Van plan

Het lijkt of ik ineens in een andere wereld ben. Tijdens mijn dag in Doorn had ik het laatste deel gelezen van een boek, Leef meer, denk minder van Pia Callesen, een Deense psycholoog. Ze legt uit wat de metacognitieve therapie behelst, een ‘beproefde, baanbrekende methode om uit een dip te komen’. Dat verhaal laat ik verder voor wat het is, hoewel ik iedereen die in een dip zit kan aanraden er kennis van te nemen. Ik wil het hier hebben over één van haar aanbevelingen: doe wat je van plan was, ongeacht je stemming of eventuele tegenzin. Dit breng ik sinds twee weken in praktijk en er gebeuren wonderlijke dingen, voor mijn doen dan.

Sinds ik ooit stopte met studeren, en misschien tijdens mijn studie al, heeft er een grote mate van vrijblijvendheid rond mijn dagen gehangen. Bij gebrek aan betaald werk was ik gedwongen een eigen leefschema op te bouwen. Dit zorgde voor de hoognodige structuur in periodes van ontwrichting. Toch was het nooit zo dwingend als dagelijks ergens te worden verwacht om arbeid te verrichten. Ik kon en kan daar aardig mee overweg. Ik heb mijn vaste momenten voor taken en bezigheden. Het moet echter wel helemaal uit mezelf komen om me ergens toe te zetten. Daar wringt de schoen.

Bij bijna alles kan ik me vooraf afvragen of ik er echt wel zin in heb op dat moment. Om te beginnen kost het bakken energie om dat na te gaan, het nog een keer mezelf voor te leggen en er daarna op te herkauwen. Aan plannen ontbreekt het doorgaans niet, maar vaak als het eenmaal zover is, loopt het raderwerk vast. Er zijn dan zo veel redenen om ervan af te zien, met name eentje die niet echt een reden is, tegenzin. Die kan vervolgens allerlei vormen aannemen, tot angst aan toe. Het is een beest. Maar nu heb ik het te pakken, echt. Ik trek me nergens meer wat van aan. Laat het dan licht manisch zijn, ik neem het ervan.

Melanie ziet het met lede ogen aan. Die wacht eerst maar eens af hoelang het duurt. Daar heeft ze een beetje gelijk in. Ik laat me er niet door weerhouden. Ik heb de ramen gezeemd. Ik ben bij de buurman op de koffie geweest. Ik mediteer twee keer per dag. Vloeren gedweild, badkamer gepoetst, keuken gedaan. Heb twee keer de buurtborrel bijgewoond. Wandel, in dit geval de gezonde tegenzin negerend, zonder tegensputteren naar de plas. Heb twee ochtenden wandelcoachflyers verspreid. Ik heb gezwommen in het zwembad, baantjes getrokken, waar het de hele winter niet van was gekomen. Schrijf in anderhalf uur op het geplande moment een blog. En rust.

En ik ben begonnen met de sloop van de oude schutting en van plan een nieuwe te plaatsen. Daar is Melanie nog het meest huiverig over, dat ik halverwege die klus er de brui aan geef. We zullen zien.

Voorbereiding

Een paar weken geleden op het strand bij Kijkduin kreeg ik het idee. Het kwam erop neer dat ik Melanie lukraak een plaats noemde waar ik naartoe zou gaan. In mijn eentje. Dat was belangrijk. De vorige keer dat ik iets alleen had ondernomen eindigde met aanhoudende paniek. Mijn zwager pikte me toen op van een wandelroute. ’s Ochtends vertrokken, ’s middags weer thuis. Dat was in het najaar. Sindsdien heb ik niets van dien aard ondernomen. Er zat van meet af aan dus enige spanning op mijn uitstapje naar Doorn.

