Loopbaan

Het op de site plaatsen van een wervende tekst en een door Melanie gemaakte foto markeert het begin van mijn nieuwe werk. We hebben er een fles bubbels bij laten ploppen. Ik ga aan de slag als wandelcoach.

Ik realiseer me dat erg veel mensen een dergelijke overstap maken. Half Nederland begint als coach, om de andere helft te begeleiden. In de documentaire Nu verandert er langzaam iets, over niet al te lange tijd waarschijnlijk op tv, wordt geopperd dat de kerken leeggelopen zijn en mensen toch behoefte hebben aan zingeving. Al die coaches springen in dat gat. Voor ieder van hen zat er ongetwijfeld een geschiedenis aan vast om tot die keuze te komen.

Mijn wens was ooit om geestelijk verzorger te worden. Ik studeerde daartoe aan de Universiteit voor Humanistiek. Zes jaar zou de opleiding duren, een beetje vergelijkbaar met theologie, maar dan met humanisme als uitgangspunt.

Om wat bij te verdienen werkte ik als alfahulp. Ik werd geacht licht huishoudelijke taken uit te voeren bij oudere mensen thuis. In de praktijk zaten we een groot deel van de tijd aan de koffie en waren we in gesprek.

Al na een paar maanden ging er vanwege mijn ziekte een streep door het werk, en de studie. Later kon ik die niet meer oppakken. Het theoretische gedeelte ervan zou me opbreken. Ik kan nog wel lezen, hoewel langzaam, maar het onthouden lukt maar matig. Geeft verder niet, het is iets om rekening mee te houden. Los daarvan stond het serieuze nadenken, schrijven en praten over ethische kwesties en dergelijke me tegen.

Dat ik de studie liet voor wat die was, betekende niet dat de wens verdween die ten grondslag lag aan de keuze ervoor. Ik heb me die wens lange tijd voorgesteld als ‘met een enkel woord of gebaar iemand een duwtje in de juiste richting geven’. Ik kijk daar inmiddels anders tegenaan. Als er al een juiste richting bestaat, zou het gek zijn die voor een ander te bepalen. Dat duwtje is ook niet nodig. Dan blijven ‘een enkel woord of gebaar’ over. En aandachtig luisteren.

Ik heb geen opleiding gedaan of cursus gevolgd. Ik moet het hebben van mijn ervaring van 25 jaar leven met een psychische kwetsbaarheid en van mijn intuïtie. De zelfreflectie die met schrijven gepaard gaat, draagt ook bij.

Een vrouw van 95, met wie ik anderhalf jaar wekelijks wandelde, vond dat ik zo goed kon praten over ‘iets met een grote i’. Dat beschouwde ik als compliment.

De afgelopen tweeëneenhalf jaar begeleidde ik mensen online bij het schrijven van hun herstelverhaal. Dat is nog relatief veilig achter het beeldscherm. Dit vrijwilligerswerk blijf ik doen. De belangrijkste vaardigheden ervoor heb ik gaandeweg geleerd. Dat ben ik nu ook van plan.

Ik denk dat ik al aardig wat kan, allicht, anders begon ik er niet aan, maar aanvankelijk zal het vooral uitproberen zijn. Misschien blijft het dat altijd. Stap voor stap. Dit is alvast weer eentje in de richting van wat ik in gedachten had.

.

wervende tekst en foto: Mark wandelcoacht

Begin

Voor een goede zenbeoefening is het van belang bij iemand te rade te kunnen gaan. Een leraar vinden kan nogal wat voeten in de aarde hebben. Het heeft voor mij, vanaf het eerste moment dat ik het nodig achtte iemand te zoeken, jaren geduurd. Deze week heb ik voor de tweede keer een gesprek. Het plan is om elkaar maandelijks te zien. De eerste ontmoeting heeft alvast een goede uitwerking gehad.

Als ik zonder begeleiding mediteer, in mijn eentje en soms met Melanie, dan is dat ook goed, al verdwijnt na verloop van tijd de dynamiek. Er is geen voeding, of hooguit van wat ik lees. Dat leeft minder. Er is geen interactie. Bovendien merkte ik het lezen steeds meer achterwege te laten. Mediteren en proberen gedurende de dag gewaar te zijn werden dorre aangelegenheden.

Eerder boden de wekelijkse groepslessen soelaas op dit vlak. De inleidingen en het persoonlijke onderhoud met de lerares waren het meest inspirerend. Ik ervoer echter grote weerstand om naar die bijeenkomsten te gaan. Nadat door een incident die weerstand te groot werd, bleef ik weg. Het zal wel even duren voor ik weer wil en kan deelnemen aan een groep.

