Stoer

 

Ik moest een etmaal een bloeddrukmeter mee. Het doel was om een goed beeld te krijgen van mijn bloeddruk gedurende een doorsneedag. Het ding mat iedere twintig minuten. Er klonk dan een pieptoon en direct daarop vulde de band zich met lucht. Tijdens de meting moest ik mijn linkerarm, waar de band omheen zat, ontspannen houden en liefst licht gestrekt. Bovendien was het belangrijk dat ik niet praatte.

Het advies was eerder geweest om mijn leefstijl aan te passen: minder zout, geen drop, voldoende beweging en ontspanning, ietsje afvallen. Dat wierp vruchten af. Maar inmiddels werkte er meer tegen. Het is allemaal niet zo onrustbarend, probeerde ik maar te denken. Een toegenomen risico op hart- en vaatziekten, kreeg ik steeds te horen. Dat was natuurlijk niet goed. Ook niet dat ik het steeds te horen kreeg. Om nu eens te weten of er echt maatregelen (lees: medicijnen) genomen moesten worden, kreeg ik dat apparaat te leen. Het hing aan een bijgeleverde riem om mijn middel en was met een snoer verbonden met de band.

De eerste keer pompen deed zich voor op de fiets. Ik had zojuist het gebouw verlaten waar een dame uitleg had gegeven over werking en gebruik. Voor een geldige uitslag moest zeventig procent van de metingen gelukt zijn. Ik was erop gebrand dat percentage ruimschoots te halen. Ik hield halt en liet mijn arm hangen.

Toen de band de knelling had laten varen, keek ik op mijn horloge. Grote kans dat de volgende meting in de supermarkt zou zijn, in het ongunstigste geval tijdens het inpakken van drie tassen, terwijl de spullen van twee volgende klanten al van de band schoven.

Het viel mee. Ik redde het tot buiten met de boodschappenkar.

Daar kwam ik in aanraking met de man die daar vaker rondhangt, soms met zijn hand op of een bekertje voor muntgeld. Ik mag me er niet door laten leiden, maar zijn gezicht staat me niet aan. Gluiperig. Een paar dagen eerder suggereerde hij dat ik de schuur leeggehaald had. Ik had geen zin om uit te leggen dat ik die zeven karretjes in de wijk had verzameld en met risico op deuken in geparkeerde auto’s teruggereden. Dus zei ik alleen maar: ‘Ja.’ Zijn reactie, vergezeld van een gemeen lachje: ‘Ja, zegt-ie.’

Nu vond hij dat mijn pet stoer stond. Ik nam maar aan dat het een compliment was en bedankte hem daarvoor.

Dat was niet genoeg: ‘Dat weet je toch wel, dat hij stoer staat. Waarom zet je hem anders op?’

Ik zeg tegenwoordig vaker zomaar wat: ‘Ik verwachtte neerslag.’

Op dat moment klonk zacht de pieptoon en begon de band om mijn arm te knellen. Ik veranderde in een paspop, mijn lippen stijf op elkaar.

De man ging door: ‘Dat verwachten we allemaal elke dag, neerslag.’

Stilte. Ik keek hem alleen maar aan.

Hij weer: ‘Maar het is nog droog, toch?’

Mond dicht.

Hij: ‘God is zeker nog niet wakker.’

Ik zei niets. De band ontspande. De man droop af.

 

Borrel

 

De storm had me te pakken. Bij de krachtigste vlagen zat ik bevend naar de steeds verder hellende schutting te kijken. Hoe erg zou het zijn, als die omging? We hebben het niet over een ramp. In het ergste geval moest een nieuwe schutting worden geplaatst. Veel gedoe, maar overkomelijk. Die relativering nam het trillen niet weg.

Het leek erop dat er iets nog anders speelde. Misschien was het de storm zelf die mijn onrust veroorzaakte. Ik zat relatief veilig in huis, niet op een kotter op zee, niet in een bos met kreupele bomen. De bomen voor de deur zouden bij eventuele overgave in een andere richting vallen, evenwijdig aan de straat. Toch bleef ik beven.

In de tijd dat ik te maken had met manieën en psychoses, ging ik altijd naarstig op zoek naar het beginpunt van een episode, in de hoop zo een oorzaak te vinden. Het leverde hoofdbrekens op. Hoe graag ik ook een moment of gebeurtenis vast wilde pinnen als start van de hoge vlucht, het bleek steeds weer om een continuüm te gaan. Ik kon niet ontdekken waar ik de fout in was gegaan en of een andere keuze op een bepaald punt een andere loop had bewerkstelligd. Achteraf gezien was er niets om mezelf kwalijk te nemen. Het betrof altijd een ongelukkig samenspel.