Ik had geprobeerd, zoals een therapeut me had aangeraden, vooraf zo weinig mogelijk te regelen. Volgens haar was uitgebreid voorbereiden al bezig zijn met angstige gevoelens. Eerder had ik bijvoorbeeld niet alleen gekeken in welke restaurants ik zou eten, maar ook alvast een keuze gemaakt uit de menu’s. Dat is sowieso iets wat ik gewend ben, thuis de menukaart bestuderen. Het komt erop neer dat ik zo weinig mogelijk aan het toeval wil overlaten. Dit is deels toe te schrijven aan mijn karakter. Een ander deel heeft, afgaande op wat die therapeut me zei, te maken met een ingesleten gewoonte gebaseerd op vrees voor het onbekende, het onzekere en het onverwachte.

Het minimale was nu om een accommodatie te boeken, twee nachten in een huisje via airbnb, overigens zonder lang te speuren op de website. Ik heb ook gekeken of er een supermarkt was in het dorp. Inderdaad, macht der gewoonte, maar toch handig om te weten. Deze keer had ik beschikking over potten, pannen en een gasstel en hoefde ik niet uit eten. Ik moest de neiging onderdrukken om precies te bedenken wat ik aan proviand zou inslaan voor die dagen. Verder kon ik het niet laten om te kijken of er een geschikte wandeling in de buurt was. Gaat dat al te ver? Ter plekke bleek er overigens een veel geschiktere te zijn.

Bij het inpakken had ik wel een lijstje nodig, al nam ik nog zo weinig mee. Het verschil was dat ik het niet een week van tevoren printte. Vlak voor vertrek krabbelde ik de benodigdheden op een papiertje. Dat ik mijn bluetoothspeaker daardoor vergat en het zonder muziek moest stellen, was even vervelend, maar niet onoverkomelijk.

Doorn ligt op twintig kilometer van Overvecht. Mijn oorspronkelijke plan was om het makkelijk te houden en er met de bus naartoe te gaan. Het weer bleek zo goed dat fietsen me ineens veel aantrekkelijker leek. Dat was het ook, helemaal toen ik op de terugweg een langere, toeristische route aandurfde.

Melanie vroeg na mijn thuiskomst wat mijn bevindingen waren van de trip. Ik had haar eerder al gezegd dat het geen onderzoek betrof. Het is gewoon af en toe nodig dat ik er alleen op uit ga. Het zou jammer zijn als angst, in wat voor vorm dan ook, dat in de weg staat. In die zin was dit uitstapje geslaagd, alleen al omdat ik ben gegaan (en niet voortijdig terugkeerde). Er spreekt enige hoop uit voor de toekomst.

Deurklink

Ik grijp een keer terug op een ouder blog. In september 2017 verscheen Slotveer, over het repareren van een deurklink en klussen in huis in het algemeen, of beter, mijn algemene onwil daartoe. Om voor mij onbekende redenen wordt dit verhaal veel aangeklikt, vanaf het begin al en zeker sinds de helft van 2020. Ik hou de statistieken niet nauwkeurig bij, een beetje, en zou heel graag weten wat er achter al die aandacht zit. Gaat het ergens rond op internet? Heeft een grotere site een link geplaatst? Als iemand het weet, vertel het me.

Het komt nu bij me boven omdat ik diezelfde deurklink weer heb moeten repareren, opnieuw afstellen eigenlijk. Daarvoor moest het loopslot eruit, dan telt het voor mij als klus. Die heb ik gedaan, zeer vlot voor mijn doen, en nu hoef ik voorlopig niets meer in huis aan te pakken.

’s Avonds tijdens de afwas heb ik Melanie erover verteld, zodat zij ook weet dat ik voorlopig in huis niets hoef aan te pakken. ‘Hoera, ik ben niet getrouwd met een klusser’, zou ze dagelijks uit moeten roepen. En het is waar, ik ben helemaal geen man om in een eigen huis te wonen, een huurhuis zou voor mij veel beter zijn. Onderhoud en verbouwen of kleinere projecten zijn niet aan mij besteed. Daarnaast verdien ik niet zoveel dat ik het allemaal zorgeloos aan betaalde krachten kan uitbesteden.

