Rinkelen

Het was in de voorjaarsvakantie. Ik deed dingetjes die aan het gevoel iets gedaan te hebben niets bijdroegen. Ik belde een firma over een onterechte aanmaning. Ik ontkalkte de waterkoker en de koffiemachine. Ik belde een andere firma over een ander wissewasje. Ik haalde medicijnen en deed boodschappen. Bevrediging bleef uit.

Van het smeren van mijn fietsketting verwachtte ik op dat vlak ook niet veel. Het is zo’n klein kutklusje (‘kut’ als aanduiding van iets vervelends wordt inmiddels alom geaccepteerd, ik wil niet achterblijven). Het is zo’n kutklusje waar ik alleen aan denk als ik op een stil stuk fietspad de tandwielen en schakels over elkaar hoor schuren. Het is vooral kut, omdat op het moment dat ik even tijd heb en bedenk wat ik zal doen, ik er niet aan denk. Of dat ik er wel aan denk en me realiseer dat het smeermiddel op is en ik eerst naar de bouwmarkt moet, die zich niet op een plek bevindt waar ik regelmatig langskom.

Zo ontzettend erg is het ook weer niet. Kutjé zou ik daarom bijna zeggen, maar voel dat ik me dan juist op glad ijs begeef.

Ik weet het hoekje met fietsen en fietsonderdelen te vinden. Ik heb er intussen een fietsbel of vier gekocht. Om verschillende redenen begaven de toch eenvoudige apparaatjes het, twee keer vanwege een afgebroken duimhevel. Duimhevel ja, je kende het woord waarschijnlijk niet. Het is het ding waar je je duim tegen zet om de rinkelgewichten in de schaal aan het draaien te krijgen. Wist ik ook niet, die termen, opgezocht.

Ik kon de fietsbellen deze keer links laten liggen en vond al snel een spuitbus met tefspul. Nu hoefde alleen de fiets nog op zijn kop en de kettingkast open.

Ik heb een klassieke zwarte Gazelle, tamelijk zwaar. Mijn kettingslot hangt aan het stuur, ook zwaar. Het kwam niet in me op die eerst eraf te halen. Mijn aandacht ging bij het beetpakken van het frame naar de scheut in mijn onderrug. De fiets draaide ondanks dat in een vrij soepele beweging op zadel en stuur. Er was geen geluid bij, maar ik zag de duimhevel op het kettingslot terechtkomen. Mijn vrees daarbij was terecht: hij brak af. Kut!

Na het smeren van de ketting schroefde ik meteen de bel los en bedacht dat mogelijk in huis nog eentje rondslingerde. Dat was het geval. Hij lag te shinen in de vensterbank. Na montage bleek echter waarom hij daar had gelegen. Hij rinkelde niet, produceerde alleen een droog geluid. Dat is niet waarmee ik op mijn klassieke Gazelle door het land wil. Wat ongelooflijk kut, ik moest nog een keer naar de bouwmarkt wilde ik een werkende bel.

Ik inspecteerde toch of inwendige onderdelen van de oude fietsbel bruikbaar waren om die andere weer te laten klinken als een klok. Ingewikkeld, veertje, gepruts, lastig voor mijn dikke vingers. Misschien bood het verwisselen van de schalen uitkomst. Dat deed het. Het rinkelen klonk daarna verdraaid helder.

Daar kreeg ik even een stijf pikkie van.


Lot

Ik heb bij de trekking van februari meegedaan met de Staatsloterij, gewoon omdat het kon of uit nieuwsgierigheid, ik weet het niet precies. Ik had in een pauze van The Voice of Holland een commercial gezien met een astronomisch hoge jackpot en had mijn telefoon toch al bij de hand om mijn oordeel te geven over de deelnemers van de talentenjacht.

Daar moet ik een korte verantwoording bij geven. Ik kijk veel mee, programma’s waar ik zelf niet voor zou kiezen: Expeditie Robinson, Boer zoekt vrouw, Wie is de Mol? en The Voice dus. Ik zou me ook terug kunnen trekken in de werkkamer met een boek of met Netflix op het computerscherm. Dat is zo treurig. Dan maar beneden op de bank en de shit over me heen laten komen. Iets anders doen terwijl de tv aan staat is geen optie. Ik ontbeer de daarvoor benodigde filters.