Die lerares zei dat individuele gesprekken ook mogelijk waren. Dat past op dit moment beter bij mij. Het liep zo dat ik niet bij haar terecht kwam, maar bij Willem. Hij leidt Zentrum, een organisatie waarvan de ietwat knullige naam wél duidelijk maakt waar het over gaat. Willem is met veertig jaar ervaring vergevorderd op het zenpad. Ik kan niet zeggen hoe ver, aangezien ik dan zelf in de buurt daarvan zou moeten zijn. Aan de andere kant zal hij vast tegenwerpen dat we allemaal beginner zijn.

We doen koan-studie (contempleren op een niet met het intellect te beantwoorden vraag) en bespreken de praktijk van het oefenen. Het gaat daarbij vaak genoeg niet over geestelijk leven.

Ons gesprek waaierde bij de eerste ontmoeting al snel uit naar andere onderwerpen. Over de coach bijvoorbeeld, die hij in feite ook is, en die er volgens hem niet is om raad te geven of iemand in een bepaalde richting te sturen. Het voornaamste is om er voor iemand te zijn, om mét iemand te zijn. Potverdrie, dat klinkt simpel en klef tegelijk als ik het zo schrijf. Je had erbij moeten zijn. Ik kan er zeker wat mee in de praktijk. Dat is één.

Ik klaagde daarna dat het me maar matig lukte twee keer per dag te mediteren. Tja, waar hebben we het over? Hij vond dat één keer prima was en dat ik maar moest kijken of en wanneer het uitkwam om nog een keer op het kussen plaats te nemen. Als bij toverslag zit ik sindsdien met gemak zo goed als elke dag twee keer aandachtig adem te halen. Dan verandert er iets, moeilijk te zeggen wat precies.

Het zal het enthousiasme van een beginner zijn, een enthousiasme dat vanwege hooggespannen verwachtingen ook soms getemperd moet worden. Daar zal de toekomst ongetwijfeld zorg voor dragen.

Zon

Ik heb nieuwe pillen gehaald bij de apotheek. Het is een middel dat ik niet eerder heb gebruikt. De assistente zei erbij dat ik niet in de zon mocht. Ik nam die mededeling eerst gewoon aan. Ze liep vervolgens naar achteren om een briefje met een herhaalrecept te halen. Meestal wordt de soep niet zo heet gegeten als het aankomt op bijwerkingen en voorschriften. Toen ze terug was, vroeg ik daarom hoe strikt die regel was, of een halfuurtje per dag bijvoorbeeld wel kon. Geen sprake van.

Het medicijn moet mijn bloeddruk verlagen. Daar heb ik al tabletten voor, die werken niet afdoende. Daarnaast hebben mijn nieren een beetje hulp nodig om meer kalium weg te werken. Door jarenlang lithiumgebruik (sinds 1997) is de functie van die organen verminderd. Dat resulteert erin dat ik erg veel plas. (Over de praktische problemen daarbij heb ik eerder al eens geschreven.) Een dag lang urine opvangen leverde een indrukwekkende hoeveelheid op: ruim 10 liter. Dat betekent dat ik minimaal zoveel drink. Er verdwijnt ook nog vocht in de vorm van zweet. Er gaat in de loop van een dag inderdaad heel wat in, voornamelijk water. Daar is mee te leven.

Terug naar de bloeddruk. Die is te hoog. Op de korte termijn is dat geen probleem. Er is me verteld dat ik vooral na jaren ermee rondlopen een groter risico loop op een aandoening van hart en vaten, laten we zeggen een infarct. Daar moet iets aan gedaan worden.

Ik begrijp dat de apothekersassistente duidelijk moet zijn in haar boodschap. Het zou ook raar geweest zijn als ze die had afgezwakt: in de zon mag niet, maar omdat u het bent, staan we het oogluikend toe. Ongeloofwaardig. Zo is ze niet opgeleid. Dus sloeg ik er thuis nog een site op na, in de hoop wat relativering te vinden. Die vertelde hetzelfde verhaal: ‘blijf uit direct zonlicht, met name tussen 10:00 en 15:00’ en ‘blootstelling aan zonlicht, zelfs voor korte perioden kan van alles veroorzaken’ en ‘de kans op huidkanker neemt toe’.