Gelukkig dat Melanie nog wat doet, bijvoorbeeld de kozijnen schilderen, volgens een meerjarenplan. Zij heeft daar schik in, zoals het zo mooi heet. Een buurman merkte vanuit zijn tuin weleens op, terwijl zij op de ladder stond, dat het geen vrouwenwerk was. Daar was ik het niet mee eens, en dat ben ik nog steeds niet, uiteraard.

Het tuinonderhoud hebben we ook goed verdeeld. Zij doet de rest en ik het snoeien van de haagbeuk en het maaien van het gazon.

Dan heb ik nog de taak om de picknickbank in vorm te houden. Twee keer per jaar smeer ik er een dikke laag tuinhoutolie op. Dat is er het afgelopen najaar bij ingeschoten. Het ding begint groen uit te slaan en het ziet er meteen naar uit dat het een verloren zaak is. Dat ik genoeg heb van de kolos zou een rol kunnen spelen. Zij weet dat. Ze vecht er niet echt tegen.

Sowieso heeft ze de strijd, voor zover die ooit bestond, tegen mijn onwillige houding al lang geleden opgegeven. Hooguit geeft ze af en toe een subtiele hint als in haar ogen iets echt moet gebeuren, en anders doet ze het zelf wel.

Maar die deurklink heb ik mooi gemaakt, geheel uit eigen beweging, vooral omdat ik voorzag dat we anders een keer de deur niet meer open zouden krijgen en we buitenom moesten om van de hal in de woonkamer te komen en vice versa. Angst was in dit geval een goede raadgever. Nu het opgelost is, kan ik met goede reden weer een tijd tevreden achteroverleunen.

Voorzichtig

Ik twijfel altijd, als het vuilnis naar de ondergrondse container moet, of ik op mijn pantoffels zal gaan, of ik daarmee op straat gezien wil worden. Ach, wat ook, het kan wel even snel. Twee zakken, voor iedere hand één, ik hoor ze ploffen in de diepte van de bak. Op de terugweg wil ik Melanie nog tegenkomen, die gelijk met mijn vertrek haar fiets uit de schuur ging pakken. Ik ren daartoe zelfs een beetje, tot ik een vader en een kind tegenkom, een zoon. Hollen lijkt me niet gepast, zeker niet op pantoffels, en ik hou in. Toch komen Melanie en ik elkaar achter het huis nog tegen. We dollen wat, zij slingerend op de fiets, ik met bewegingen alsof ik haar vang. Maar ik laat haar gaan. Ik vervolg vlot mijn weg, draai de poort op slot en blijf bij het begin van het tuinpad haken achter een opstaand randje. Mijn lijf gaat vlak tegen de grond, zo snel dat mijn armen er niet aan te pas komen het op te vangen. Mijn hoofd maakt een kleine sliding in het gras, enkele centimeters naast een grindtegel. Het moet een engel zijn geweest die me net in die richting heeft laten hellen. Ik voel aan mijn hoofd. Bij mijn rechteroog zit een flinke veeg modder met een grasspriet, verder niet. Nog niet geheel begrijpend wat me is overkomen, sta ik op en loop ik naar binnen.

In de huiskamer draait een afspeellijst die Melanie aan heeft laten staan. Elvis Costello is net begonnen aan I Want You. Terwijl ik nog eens aan mijn hoofd voel, besef ik veel geluk te hebben gehad. De duikeling van zonet ervaar ik daarom eerder als een redding dan een val.

Ik wil mijn gezicht in de gehavende staat, die eigenlijk vrijwel ongehavend is, vastleggen. Voor geschikt licht ga ik bij het raam staan en zonder verder al te moeilijk te doen neem ik een houding aan voor de foto. Eentje moet genoeg zijn. Tijdens een moment van concentratie vooraf klinkt een regel van Costello, die helder en diep doordringt: Be careful darling you might fall.