Als ik dan toch kijk, doe ik helemaal mee. Ik probeer naarstig te ontdekken wie de slimmerik is die geld uit de kas speelt of die andere sukkels met een streek dwarsboomt. De ene boer krijgt mijn sympathie, een andere moet ik niet. Ik leef mee met de proeven en zit in spanning welke eilandbewoner weggestemd wordt.

En ik gebruik de Redroom-app om bij The Voice aan te geven wat ik van de optredens vind, vaak om erachter te komen dat mijn oordeel dicht bij dat van jurylid Anouk zit. Wat niet alleen iets zegt over mijn kennis van zaken, maar ook over mijn goede smaak. Bij die van Lil’ Kleine ben ik doorgaans wat verder verwijderd.

Deze week is de finale. Dan hebben we dat weer gehad. Ik hoop wel dat Patricia wint, maar dat zal niet veel van mijn lezers iets zeggen, vermoed ik. Wist ik er zelf maar zo weinig van.

Waar was ik? Reclame kun je niet doorspoelen als je live kijkt. Dan komt er weleens iets langs dat je pakt. Ik weet hoe het werkt en ga toch een keer voor de bijl.

Ik had mijn telefoon dus bij de hand en met een paar handelingen stond de app van de Nederlandse Loterij erop. Met nog een paar handelingen had ik mijn eerste lot gekocht, misschien wel mijn eerste ooit.

Om echt mee te mogen spelen moest ik de organisatie nog bewijzen ouder dan achttien te zijn. Via mijn bank zou dat gebeuren. Ik begreep dat het een vrij nieuwe methode was. Ik moest eerst een kopie van een identiteitsbewijs opsturen. Geen probleem, foto’s gemaakt en op de digitale post. Duurde een paar dagen voor het verwerkt was. Nog niets aan de hand. Je denkt inmiddels dat dit ergens heen gaat. Niet.

Het lukte gewoon. Ik leefde toe naar de tiende en er viel een bedrag van nul euro op mijn lotnummer. Iets in de trant van ‘de volgende keer beter’, meldde de app. Dat denk ik niet. Ik ga daar geen geld meer aan uitgeven. Ik ben geen gokker. Ik ben meer een kijker, soms tegen wil en dank.

Halte

Het liet maar niet los dat ik nog niets had. Het werkte op mijn gemoed. Talloze ideeën en beginnetjes waren de revue gepasseerd. Van twee stukjes had ik al een heel eind geschreven. Er kwam niets uit dat het publiceren waard was.

Laat dan maar. Of nee, misschien kan ik, of moet ik tegen beter weten in nog… stop! Ik moest maar eens een flink stuk wandelen. Het was uitstekend weer. Buiten.

Ik zou eerst een stukje met de bus. De bus is een personenbusje voor een man of twaalf, ik denk dat je het een buurtbus zou kunnen noemen. De lijn gaat eens per uur van Overvecht naar Loosdrecht. De dichtstbijzijnde halte is tien minuten lopen. Het maakte me iets opgewekter dat ik dat alvast had gered.

Bij de halte stond een elektronisch informatiebord waarop aangegeven werd hoe laat de volgende bus vertrok. Ik was ruim op tijd om hem te halen. Toen verdween hij echter van het scherm. Dan hoef ik niet, dacht ik, dan loop ik naar huis, maak ik een rondje door het park en kan ik ’s middags alsnog wat schrijven. De bus kwam toch op tijd aanrijden.

Het apparaat om in te checken was met plastic ingepakt. ‘Ga maar lekker zitten’, zei de chauffeur in reactie op mijn vragende blik. Een jongen met lang haar, die ook een meisje kon zijn, zat al. Hij of zij hing eigenlijk meer. In de tweezits daarachter zat een meisje, keurig rechtop. Ik nam rechts van haar plaats op een enkele stoel. De rit ging over bekend terrein.

Maar ik was er niet bij met mijn hoofd en stapte veel te vroeg uit, misschien wel vier kilometer van het punt dat ik in gedachten had gehad. Ik was zo gefocust op waar ik in het langgerekte dorp Tienhoven eruit wilde, de laatste halte voor de bocht, dat ik in Westbroek, het langgerekte dorp daarvoor, al naar de bocht uitkeek. Toen ik de rood-witte signalering in het vizier kreeg, verzocht ik de chauffeur bij de naderende halte te stoppen.

Nu stond ik in het verkeerde dorp, inwendig tierend en vloekend. Daar hielp de vriendelijke groet van een oud mannetje niet tegen.