Als ik nu een moment moest kiezen, in het geval ik uit de bocht was gevlogen, zou die storm van inmiddels twee weken terug wel een goede gegadigde zijn geweest. Veel ingrediënten waren aanwezig.

De schutting ging uiteindelijk, maar bleef nog hangen tegen de perenboom. De deur van de poort begaf het ook. Er moesten reparaties worden verricht, dingen waar ik me niet toe in staat achtte. Hulp was al aangeboden door een buurman. Hij zekerde de schutting opnieuw aan de muur. Een dag later kon ik zelf iets doen in samenspraak met een buurvrouw. Het leverde allemaal wel stress op. Vanzelfsprekendheid in contact is nog ver te zoeken.

Een andere buurman bleek donderdag, een week na de storm, bereid de deur van de poort te repareren. Ik bood hem thee aan en we spraken uitgebreid, net zomin vanzelfsprekend.

Op vrijdag kwam de eerstgenoemde buurman palen plaatsen om de schutting verder te stutten. In zijn kielzog volgde buurman drie om te helpen. Ik zaagde de palen op maat. Dat kon ik nog. Buurman vier kwam commentaar leveren en zei dat de schroeven dieper moesten. Uiteindelijk stond de schutting een stuk steviger dan voor de storm. Buurman vijf had kippenvleugels om op een vuurtje te roosteren. Ik wist dat er bier was, maar nam toch nog wat mee. Het gebeurde nauwelijks eerder dat ik bij de buurtborrel aanschoof. Opmerkelijk genoeg beviel die nu best.

Gaat het niet te makkelijk? De storm was ontegenzeggelijk het beginpunt. Het vervolg was tot op heden een gunstig samenspel. Als dat maar goed gaat.

 

Suiker

 

Ik zat met vriend Piet in het café van filmmuseum Eye op de noordelijke oever van het IJ. Een magnifieke ruimte met dito uitzicht. We zagen het water dat door de wind beroerd werd. Aan de overzijde de achterkant van het station. Alleen die ruimte al en dat uitzicht zijn een bezoek aan het gebouw waard.

Musea bieden voor mij vaak, naast het tentoongestelde, bijkomende schoonheid. Soms blijft die me zelfs langer bij. Zo was ik in Museum Volkenkunde in Leiden vooral onder de indruk van de grote glazen deuren tussen de zalen.

In Eye zaten er veel meer mensen in het café dan er de exposities bekeken. Volgens mij hoef je ook geen kaartje te kopen om daar te mogen zitten. Achter het station neem je het gratis veer naar Noord. Van daar is het twee minuten gratis lopen. Alleen de versnaperingen kosten geld.

Ik bestelde, buiten mijn gewoonte om, een muntthee. Een glas heet water werd voor mijn neus gezet, met takken en blaadjes erin. Prima. Ik ben niet gewend mijn koffie of thee te zoeten, maar bij munt moet wel wat. Het bijgeleverde staafje zou zeker suiker bevatten. Ik probeerde het aan beide uiteinden en van alle kanten open te scheuren. Het wilde niet. Een jongen van de bediening moest assistentie verlenen. Ik vroeg of hij een schaar had. Dat was niet nodig. Er zat een beginnetje, een openingsscheurtje, bovenaan het staafje. Met bril was dat misschien te zien geweest. De jongen van de bediening scheurde het los en ging voort. Maar nog kreeg ik er geen suiker uit. Gelukkig was daar vriend Piet. Die opperde dat er waarschijnlijk honing in zat en dat ik moest knijpen.

De mevrouw met wie ik wandelde, zat ook altijd zo te hannesen met suikerstaafjes. Het was onze routine om eerst in het restaurant beneden een kopje koffie te drinken. Dan schoof ik haar rolstoel op een vaste plek aan een tafel waar al wat anderen zaten, minder oud dan zij. De koffie werd gebracht door een horecamedewerker. Mevrouw gebruikte twee suiker in de koffie. En twee koffiemelk uit van die cupjes. Aan de lipjes daarvan waagde ze zich niet. Die mocht ik lospeuteren.

