Rem

Het is niet eerder gebeurd dat ik verwees naar een blog van de voorgaande week. Ik wil er deze keer een kanttekening bij plaatsen, zonder de waarde ervan teniet te doen. Het ging erover dat ik zo blij was, al langer achtereen. Ik voelde me beter dan ooit.

Na publicatie sloegen de zenuwen toe over de vraag of ‘zo goed’ misschien overging in ‘te goed’. Daar moet ik op blijven letten. Dat is de mentale omstandigheid waar ik mee te leven heb. Het leidt soms tot de wanhopige gedachte dat dit nou nooit eens ophoudt. Het houdt inderdaad nooit op.

Het blijft lastig ermee om te gaan, vooral omdat een mogelijke ontsporing zich altijd weer in een andere gedaante voordoet. Het depressieve gedeelte is niet het grootste gevaar, het gaat vooral om het doorschieten naar boven. Dat is lang niet meer gebeurd, inmiddels meer dan tien jaar, maar de dreiging blijft.

Ik nam mijn zenuwen serieus en wenste dat het geluk iets minder zou worden. Paradoxaal genoeg ben ik blij dat dat is gebeurd. Als ik nog hoger was gegaan, zouden mijn voeten van de grond zijn losgeraakt. Het was tijd die high de kop in te drukken.

Het is de verworvenheid van lang leven met bipolariteit dat ik ruim op tijd ben met bijsturen. Het is deze week weer iets meer zoeken naar licht in het weerbarstige van de dag. Hoewel zo’n piek, of tijdelijke hoogvlakte, af en toe zeker welkom is, zou ik niet anders willen dan dit.

Zonnebril

Sinds lange tijd keek er weer eens een meisje om. Het was eigenlijk een jonge vrouw. Het hoort intussen bij mijn leeftijd dat jonge vrouwen voor mij meisjes zijn. Ze droeg een niets doorlatende zonnebril. Strikt genomen was er dus geen blik waarneembaar, alleen het begin van een glimlach rond haar mond.

Waar had ik dat aan te danken? Stond mijn eigen gezicht eens niet op onweer? Zou goed kunnen. Het gebeurt de laatste tijd wel vaker dat het ontspant, dat mijn mondhoeken vanzelf en zonder aanleiding omhoog krullen. Het is niet iets van één dag, gaat al weken zo. Ik voel me beter dan ooit, moet althans ver terug voor een vergelijkbare stemming. Het is ongezond er lang bij stil te staan, maar het is (nog) zo ongewoon om iedere ochtend uit te kijken naar de komende dag. Ik moet geregeld in mijn arm knijpen om na te gaan of dit niet slechts een uiting van mijn bipolaire stoornis is.

Net als bij negatieve emoties zoek ik verklaringen. Wat overkomt me, wat doe en laat ik dat dit gebeurt? Ik kan daar lang over nadenken, uiteindelijk is het iets mysterieus en ongrijpbaars. Aan voorspoed kleeft nog wel die schaduw van het onherroepelijke einde ervan, onbekend hoe en wanneer. Het kan zo weer weg zijn.

Dit is saai om over te lezen, dunkt me. Het heeft niet de jeu die ellende omgeeft. Sorry. Ik ben momenteel gewoon een blije eikel. En als er dan ook nog eens een meisje omkijkt…

luistersuggestie: Dansmuziek – Doe Maar (YouTube)

Hier

In deze crisis, waarschijnlijk in elke, is het voor ieder de opgaaf om het onderhavige te blijven ervaren, wat er voor je neus gebeurt, en je niet mee te laten voeren met het verhaal van de wereld, met alle verhalen die de krant, het internet en de televisie voorschotelen: de alarmerende voorpaginaberichten, het gekwetter op Twitter, het gekakel in talkshows. Uit de flarden die ik van de laatste twee soms meekrijg maak ik op dat ik veel beter af ben zonder.

Een volgende stap zou kunnen zijn om mijn eigen verhalen los te laten. Bijna niet te doen, maar het proberen waard. Ik bén niet mijn persoonlijke geschiedenis, ondanks dat dat verhaal zich steeds opdringt, net als die uit de media. Het lukt misschien soms om het even te vergeten. Dat is al heel wat. En dan zijn er nog de verhalen van mijn week, de dag, het uur, het jaar of welke tijdspanne je kunt bedenken, verleden en toekomst. Tot klein ongenoegen ben ik daar altijd mee bezig. Bijna altijd. Zo ervaar ik het althans.