Daarna maak ik, nog beduusd van de samenloop, heel erg op mijn gemak een trage lasagne.

Ritme

De weduwe van een overleden vriend kwam vorig jaar op de thee. Naar aanleiding van een brief die ik haar had geschreven, over zaken die een buitengewoon onderling verband leken te hebben, zei ze: ‘Ik geloof in toeval.’ Het ontnuchterende van de uitspraak sprak me aan, en ook wel dat er iets dubbels in zat, ja, ik besloot: vanaf nu geloof ik ook in toeval. Maar zoals het een goed geloof betaamt, wordt het nu en dan op de proef gesteld.

Ik ga proberen de juiste volgorde te vinden. Laat ik beginnen met lezen, dat doe ik weer, e-books. Ik had net een roman uit die al een tijd ongelezen op de e-reader had gestaan, van Thomas Verbogt. Het boek beviel me. Later zag ik dat de bieb ook Schrijven is ritme van hem te leen had, een soort hulpboek voor de prozaschrijver. Het leek me goed en leuk dat te lezen.

Nu moeten we iets terug in de tijd, niet heel lang. Ik wil het niet nodeloos ingewikkeld maken. Om mij nog steeds onbekende reden kreeg ik op mijn laptop geen toegang tot het programma om e-books naar e-reader te verhuizen. In een poging iets te forceren plukte ik lukraak een boek uit de collectie van de bibliotheek, niet van plan dat te lezen. Het was De nieuwe man van Thomas Rosenboom.

Het volgende deel van dit verhaal speelt zich weer recenter af en gaat over De verschrikkelijke jaren tachtig, een nieuwe Nederlandse serie, meteen in zijn geheel beschikbaar op NPO Plus. We keken de eerste twee afleveringen. De inhoud doet er verder niet toe, het ligt voor de hand dat het in de jaren tachtig speelt, 1986 om precies te zijn. Aan het eind van aflevering twee is er zo’n wervend vooruitblikje. Jacob Derwig levert in de rol van Bert commentaar op de Belgische inzending van het Eurovisie Songfestival: ‘Godverdomme, dat nummer is veels te goed, zo gaat Frizzle Sizzle nooit winnen.’ Reden voor ons om naar de meidengroep en het nummer in kwestie op zoek te gaan. Ik won. Spotify gaf binnen een minuut Alles heeft een ritme ten beste.

Hier komt het gedeelte waar dingen samenvallen, de reden dat ik me soms zo ontzettend gedragen kan voelen en tegelijkertijd erg op mijn tellen moet passen. We zijn twee dagen verder als ik in Schrijven is ritme van Verbogt begin. Mijn klomp breekt al een beetje als hij in het eerste hoofdstuk een citaat centraal stelt uit… De nieuwe man, het boek dat ik vrijwel lukraak op mijn e-reader had gezet. Vooruit, kan gebeuren. Mijn verbazing stijgt, en die zal later overgaan in ontzag, als het volgende hoofdstuk over een liedje blijkt te gaan, overigens zijn genre noch het mijne, in 1986 Nederlandse inzending voor het Songfestival. Heb ik genoeg gezegd? Denk het wel.

Misverstand

De ogen boven haar mondkapje spuwen verontwaardiging. Het zal de urenlange blootstelling aan zeurende mensen zijn geweest, die tegen het eind van de avond weinig van haar professionele vriendelijkheid heeft overgelaten. Ik schrik van die blik. Vlug verduidelijk ik mijn reden om te vragen of het nog lang ging duren. Ik zeg dat ik vecht tegen de paniek, wat ook zo is. Mijn psycholoog sprak enkele weken daarvoor van een stoornis, zelf hou ik het liever bij af en toe een aanval.