Nu ben ik niet een overdreven zonaanbidder. Ik behoor op het veldje bij de Plas bijvoorbeeld niet tot de mensen die uren op hun handdoekje liggen te bakken. Ik probeer het weleens, maar heb er dan snel genoeg van. De momenten voor en na het zwemmen dat ik me laat opwarmen zou ik niet willen missen. Ik zie mezelf op een zomerdag ook niet van top tot teen ingepakt in ‘beschermende kleding, waaronder hoed en zonnebril’ en de onbedekte delen angstvallig insmeren met ‘een zonnebrandmiddel met een hoge beschermingsfactor’. Met het advies om ‘niet onder de zonnebank’ te gaan heb ik minder moeite.

Ik ben eens nagegaan wanneer ik me zoal blootstel aan zonlicht en of ik zonder zou kunnen. Daarna heb ik de specialist een bericht gestuurd dat ik het middel niet ga gebruiken. Ergens is een grens. Dit is voor mij een absolute ‘no go’. Ik ben graag buiten en wil dat zo houden. Dan maar een paar jaar eerder dood.

Oceaan

Het was zeker vijftien jaar geleden dat ik voor het laatst had gevlogen. Blijkbaar vind ik het toch nodig om op die manier iets goed te praten. Het was niet mijn idee om te gaan, voor de elfde keer Schoorl had ik prima gevonden. De kinderen hadden nog nooit een vliegvakantie gedaan, dat speelde mee, die wilden dat een keer meemaken.

Onze bestemming was La Palma, het wandelparadijs van de Canarische eilanden. Dat het niet veel van wandelen zou komen, wisten we van tevoren. We zijn sowieso niet erg actief geweest: beetje zwemmen in het zwembad en de zee, dagelijks een wandelingetje naar een winkeltje met vers brood, een stukje lopen over de rand van een vulkaan.

We hadden een keer het plan om naar een uitzichtpunt te gaan en vanaf daar af te dalen. We zouden de auto in het badplaatsje beneden zetten en de bus naar boven nemen. Met een handige app had ik halte en tijden gevonden. Maar de bus kwam niet. We hebben zwemspullen gepakt en zijn aan het strand gaan liggen.

Een dag later gingen we alsnog naar het uitzichtpunt, maar dan met de auto. Het pad naar beneden bleek gesloten. We liepen er tweehonderd meter over en daarna dezelfde weg terug, waarna het weer tijd was voor ijs en bier.

Zo kabbelden de dagen voort.

Dan moet ik het tripje de oceaan op niet vergeten, om dolfijnen te kijken. In de haven was het water nog zo rustig. Buitengaats viel het ook nogal mee, er waren voldoende golven voor een flinke deining. De tocht zou ongeveer drie uur duren. Zolang het scheepje in flink tempo doorvoer was er geen probleem. Toen de dolfijnen in zicht kwamen en de motor stationair ging draaien en we speelbal werden, begon de zeeziekte bij mijn oudste en mij. (Het deinen begint weer, terwijl ik erover schrijf.) We waren niet de enigen. Benedendeks werd een kleine ziekenboeg ingericht met maar liefst vijf kinderen om ons heen die op de banken werden gelegd en een dekentje kregen. Wij hielden ons groot en zaten de reis zittend uit. De dolfijnen konden ons verder gestolen worden.

Die Atlantische Oceaan was toch  wat de meeste indruk gemaakt heeft. We hebben hier de Noordzee. Het is me niet helemaal duidelijk waarom dat water anders is dan daar, misschien omdat ik weet van de uitgestrektheid, misschien omdat het zo groot is dat je er geen voorstelling van kunt maken.

Zoals gezegd zwommen we erin. Maar dan is het nog klein, beperkt tot de kunstmatig aangelegde baai. ’s Avonds zat ik op het balkon van het hoger gelegen appartement en had ik gelegenheid de massa op me in te laten werken. Geen moment hetzelfde, altijd in beweging en toch die kalmte. De macht.

Iedere ochtend direct na het ontwaken schoof ik het gordijn een stukje open om te zien of hij er nog was. Dat heb ik zeven keer gedaan. Hij is er vast nog steeds, ondanks dat ik een stuk heb meegenomen in het vliegtuig terug.

Assistente

Welkom. U belt met de huisartsenpraktijk. Toets 1 voor levensbedreigende spoed, toets 2 voor een herhaalrecept, toets 3 of wacht, dan krijgt u de assistente aan de lijn.’

‘… ’

‘Met de assistente, wat kan ik voor u doen?’

‘Ik bel over mijn psychische klachten.’

‘Ja.’

‘Ik ben er een paar kwijt.’

‘Misschien kan ik u verder helpen. Waar heeft u ze voor het laatst gezien?’

‘Als ik dat wist, zouden ze niet weg zijn.’