Op tafel stonden twee afvalbakjes, metalen busjes met een transparant afvalzakje erin. Meestal was er iemand zo attent om een daarvan alvast onze kant op te schuiven. Het gebeurde meermaals dat mevrouw zoveel moeite had gedaan met die onwillige vingers tot eindelijk het papier de weerstand had opgegeven en er een bescheiden maar triomfantelijke grijns op haar gezicht verscheen en dat ze vervolgens per ongeluk de suiker in het afvalbakje kieperde.

Lachen kon natuurlijk hooguit ingehouden. Over en weer rond de tafel werden er wel wat veelbetekenende blikken uitgewisseld.

Steeds vaker liet ze ook het scheuren van de staafjes aan mij over. Toen ik zelf een keer de suiker in het afvalbakje mieterde, verscheen die triomfantelijk grijns weer, nu minder bescheiden.

 

Angst

 

Tot iemand mij op een plausibeler optie wijst, beschouw ik angst voor verlies van controle als fundament van mijn andere angsten. Verlies van controle ligt in allerlei vormen op de loer. Ik durf me vaak niet over te geven aan het onbekende. Zo ervaar ik dat meestal niet direct, maar achteraf redenerend komt het er wel op neer. Ik weet eigenlijk niet in hoeverre ik hieronder gebukt ga. Het is allemaal zo geïncorporeerd en verweven met mijn levenswandel, dat ik niet eens een goede voorstelling kan maken van hoe het zou zijn zonder. Aan de andere kant moet ik zeggen dat er nogal mee te leven is. Een beeld voor ogen krijgen van ernstiger beperkingen, is makkelijker.

Hoewel er ook andere zaken meespelen, is mijn weerzin voor sociale interactie terug te voeren op de kans de grip te verliezen. Het gesprek aangaan betekent in veel gevallen me op onbekend terrein begeven. Het verloop is ongewis. Dat is ook zo als ik zou gaan klussen. Wat je ziet, is wat je hebt. Wat je krijgt, is nog maar de vraag. Daarnaast zijn de mogelijke confrontaties met allerlei gebeurtenissen buiten het draaiboek om een bron van dagelijks te overwinnen tegenzin.

Ergens onderweg ben ik mijn jeugdige onbevangenheid verloren. Het was, om preciezer te zijn, op een zonnige dag in oktober van het jaar 2004. De locatie staat me ook nog goed bij, midden op de Maarsseveense Plas. Inmiddels zijn er dus ruim dertien jaren verstreken. En er is geen afdoende volwassen vertrouwen in de plaats gekomen.

Vreemd genoeg ben ik, terwijl dat het grootste verlies van controle zou zijn, niet bang om dood te gaan. Dat hoeft niets te zeggen over hoe ik reageer bij mijn levenseinde, of dat van een dierbare. Op dit moment ben ik er tamelijk opgeruimd over en stel ik vast dat leven en sterven me beiden even lief zijn.

Waarom dan die angst?

Tijdens het zwemmen in de Plas overkomt het me nog steeds. In de winter heb ik er minder last van, omdat ik vanwege de lage watertemperatuur toch niet ver kan. ’s Zomers is het aantal te zwemmen meters ook beperkt. Ik zwem langs het riet, waar het op de meeste plekken te diep is om te staan, maar toch veiliger aanvoelt. Op de heenweg is er geen probleem. Ik weet dat bij het zien van de af te leggen weg terug de paniek toe kan slaan. Ook hier zit er kennelijk iets in mijn lijf of in mijn kop dat vreest voor controleverlies, voor verlamming, voor kopje onder gaan, verdrinken, het leven laten. Toch.

Afgelopen zomer heb ik geleidelijk de te zwemmen afstand iets uitgebreid. Ik had me zelfs ten doel gesteld de overkant weer te halen. De eerste weken lukte het best. Daarna kreeg ik er genoeg van steeds gespannen het water in te moeten. Ik gaf het op en verzon dat het op de een of andere manier een wijs besluit was het erbij te laten.

Komende zomer misschien wat verder. Het onbekende tegemoet. Met mate.

 

Ambitie

 

In de documentaire Jim & Andy: The Great Beyond, te zien op Netflix, zegt acteur Jim Carrey als zichzelf: ‘I have no ambition whatsoever.’ Daar sluit ik me graag bij aan. Er is niets wat ik nog gedaan wil hebben of gedaan wil krijgen. Zelfs het voltooien van deze tekst is niet noodzakelijk om in vrede te kunnen gaan. Er hoeft niets per se.

Dat draagt wel iets verontrustends in zich, want het zou goed kunnen dat ik nog een hele tijd te gaan heb. Wat doe ik dan in die jaren? Ik weet het niet. Wat doe ik nu? Ik verveel me in ieder geval niet. Soms, gelukkig, maar niet structureel.