Ik probeer meer en meer zo te leven dat ik opensta voor die momenten dat er geen invulling is. Paradoxaal genoeg helpt de crisis daarbij. Bij het begin was ik erg van slag: gespannen, onzeker en angstig. Tegelijkertijd kon ik intens genieten. Die intensiteit is afgezwakt, maar nog steeds aanwezig. De rust is weergekeerd, dieper dan voorheen. Deze crisis schept helderheid. Af en toe vallen alle verhalen weg en is er alleen maar dit.

Verschijnsel

Ondanks dat ik vorig jaar opnieuw naar de overkant en terug zwom, kan ik toch weer zenuwachtig zijn als ik verder van het veld ga, ook langs de oever en ook met de zwemboei bij me. Ik heb geen zin om actief mijn grens te verleggen en de afstand uit te breiden. Het bevalt me goed om als het ware baantjes langs het riet te trekken, heen en terug naar punten tot waar het comfortabel is. Aan het begin van een zwemsessie is dat wat verder en naarmate mijn lijf kouder wordt steeds iets dichterbij.

Zo deed ik in de buurt van het veld mijn schoolslag. Op een moment dat mijn hoofd boven water kwam, hoorde ik een ruis. Ik hield in en keek naar het riet waar het geluid vandaan kwam. Het slingerde heen en weer. Halmen zwiepten. Er braken stengels af. Er vlogen delen van de lucht in. Er ging een kleine maar ruige wervelwind doorheen.

Mijn geest neigde ernaar om het verschijnsel betekenis te geven en het ergens aan te koppelen. Aan het ontstaan van graancirkels bijvoorbeeld, waar ik een tijdje aandacht aan heb besteed en die nog steeds een plek in mijn hart hebben. Of aan Kees die afgelopen najaar bij dezelfde watertemperatuur ongeveer op deze plek verdronk.

Maar ik hield het liever bij wat het was. Vanwege de ongewoonheid dacht ik nog even dat het een illusie betrof, een waanvoorstelling. Bij het volgende baantje zag ik stukken riet in het water. Het was echt geweest.

Verblijfsduur

Dit is een van de lichtere problemen rond corona: er is bij de plas bij zonnig weer niet genoeg plek op het veld. Er liggen dan zo veel zonaanbidders dat het niet mogelijk is altijd anderhalve meter afstand te bewaren. Met vier langs de beschoeiing is de weg naar het water geblokkeerd.

Ik begrijp niet dat je zo lang de zon op je blote lijf wilt laten schijnen. Een kwartier is meer dan genoeg. Ik laat me vóór het zwemmen even opwarmen en doe dito na afloop. Het grootste deel van de tijd ben ik in het water. Dat begrijpen anderen weer niet, dat ik zo lang in 15 graden zwem.

Moet ik er wel bij kunnen. Het probleem is te omzeilen door in de ochtend te gaan. Dan is het nog rustig. Een andere optie is een zwembroek mee te nemen en bij drukte een textielstrandje verderop te bezoeken. Toch zou ik ook graag gewoon ’s middags naar mijn vaste stek willen. Daar ben ik niet de enige in.

Ik voelde me geroepen bewustzijn te kweken. Daar ben ik van genezen, maar voortvarend als ik kan zijn, had ik al een A4 geprint en geplastificeerd. Het simpele idee komt van een andere winterzwemmer. Als ieder zijn of haar verblijfsduur beperkt, kunnen meer mensen gebruik maken van de beschikbare ruimte.

Ik heb het deze week bij de toegang opgehangen. Het is nog afwachten of het effect heeft. Ik laat het er verder bij en kijk uit naar wat meer bewolking.

Kaasboer

Johan is een man met blozende wangen en een rijzige gestalte. Hij bestiert al 40 jaar zijn delicatessenwinkel in het kleine winkelcentrum hier vlakbij. Deze week werd het gevierd: bij de ingang pilaren met ballonnen, aan het plafond een koord met kindertekeningen. Hij is geliefd. Hij heeft menig vinger in de pap bij sociale projecten in de buurt. Hij werkt mee aan de gratis appeltaartconcerten in het plaatselijke theater. Ik verdenk hem ervan mede aan de wieg te hebben gestaan van de Buurt Mobiel, een betaalbare taxiservice in de wijk. Daarnaast drijven veel initiatieven om het winkelcentrum levend te houden op de kracht van deze vriendelijke reus.