‘Laat ik het anders vragen: wanneer had u er voor het laatst last van?’

‘Vorige week nog, hoewel ik niet zeker weet of dat een klacht was. Het zou ook gezonde weerstand geweest kunnen zijn, die nou eenmaal bij het leven hoort, bij het mijne althans.’

‘Dat zou kunnen. Ik begrijp dat u daar nog voldoende van in huis heeft, van die weerstand.’

‘Zeker.’

‘Over welke klachten gaat het precies?’

‘Paniekaanvallen.’

‘Wanneer en waar heeft u die voor het laatst gehad?’

‘Dat was vorig jaar zomer, ’s avonds in de sprinter naar Amsterdam.’

‘Wat ging u daar doen?’

‘In die sprinter?’

‘In Amsterdam, bedoel ik.’

‘Met vrienden naar stand-upcomedy, ik zou ze daar ontmoeten.’

‘Leuk?’

‘Bij vlagen, maar dus niet op dat stoeltje op het treinbalkon. Ik kon geen kant op, moest ineens heel nodig plassen en dacht dat ik van de oplopende spanning op de vloer zou vallen. Ik ging heel hard denken dat ook dit voorbij zou gaan. Dat hielp niet. Het ging wel voorbij.’

‘En sindsdien?’

‘Foetsie. Hooguit af en toe een tikje tijdens het zwemmen. Daar heb ik de gewoonte bij ontwikkeld om te denken: laat maar komen.’

‘En dan?’

‘Dan gaat het weg.’

‘Jammer. En u zoekt het niet op?’

‘Wat niet?’

‘De spanning.’

‘Ik probeer het niet uit de weg te gaan.’

‘En verder? U had het over meerdere klachten?’

‘Ja, ik slaap goed. Geen idee waar dat om half vijf wakker worden en de slaap niet meer kunnen vatten is gebleven.’

‘Dat is om over in te zitten.’

‘Manieën. Depressie.’

‘U bent heel wat kwijt. Het zal niet meevallen.’

‘En dan die betrekkingsideeën. Ze zijn er nog, maar het is wel zoeken hoor. Spijkers op laag water.’

‘Houdt u nog iets over?’

‘De kwetsbaarheid blijft, makkelijk te raken. Dat ben ik van m’n lang-zal-ze-leven niet kwijt. En die weerstand natuurlijk, dat is een hardnekkig beest. Tegenzin, jongedame, tegen alles wat je maar kunt bedenken.’

‘Gelukkig. Is er nog iets in de plaats gekomen voor de verdwenen klachten?’

‘Dat zijn van die flauwiteiten als vastberadenheid, kwaliteit van leven, vertrouwen, hoop, hou op. Het is wennen.’

‘Begrijpelijk. Het is natuurlijk niet zeker dat de psychische klachten wegblijven.‘

‘Ik hoopte dat je zoiets zou zeggen.’

‘Het is niet te voorspellen of en wanneer ze terugkeren. Zal ik de dokter vragen of ze u erover belt? Of wilt u een afspraak?’

‘Liever een dubbele.’

‘Helemaal gelijk, dat is gebruikelijk als het over psychische klachten gaat. Kunt u vrijdagochtend half tien?’

‘Ja, dat kan.’

‘Tot dan meneer Verhoogt, sterkte met het verwerken van uw verlies.’

Om

Dit wordt geen leuk stukje. Het gaat over een landelijke bijeenkomst voor herstelcoaches. Ik was daar een paar maanden geleden voor uitgenodigd en had me, heel stoer, meteen aangemeld. Ik had dat gedaan omdat ik vond dat ik dat behoorde te doen. Het mag niet ontbreken als ik serieus als vrijwilliger wil meetellen.

Ik maak mezelf graag wijs dat daar de schoen al wrong, en ik eigenlijk alleen dingen moet doen die ik echt leuk vind, maar weet dat ik mezelf daarmee bedot.

De cursus digitaal herstelverhaal kent zijn oorsprong in Eindhoven. Daar zou de bijeenkomst plaatsvinden. Twee collega’s uit Utrecht gingen ook. Mijn reis zou tot de bushalte bij het station in Eindhoven solo zijn. Daar zouden mijn collega’s en ik elkaar treffen voor het laatste stukje. De woorden ‘zou’ en ‘zouden’ moeten je opvallen. Het kwam er niet van.

De avond tevoren had ik al geen zin. Bagger. Dat was ingecalculeerd, maar niet te omzeilen. De tegenzin was echter niet groot genoeg om te besluiten niet te gaan. Ik had ook met anderen afgesproken.

