de bodem. Het ligt daar goed. Ik hoef er niet naar op zoek. Ook in de donkere jaargetijden niet.

 

foto’s van de Serra Pelada mijn

Schat

 

Ik kan niet zeggen dat ik heb gevonden waar ik naar zocht. Ik heb namelijk niet gezocht naar wat ik heb gevonden. Voor zover ik weet.

Melanie helpt me vinden. Daar is ze heel goed in. ‘Laat mij maar even,’ zegt ze als ik iets kwijt ben. Binnen een mum zwaait ze met waar ik naar op zoek was; een papiertje, een boek, een kledingstuk. In een variant van de uitdrukking ‘met je neus kijken’ voegt ze daar vaak aan toe: ‘Je keek zeker weer met je piemel.’ En dan gebruikt ze het minder nette woord voor het mannelijk geslachtsdeel. Verwacht je niet van haar, maar zo is ze dan ook wel weer, binnenshuis.

Ook informatie van internet heeft ze doorgaans sneller te pakken dan ik. Ik verdenk de lui bij Google ervan dat ze haar een andere versie van hun zoekmachine voorschotelen.

Niet alleen helpt ze met vinden op deze makkelijk te verklaren manieren; ze kijkt gewoon beter, is doortastender en slimmer. Er zijn ook opmerkelijke voorvallen die niet direct een plekje in het te begrijpen domein krijgen.

Gisteren nog met de peper. We hadden het potje met korrels en eraan bevestigd molentje nodig op tafel. Mijn schoonouders hadden in het weekend op het huis en de kinderen gepast. Er lagen de hele week nog wat spullen niet op hun vaste plek. Ik keek in het kruidenrek, op het aanrecht, in de kast. Nergens. Gelukkig is mijn credo bij het inslaan van proviand: ‘Verpakking open is nieuwe kopen.’ Dan zit je in principe nooit ergens om verlegen. Dus pakte ik de nieuwe peper. Na het eten wilde ik Melanie vragen of zij het aangebroken potje had gezien. ‘Weet jij waar…,’ bij het uitspreken van die woorden viel mijn oog er al op.

Dit staat niet op zich. Iets langer geleden gebeurde iets soortgelijks met de tandenstokers. Zij was boven en ik zocht onophoudelijk op de bijzettafeltjes, waar de houtjes doorgaans liggen. Daarna onder de bank, achter de bank, op tafel, de cd-kast (die hebben we nog). Nergens. Uiteindelijk toch maar opgehouden en de etensrest tussen mijn tanden gelaten voor wat die was. Later, met haar weer naast me, kon ik het vragen. De w van ‘weet jij misschien’ was nog niet over mijn lippen of ik zag het doosje liggen op de kast tegenover de bank.

Om maar helder te krijgen dat dit niet op toeval berust, geef ik nog één voorbeeld. Het was een vrijdag en ik zat met het tweede katern van de Volkskrant op de wc. De column op de achterpagina had ik uit en ik ging op zoek naar mijn favoriet. Ook na veel heen en weer bladeren vond ik die niet.

‘Melanie,’ riep ik door de deur. Geen reactie.

‘Melanie,’ probeerde ik nog een keer. Er kwam antwoord.

‘Melanie, is Buwalda ermee gestopt?’

Bij de laatste t van ‘gestopt’ viel de krant open op de gezochte pagina.

‘O, zit je daar,’ zei ze nog, de schat.

 

Dit

 

Als je me zeven jaar geleden mijn huidige leven uit de doeken had gedaan, al was het alleen maar in grove lijnen, dan zou ik juichend opgesprongen zijn en je in een knellende omhelzing door de kamer hebben getild. We zouden het op een feestelijk zuipen kunnen zetten, wetende dat het allemaal goed kwam. Wat zou ik blij zijn dat de misère een eind kende.

En nu is het zover en blijkt het niet genoeg, zit ik nog te kniezen. Ik ervaar volop tegenzin. Het is overdreven om te zeggen bij alles, maar wel bij veel. Natuurlijk bij het schoonmaken van de wc en andere vervelende klusjes. Maar ook voorafgaand aan een avond poolen met vrienden, wier gezelschap me altijd goed doet. Toch zoek ik naar een reden om niet te hoeven.