Toen ik een keer op zondag een stuk de stad uit fietste, kwam ik hem tegen in zijn nette pak. Hij ging op dat moment te kerke in Maartensdijk. Hij is klaarblijkelijk een godvruchtig man. Het staat hem goed. We groetten elkaar, maar toen ik hem later in de week aan onze korte ontmoeting herinnerde, was hij die kennelijk vergeten. Zoveel klanten ook. In zekere zin zijn het allemaal een beetje zijn kinderen. Alsof hij er al niet genoeg van zichzelf heeft, tien in getal.

De luidruchtige vrouw die deze vrijdag voor me aan de beurt was, had daar via een kennis lucht van gekregen. Johan heeft in zijn loopbaan in de volkse wijk zeker meer te verduren gehad. Dit was een pittige. Ze zei: ‘Ik hoorde van je kinderen. Je hebt hem niet versleten door te plassen.’ Johan gaf geen krimp.

Exit

Een luchtje scheppen vat ik ruim op. Ik wandel een uur tot anderhalf uur. Vrijwel dagelijks ga ik naar de plas voor een duik. Daar zie ik geen kwaad in. Onderweg ben ik oplettend en bedachtzaam. Op het veld net zo. In de supermarkt draag ik blauwe handschoenen. Ik probeer boodschappen doen te beperken tot twee keer per week. We zijn bij beide opa’s en oma’s een keer langs geweest, visites buiten, met inachtneming van gepaste afstand en eigen drinkgerei mee. Ik maak, zoals bijna iedereen, aan de hand van de maatregelen, aangevuld met persoonlijk inzicht, mijn eigen regels.

Toch vermoed ik op het spectrum van rekkelijken tot preciezen meer richting de laatsten te neigen. Ik doe er niet alles aan om het virus geen kans te geven, maar wel veel. Zie boven. Ik hou daarbij anderen in mijn omgeving nauwlettend in de gaten en ben geneigd in stilte ze de maat te nemen. De belangrijkste graadmeter die mijn positie bepaalt, is waarschijnlijk de woede over andermans in mijn ogen onnadenkende gedrag. Die meter slaat af en toe uit tot bloedrood.

Moet ik natuurlijk niet doen, zo ontzettend boos worden, dat is nergens goed voor, daar heb ik alleen mezelf mee, maar ja. Het zou mogelijk nut hebben als ik mijn grieven zou uiten richting de overtreders, want zo noem ik ze maar voor het gemak. Zij zijn fout. Ik ben goed. Het zit me dwars in deze situatie terecht te zijn gekomen. En ik zoek er een weg uit.

Hulp

Het helpen wil niet zo lukken. Ik doe echt mijn best. Ik heb me bij drie platforms aangemeld die vraag en aan bod bij elkaar zouden moeten brengen. Dat leverde vooralsnog niets op.

Ik heb bij onze oudere buren aangebeld. Die blijken zich goed te redden. De buurman deed breed lachend open. Hij zei eens per week boodschappen te doen. Dat volstond. Zijn vrouw heeft een slechte gezondheid en blijft binnen. Geen probleem. Hij vroeg of hij misschien iets voor mij kon doen.

Bij mijn licht dementerende wandelmaatje in het verpleeghuis mag ik niet langs. Ik bel hem soms om kort te horen hoe het gaat. Onze gesprekken verliepen vaak al moeizaam, door de telefoon is het helemaal behelpen. Mogelijk kunnen we een keer buiten afspreken en op ruime afstand van elkaar op een bankje zitten. Dan neem ik een thermoskan mee en coronavrije plastic bekertjes. Ik betwijfel ten zeerste of hij er wat voor voelt.

De mensen die ik kan mailen om te vragen hoe het leven is onder de maatregelen heb ik intussen allemaal wel gemaild. Met de meesten gaat het redelijk tot goed. Ik zou nog een tweede ronde kunnen doen. Ik bel mijn moeder af en toe.

Ik legde mijn wens voor aan een collega-coach. Ze bezit de wijsheid die haar lange grijze vlecht al een beetje doet vermoeden. Ze zei dat ik de mensen al heel erg hielp door alleen maar de rust te bewaren. Daar zit wat in. Dat ga ik dan maar doen.

Kring

Verderop langs het pad meende ik een boom uitbundig in bloei te zien staan. Het was wonderlijk wat de lente deed. Enkele tellen later bleek het een rookpluim. Er was vuur in het bos. Ik fietste ernaartoe om poolshoogte te nemen.