Vooropgesteld dat ik op de juiste plek was uitgestapt, wat overigens eerder wel is gelukt, kon ik met een grote boog terug naar huis lopen. Het plan was geweest om een wandeling van vijftien kilometer te maken. Met de nieuwe omstandigheden zouden het er negentien worden. Daar had ik nou net geen trek in.

Ik liep in de richting van het beoogde beginpunt, maar wist al dat ik af zou slaan om een kortere weg terug te nemen. Het kwam zo uit dat die langs de Plas voerde. Het was een tijd geleden dat ik in mijn eentje een duik had genomen. Dat deed ik.

Ik was voor de lunch thuis, kon een dutje doen en had verdomme de hele middag de tijd om te schrijven. Dat heb ik ook maar gedaan. Echt blij was ik nog niet.

Mensen

Wat fotografie betreft blijf ik een beginner. Dat is niet erg. Mijn kracht ligt, denk ik, in de keuze van onderwerpen en de compositie. Ik krijg de fijne kneepjes van de techniek niet onder de knie. De uitwerking laat daardoor wat te wensen over. Het gaat om het idee.

Tot voor tien jaar terug maakte ik series. De onderwerpen betroffen altijd dingen: parkbankjes, boerenhekken, roestplekken, graffiti, bebouwing. Ik heb er ook een over peilschalen gemaakt. Dat zijn de blauwe meters in het water die de hoogte ten opzichte van het NAP aangeven. Het was leuk om ze te zoeken, terwijl het in de praktijk vooral een kwestie bleek van toevallig tegenkomen.

Het idee om onderweg portretten van medewandelaars te maken speelde toen al door mijn hoofd. Omgaan met onbekenden is echter niet mijn sterkste kant. De vreemden zijn onontgonnen terrein en stellen me voor een uitdaging. Het heeft iets. Het is me onduidelijk wat precies de aantrekkingskracht is. Zo fel als ik tegenstander ben van het fenomeen bucketlist, wil ik voor mijn dood dit toch een keer hebben gedaan.

Maar je raad het, er zijn bezwaren. Er ligt om te beginnen een hoge drempel bij het aanspreken van personen die ik in het vizier heb: de moed ervoor vinden en daarna de juiste toon en woorden. Ik ben er als de dood voor rare dingen te zeggen, vreemd over te komen, gek gevonden te worden of een flater te slaan. Ik zie met angst de reactie van de ander tegemoet.

Ik overdrijf het een beetje om duidelijk te maken hoe het zit. Het gaat al stukken beter dan voorheen. Ik onderging jaren terug een behandeling die nog steeds een positieve uitwerking heeft. Een fotoproject had niet misstaan als opdracht bij die therapie: spreek een willekeurig iemand aan en vraag of je een portret van hem of haar mag maken. Jakkes!

Het andere struikelblok is mijn uitrusting. De laatste anderhalf jaar had ik alleen mijn telefoon om kiekjes mee te schieten; geen schijn van kans daarmee overtuigend als fotograaf over te komen. De angst is dan reëel. Het zou gek zijn als mensen niet zouden lachen. In mindere mate gold dat ook voor mijn compactcamera van daarvoor. Dat was een prima apparaatje, zelfs met de mogelijkheid om diafragma en sluitertijd handmatig in te stellen. Dat was aan de buitenkant alleen niet zichtbaar. Daar weer voor had ik een indrukwekkender toestel, maar voerden de eerdergenoemde bezwaren de boventoon.

Dit alles was geen deel van mijn gedachten toen ik, nog maar net in het nieuwe jaar, een digitale spiegelreflexcamera kocht. Het was een impulsaankoop, zoals ik die niet ken van mezelf.

Een dag later wandel ik met de aanwinst aan mijn schouder door het park. Ik kom langs een bankje met graffiti erop en voorbij een boerenhek met roestplekken. Het is best mogelijk zoiets weer op te pakken. Ik zie een peilschaal bij een overlaat, haal mijn camera uit de tas, kijk naar het ding en weet dat ik nu met mensen begin.

.

bekijk oudere fotoseries op markverhoogt.nl

Kaalslag

Er is wat moed voor nodig om te winterzwemmen. In de eerste plaats om eraan te beginnen, en later om door te zetten. Het is in essentie je kwetsbaar opstellen. De natuurelementen krijgen vat op het naakte lichaam. Er is het koude water met soms golven die in het gezicht slaan. Lichte onderkoeling is onvermijdelijk, tenzij je er heel kort in blijft, wat voor de meesten van ons niet de sport is. Eenmaal weer op de oever is er de lage luchttemperatuur. De wind onttrekt warmte aan de nog natte huid. Onverwijld afdrogen en aankleden is geboden.