De dingen die ik doe en de keuzes die door mij gemaakt worden, komen niet voort uit ambitie. Er is geen eenduidig antwoord op de vraag wat er dan wel aan ten grondslag ligt. Medemenselijkheid misschien (zorg en vrijwilligerswerk). Behoefte aan beweging en een beetje ontbering (wandelen, fietsen, zwemmen). Plezier en voldoening in het scheppen (schrijven, fotograferen). Een paar dingen omdat ze gewoon leuk zijn (niet zo veel). En nog zo wat om de tijd aardig door te komen (films en series). Dan heb ik alles wel gehad, behalve mediteren.

Mediteren doe ik idealiter om het mediteren zelf. Dat zou, nu ik erover denk, voor al het andere ook moeten gelden. Elke activiteit heeft in zichzelf waarde, los van hoe nuttig of zinnig die activiteit is in eigen of andermans ogen. Ook voor niet iets doen. Niet iets doen zou volgens een bekende zenles iets anders zijn dan niets doen. Het zij zo. Er hoeft in ieder geval niets gedaan te worden om de wereld draaiende te houden.

Wat wel gedaan kan worden ligt vaak letterlijk voor de hand. Ik hoef geen doelen te bedenken of een levensdoel te ontdekken of te formuleren. Ik hoef me geen beeld te schetsen van iets om in de toekomst te bereiken. Alles wat ik nodig heb is hier. Hier komen de lijnen samen van mijn doen en laten in het verleden. Vanaf hier vertrekken de lijnen naar de toekomst. Onverwijld.

Het is goed om te weten wat ik kan en wat ik niet kan. Het is niet nodig uitdagingen te zoeken. Die dienen zich vanzelf aan. Of ik wil of niet, verandering is altijd gaande. Dat gaat maar door. Het is verleidelijk veranderende inzichten over de wereld en over mezelf als wezenlijk te beschouwen. Het gaat echter meer om wat zich afspeelt in mijn gut (helaas geen passend Nederlands woord gevonden). Voor mezelf lokaliseer ik die in de buurt van mijn stuitje.

Daar moet het vandaan komen. Daar komt het vandaan. Ik ben me er nauwelijks van bewust, maar het zou goed kunnen dat mijn ideeën, keuzes, verlangens en emoties er hun oorsprong hebben. Continu in wisselwerking met alles om me heen. Vaak ernstig vervormd door wat zich in mijn hoofd afspeelt, maar toch. Als ergens wijsheid te vinden is, is het daar. Met die bron binnen handbereik is ambitie nergens voor nodig.

 

Middelpunt

 

Aan het begin van de documentaire Alicia, onlangs uitgezonden door de publieke omroep, zegt een begeleidster van een kindertehuis tegen het daar geplaatste negenjarige kind dat ze een speciaal meisje is. Alicia reageert door te stellen dat ze een gewoon meisje is. De begeleidster herhaalt daarop dat ze toch echt speciaal is. Het meisje ontkent weer. Zo gaat het een keer of vijf tot Alicia zich er maar bij neerlegt.

We leren onze kinderen in deze tijd dat ze zo bijzonder zijn en uitzonderlijk. De kleintjes staan steeds meer in het middelpunt. Daarbij zien we over het hoofd dat ze er later mee overweg moeten kunnen om deel te zijn van iets dat veel groter is dan zijzelf. Onze signalen bewerkstelligen het tegenovergestelde. We zouden op de schaal van heel speciaal tot onbeduidend best een tikje op kunnen schuiven naar het laatste.

Daarbij ontzie ik mezelf niet.

Het was mijn idee om onze eerste zoon Naaf te noemen. Behalve voor de aangename klank, kozen we voor het beeld van het centrum, de plek waar de spaken samenkomen. Meer in het middelpunt plaatsen kon bijna niet. Dat is dertien jaar geleden. Deze week was hij jarig. Inmiddels blijkt hij al een tijd een jongen die liever wat in de periferie verkeert. Hij hoeft niet zo nodig op te vallen. Wat dat betreft had hij beter Jan kunnen heten.

Ondanks dat hij genoeg talent en capaciteiten heeft om uit te blinken, hoeft ook dat voor hem niet zo nodig. Op de basisschool was dat nog best lastig. Daar stak hij op veel fronten boven de rest uit. De status van slimste van de klas beviel hem niet. Op die aandacht zat hij niet te wachten. En hij kon er niets tegen doen. Ertegenin gaan door expres lagere resultaten te behalen had hij niet in de vingers. Er zat niets anders op dan het zich laten aanleunen en de bewondering van zijn klasgenoten te incasseren.