Het is me niet geheel duidelijk waar deze mee begon, misschien thuis al, bij een vluchtige gedachte om vooraf een kalmerend tabletje te nemen; het leek me niet nodig. Daarna gingen kleine dingen zich opstapelen. Dat me laat op de avond een afspraak was toebedeeld was niet optimaal. Ook verloor ik onderweg naar de locatie kostbare minuten door onverwachte tegenwind en onduidelijkheid over welke ingang ik moest hebben. Binnen bij een balie hadden mijn beverige vingers moeite om een formulier open te vouwen. Na de administratieve plichtplegingen mocht ik plaatsnemen op een vrije stoel in een lange rij. Kort daarop verwees iemand me naar een andere, de voorste. Zonder omdraaien kon ik niet zien wat er achter me gebeurde, unheimisch. Voor me hingen felle lampen hoog aan het plafond hinderlijk in mijn blikveld. Later zou ik, niet geheel naar waarheid, verklaren dat die de trigger waren geweest. En dan die rondhangende en heen en weer lopende mensen, medewerkers die niet direct iets nuttigs leken te doen. Ging het vanavond nog gebeuren? Ter afleiding probeerde ik nieuwsapps te lezen, mijn leesbril besloeg. Dan maar alleen zitten en de golven over me heen laten komen. Ik zat bijna drie kwartier toen zij op een kruk aan kwam rollen met in haar kielzog een metalen tafeltje op wielen.

Het scheelt aanzienlijk dat ze naast me is komen zitten en, hoewel het gesprek niet vlot, we een beetje kunnen praten. Mijn ontboezeming heeft haar milder gestemd. Ze vraagt hoe het de vorige keren dan was gegaan. ‘Geen probleem,’ zeg ik, ‘toen was er bijna geen wachttijd.’ Ze knikt begrijpend. De rest van haar lijf spreekt dat het genoeg is voor vandaag. Een collega komt onze kant op met een niervormig bakje, waarvan het oranje correspondeert met de sticker op mijn formulier. Dankbaar pakt ze het aan. Vlak voor ze de booster in mijn bovenarm zet, spreekt ze me bemoedigend toe: ‘Blijven ademen.’ Ik lach wat voor me uit. Dan dringt tot me door dat ze denkt dat ik bang ben voor de prik. Het is te laat om het misverstand recht te zetten. Ze is door naar de volgende.

Grienen

Ik heb in dit leven al heel wat moeten leren accepteren. Als je me echter vraagt hoe ik dat heb gedaan, dat accepteren, dan heb ik daar geen volledig antwoord op. Misschien heeft het te maken met mild zijn, voor wat me overkomt en hoe ik daarop reageer, dat als het ware omarmen. Dan nog is de vraag hoe ik dat doe. Het is nogal vaag. Ondanks de terminologie blijft het ongrijpbaar hoe je zowel wat je liefhebt als wat je liever niet hebt, omarmt.

In de afgelopen maanden ontvouwde zich een manier om meer grip te krijgen.

Een vriendin had me verteld dat ze soms een hele dag door moest huilen en vroeg of ik het ook weleens deed. Nauwelijks. Haar idee was dat ik een beetje van haar nam en zij wat van mij, zodat er meer evenwicht zou zijn. Kort daarop was ik bij een onlinebijeenkomst van een cursus, waarbij zijdelings ter sprake kwam dat het goed is om geregeld te huilen en dat je dat ook kunt leren. Uit mijn geheugen diepte ik daarna een videotweeluik op van vriend Piet. Hij filmt zichzelf en is in de ene video aan het lachen en in de andere huilt hij, kennelijk ‘op commando’. Bij elkaar bracht het me ertoe dat ook te willen leren.

Op internet vond ik tips: begin met diep zuchten, slik niets weg, zet toepasselijke muziek op, heb geduld. Aan dat laatste ontbrak het me, het ging me niet snel genoeg. Ik nam daarom per mail contact op met een coach die zich profileert op de website lerenhuilen.nl. Best openhartig geweest, je kent me. Er kwam geen antwoord, ook na weken niet. Ik nam niet de moeite hem nogmaals te schrijven. Mijn eigen routine moest het doen.