We hebben geen kleedruimte bij de Plas. Meegenomen stukjes plastic beschermen onze spullen tegen vocht uit het gras en kunnen in geval van dreigende regen eroverheen worden gevouwen. Sommigen hangen hun kleren aan de fiets. Het gaat zo.

We hebben een vaste stek op de ligweide. Ook in de zomer, als er veel meer gasten zijn, is dat ons domein. Het is de plek waar we verzamelen, waar we liggen te zonnen, praten of puzzelen of een krant lezen. De oudste Kees betrekt altijd de uiterste hoek. De anderen nestelen zich ergens in de beschutting van de houtwal.

Nestelden, moet ik zeggen, want die wal is weg. Het was een imposant bouwwerk dat in de loop van twintig jaar gestalte had gekregen. Het was in de winter een welkome bescherming en fungeerde in andere jaargetijden als gezegd als pleisterplaats, bijna niet meer weg te denken. De stammen en takken waren begroeid met klimop en andere planten. Het geheel paste prima in de omgeving. Heel natuurlijk, zou je kunnen zeggen.

De beheerder van het terrein dacht daar anders over, of eigenlijk vooral de handhaver, een buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van het recreatieschap. De wal onttrok weleens door mannen uitgevoerde seksuele handelingen aan het oog. Daar moest de wal voor boeten.

Het hout was ineens verdwenen. Op een dinsdagochtend begin januari heeft een aannemer zwaar materieel ingezet om de boel te ruimen, ons later op de dag in ontsteltenis achterlatend. Zonder overleg of op z’n minst een waarschuwing vooraf had er een volledige kaalslag plaatsgevonden. De grond was omgewoeld door dikke banden, het riet was plat, diverse bomen gekapt, de broeihoop van de ringslangen gesloopt. Heel onnatuurlijk, zou je kunnen zeggen.

We hebben later in een gesprek nog wat uitleg gekregen. Het zou ook om groot onderhoud gaan van het terrein. Maar de belangrijkste reden van de sloop bleek toch het terugdringen van het praktiseren door die mannen. Wij hadden daar echter veel minder last van dan we profijt hadden van de wal. In de winter wordt er sowieso niet veel gepraktiseerd.

Het hoekje is nog begaanbaar maar te modderig om er uit en aan te kleden. We staan nu verspreid over het veld, zoekend naar wat beschutting tegen de winterwind die van alle kanten vrij spel heeft.

Ik moet dit natuurlijk niet overdrijven, we kunnen klaarblijkelijk wel wat hebben, er zijn bovendien ergere dingen, toch voelt het ontheemd. Het is in ieder geval een rotstreek.

Ruimte

Ze had heel goed verpleegster kunnen worden, iemand die nagaat of ik op tijd mijn medicijnen neem. Ze had heel vaak bezorgd kunnen zijn, als ik weer eens aangaf dat het druk was in mijn hoofd. Ze had strak mijn leefwijze in de gaten kunnen houden, opdat ik niet opnieuw uit de bocht zou vliegen. Ze had zich ook af kunnen keren van de ellende, en niks te maken willen hebben met mijn kwalen. Er zijn veel rollen die de partner van een schizoaffectieve bipolair op zich kan nemen, waarvan sommige een goede relatie zeker in de weg zouden staan.

Zij hield het hoofd koel en koos voor steun en warmte, met precies de goede afstand, net de juiste nabijheid.

Het is niet de hele tijd vanzelfsprekend geweest dat we bij elkaar zouden blijven. Van beide kanten zijn er ernstige twijfels geweest of de ander wel de ware was, of in ieder geval degene om het leven mee te delen. De kinderen hebben waarschijnlijk een breuk voorkomen, door er te zijn.

We zijn pas de afgelopen twee jaar (van de zestien jaar relatie) in een echt stabiele fase beland. Ik zie voor de laatste crisis daarbij een belangrijke rol.

We hadden bedacht om ons twaalf-en-een-half-jarig huwelijk te vieren, op bescheiden wijze op een zondagmiddag in een koffietentje bij het station. In de aanloop naar die viering kreeg ik het benauwd, net als bij het trouwen en het kopen van ons huis. Het zijn momenten dat de verbinding nog eens extra wordt vastgeklonken.