Voor ons als ouders, misschien meer dan voor hemzelf, was het spannend hoe het de eerste maanden in de brugklas zou gaan. Tot onze opluchting blijkt nieuwe vrienden maken geen probleem. We zien ze weliswaar nooit hier. We horen soms hun namen en zien hun avatars over het beeldscherm flitsen. In real life afspreken is er niet bij. Ze ontmoeten elkaar op school of bij de voetbal. De rest gaat online. Ze vormen teams en strijden tegen andere teams. Daar komt veel coördinatie en communicatie bij kijken. Prima.

Voor bijna alle vakken moet hij nu hard werken voor redelijke cijfers. Dat is zacht gezegd geen onverdeeld genoegen, het valt vaak tegen. Ik denk toch dat hij zich in de middenmoot beter op zijn gemak voelt. Daar kan hij zich onopvallend in nestelen. Hij zoekt een bankje achterin de klas en ziet het wel.

Bij Naaf hoef je er niet mee aan te komen dat hij heel speciaal is. Zoals Alicia liever een gewoon meisje is, is Naaf liever een gewone jongen. Dat hij heel bijzonder is, hou ik dus meestal maar voor me.

 

Bedding

 

We verbleven in de zomervakantie twee nachten op een camping langs de Dordogne. De eerste avond had ik een luie stoel gepakt en zat ik anderhalf uur op de oever naar de rivier te kijken. Ongestoord en in stilte. Het water voor me stroomde zichtbaar en vrij vlot. De maan verscheen. Verder gebeurde er niets.

De situatie nodigde uit om in gedachten te filosoferen over het wezen van de rivier. Is dat de bedding? Is dat het water? Kun je wel spreken over iets dat bestaat? In ieder geval is de rivier op geen enkel moment hetzelfde. Als er iets wezenlijks aan een rivier is, dan is het wel verandering. Ik realiseerde me meteen niet erg origineel te zijn met dit idee. Toch voelde het heel oorspronkelijk zo met het water op een paar meter van mijn voeten.

Zo kon ik ook mijn gedachten herkennen als een stroom en ze laten komen en laten gaan. Over wat de bedding moest zijn had ik niet een heel duidelijk idee. Niet mijn hoofd in ieder geval, eerder mijn buik, misschien mijn adem. Het komt en het gaat. Het mocht wel zo. Het mocht van mij wel blijven duren.

Een stel zat een tijdje op een bankje vlakbij. Dat leidde me nauwelijks af. Ik zat gewoon goed, had uitzicht op het water en verder gebeurde er nog steeds niets. Er gebeurde niets tot ik besloot de stoel op te pakken en terug te lopen naar de tent. Dat was het.

Terwijl ik voorgaande schreef, kwamen onwillekeurig de treinritten in me op van mijn ouderlijk huis naar mijn studentenkamer. Op zondagavond van Leiden naar Utrecht. Van de weilanden buiten was weinig te zien. De ruiten spiegelden oneindig zichzelf en de stille coupé met mij erin. In cadans van station naar station. Dan mocht van mij de reis immer voort de nacht in, eerst richting Duitsland en daarna verder naar een onbenoembaar oord. Daar maakte ik me niet eens een voorstelling van.

Het liefst wilde ik zo eindeloos verblijven, net als bij de rivier, terwijl er niets gebeurde. Overstappen zou zinloos zijn. Betovering willen vasthouden gaat onherroepelijk over in fijnknijpen. Hem opzoeken is bovendien een onbegonnen zaak. Het overkomt je of het overkomt je niet.

November nadert zijn eind terwijl er niets noemenswaardigs is gebeurd. Ik moet het nu blijkbaar doen met herinneringen. Of heeft dat terugdenken me juist opgewarmd voor enkele verse momenten in mijn element?

Op de voorlaatste dag van de maand wandel ik naar de Plas. Het veld daar is drassig. Volgens de thermometer van een andere zwemmer is het water gedaald tot acht graden. Het duurt op de terugweg even voor ik weer warm ben. Ik heb de tijd. De handschoenen voorkomen niet dat mijn handen koud blijven. Mijn voeten besluiten desondanks een omweg te nemen. Bij het volgende keuzepunt plakken ze er nog een stuk aan vast en daarna nog twee keer. Vlakbij huis, met inzettende schemering, besef ik dat dit wandelen zo wel mag blijven duren. Gewoon blijven gaan. Verder hoeft er niets te gebeuren.