Toen het moment van vertrekken ’s ochtends dichterbij kwam, werd de onderneming groter en ging hij me meer en meer tegenstaan: de reis heen (fiets, trein, bus, lopen), de bijeenkomst zelf met een onbekend aantal mensen, aansluitend een lunch en de reis terug (lopen, bus, trein, fiets).

En dan heb ik het nog niet over de heisa in mijn hoofd na afloop. Ik weet van tevoren dat ik er bij zoveel indrukken achteraf last van krijg en had ook daar helemaal geen trek meer in.

Het hoort er allemaal bij, hoorde ik me tegen mezelf zeggen, misschien zit er juist ook iets goeds in. Waarschijnlijk wel, maar ik belandde in een tunnel en zag alleen nog ellende.

Ondanks die staat zette ik door, ging verder met voorbereiden, hielp de kinderen bij hun ochtendritueel, pakte mijn tas in. Ik dacht daarbij aan alles. Een boek voor in de trein, flesje water, telefoon, iets te eten. Daar lag het niet aan.

Iets later, tijdens het tandenpoetsen, ging er een knop om, een subtiele fysieke sensatie in mijn lijf. Ik keek mezelf aan en wist dat ik niet zou gaan.

De voorbereidingen stopten niet. Ik trok jas en schoenen aan, sjaal om, pet op. Ik pakte mijn tas en deed er nog een extra flesje water in. De kinderen vertrokken intussen trouw naar school, waar ze ook geen zin in hebben, maar wat ze zonder veel zeuren doen. Het scheelt vast als je elke dag moet.

Ik heb nog een tijdje bij de achterdeur staan dralen, overwegend of het toneelstukje doorging tot bij de schuur of zelfs tot op de fiets. Ik wist dat ik hoe dan ook om zou keren. De strijd was gestreden.

Een therapeut zal er wel raad mee weten. Die heb ik op dit moment niet. Ik kan er zelf ook wel wat bij bedenken, maar ben het beu om er na het schrijven van dit stukje nog langer mee bezig te zijn.

Duik

Mijn broer is jonger dan ik. Logischerwijs wordt het relatieve leeftijdsverschil ieder jaar kleiner. Bij zijn geboorte was ik ongeveer zes en een half jaar, wat je honderd procent zou kunnen noemen. Dit jaar is hij veertig geworden en is het relatieve verschil teruggelopen tot veertien procent. We groeien naar elkaar toe. Dat onze levenslopen en interesses nogal uiteenlopen, doet daar niets aan af.

Hij is ondernemer. Hij heeft een paar internetbedrijven groot gemaakt en zich er daarna weer grotendeels aan onttrokken. Hij heeft dat werk goed in de vingers en was er eigenlijk vóór zijn veertigste al klaar mee, wat de vraag opwierp wat vervolgens te doen.

Hij verveelt zich overigens niet, gaat graag op avontuur. Met een groep vrienden deed hij in een aftandse truck een rally naar Mongolië. Dat was bij tijden afzien. Hij maakte in een oude Saab cabrio een rit naar de Noordkaap, met dak open. Afgelopen winter ging hij helikopter skiënd van berghellingen in Canada af. Hij zit bij de vrijwillige brandweer.

Voor mij is een wandeling aan de Noord-Hollandse kust genoeg. Daar is hij gelukkig ook voor te porren.

We hadden afgelopen maandag afgesproken. Hij kwam uit Leiden, ik uit Utrecht. Op Amsterdam Centraal moest ik rennen om mijn aansluiting te halen. Dat ben ik niet meer gewend. Ik struikelde bijna over mijn eigen benen. Een jonge god ben ik alleen nog in gedachten. Ik haalde op het nippertje de sprinter, waar mijn broer een paar haltes later instapte. In Santpoort Noord stapten we uit.

De zon scheen en de temperatuur liet toe de sjaal wat losser te dragen. We liepen door het duingebied en pauzeerden als een stel oude taarten op een bankje. Mijn broer had gevulde koeken mee. Ik had helaas niet aan koffie gedacht.

Toen we later de duinen verlieten en het strand betraden, klonk achter ons het luchtalarm, een goed moment voor een duik. We hadden allebei een handdoek mee, hij zelfs twee. Maar zo avontuurlijk als mijn broer is ingesteld, zo huiverig was hij nu. Hij zei dat hij het niet zag zitten. Ik moest daarom net doen of ik er heel veel zin in had. Met ferme stappen liep ik richting de vloedlijn om daar in de buurt, op het gedeelte van het zand dat nog net droog was, te beginnen me uit te kleden.