Ik stak haar aan. Het bleef weliswaar binnen de perken, toch waren er van beide kanten weer twijfels. We spraken ze uit, iets waar niet iedereen voor zou kiezen, denk ik. Daar zaten we mooi, het feestje was geregeld, zaaltjegehuurd, catering besteld, uitnodigingen verstuurd. We moesten in ieder geval verder tot die dag.

We gingen intussen aan het praten, emotionele gesprekken, dat begrijp je. Ze draaiden eropuit dat we zouden kiezen voor onzekerheid, dat we de twijfel toelieten. Ieder voor zich mocht twijfelen en ieder zou het ook de ander gunnen. Dat was een verademing. Elkaar die ruimte bieden is voor ons de sleutel gebleken om nog dichter tot elkaar te komen.

We hebben een paar belangrijke gezamenlijke bezigheden die mede het wezen vormen van onze verbintenis. We wandelen, we doen de afwas, we kijken series, we liggen ’s avonds samen in bed en hebben soms seks, we mediteren. Bij dat laatste zitten we 25 minuten in stilte tegenover elkaar op ons kussen. Aan die activiteit gaat nogal eens tegenzin vooraf. Soms motiveer ik haar en een andere keer zij mij. Daar zijn dan opvallend weinig woorden mee gemoeid.

Ik ben blij met haar. En zij met mij, durf ik te zeggen. Minder klef kan ik het niet maken. We hebben het goed samen. Melanie vindt het naar als ik zeg dat het ooit een keer, door wat dan ook, voorbij zal zijn. Die gedachte is voor mij juist een aansporing er nog eens goed van te genieten.

Makkelijk

Ik had mijn boodschappen afgerekend en stond ze in te pakken. Melk en sinaasappelsap onderin, verse spinazie en eieren bovenop. De volgende klant bij de kassa was een man van mijn leeftijd, naar ik schat, afgaand op zijn stem. Ik heb niet de gelegenheid gehad hem goed te bekijken. Daar was wel reden toe, want dit was een bijzondere man.

Een deur voor een ander openhouden stelt voor hem niets voor, hij denkt er niet bij na, hij merkt waarschijnlijk niet eens dat hij het doet. Hij haalt tijdens de pauze koffie voor de hele afdeling. Hij is op straat alert op oude dametjes om naar de overkant te begeleiden. Als er een pakketje voor de buren bij hem is bezorgd, houdt hij in de gaten wanneer ze weer thuis zijn en brengt het even langs. Hij geeft een pen aan, nog voordat je in de gaten hebt er een nodig te hebben. Als het even kan is hij er voor een ander.

Daar is iets voor te zeggen. We benne op de wereld om mekaar te hellepe, niewaar.

Als kind leer je dat bepaalde dingen beleefd zijn om te doen, zoals die deur openhouden of iemand voor laten gaan. Als puber kun je lak hebben aan deze regels. Maar later, als de rook een beetje opgetrokken is, kom je erachter dat het meer is dan alleen beleefdheid. Je merkt dat je het leven van een ander op veel manieren een beetje aangenamer kunt maken en dat dat goed is om te doen, dat je er zelf bovendien baat bij kunt hebben. Door mensen te helpen help je jezelf en in de optiek van sommigen zelfs het universum. Of je komt gunstig voor de dag bij het verdelen van de plekjes in een hemel.

Veel kleine dingen tellen daarbij zwaarder dan een paar grote gebaren.

Zo komt het dat ik bijvoorbeeld de caissière vriendelijk groet, maar weer niet te joviaal, want dan denkt ze dat ik iets van haar wil, wat in bijna alle gevallen niet zo is, een enkele keer wel, dan groet ik wat neutraler, en ik zeg zo aardig mogelijk vaarwel, liefst met een positieve wens over het verdere verloop van de dag, of ik zeg, ter verlichting van het leven achter de kassa, nog iets anders, wat doorgaans niet wordt begrepen, dus laat ik het vaker achterwege, de intentie is goed.

Maar die man na mij tilde het de ander aangenaam maken naar een hoger niveau. Hij zei tegen de caissière: ‘Alle barcodes liggen in de juiste richting.’ Hij had de verpakkingen zo op de band gelegd dat het meisje ze niet hoefde te draaien en niet naar de streepjes hoefde te zoeken. Wat een baas.