Heel makkelijk blijkt het niet. Maar het gaat. Een paar keer per week zonder ik me af en begin ik met zuchten. De laatste tijd staat er steevast muziek bij aan, het Stabat Mater van Pergolesi. Een timer zorgt ervoor dat ik niet eindeloos ween. En dan maar denken aan wat me verdriet. Het ligt voor de hand om te beginnen met de kleine dingetjes van de dag die tegenzitten. Gaandeweg komen grotere onderwerpen aan bod, zoals, ik noem maar wat, het onstuitbare voorbijgaan der dingen. Een enkele keer wellen er tranen op van geluk. Zo kom ik er goed achter waar het gevoel zit. Het is regelrecht verwerken, en omarmen.

En het was slechts begonnen om wat vocht uit mijn ogen te krijgen. Dat schijnt op zich al gezond te zijn. Als het gebeurt is de sessie geslaagd. Ik heb nog een weg te gaan voor ik een overtuigend potje kan zitten grienen. Het begin is er. Ik heb zomaar het idee dat door op gezette tijden de sluisdeuren open te zetten, ik daarbuiten wat opgewekter kan zijn. Of dat echt zo is, weet ik nog niet.

Heteluchtballonnen

Een tijdje terug alweer was er de afbeelding met de statige reiger, waarvan ik had gedacht dat het de laatste zou zijn. Ik werkte toe naar een einde. Daarna zou ik het puzzelen laten voor wat het was en weer gaan schrijven. Die twee blijken niet te combineren. Zolang er een puzzel op tafel ligt, kan ik me moeilijk op iets anders concentreren.

In het najaar was ik met de nieuwe hobby begonnen. Sindsdien lagen er zo’n vijftien legpuzzels op het bureau in de werkkamer. Ik heb ze niet allemaal kunnen afmaken. Zeker in het begin had ik moeite om vooraf de geschikte moeilijkheidsgraad te bepalen. Ik zocht vooral naar afbeeldingen die me aanspraken. Als eerste nam ik een driemaster op volle zee onder handen. Dat waren te veel zeilen die op elkaar leken, te veel dito golven en idem donkere wolken, naar bleek. Een stilleven met onder meer een halfvolle fles wijn en trossen druiven lukte al beter. Bij een verzameling vogels uit Noord-Amerika slaagde ik erin om alle stukjes op de juiste plek te krijgen.

Inmiddels zit ik er diep in. Talloze uren heb ik naar stukjes zitten turen. Ik ga bij veel beelden om me heen al na of ze geschikt zijn om te stansen.

Maar de activiteit is suffer dan ik mezelf wil toestaan. Als man van de wereld heb ik er moeite mee om het voor vol aan te zien, of eerder, mezelf voor vol aan te zien terwijl ik het doe. Ik heb mijn beste vrienden er niet over verteld, bang als ik ben voor hun oordeel. Er is natuurlijk iets verhevens van te maken door te refereren aan het meditatieve karakter, of zo. Maar ik laat het liever wat het is. Het is nou net dat ik nergens over hoef na te denken of in mijn geest hoef te graven. Het is juist een strategie om ongeschonden deze maanden door te komen. Het gaat in de eerste plaats niet om het resultaat, hoewel het bevredigender is een puzzel wel te voltooien dan niet, maar meer om de bezigheid op zich. Die past prima in het donkere jaargetijde. Kachel aan, muziekje op en zoeken en aanleggen maar.

Ik verzeker je dat het van tijdelijke aard is, dat ik binnenkort weer echt iets ga doen. Het gepuzzel is zijn doel voorbijgeschoten. Een verslaving is het misschien niet, maar er is op z’n minst sprake van afhankelijkheid. Was het eerst bedoeld om wat lege uurtjes te vullen, intussen is het zoeken naar zoveel mogelijk lege uren om eraan te spenderen.