Hij was toch sneller en stond, na even gedompeld te hebben, tot zijn knieën in de branding te kermen dat het erg koud was en dat het begon te tintelen. Ik stapte bedaard het water in, dook over een golf en dobberde een paar minuten in de tamelijk kalme zee. Hij was er alweer uit.

Het is niet helemaal eerlijk ons zo te vergelijken. Ik ben geoefend koudwaterzwemmer, het is niet zijn liefhebberij. Ik blijf uiteraard altijd de oudste, maar niet vanzelfsprekend wijzer.

Bij het uit het water komen kreeg de wind vat op mijn natte lijf en dacht ik heel even dat ik onderuit zou gaan. Dat heb ik maar voor me gehouden.

Filmtheater

Ik had ’s ochtends in de krant een interview gelezen met de maakster van Nu verandert er langzaam iets. De documentaire gaat over coaching in Nederland en geeft een beeld van het huidige landschap op dat vlak. Mede omdat ik zelf als vrijwilliger coach en dat misschien wil uitbreiden en bezig ben ideeën daarover te vormen, was mijn interesse gewekt. Ik wist dat het er niet van zou komen als ik niet meteen zou gaan.

Ik stelde me een grote zaal voor met hier en daar een plukje bezoeker. Dat maakt naar de film gaan op een doordeweekse middag al aantrekkelijk, los nog van wat er draait.

Bij de kassa spatte mijn droom uiteen. De voorstelling zou in de kleinste zaal plaatsvinden, en of ik daar al eens was geweest? Nee. Hoe erg kon het zijn? Drie rijen stoelen. Volgens de kassamedewerker gaven de meeste mensen de voorkeur aan rij drie, maar die was vol. Er was nog plek op rijen twee en één. Twee dan maar, dat is het dichtst bij drie.

Ik wilde het pas geloven, toen ik het zag. Een jongeman scheurde mijn kaartje en wenste me plezier. Ik trad binnen. Er stonden inderdaad drie rijen en maar een stoel of dertig. Ondanks dit formaat had de ruimte alles van een bioscoopzaal.

Ik nam plaats op stoel vijf in het midden van de rij en legde mijn jas en toebehoren rechts van me. Kort daarop meldde een vrouw recht te hebben op die plaats. Ik pakte mijn spullen en klapte de stoel links van me iets open en drapeerde jas en sjaal erover, met mijn pet erbovenop. Niet lang daarna kwam een andere vrouw aan die dáár wilde zitten. Laat de film vlot beginnen, dat maakt het lichter.

We zagen in een stal mensen in het stro tegen varkens aan liggen. Het was het eerste voorbeeld van hoe men zich laat coachen.

‘Weggegooid geld!’ Het kwam van rij drie. De man gnuifde erbij. Hij was me bij binnenkomst opgevallen. Ongeschoren, vettige grijze haren, zweterig, zwaar ademend.

Ik vroeg me af of het de hele film zo door zou gaan en moest denken aan de begintijden van de cinema. Het publiek kon nog geen onderscheid maken tussen de realiteit en wat zich op het scherm afspeelde. In de veronderstelling invloed te hebben op het verhaal, werd er heftig gereageerd richting de acteurs op het witte doek.

Deze man werd al snel de mond gesnoerd door de meer cultureel onderlegde aanwezigen. Hij hield zich daarna een tijd in tot er in de documentaire sprake was van ‘in je kracht komen staan’ en hij een eruptie niet kon voorkomen: ‘Wat een eigentijdsheid, in je kracht staan, belachelijk!’ Een snauw van een dame in zijn rij was zijn deel: ‘Commentaar leveren doe je maar thuis voor de tv.’

De varkens kwamen later nog een keer langs. De vrouw links van me moest daarbij erg hard lachen, helemaal toen een van de dieren een scheet liet. Daar werd niets van gezegd.

Wit

Het schrijven van deze blogs zou genoeg kunnen zijn. Toch voel ik nog steeds wat voor fictie.

Er is een verhaal dat al af is. Het hoeft alleen nog maar geschreven te worden. Daar komt het niet van. Ik mis er de juiste energie en concentratie voor. Larie en kul, zo zijn er nog wel een paar uitvluchten te bedenken. Dit stukje gaat er echter niet op uitdraaien dat ik me voorneem het weer op te pakken. Daar is meer voor nodig dan deze 500 woorden. Maar wie weet zetten ze iets in beweging.