Een andere activiteit waar ik tegenop zie, is het bijwonen van een meditatiegroep. Er is altijd de overweging het een keertje over te slaan, terwijl die bijeenkomsten juist zo weldadig zijn.

Volgens eigen inzicht ben ik niet depressief. Het mag van mij door de bank genomen best wat opgewekter, maar van aanhoudende somberheid is geen sprake. Ik ben niet passief. Ik slaap goed. Ik voel voldoende. Die diagnose kan geschrapt.

En dan toch steeds weer die tegenzin. Het doet me vermoeden dat er een weeffout zit in mijn doen en laten. Misschien valt er iets te vermaken, waardoor het tapijt loskomt van de stroeve ondergrond. Ik zou vroeger uit bed moeten. Ik zou meer moeten bewegen. Minder tv kijken en meer lezen. Ik zou een levensdoel en bijpassende subdoelen moeten formuleren. Ik zou er meer voor anderen moeten zijn. Ik zou van alles moeten proberen om van die tegenzin af te komen en in het vervolg sprankelend en met gemak door het leven te gaan.

Je voelt dat dit wringt. Toch blijf ik zoeken naar een manier. Want waar is dat gezeul en geduw en gepieker en gezeur nou goed voor? Kan het niet wat lichter? Wat is de zin van die tegenzin?

Ik heb nog een vermoeden. Per situatie kan het opzien tegen met van alles omkleed worden, maar in de kern is het diepgewortelde angst, restant uit het verleden. Toen ging er in mijn ogen veel mis met betrekking tot mij als persoon. Het leverde woede op en schaamte, pijn en verdriet.

Iedere keer dat ik nu de deur uitga is de kans nog aanwezig gekwetst te raken. Dat wil ik niet. De uiterste consequentie van die wens is veilig thuisblijven. Dat is wat ik steeds overweeg voordat ik vertrek, als ik mijn schoenen aantrek en mijn fiets uit de schuur pak.

Proberen de tegenzin tegen te gaan zal geen heilzame weg zijn. Bevrijding ligt eerder in het besef dat het is zoals het is, mét tegenzin en weerzin daartegen en alles. Er hoeft niets bij of af.

Voorafgaand aan de meditatie zegt de lerares altijd: ‘Er is alleen maar… dit.’ Kort daarop klinkt driemaal het geluid van de klankschaal. Zo simpel is het. En moeilijk tegelijk.

 

lees ook Verwarde man. Leed en herstel in 40 verhalen

Donderdag

 

Het is donderdag en ik heb nog niks. Ondanks dat de kinderen vakantie vieren, heb ik voldoende tijd gehad. Maar ik schrijf langzaam. De materie moet eerst in de marinade, ook als het over ogenschijnlijk simpele onderwerpen gaat.

Het is een ambachtelijke aanpak die het voor mij doet. Ik begin op papier. Daarna komt er een eerste versie digitaal. Die moet minimaal een keer in zijn geheel overgetypt. Als dat gedaan is, volgt het mierenneuken; de precieze plek van alle woorden, komma’s, het nagaan van termen die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn, nog een keer ergens de volgorde veranderen, toch een ander woord daar.

Als het goed genoeg is, en ik er nog opwinding aan beleef, lees ik het voor aan Melanie. Die geeft haar fiat of keurt het af. We hebben het erover. Dat heet volgens mij eindredactie.

Ik ben heel tevreden over deze werkwijze. Het behoedt me voor overhaast publiceren en soms ook voor het plaatsen van ongepaste teksten. Ja, lezer, die mis je dus.

Mijn positie was de afgelopen maanden riant. Bij het plaatsen van een blog lag er altijd eentje klaar voor de volgende week. Dat was afgelopen vrijdag niet zo. Geen idee waardoor de vertraging was ontstaan, maar geen probleem, er was nog tijd.

Dezelfde dag kwam er een schets uit mijn handen voor een column, een column-column met een mening, over de hysterie rond de dood en verdwijning van Anne Faber. Ik moest die uitwerken voor ik verder kon met iets anders. Best goed geschreven, al zeg ik het zelf. Hij zou niet misstaan in een krant. Tussen deze blogs wel. Bij plaatsing zouden we bovendien een week verder zijn en hoefde de kwestie niet opnieuw opgerakeld. Daar ageerde de tekst juist tegen. Mijn redacteur was het ermee eens.