Onder mijn laptop zweven nu deels voltooide heteluchtballonnen in alle kleuren van de regenboog. Er moeten nog mandjes onder en stukjes lucht tussen. Voor daarna wachten twee Van Goghs en een straatje in Zuid-Europa op me. Het spijt me. Ik moet het hierbij laten.

Achtergrond

Het is zo gegroeid dat ik vooral leed deel. Ik heb me daarin gespecialiseerd en ben er best goed in geworden. Ik kies ermee voor de makkelijke weg. Het is bijvoorbeeld veel moeilijker om adequaat geluk in woorden uit te drukken. Geluk is ook niet zo leuk en komt veel beter tot zijn recht tegen een donkere achtergrond.

Je wilt bovendien helemaal niet weten hoe gelukkig ik soms ben. Wat hier staat komt nooit in de buurt van de werkelijke ervaring. Het wonder ervan wordt tenietgedaan door er woorden aan te geven.

Bij leed is dat anders. Daar kan iedereen met gemak aan relateren. Het is van: o ja, dat heb ik nou ook weleens. Aha, ik ben niet de enige. Of: ik heb met hem te doen. Of sterker: wat een geluk dat ik hem niet ben. Zie je, in dat laatste geval ben je zelf even gelukkig, alleen al door te lezen over andermans shit.

Ik filosofeer nog wat door. Wat is geluk eigenlijk? De afwezigheid van lijden? Dat is niet vol te houden. Dan zou het alleen een gradatie zijn van gebrek aan misère. Ook totale gelukzaligheid komt voor. Het duurt net zo lang als je nodig hebt om het te beseffen. Een moment. Dan is het lijden er weer. Ik kan er niets anders van maken.

Ook voor mensen die niet met van alles en nog wat te kampen hebben, gaat het op. Groot of klein leed, er is altijd wat. Nooit niks inderdaad.

Ik heb geleerd dat het vruchtbaar is om een zekere tevredenheid met het lijden te cultiveren. Een beetje blij zijn dat je lijdt, zoiets. Daar oefen ik elke dag mee. Dus laat die ellende maar komen. Dan heb ik weer wat te doen.


Binnenkort verschijnt Puzzelstukjes, een nieuwe bundel met blogs (van 250 woorden). Ik hou je op de hoogte.

Pakketpunt

Eerst dit: in het vervolg is er soms niks op Nooit niks. De strakke regelmaat van elke zaterdag een blog verdwijnt. Niet ongerust zijn dus (sowieso niet) over mijn welzijn als er een keer geen verschijnt. Groet, Mark


Pakketpunt

In de krant had een artikel gestaan over de uitbuiting van pakketbezorgers. Deels wist ik al van de situatie. Dat ze door sommige klanten bovendien als voetveeg worden beschouwd. Dat een groet of bedankje er vaak niet af kan. Om onze bezorger te ontlasten, besloot ik een pakket met twee boeken en een drinkfles bij het dichtstbijzijnde pakketpunt te laten brengen. Zelf ophalen. Direct na bestellen kreeg ik de melding dat de goederen vanwege verschillende levertijden over twee zendingen werden verdeeld.

Over de eerste kreeg ik snel bericht. Ik maakte me ervoor op om het af te halen en herinnerde me ineens waarom deze manier van ontvangen me tegenstond. Het waren klootzakken bij de tabakszaak waar het pakketpunt zich bevond.

Daar ging het er als volgt aan toe: ‘Goedemorgen, ik kom een pakket ophalen.’ De man achter de balie: ‘Huisnummer.’ Ik: ‘Dertien.’ ‘Naam.’ ‘Verhoogt.’ Terwijl hij een hand uitstak: ‘ID.’ Ik had mijn pas al gereed en reikte die aan. De man legde het doosje met het eerste deel van mijn bestelling op de toonbank en vervolgde: ‘Handtekening.’ Het was de bedoeling dat ik met een vinger een krabbel op een touchscreen zette. Dat deed ik en wachtte af. ‘Bevestigen,’ was zijn laatste commando. Rechtsonder op het scherm zag ik inderdaad een knop met dat woord. Ik drukte erop en zei bedankt en gedag. Er kwam geen antwoord.