Laat ik eerst bekennen dat ik bang ben, weer eens. Ik ben bang om geen recht te doen aan het gegeven. Het gaat over een man van in de vijftig, vertaler van beroep, die de gevolgen van een traumatische gebeurtenis uit zijn vroege jeugd niet wil zien. Hij gaat gebukt onder depressies, een term die ik zal vermijden. Als zijn moeder overlijdt, mogelijk door eigen hand, trekt hij voor enige tijd in zijn ouderlijk huis.

In de achtertuin staat een uit steen en cement opgetrokken speelhuis. Daar is de voorlopige titel aan ontleend: Fort Noks, een verwijzing naar de plek in de VS waar de goudvoorraden worden bewaard.

Andere ingrediënten zijn bij elkaar gesprokkeld uit eigen ervaringen. De man is losjes gebaseerd op iemand die ik een keer meemaakte bij een praatgroep. Daar kan ik omwille van de privacy verder weinig over zeggen. Om soortgelijke redenen kan ik weinig kwijt over de vrouw die voor hetzelfde personage andere eigenschappen leverde. Ze zullen zichzelf niet herkennen.

Een belangrijk element, het fort, is geïnspireerd op een bouwwerk dat ooit in een achtertuin stond in de wijk Lunetten, waar ik werkte als hulp van een hovenier. Het was door de vorige bewoner, in de ogen van de hovenier een zonderling type, daar neergezet voor de kinderen. Een beetje Efteling. Het zou gesloopt worden door een specialistisch bedrijf vanwege de asbest platen die erin verwerkt waren. Die dacht ik in mijn fort ook te kunnen gebruiken.

Het huis situeer ik in Achttienhoven, een langgerekt buurtschap dat hoort bij gemeente De Bilt, een kilometer of drie van hier. Onderdelen van verschillende panden komen voor in wat ik heb bedacht, of samengesteld eigenlijk. Vooral de diepe tuin is van belang. De achterkant grenst aan een sloot met daar weer achter uitgestrekte weilanden. Het fort staat een paar meter van het water. Misschien staan in de slootkant knotwilgen die bezocht worden door kauwen.

De vorige voorlopige titel was Witte kauw. Daar is het ooit mee begonnen, die zag ik in de achtertuin. Het dier fascineerde me en ik dacht die fascinatie te kunnen gebruiken. In een eerdere versie had de hoofdpersoon als kind een kauw met wit verenkleed gezien, een weinig voorkomend fenomeen, en nu zag hij er weer eentje en kwam alles terug. De commissie, bestaande uit mijzelf, liet dat niet passeren. Er vliegen bovendien al voldoende witte vogels die normaal zwart zijn door de literatuur.

Dat alles terugkomt blijft gehandhaafd. Alleen ik weet hoe.

Liedje

Als ik klaar ben met plassen zing ik, terwijl ik mijn handen was, weleens een paar regels van een liedje. De beslotenheid van de kleine ruimte biedt vrijheid. Ik denk er niet bij na, er komt gewoon wat uit mijn mond. Afgelopen zondag borrelde er iets op uit Thank you van Dido, het zal een jaar of vijftien oud zijn (ik zoek het niet op): ‘And I want to thank you for giving me the best days of my life.’

Het zijn misschien niet mijn beste dagen ooit, daarvoor zou ik terug moeten naar mijn vroege kindertijd, maar afgezet tegen grofweg de afgelopen decennia zijn ze top.

Die gedachte is nu eens niet ingefluisterd door een manie. Dat kan ik afstrepen. Ik merk dat ik gewoon moe kan zijn, of lusteloos zelfs, en ’s ochtends moeite moet doen me ergens toe te zetten, en het ’s avonds al vroeg voor gezien hou. Het gaat niet van het beruchte leien dakje.

Wat maakt deze dagen dan zo goed? Het helpt alvast dat psychische of lichamelijke mailaise nu geen hoofdrol spelen. Ik heb sowieso niet te klagen. Ik heb succes, vind ik zelf. Denk daarbij niet aan het grote werk. Hoewel. Ik kan de vruchten plukken van eerdere inspanningen en heb daarmee voldoende om verder te rijgen. Dingen komen naar me terug, als boemerangs. En ik vang.

Daarnaast, en dit is minstens zo belangrijk, groeit het besef van betekenis te zijn voor anderen, en dat anderen dat zijn voor mij. Ik kan niet anders dan mezelf in het middelpunt plaatsen, hopelijk zonder egocentrisch of arrogant te zijn, en weet tegelijk dat ik niets ben zonder mensen om me heen. De term verbinden is ernstig uitgehold, net als alles wat ervan afgeleid is. Toch moet ik zeggen een sterke verbondenheid te ervaren. Met de aarde en iedereen erop.