Wat mij betreft kostte het hem wel punten dat hij er zelf ruchtbaarheid aan gaf. Had hij niet hoeven doen. Aan de andere kant wist ik er dan niet van en zou alleen de caissière na een paar pakken zuivel hebben gemerkt dat deze man het de mensen wel heel makkelijk maakt.

Knetter

In de Netflix-serie Atypical kwam een Engelse uitdrukking voorbij: ‘He’s not all there.’ De hoofdpersoon, een achttienjarige autistische jongen, in wiens bijzijn dat over hem werd gezegd, moest ervan bekomen door lange tijd vier soorten pinguïns achter elkaar op te zeggen.

Er zijn in online woordenboeken veel betekenissen te vinden van ‘not all there’: ‘crazy or mentally deranged’, ‘dimwitted’, ‘a little bit stupid or crazy’, ‘not mentally sound’, ‘slightly stupid or strange’. Wat mij betreft is de mooiste en daarmee in mijn ogen de beste: ‘absent-minded’.

Ik weet niet meer hoe de vertaler het in de ondertiteling getypt heeft. Waarschijnlijk dekt de letterlijke vertaling ‘Hij is er niet helemaal bij’ niet goed de lading. Het zal meer iets zijn van ‘Hij is een beetje achterlijk’. In goed Nederlands: ‘Hij spoort niet helemaal’.

Ik kijk het terug. Het is geworden: ‘Hij is niet in orde.’ Matig maar waarschijnlijk noodzakelijk om een scène later ‘I am all there, aren’t I dad?’ te kunnen vertalen met ‘Ik ben wel in orde, toch pa?’

Be that as it may, het trof mij omdat ik mezelf soms in een vergelijkbare positie zie. Ik ben er nog steeds net niet helemaal. Die vier of vijf psychoses uit het verleden spelen vast een rol. Ik weet nog niet precies hoe dat in elkaar steekt. Misschien moet ik er eerst helemaal zijn, mocht dat ooit gebeuren, om het te begrijpen.

Ik weet ook niet wat eraan te doen. Het enig mogelijke lijkt wachten. Er zit niets anders op dan de kleine vernederingen van mensen die me niet kennen over me heen te laten komen. Ik zie het ongeloof in hun ogen, want op het eerste gezicht heb ik het uiterlijk en het postuur van iemand die er helemaal is. Maar zodra ik echt dichtbij kom of begin te praten kan zomaar blijken dat ik er niet helemaal ben.

Het volgende vond plaats in de rij voor de oliebollenkraam. Het was oudjaarsdag en iedereen wilde oliebollen. De lange rij ging in een rechte lijn van de ingang van de supermarkt naar de kraam. Ik sloot aan en zei tegen het stel voor me dat het alvast scheelde dat het zo ordentelijk ging. Het jaar was bijna voorbij, ik deed gek, ik zei maar wat. Zij glimlachte zuinigjes. Hij keek niet op of om.

Twintig tellen later zeiden ze iets tegen elkaar over geknetter, ofwel in mijn oren: he’s not all there.

Ik heb vaker met dit bijltje gehakt, hoefde niet vier soorten pinguïns op te noemen, bleef rustig staan en liet een ruime meter afstand tussen mij en het stel ontstaan.

Vanuit mijn ooghoek zag ik de kerel naar me kijken, verbaasd waarschijnlijk. Waar hebben we nu mee te maken?, hoorde ik hem denken. Ze bemoeiden zich verder niet met mij. Dat zou ik ook niet doen, echt niet, als een vreemde op straat zomaar iets tegen me zegt. Afstand houden, hooguit even glimlachen, in ieder geval niets terugzeggen, zeker niet als het gaat om iemand met een enigszins afwezige geest.

Voornemen

Ik droomde van een leeg document. Het liep tegen vieren op een donderdagmiddag. Ik zat op het punt om het op te geven, om dan maar een week over te slaan. Ik dacht aan het afgelopen jaar waarin dat buiten de zomervakantie drie keer was gebeurd. Los daarvan had ik iedere keer wel wat. Soms met veel wringen en persen, soms met gemak.

Ik zou er graag mijn werk van maken, columns schrijven. Ik zou graag meer mensen bereiken. Daarmee wil ik mijn huidige aanhang niet tekortdoen. Soms doe ik net of ik één van jullie een brief schrijf. Al doende heb ik die persoon in gedachten. Misschien ben jij het wel deze keer.

Ik eis van mezelf dat ik elke week een stukje schrijf. Zo bewijs ik dat ik het kan, dat ik kan blijven presteren. Ik wil de redactie van dat tijdschrift of die website laten zien dat ik iemand ben waar je op kunt bouwen.