 

Territorium

 

Ik heb niets tegen honden, ik vertrouw ze alleen niet. Of impliceert dat dat ik wel iets tegen honden heb? Nou goed, ik heb iets tegen honden. Soms tegen een individu van de soort, altijd tegen het concept in het algemeen. Er zijn er intussen erg veel, honden en hondjes. Ik wil dat wel even opzoeken. Volgens puppyplaats.nl – betrouwbaarder is er niet – worden er momenteel in Nederland 2,2 miljoen gehouden. Dit op zich lijkt me al een probleem.

En die mening is echt niet alleen maar terug te voeren op dat ene incident.

Ik weet niet meer precies hoe oud ik was, vijftien misschien. Ik bezorgde een zondagskrant in de wijk en op het achterliggende bedrijventerrein. Geen idee eigenlijk wat een zondagskrant te zoeken had op een bedrijventerrein, waar op zondag alles dicht bleef. De enige woning was een verdwaalde bungalow. In die tijd kende ik bungalows alleen van Sporthuis Centrum. Hier stond er eentje in het wild tussen de blokkendozen van distributiecentra, metaalbewerkers, een cateraar en wat kantoorpanden. Geen mens te bekennen.

Wel een hond. Die zat altijd achter de voordeur van de bungalow. De brievenbus zat in de deur. De hond trok de krant, nadat ik die er een klein stukje ingestoken had, verder door de brievenbus.

Op een van de ochtenden stond de deur wijd open. Het zal toch niet heel warm zijn geweest, want ik had mijn winterjas aan. Dat weet ik goed, omdat de tanden er moeiteloos doorheen gingen. De hond lag op de mat. Ik gooide de krant achter hem in de hal. Een beetje dom, dat wel. Mijn reflex van terugtrekken bleek eindeloos veel trager dan de zijne van toehappen.

Lijkbleek kwam ik thuis. Pas daar heb ik gekeken wat de schade was. De ernst van de verwondingen viel mee. Nog wel naar de eerste hulp geweest voor een tetanusprik. Hechtingen bleken niet nodig. Het was vooral de schrik die er goed in zat, die er blijkbaar nog in zit.

Het wantrouwen is van blijvende aard. Dat kan ik na dertig jaar wel zeggen. Ze moeten gewoon uit de buurt van mijn kuiten blijven. Ook geen gesnuffel, en al helemaal geen agressief gegrom, niks, wegwezen.

Het park hierachter kent gelukkig diverse territoria. Er zijn gebieden waar honden niet mogen komen, gebieden waar ze aan de lijn moeten en gebieden waar ze los mogen lopen. Begrijpelijkerwijs vermijd ik die laatste zoveel mogelijk. Je loopt er kans een vrouw tegen te komen van hondenuitlaatservice Kwispel. Of iets dergelijks. Ik zie haar weleens van een afstandje. Met een roedel van divers allooi beweegt ze zich traag over de graslandjes. Dat is daar en ik ben hier, dan is het goed.

Mijn echte ongenoegen is pas gewekt, mijn gevoel voor rechtvaardigheid aangetast, mijn verontwaardiging groeiende, als, zoals van de week, een stel met twee loslopende mormels mijn huisdiervrije gebied doorkruist. Ik slik de vraag of de dame en heer op de hoogte zijn van de regels weer in.

Volgende keer, beloof ik mezelf in het voorbijgaan, ga ik vriendelijk blaffen.

 

Goudkoorts

 

Dit is de eerste herfst sinds lange tijd dat ik geen last heb van ernstige mentale oprispingen. Ik weet niet zo goed hoe ik dat anders kan omschrijven, geestelijke relletjes misschien. De stress neemt toe. De druk loopt op. En er zijn meer zogenoemde betrekkingsideeën. Zonder aanwijsbare reden. Het was per najaar en winter meerdere keren nodig om op de rem te staan en bij te sturen. Dat hield in: het schrappen van geplande activiteiten, overgebleven bezigheden op een laag pitje zetten en meer rust nemen. Hoeft niet meer.

Nu even afkloppen.

Het is mijn favoriete bezigheid te zoeken naar oorzaken. De eerste mogelijkheid ligt voor de hand: ik plan minder, hou overgebleven activiteiten op een laag pitje en neem meer rust. Bijsturen is dan niet nodig. Daarnaast mag ik graag denken dat mijn gestage mediteren een rol speelt. En het hele jaar zwemmen in de Plas doet ook wat.