In het zoeteThank you gaat het over een geliefde die de beste dagen bezorgt. Mijn gedachten gingen daarom in eerste instantie naar Melanie, die in de huiskamer de krant las. Je kunt het ook breder zien, als we bovengenoemde zin eruit pikken: bedankt vrienden, bijvoorbeeld, of familie, lezer van dit blog, bedankt iedereen die ik ooit kende, ken of nog tegenkom, bedankt god, bedankt universum, bedankt wie of wat dan ook.

Bij het verlaten van de wc stopte mijn gezang abrupt en was het weg uit mijn hoofd. De dag kachelde voort. Zo geweldig was die inderdaad ook weer niet.

Er moesten boodschappen worden gedaan. Op zondag nog wel. Het is niet anders. Ik kan er zo’n hekel aan hebben, dat gesjouw met pakken zuivel en sap, het zoeken naar pijnboompitten of venkelthee, die van een lach verstoken gezichten, waar het mijne doorgaans ook toe hoort, het wachten voor de kassa.

Dat laatste is eerlijk gezegd het ergste niet. Het geeft me de gelegenheid eens rustig om me heen te kijken. Dat stond ik te doen, toen uit het plafond iets bekends klonk: ‘And I want to thank you for giving me the best days of my life.’

Bon

We hebben in de loop van het vorige jaar drie opgeknapte mobiele telefoons gekocht. Met die tweedehands toestellen in huis, wat in aanschaf overigens aanzienlijk scheelt, is de kans wat groter dat er een keer iets mankeert. Daarom hadden we gekozen voor een online winkel die een real life vestiging in de stad heeft. Een defect apparaat zou niet op de post hoeven; versturen is gedoe, ik stap liever op de fiets.

De vestiging had onder de hoofdtribune van het stadion moeten zijn. Op de bewuste plek zat wel een winkel die met telefoons te maken had, grote stickers op de ruit: Fixers. Ongelukkige naam. In een voetbalstadion kun je daar iets heel anders bij denken. Het was in ieder geval niet onze smartphoneboer. Ik besloot binnen om opheldering te vragen.

Een ruime driezitsbank kon de nare atmosfeer niet wegnemen. Klinisch. Het voornaamste geluid kwam van de luchtverversing en een toetsenbord waar een medewerker gegevens invoerde van een vader met puberdochter. Ze hadden een laptop in een zwarte plastic bak achtergelaten. De vader rekende af. Nadat ze de deur uit waren, vroeg de jongen achter de balie of ik een moment had. Hij handelde nog wat zaken af op de computer en bracht de zwarte bak naar een ruimte achter een ruit. Op een lange tafel stonden daar meer bakken met elektronica. Weer terug typte de jongen nog wat. Daarna mocht ik.

‘Ik dacht dat Swoop hier zat.’ (Swoop kun je gerust in een stadion huisvesten)

‘Die zijn failliet, sinds een maand of vier. Ik werkte daar eerst.’

‘Ik heb een telefoon voor mijn zoon gekocht, waarvan de thuisknop nu kapot is. Geldt de garantie nog?’

‘Die is helaas vervallen. Maar omdat u klant was, kan ik 10 euro korting geven op de reparatie.’

‘Dat moet dan maar.’

Hij haalde een zwart bakje onder de balie vandaan, een flinke maat kleiner dan waar de laptop in was afgevoerd. Ik legde de telefoon erin. Hij vroeg me van alles: mogelijke oorzaak van het defect, huisadres, e-mail, telefoon. Ik kreeg een bon met de gegevens erop, inclusief uitleg over de korting. Ik vroeg of ik nu zou afrekenen of bij het afhalen.

‘U kunt er ook op wachten. Duurt een kwartiertje.’

Dat scheelde fietsen. Ik nam plaats op de bank. De reparateur was onverwacht snel weer terug uit de werkruimte en begon een telefoongesprek. Zo te horen had hij iets verkeerd gedaan. Hij had 10 procent korting moeten aanbieden in plaats van 10 euro. Een meevallertje voor ons. De persoon aan de andere kant van de lijn nam uitgebreid de tijd om uit te leggen hoe dit foutje in het kassasysteem diende te worden verwerkt. Meer typewerk. De jongen zou hierna verdergaan met de reparatie, verwachtte ik, maar na het neerleggen van de telefoon gaf hij aan dat het klaar was.

‘Het is dus een klusje van niks,’ stelde ik vast.

‘Dat klopt,’ grijnsde hij.

‘Ik wou dat ik het zelf kon.’

Daar moest hij om lachen. Iedereen blij. Ik moest alleen nog betalen.