Bij een nieuwe poging op maandagochtend ontstond er geen blog maar een dialoog. Twee mannen spreken elkaar op een niet nader genoemde plek. De eerste vraagt hoeveel contact de ander nog heeft met diens ex. Daarna ontspint zich een gesprekje waarin de tweede man ingepeperd krijgt dat hij nog steeds onder de knoet zit. Aan het einde blijkt… om het kort te houden: het is best grappig, al zeg ik het zelf, maar niet geschikt voor hier. Ik kon niet anders dan meegaan in dat oordeel van de eenkoppige commissie.

De derde tekst van de week vond ze wel geschikt, net aan. Dat verhaal gaat over een winterzwemster waarvan de vraag is of ze winterzwemster is. Die dompelt alleen maar. De mannen, waaronder ik, doen daar minachtend over, wellicht ten onrechte. Dit kwam dus met de hakken over de sloot in aanmerking. Ik vond het bij nader inzien zelf niet goed genoeg. De opwinding ontbrak.

Genoeg gewerkt, nog steeds lege handen. Ik word zenuwachtig. Ik heb zelf gezegd wekelijks iets te plaatsen. Daar moet ik me aan houden, vind ik. Getuige bovenstaande inspanningen heb ik geen vakantie gehad. Zonde om deze plek op de site dan leeg te laten. Er moet iets gebeuren. En snel.

 

Egel

 

Onze jongste heet Meck. Die naam komt niet veel voor in Nederland. In de afgelopen tien jaar zijn er tien jongens zo genoemd. Een betekenis van de naam is niet te vinden. Laten we er daarom van uitgaan dat die er niet is. Er zit wel een verhaal aan vast, een sprookje beter gezegd.

In de zomer verbleef Melanie met een vriendin en de kinderen enkele dagen in een vakantiehuisje in Maarn. Op zoek naar de kortste weg naar het zwemmeer pakte ze er een fietskaart bij. Haar oog viel op het gestileerde zwarte tentje van camping Meck. Praktisch om de hoek.

Het is verre van toevallig dat onze jongen van elf ook zo heet. Een jaar voor zijn geboorte fietsten we met zijn broer in de omgeving van Utrecht. We belandden op een camping in Maarsbergen. De campinghouder had zijn nering zijn eigen voornaam gegeven. Het was een sympathieke man en de naam stond ons aan. We noteerden die ergens of hielden hem in ons achterhoofd, voor het geval er een tweede kind zou komen. Aldus geschiedde.

We wilden nog een geboortekaartje sturen, maar zoals dat gaat, is het daar niet van gekomen.

Begrijpelijk dat het de man niet onbewogen liet, toen deze zomer uit het niets een naar hem vernoemd jongetje op de stoep stond. Hij ontving Meck en Melanie hartelijk en verontschuldigde zich dat hij niet zijn beste kleding aanhad voor de foto.

Het bij die ontmoeting toegezegde T-shirt, met naam uiteraard, bracht hij op een zondag in september zelf langs. Bij een kop koffie vertelde hij eigenlijk Marius te heten. Vanwege zijn haardracht waren zijn klasgenoten op de technische school hem Meck gaan noemen. Zijn korte haar zou hebben geleken op dat van een stripfiguur uit een tijdschrift, hij wist niet zeker welk. Steeds meer mensen gingen hem zo noemen. ‘Spreek ik met Meck?’ vroegen ze aan de telefoon. Voor het gemak nam hij uiteindelijk ook maar op met die naam.

Hij wist echter niet hoe hem te schrijven. Het kon Mac zijn. Met een e en ck vond hij mooier. Zijn keus. Konden wij mee leven.

De vraag in welk tijdschrift de strip had gestaan, liet hem na die zondag blijkbaar niet los. Een paar weken later ontving Melanie een appje met een foto van een Panorama uit 1963. Had hij online opgeduikeld en aangeschaft.

De strip achterop heet Mecki in het land der Snurkjes. En Mecki is een egel. De stekels kun je inderdaad aanzien voor kort haar. Het karakter stamt uit een Duitse poppenserie. Die heeft weer zijn oorsprong in een sprookje van de gebroeders Grimm uit 1843, Der Hase und der Igel. De egel weet door een list keer op keer een hardloopwedstrijd te winnen van de haas, die na de vierenzeventigste keer dood neervalt.