Mijn indruk was al langer dat de klootzakken na overname van de winkel contractueel gebonden waren gebleven aan het verwerken van pakketjes. Ze verdienden er bar weinig mee en hadden er helemaal geen zin meer in. Een tijdje terug bijvoorbeeld was ik in de zaak voor het versturen van een retour. Zodra ik met het doosje onder mijn arm binnenstapte, riep de dienstdoende lul dat er een storing was. Pakketten versturen zou niet gaan. Ik mocht zelf bedenken waar het op één na dichtstbijzijnde pakketpunt was.

Bij het ophalen van het tweede deel van mijn recente bestelling was er eerst ook sprake van een storing. Toen duidelijk werd dat het om halen ging en niet brengen, was daar ineens geen spoor meer van.

Ik had mijn kartonnen envelop al zien liggen. Ze had makkelijk door de brievenbus gepast. Het was deze keer een andere klootzak achter de toonbank, maar de commando’s waren hetzelfde. Alleen ‘bevestigen’ bleef achterwege, omdat ik na mijn krabbel snel op de knop had gedrukt. Op mijn bedankt en gedag kwam ook nu geen antwoord.

Voortaan laat ik weer thuisbezorgen. Ik zal me erop toeleggen de bezorger extra vriendelijk te bejegenen. Als hij na aanbellen een pakket op de drempel heeft gelegd en aan het eind van het tuinpad wacht, of verder weg nog, roep ik hem een welgemeend dankjewel toe. Als het even kan, zwaai ik erbij.

Avontuur

Het plan was om een driedaagse wandeling te maken. Binnen de provincie was ver genoeg. Ik had twee overnachtingen geboekt, de routes op mijn telefoon gedownload, een paklijst gemaakt, treintijden opgezocht en online alvast gekeken in welke restaurants ik zou eten en wat daar op de kaart stond. Aan de voorbereiding had het niet gelegen.

De gedachte achter het avontuur was om even alleen van huis te zijn. Juist in een goede relatie, hoef ik je niet te vertellen, is voldoende ruimte nodig. Ik heb sinds de laatste crisis, waar we nu vrij comfortabel het staartje van beleven, wat dingen ingebouwd om die ruimte te waarborgen. Het leek me goed om ook af en toe eropuit te gaan, te beginnen met deze keer.

De dag vooraf was ik zenuwachtig en vroeg ik mijn zus of ik haar onderweg, indien nodig, mocht bellen. Ik wilde Melanie daar niet mee lastigvallen. Even weg is even weg. Mijn zus was zo ruimhartig dat ze meteen voorstelde me op te halen als mocht blijken dat het echt niet ging. Dat leek me overdreven, maar goed, het idee gaf rust.

De eerste dag, een woensdag, zou een warme worden. Vooraf had ik al opgezien tegen de hoge temperaturen. Het pad ging grotendeels over open terrein. De zonnestralen zouden vrij spel hebben. Het waren niet echt de omstandigheden waar ik voor zou kiezen. Het moest maar.

Zo terdege als de trip was voorbereid, zo krachtig werkten van meet af aan de resterende onzekerheden me tegen. Na iets meer dan twee uur lopen belde ik, in de hoop dat de zenuwen dan zouden zakken, mijn zus. De zenuwen zakten niet. De toestand van mijn lijf bleef in golven aanschuren tegen paniek. Bij Tull en ’t Waal was een bankje in de schaduw. Ik geloofde er niet meer in dat een langere pauze de situatie zou verbeteren en belde nogmaals. Ze vroeg of het ook goed was als mijn zwager langskwam. Die plukte me een klein halfuur later van de route en bracht me terug naar Overvecht.

Melanie leefde mee met mijn teleurstelling. Ik was, eerlijk gezegd, alweer erg blij haar te zien. Na zo’n tijd.