Intussen onderneem ik bar weinig om me kenbaar te maken. Ik mis het gen om op sociale media te roepen. Ik ken de juiste mensen nog niet. De juiste mensen kennen mij nog niet. Ik heb een hekel aan netwerken, zowel aan het werkwoord zelf als aan het doen. Je kunt op mijn grafsteen zetten: ‘Hij netwerkte niet.’

Dat heeft als gevolg dat ik op dit moment niet verder kom dan dit blog. Natuurlijk, ik weet ook wel dat het een succes is, maar ieder stadium verlangt een volgend stadium. En als het stadium dat niet doet, dan ik wel.

Het is tijd voor een volgende stap en daar kan ik je hulp bij gebruiken. Zie het als iets terug doen voor de gratis verstrekte teksten, of gewoon als een gunst.

In de eerste plaats mag je heel hard positief denken en het mij vanuit je hart gunnen dat ik in het komende jaar op enigerlei wijze een groter publiek kan bereiken. Maak er voor mijn part een kerstgedachte van, een soort goed doel.

Ten tweede zou ik je willen vragen, en dit valt me erg zwaar, jouw netwerken in te zetten. Ga bijvoorbeeld de link van je favoriete blog van het afgelopen jaar delen in al je facebooks, twitters, linkedins en wat dies meer zij. Mijn dank zal groot zijn.

Zelf moet ik ook aan de bak. Ik moet gerichter aan de slag. Ik heb, behalve dit voornemen, echter geen idee waar te beginnen. Tips zijn welkom.

Misschien is dit juist een oefening in tevreden zijn met wat ik heb. Kijk nou, ik zit bijna aan de vijfenzeventig blogs, zomaar, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En waar gaan ze nou helemaal over? Misschien: het alledaagse een beetje glans geven.

Daar ga ik dan maar mee door. Er komen vast weer kleine belevenissen of ideeën en gedachten die de lege documenten kunnen vullen. Ik blijf elke week op deze plek een blog publiceren. Alleen de komende twee sla ik even over. Dan weet je dat alvast.

Mierig

Ik heb vanochtend het woord prozaïsch opgezocht in de Dikke van Dale, de elfde uitgave uit 1984: niet verheven, alledaags, nuchter. Het woordenboek is naar hier verhuisd toen mijn ouders een heel stuk kleiner gingen wonen. De drie delen staan vooral ornament te zijn naast de tv, die veel vaker wordt geraadpleegd.

Ik ga doorgaans, als ik meer over een woord wil weten, te rade bij woorden.org. Het is een armere methode, maar wel veel handiger en sneller. Armer onder meer omdat ik in een woordenboek van papier al zoekende meer lemma’s tegenkom, en mogelijk daardoor ideeën opdoe. Handiger en sneller omdat het internet is.

Heb ik het mis of wordt prozaïsch vooral in minachtende zin gebruikt? Het is maar alledaags. Daar geeft Van Dale geen uitsluitsel over. De omschrijving op woorden.org zegt het volgende: gewoon, helemaal niet bijzonder. Dat klinkt in mijn oren niet positief. Wie wil nou iets dat helemaal niet bijzonder is? Wie waardeert het gewone? Misschien waren er in 1984 mensen voor wie dat opging. Het moet nu allemaal uitzonderlijk, het hele leven, elke dag.

Ik verveel me. Van Dale zegt bij zich vervelen: geen tijdspassering hebben, niet weten wat te doen en daardoor landerig gestemd zijn. Landerig vervolgens: het land hebbende, slecht geluimd, niet opgewekt, vervelend, zonder fut. Overigens geeft de website bij zich vervelen: niet weten wat te doen of saai vinden wat je aan het doen bent. Landerig komt niet voor in de beschrijving, is in mijn online woordenboek helemaal niet te vinden.

Er komen daarentegen in het online puzzelwoordenboek 18 synoniemen van landerig naar voren, waaronder mierig. Mierig hoef ik niet eens in het zoekvak van woorden.org te typen, geen kans. De Dikke verwijst weer terug naar landerig, maar noemt ook lastig en geeft daarbij als voorbeeld: dat kind is zo mierig vandaag. Wil degene die dat als laatste gezegd heeft zich melden bij de balie. Er staat me nog wel bij ooit gehoord te hebben: ‘Loop niet zo te mieren!’