Laat ik dit sprookje, in een bewerking van Jacques Vriens, nou zo vaak voor het slapengaan hebben voorgelezen, niet wetende dat een van de jochies naast me zijn naam aan die slimme egel te danken had.

 

Ongesneden

 

Een paar jaar terug moest je op zaterdagochtend nog buiten aansluiten. Wringend deed ik een stap in de winkel, reikend naar het nummertjesapparaat, soms om er daarna op attent gemaakt te worden dat het display niet werkte. In dat geval kwam er enige communicatie aan te pas: ‘Was u de laatste?’ ‘Nee hoor, die mevrouw is voor u en nu bent u de laatste. Haha.’ Glimlachen maar.

Er konden ook misverstanden ontstaan.

‘Pardon, meneer.’

‘O, ik dacht dat ik voor u was.’

‘Nee hoor, ik was eerder binnen, misschien had u mij niet gezien.’

‘O.’

‘Maar gaat u maar hoor.’

‘Nee nee, ieder op zijn beurt.’

‘Nee, gaat u maar.’

‘Zeker weten?’

‘Zeker, toe maar.’

Zoiets maak je er niet meer mee. Vijf dames stonden destijds achter de toonbank. Nu kunnen ze het makkelijk met z’n tweeën af.

Het brood is hetzelfde gebleven. Het banket ook. De gevulde koeken behoren tot de beste van het land. Ik nam ze een keer mee naar mijn oma, die weduwe is van een banketbakker, en zij was erg onder de indruk. Dat zegt genoeg. Naast mijn eigen smaak natuurlijk. En die van Melanie.

Ons bakkertje is de beste. Daarbij, we houden niet van supermarktbrood. De kinderen wel, maar die weten nog niet waar ze van moeten houden. Ik haal meestal volkoren, per twee of drie tegelijk, ongesneden. Dat is belangrijk, niet van die magere sneetjes. Die hebben de kinderen weliswaar liever, maar die weten nog niet waar hun voorkeur naar uit moet gaan. Ik doe de boodschappen, dus ik beslis.

Het is alleen de vraag hoe lang ik nog de keus heb. De nieuwe sluitingstijd van de winkel is een veeg teken. Voorheen was die tot vier uur ’s middags open. In de zomerweken werd dat, bij gebrek aan klandizie, vervroegd naar één uur. Twee jaar terug bleef dat ook in het najaar zo, en in de winter en in het voorjaar. Blijkbaar was het hard nodig om in de personeelskosten te snijden.

Het valt inderdaad ook doordeweeks op dat er steeds minder klanten zijn in de bakkerswinkel. Het zal niet makkelijk zijn het hoofd boven water te houden met het kwade daglicht waar brood tegenwoordig in staat. Daarnaast snoepen de nieuwe Turkse bakker en de nieuwe Marokkaanse bakker in het kleine winkelcentrum ongetwijfeld wat af van de oude Nederlandse bakker. En er zijn vast nog andere factoren, waar ik geen zicht op heb.

Enige hoop is gevestigd op de fonkelnieuwe supermarkt die onlangs zijn deuren opende. Mogelijk heeft die een aanzuigende werking waar de andere winkeliers van kunnen profiteren. Ik ben er gaan kijken en schrok van de achterwand. Die bestaat voor twee derde uit transparante bakken met een uitgebreid assortiment broodjes, voor ieder wat wils. Dit zou weleens de nekslag voor het bakkertje kunnen zijn. Het deed pijn in mijn buik.

Ik blijf op het beste hopen, maar vrees tegelijk dat ik binnenkort echt de laatste zal zijn, de laatste klant. En dat onze kinderen hun zin krijgen.

 

Bushalte

 

Op een middag begin januari werd op de Tigrisdreef een vrouw aangereden door een auto. Kort daarna kwam ik langs, terug van de Plas, en zag haar liggen. Vijf meter verderop een schoenlaarsje. Nog iets verder een kleine, rode auto. Meestal onthoud ik model en merk. Een jongeman, kennelijk de bestuurder, liep met een telefoon aan zijn oor. Vier omstanders begonnen zich te bekommeren om de vrouw, wiens leeftijd later in de krant stond. Voor mij leek er op dat moment niets nuttigs toe te voegen, dus fietste ik door.