Een documentaire op de Duitse televisie bracht me nog op een ander spoor. Das Salz der Erde gaat over de wereldberoemde fotograaf Sebastião Salgado, mij tot voor kort onbekend. De film begint met beelden van Serra Pelada, een open goudmijn die begin jaren tachtig duizenden Braziliaanse gelukzoekers trok. Op een foto zien we het gekrioel van honderden mannen in een enorm gat in de grond. Met zalvende stem vertelt Sebastião hoe hij de plek aantrof: ‘Ik zag het begin der tijden, het bouwen van de piramides, de toren van Babel. Er was alleen wat gemurmel hoorbaar, en af en toe een ingehouden vloek. Geen machines.’ Vijftig tot zestig keer per dag klauterden de mannen met zakken modder de geïmproviseerde trappen op. ‘Als je eenmaal met goud in aanraking bent geweest,’ zegt Salgado, ‘laat het je niet meer los.’

Ik ben met goud in aanraking geweest. Dat zou ik niet van de daken moeten schreeuwen, maar ik kan het niet laten, ik doe het toch, zo ben ik. Ik heb goud gevonden in de dieptes van mijn manische psychoses en later in mildere ervaringen. Inderdaad ontstaat er, na eenmaal een klompje uit de modder te hebben gevist, een groot verlangen naar meer. Ik had een sterke behoefte aan bevestiging van de aanwezigheid van het meest kostbare. Er was altijd een onderstroom in me die naar beneden neeg.

Het zou zomaar kunnen dat die neiging inmiddels een gepaste plek heeft gevonden, op de plank met verlangens waar ik niet per se gehoor aan hoef te geven.

Het was een grote chaos in en rond die mijn. Het was ieder voor zich en waanzin voor allen. Uiteindelijk verliet men de plek, terwijl er vermoedelijk nog veel goud lag. Het gat liep vol en vormt nu een klein meer. Ernstig vervuild weliswaar, maar dat weerhoudt me er niet van er een beeld aan te ontlenen.

Ik zie me zwemmen. Tussen mij en het goud het koele water. Ik ben me bewust van het kostbare op de bodem. Het ligt daar goed. Ik hoef er niet naar op zoek. Ook in de donkere jaargetijden niet.

 

foto’s van de Serra Pelada mijn

Schat

 

Ik kan niet zeggen dat ik heb gevonden waar ik naar zocht. Ik heb namelijk niet gezocht naar wat ik heb gevonden. Voor zover ik weet.

Melanie helpt me vinden. Daar is ze heel goed in. ‘Laat mij maar even,’ zegt ze als ik iets kwijt ben. Binnen een mum zwaait ze met waar ik naar op zoek was; een papiertje, een boek, een kledingstuk. In een variant van de uitdrukking ‘met je neus kijken’ voegt ze daar vaak aan toe: ‘Je keek zeker weer met je piemel.’ En dan gebruikt ze het minder nette woord voor het mannelijk geslachtsdeel. Verwacht je niet van haar, maar zo is ze dan ook wel weer, binnenshuis.

Ook informatie van internet heeft ze doorgaans sneller te pakken dan ik. Ik verdenk de lui bij Google ervan dat ze haar een andere versie van hun zoekmachine voorschotelen.

Niet alleen helpt ze met vinden op deze makkelijk te verklaren manieren; ze kijkt gewoon beter, is doortastender en slimmer. Er zijn ook opmerkelijke voorvallen die niet direct een plekje in het te begrijpen domein krijgen.

Gisteren nog met de peper. We hadden het potje met korrels en eraan bevestigd molentje nodig op tafel. Mijn schoonouders hadden in het weekend op het huis en de kinderen gepast. Er lagen de hele week nog wat spullen niet op hun vaste plek. Ik keek in het kruidenrek, op het aanrecht, in de kast. Nergens. Gelukkig is mijn credo bij het inslaan van proviand: ‘Verpakking open is nieuwe kopen.’ Dan zit je in principe nooit ergens om verlegen. Dus pakte ik de nieuwe peper. Na het eten wilde ik Melanie vragen of zij het aangebroken potje had gezien. ‘Weet jij waar…,’ bij het uitspreken van die woorden viel mijn oog er al op.