De grond was bedekt met droge bladeren waar vlammetjes zich gestaag een steeds grotere kring in vraten. Een paar mensen bekommerden zich al om de potentiële bosbrand. Twee meisjes met hoofddoek probeerden het vuur te doven door er handjes bladeren op te gooien. Dat verklaarde de rookontwikkeling en hielp uiteraard niet. Een jongeman stond iets verderop met een telefoon in zijn hand. Ik kon niet horen wie of wat hij belde. Twee vrouwen dichter bij het vuur delibereerden hoe om te gaan met de situatie. Het leek ze beter de zanderige ondergrond te gebruiken in plaats van de droge bladeren. De jongeman kwam meehelpen met graven. Het wilde niet erg. Ik stapte van mijn fiets en begon de vlammetjes uit te stampen. Dat bleek afdoende.

Nu was het tijd om de meisjes ter verantwoording te roepen. Gezien de stapels flyers op de grond leek het of ze die kwijt wilden. Naar eigen zeggen waren ze bezig geweest met een project voor school. Een van de vrouwen opperde dat ze in het vervolg beter een vuurkorf konden gebruiken. De twee waren zich hoe dan ook bewust van hun schuld en schaamden zich.

Zo stonden we even met z’n vijven bij de geschroeide plek. Die andere brandhaard waren we totaal vergeten.

Bui

Ze liet me wijselijk begaan. Melanie keek van de andere kant van de tafel toe hoe mijn gezicht verwrong en de tranen over mijn wangen rolden. Ik zat te janken om wat iemand me had geschreven met wie ik mailcontact onderhoud. Die wilde al heel lang heel erg dood en nu niet meer. Toen ik het las, was ik opgetogen. Toen ik er iets over zei tegen Melanie, ging de sluisdeur open.

Er is genoeg om over te huilen. Daar hoeven niet eens erge of verheugende dingen voor te gebeuren. Misschien zou ieder mens het elke dag even moeten doen, al is het alleen maar vanwege de opluchting na afloop.

Ik ben jaloers op mensen die het makkelijk kunnen en heb me er al vaak over beklaagd dat het mij zo weinig lukt. Af en toe is er een eerste aanzet: een snik of een vochtig oog. Daar blijft het dan bij. Zodra ik begin te denken dat het misschien toch doorzet, kan ik het vergeten. De potentiële bui bezwijkt onder die druk. Er rest een onbevredigd gevoel en de teleurstelling dat het weer niet los wilde komen.

Deze heb ik binnen, of is eruit, beter gezegd. De opluchting achteraf bleek niet eens zo groot. Toch ben ik blij. Hier kan ik weer even op teren. Dat zal wel moeten, want de gelegenheden waarbij het met sloten tegelijk naar buiten komt – ik herinner me er nu paar – zijn op de vingers van een hand te tellen. Ik koester ze maar.

Binnen

Mijn handen trillen te erg om uit de losse pols te kunnen fotograferen. Om bewegingsonscherpte te voorkomen zou een zeer korte sluitertijd nodig zijn. Soms zorgen beperkingen juist voor meer vrijheid, wat mogelijk opgaat voor de maatregel thuis te moeten blijven. Dit trillen echter limiteert mijn mogelijkheden zodanig dat er weinig extra waarde van valt te verwachten.

Ik heb daarom een solide driepoot besteld. Het statief dat ik heb, verkeert in staat van ontbinding: een voetje zit los, het rubberen plateau brokkelt af, een klem is lam. Bovendien kan ik iets nieuws goed gebruiken, niet alleen bij wijze van troost – ja, een goede driepoot kan dat bieden – maar ook als stimulans om een activiteit op te pakken.

Het plan is om binnenshuis op zoek te gaan. Ik weet nog niet precies hoe en naar wat. De zelfontspanner gaat mijn maatje worden, weet ik al wel, zodat mijn beverige tengels de te schieten plaatjes niet verpesten en opdat ook in de schemer van bijvoorbeeld de ochtend iets op beeld te vangen is en vanwege die spannende tien seconden rust. Ik verheug me op het met aandacht vinden van het juiste licht en een goede hoek.

Aangezien we daar nu toch al mee worden overspoeld, kom ik liever los van wat voor narratieve vorm ook. De foto’s hoeven geen verhaal te vertellen. Ik wil wat zich voor mijn neus bevindt, nemen voor wat het is. Niets meer.

Nu ik het zo schrijf, lijkt me dit een prima uitgangspunt om mee te beginnen.