Om de hoek bedacht ik nog dat ik mijn grote winterjas als een deken over haar heen had kunnen leggen. Het was koud. Daarom had ik die jas na het zwemmen ook hard nodig. En wanneer krijg ik hem terug? Wat zit er allemaal van waarde in de zakken? Wordt hij vies? Ik merkte dat er veel gedachten door mijn hoofd gingen die er niet toe deden. Ik was al thuis.

Toen ik een kwartier later naar school liep, was de weg afgezet. Een traumahelikopter landde op het naastgelegen grasveld. Langs de afzetting hadden zich plukjes mensen verzameld. De vrouw lag nog op het asfalt. Verpleegkundigen of artsen waren druk bezig iets te doen. De afstand was te groot om te zien wat.

Mijn oudste bleek al via een andere route naar huis te zijn gelopen. Met de jongste ging ik langs de rood-witte linten. Hij besteedde precies zoveel aandacht aan het schouwspel als ik had willen doen: geen. Ik bleef toch nog even staan. Er gingen geruchten dat het om een zeventienjarig meisje zou gaan. Sommigen wisten zelfs al meer feitjes over de achtergrond van het slachtoffer. Het duurde lang voor ze met de helikopter naar het ziekenhuis kon. Ik heb er niet op gewacht.

Acht maanden later komt het tafereel opnieuw tot leven.

De weg is nu afgezet over een lengte van zo’n vijfhonderd meter. Bij de bushalte staat een gelede stadsbus. Het rode autootje is ter plekke. Er zijn camera’s en meetapparatuur aan bevestigd en de kentekenplaten zijn afgeplakt. Er zitten twee stevige agenten ingepropt. Ze rijden meerdere keren met verschillende snelheden langs de stilstaande bus.

Dit is precies de situatie waar ik de kinderen vaak voor gewaarschuwd heb: ‘Altijd wachten tot de bus weg is bij de halte, zodat je kunt zien of er iets aankomt.’ Ik blijf er zelf ook alert op.

De kwestie van onderzoek voor de politie is waarschijnlijk of de automobilist de maximumsnelheid heeft overschreden. Het autootje rijdt nogmaals hard over de weg, die angstvallig vrijgehouden wordt van ander verkeer. Het komt vandaag niet in botsing.

Het is eind september en een stuk warmer dan in januari, niet dat het een klap minder erg zou maken. Je ziet het nog gebeuren: het machtige lichaam van die bus, de snelheid van de auto, een onbewaakt ogenblik, een afleidende gedachte misschien of een beetje haast. Ze kwam achter de bus vandaan, hij kon haar niet ontwijken.

Ze heeft het ongeluk niet overleefd. Achtentwintig was ze.

 

Veld

 

Aan het eind van de zomer ruikt het water een beetje groen. Het heeft een hele winter voor zich om op te frissen. Dan behoort deze plek weer tot de winterzwemmers, hoewel we maar een hoekje nodig hebben. Een muur van opgestapelde boomstammen zorgt voor wat beschutting tegen de wind. Het blad van een overhangende meidoorn beschermt tegen regen, voor zolang het duurt. Het veld zal zo’n twintig bij dertig meter zijn, omzoomd door bomen. De lange zijde aan de zuidkant grenst aan het water. Vanaf de houten beschoeiing loopt de zandbodem tussen brede rietkragen geleidelijk naar beneden. Voorbij het riet begint de diepte.

‘Ga je het weer proberen?’ vroeg iemand begin september. ‘Proberen? Doen!’ was mijn naar overmoed hellende antwoord. De door mij getoonde stelligheid was niet op zijn plaats. Een bescheidener houding past het tegemoet treden van het koude water. Het is nog maar afwachten of het zwemmen dit najaar net zo voorspoedig gaat als het vorige. Laat ik het inderdaad proberen. Ik ga proberen weer vier tot vijf keer per week bij de Plas te zijn voor een duik. Hoe vaker ik ga, heb ik gemerkt, des te makkelijker het is.