Dit staat niet op zich. Iets langer geleden gebeurde iets soortgelijks met de tandenstokers. Zij was boven en ik zocht onophoudelijk op de bijzettafeltjes, waar de houtjes doorgaans liggen. Daarna onder de bank, achter de bank, op tafel, de cd-kast (die hebben we nog). Nergens. Uiteindelijk toch maar opgehouden en de etensrest tussen mijn tanden gelaten voor wat die was. Later, met haar weer naast me, kon ik het vragen. De w van ‘weet jij misschien’ was nog niet over mijn lippen of ik zag het doosje liggen op de kast tegenover de bank.

Om maar helder te krijgen dat dit niet op toeval berust, geef ik nog één voorbeeld. Het was een vrijdag en ik zat met het tweede katern van de Volkskrant op de wc. De column op de achterpagina had ik uit en ik ging op zoek naar mijn favoriet. Ook na veel heen en weer bladeren vond ik die niet.

‘Melanie,’ riep ik door de deur. Geen reactie.

‘Melanie,’ probeerde ik nog een keer. Er kwam antwoord.

‘Melanie, is Buwalda ermee gestopt?’

Bij de laatste t van ‘gestopt’ viel de krant open op de gezochte pagina.

‘O, zit je daar,’ zei ze nog, de schat.

 

Dit

 

Als je me zeven jaar geleden mijn huidige leven uit de doeken had gedaan, al was het alleen maar in grove lijnen, dan zou ik juichend opgesprongen zijn en je in een knellende omhelzing door de kamer hebben getild. We zouden het op een feestelijk zuipen kunnen zetten, wetende dat het allemaal goed kwam. Wat zou ik blij zijn dat de misère een eind kende.

En nu is het zover en blijkt het niet genoeg, zit ik nog te kniezen. Ik ervaar volop tegenzin. Het is overdreven om te zeggen bij alles, maar wel bij veel. Natuurlijk bij het schoonmaken van de wc en andere vervelende klusjes. Maar ook voorafgaand aan een avond poolen met vrienden, wier gezelschap me altijd goed doet. Toch zoek ik naar een reden om niet te hoeven.

Een andere activiteit waar ik tegenop zie, is het bijwonen van een meditatiegroep. Er is altijd de overweging het een keertje over te slaan, terwijl die bijeenkomsten juist zo weldadig zijn.

Volgens eigen inzicht ben ik niet depressief. Het mag van mij door de bank genomen best wat opgewekter, maar van aanhoudende somberheid is geen sprake. Ik ben niet passief. Ik slaap goed. Ik voel voldoende. Die diagnose kan geschrapt.

En dan toch steeds weer die tegenzin. Het doet me vermoeden dat er een weeffout zit in mijn doen en laten. Misschien valt er iets te vermaken, waardoor het tapijt loskomt van de stroeve ondergrond. Ik zou vroeger uit bed moeten. Ik zou meer moeten bewegen. Minder tv kijken en meer lezen. Ik zou een levensdoel en bijpassende subdoelen moeten formuleren. Ik zou er meer voor anderen moeten zijn. Ik zou van alles moeten proberen om van die tegenzin af te komen en in het vervolg sprankelend en met gemak door het leven te gaan.

Je voelt dat dit wringt. Toch blijf ik zoeken naar een manier. Want waar is dat gezeul en geduw en gepieker en gezeur nou goed voor? Kan het niet wat lichter? Wat is de zin van die tegenzin?

Ik heb nog een vermoeden. Per situatie kan het opzien tegen met van alles omkleed worden, maar in de kern is het diepgewortelde angst, restant uit het verleden. Toen ging er in mijn ogen veel mis met betrekking tot mij als persoon. Het leverde woede op en schaamte, pijn en verdriet.

Iedere keer dat ik nu de deur uitga is de kans nog aanwezig gekwetst te raken. Dat wil ik niet. De uiterste consequentie van die wens is veilig thuisblijven. Dat is wat ik steeds overweeg voordat ik vertrek, als ik mijn schoenen aantrek en mijn fiets uit de schuur pak.

Proberen de tegenzin tegen te gaan zal geen heilzame weg zijn. Bevrijding ligt eerder in het besef dat het is zoals het is, mét tegenzin en weerzin daartegen en alles. Er hoeft niets bij of af.

Voorafgaand aan de meditatie zegt de lerares altijd: ‘Er is alleen maar… dit.’ Kort daarop klinkt driemaal het geluid van de klankschaal. Zo simpel is het. En moeilijk tegelijk.

 

lees ook Verwarde man. Leed en herstel in 40 verhalen