Er bestaat ook mierigheid, althans in 1984 bestond het nog. Dat brengt me ertoe het door de enigszins overeenkomende klank opborrelende meligheid op te zoeken. Meligheid is online eenvoudig hoe melig iets of iemand is. Het woord blijkt vroeger niet te hebben bestaan. 34 jaar geleden nog maar, ik was twaalf. Er was in mijn beleving meligheid alom, vooral onder meisjes. Ik deed er zelden aan mee, en nog niet, helemaal niet meer eigenlijk. De laatste keer dat meligheid bij mij de overhand nam, was dat diep beledigend voor een tafelgenoot. Je wilt het niet weten. Of wel, maar ik vertel het niet.

Melig zonder -heid erachter was er in 1984 wel, maar liefst met vijf betekenissen, waarvan de tweede luidt: niet fris, flauw, lusteloos; erg, verschrikkelijk, zeer; flauw-grappig. En dan dus nog vier andere, het wordt er niet duidelijker op. De website is compacter en geeft er twee. De eerste gaat over vruchten. De tweede luidt: in een stemming dat je steeds moet lachen, ook al is er niks echt leuk.

Club

Onze winterzwemclub heet Met gezonde tegenzin, afgekort MGT, en bestaat onder die naam ruim twintig jaar. Het was oorspronkelijk de titel voor het blaadje dat nog sporadisch en in zeer afgeslankte vorm verschijnt.

Ik heb er samen met Els, die inmiddels verder weg woont, in het begin zorg voor gedragen. Toen had het een strak uiterlijk, keurig in kolommen ingedeeld. Later nam Guda het over, die helaas niet meer naar de Plas kan komen, en was de vorm vrijer. Vooral in de omslagen legde ze veel creativiteit. Jan verzorgde vanaf het begin de rubriek Temperatoernaja Gazeta, waarin wetenswaardigheden over onder meer het temperatuurverloop van het water, volop statistieken en records. Verder stond het iedereen vrij bijdragen te leveren. Het was gezien de relatief kleine groep opmerkelijk dat het blad het nog zo lang heeft uitgehouden.

De club slonk echter zo dat er weinig te melden overbleef. Als er iets te delen was, konden Kees en Willem dat ook wel gewoon tegen elkaar zeggen. Ze hielden een paar jaar lang met z’n tweeën het vuurtje gaande. Yvon en Guda lieten zich toen ook af en toe zien. De activiteit bij de Plas was tot een minimum gedaald.

Misschien had het verband met het overlijden van George. Hij was een belangrijke motor achter allerlei activiteiten, iemand die mensen enthousiasmeerde en bij elkaar bracht. Hij had op een koude dag een stuk gezwommen. Hij was op het pad in elkaar gezakt. Robert, een andere zwemmer, trof hem daar even later levenloos aan.

Ooit waren er zo’n twintig mensen die zich met enige regelmaat in het koude water waagden. Er waren goed bezochte herfstduiken, vollemaan duiken, voorjaarsduiken en nieuwjaarsduiken. Alleen de laatste is overgebleven, of weer in ere hersteld, dat weet ik niet precies.

Voor zover ik kan zien, heeft drie winters terug een kentering ingezet toen Frans zich bij het groepje voegde. Dat was wat anders, eentje erbij in plaats van eentje eraf. Het jaar daarop meldde ik me weer na lange tijd afwezigheid. Vorig jaar was een status quo. Dit najaar en begin winter maken we een ware opleving mee.

Kees, naamgenoot van die andere, is sinds oktober met pensioen en er weer vaak bij. Melanie, niet de mijne overigens, zwom tot begin december tot de helft van de Plas en terug, ruim tien minuten. Haar lijf is zeker winterzwemproof, maar ze kiest er vooralsnog voor verder te gaan in het zwembad. Jolande zien we soms. Mieke bij mooi weer. Van Piet weet ik dat hij de intentie heeft en de tijd om vaker te verschijnen. En er zijn twee veelbelovende nieuwkomers op het front. Cor maakt weinig heisa en kan zich qua gezwommen tijd al meten met de doorgewinterde badgasten. Voor Annemarie lijkt het zich blootstellen aan de kou ook geen probleem.

Zo krijgt de club weer kleur op de wangen. We hebben met het warme najaar gelegenheid gehad goed op te laden voor de komende maanden. Het water schommelt de laatste weken rond zeven graden. Ruimschoots voldoende voor tegenzin, een gezonde welteverstaan.