De groep is veel kleiner dan die geweest is. Hij bestond ooit uit twintig mensen en nu zijn we met vier. Ik haal de gemiddelde leeftijd omlaag. Kees wordt, bij leven en welzijn, volgend jaar negentig. Vergeleken met hem zijn Willem en Frans nog jong.

We hebben geen appgroep. Het is elke dag afwachten wie er ’s middags rond de vaste tijd aanwezig is. Meestal is er wel iemand. We wisselen elkaar af met zwemmen, zodat degene op de kant een oogje in het zeil kan houden bij de kleding. We bespreken de weersomstandigheden en de watertemperatuur. Ik denk dat we wel steun hebben aan elkaar.

Het komt voor dat ik in mijn eentje ben. Op zich niet erg voor een keer. Het nadeel is dat ik mijn spullen niet onbeheerd achter kan laten, of niet wil. Ver zwemmen zit er dan niet in. Ik pendel heen en weer met het veld continu in een ooghoek. De kans op een kwaadwillende passant is klein. Mocht toch iemand mijn kleren wegnemen, dan heb ik een probleem. Behalve mijn huid heb ik niets. Echt niets.

Het veld is bestemd voor naaktrecreatie. In de jaren zeventig heeft een groep liefhebbers het op onofficiële wijze zich toegeëigend. Waarvoor dank. Later heeft de beheerder een bordje geplaatst, dat nu volledig verroest is en waarvan de tekst al decennia niet meer valt te lezen. Geeft niet, bijna iedereen weet het. En zo niet, dan komt die persoon er wel achter, als die hartje winter nietsvermoedend de hond uitlaat, op doortocht langs het veld komt en daar een figuur met rood uitgeslagen huid de wal op ziet stappen, terwijl in een beschutte hoek een paar anderen goed ingepakt met de armen staan te zwaaien en al springend proberen op temperatuur te komen. Heb je dat beeld? Daar ben ik graag weer onderdeel van.

 

Naam

 

Bij een filiaal van koffieketen Starbucks bestelde ik eens een koffie. Uit de meewarige blik van het meisje achter de toonbank maakte ik op dat mijn keuze uitzonderlijk was. De koffie was ook net op. ‘Heeft u drie minuutjes?’ Die had ik op zich wel, maar de drukte in de zaak verdroeg ik slecht, dus zei ik van niet. Daarop bood de medewerkster me als alternatief een americano aan. ‘Doe die dan maar, in de kleinste beker graag.’ Tall had die als benaming. Het bleek te gaan om espressootjes en water tanken tot het karton vol zat. Dat was zo gepiept. Ik kon meteen afrekenen en mijn beker meenemen. Mijn naam hoefde er niet op, bij de meeste anderen wel. Zij bestelden gangbaarder maar bewerkelijker koffievarianten. Medewerkers vroegen om hun naam en stiftten die op de beker. Op die manier konden de handelingen over het personeel verdeeld worden zonder dat de dranken zoekraakten. Het roepen van de klanten leverde de sfeer op van een schoolklas.

Dat alles heeft op het eerste gezicht niets te maken met het rapen van zwerfvuil. De route van huis naar de Plas hou ik zo goed mogelijk schoon. Het is een stuk van drie en een halve kilometer, grotendeels door landelijk gebied. Aan het begin van de zomer vulde ik drie boodschappentassen. Sindsdien is de oogst ongeveer een halve tas per week, voornamelijk met de gebruikelijke verdachten: blikjes, flesjes en sigarettenpakjes. Ik pak ze op met blote handen; goed wassen bij thuiskomst. Tissues en andere doekjes laat ik liggen.

Een enkele keer raak ik in gesprek met iemand die me bezig ziet. De loftuitingen zijn dan niet van de lucht. Daarnaast valt de boosheid op. Dat het een schande is dat er zoveel op straat wordt gegooid. Dat je het in hun eigen voortuin zou moeten dumpen. Dat ze smeriger zijn dan honden, bezwoer een vrouw me ook. Als raper ken ik die woede nauwelijks. Het werk resulteert in mildheid. Toen ik bij toeval eens een collega-raapster tegenkwam, konden we hartelijk lachen om onze buit.

Ik ben eerder nieuwsgierig dan boos, nieuwsgierig naar wie zijn omgeving zo achterlaat. Veel aanknopingspunten zijn er niet. Patronen zijn nauwelijks te herkennen.

Een enkele keer kom ik iets meer te weten. Zo zuigt iemand in het Noorderpark op Anta Flu eucalyptus en laat de groene snoepwikkeltjes door zijn of haar vingers op het pad glippen. Zeker al maanden, waarschijnlijk langer. Mocht ik het een keer zien gebeuren, dan zou ik in stilte bukken, het plastic oprapen en het in mijn broekzak stoppen.

Wie ben ik om er iets van te zeggen?

Dat ik ervoor kies het afval op te ruimen, geeft me nog niet de autoriteit om de vervuiler aan te spreken op zijn gedrag. Toch grijp ik de buitenkans die zich nu voordoet graag aan. De anonimiteit van de werper is doorgaans goed gewaarborgd. Dat is net even anders bij degene die een kartonnen beker met deksel van Starbucks in de berm heeft gegooid.

Niet meer doen, hè, Daniël.

 

Slotveer

 

De deur tussen de woonkamer en de hal sloot sinds een paar maanden niet goed. Toen het mankement zich net voordeed, heb ik geprobeerd om het loopslot, zoals de juiste benaming blijkt, eruit te halen. Het kleinste beetje weerstand van het materiaal was genoeg om mijn actie te staken. Schroeven er weer in en voorlopig zo laten.

De klink hing slap in zijn schild. Het was de schoot, weet ik inmiddels, die daardoor niet ver genoeg in de sluitplaat stak. Mijn vocabulaire is met een paar mooie woorden uitgebreid. Er bestaat een dagschoot, en soms daaronder een nachtschoot.

Prachtig.

En vergeet niet het slotveer, het bootje dat mensen en goederen naar de andere kant van de gracht brengt. Quatsch natuurlijk, het is dé slotveer, die de klink na gebruik in de oorspronkelijke positie laat terugkeren. Die slotveer was gebroken, verklap ik alvast. Bij een beetje tocht, bijvoorbeeld als de achterdeur openging, zwaaide de tussendeur open. Daar is mee te leven, maar het wordt vervelend op den duur.

Weinig mensen weten dat ik best handig ben. Dat verberg ik zelfs zo goed dat ik het zelf vergeet. Bij iets maken moet vaak eerst gesloopt of gedemonteerd worden. Het is onzeker of het resultaat beter uitpakt dan wat er al is. Daarom ben ik behoudend in dit opzicht. Pas als het echt niet anders kan, ga ik over tot actie.

Dat is in de meeste gevallen, in overleg met Melanie, het inschakelen van een derde. Zo heeft mijn schoonvader ons huis van onder tot boven aangepakt. Hij is juist niet iemand die verbergt dat hij best handig is. Tegels leggen, houten vloer, slaapkamerkast maken, keuken plaatsen, berghok timmeren, de lijst is lang. Bij geen van de onderdelen zou ik weten waar te beginnen. Het is ook een kwestie van ervaring, schijnt.

Ondanks dat ik weinig klus, weet ik dat er iets mysterieus hangt rond dingen die moeten gebeuren. Plotseling, om onverklaarbare reden is er de geest, gevolgd door een begin. Zekerheid over het slagen is er allerminst, maar er komt beweging in. Die deur kan ik toch zeker zelf repareren. Het is me net dat beetje eer te na om mijn schoonvader ook daarvoor te vragen.

Eerst moet er doorzettingsvermogen worden aangewend om het loopslot eruit te krijgen. Wat meer wrikken en wat harder trekken. Openschroeven en daarna ontdekken dat de slotveer dus kapot is. Een nieuw slot kopen blijkt te verkiezen boven het onderdeel vervangen. Meteen langs de bouwmarkt. Het valt me reuze mee dat loopsloten en de bijbehorende uitsparingen in deuren standaardmaten hebben. Omdraaien van de richting van de schoot is een fluitje van een cent. Maar: voor het plaatsen van een nieuwe sluitplaat moet er gehakt worden in de deurpost.

Ik doe het, het lukt, ik heb het gefikst. De deur sluit weer goed. Ik ben nu heer en meester over het slot.

Melanie hoopt al hardop dat dit de start is van een glansrijke kluscarrière. Daar zou ik, als ik haar was, toch niet al te hoog op inzetten.