Uitzicht

Wat we werkkamer noemen onderging jarenlang een geleidelijke metamorfose. Terugkijkend is het een fase geweest van onbewust voorsorteren op een nieuwe situatie. Voor het blote oog onzichtbaar werd het meer míjn kamer.

Na een korte, heftige crisis tussen Melanie en mij, waarin we ontdekten ieder meer tijd en ruimte voor zichzelf nodig te hebben, kwam de verandering in een stroomversnelling. Als ik boven zit, is de woonkamer haar domein. Allebei blij.

De boel hoeft niet helemaal om. Het aanpassen zit ‘m in kleine dingen.

Eerder was de stoel, een strak Gispen fauteuil, al van plek gewisseld. Die staat nu met de rugleuning naar de boekenkast, waar ik voorheen naar zat te loeren. Het geeft rust dat de ruggen met auteurs en titels uit mijn blikveld zijn. Er is een uitzicht naar buiten voor in de plaats gekomen, dat ik dik tien jaar over het hoofd heb gezien. In dit jaargetijde verdwijnt het flatgebouw op de achtergrond in hoog tempo achter het groen.

Daarnaast komt er iets nieuws aan de muur. Ik las onlangs dat je bent waar je naar kijkt. Sinds het verschijnen van mijn boek hing het omslag van Verwarde man in de kamer, uitvergroot op een glazen plaat. Ik heb lang genoeg naar dat papieren bootje gekeken. Dat krijgt een minder prominente plek.

De vrijgekomen ruimte benut ik voor de Japanse rolschildering die ik een tijd terug via een veiling kocht. Of ik dan de berg Fuji word, weet ik niet.

Boven het bureau komt een schrijvende monnik.

Eenmalig

In januari begon ik met het fotograferen van bomen met op de achtergrond tienhoog-flats. Van beide zijn er genoeg in onze wijk. Er is bij de aanleg, zo’n vijftig jaar geleden, voor gekozen om veel ruimte te laten tussen de gebouwen. Nu is er een overdadige hoeveelheid groen, overigens tussen een behoorlijke hoeveelheid beton. Het laatste valt een bezoeker en waarschijnlijk ook veel bewoners het meest op. Ondanks de alomtegenwoordigheid moet je een beetje je best doen om het groen te gaan zien, of te blijven zien.

In de winter waren de takken kaal en kwam er wat meer voorstellingsvermogen bij kijken. Het contrast was wel goed zichtbaar, tussen het strakke van de woonlagen en het chaotische groeien ervoor. Ik wist dat het achter de ruiten vol was van veelkleurig leven, en dat leven zag ik weerspiegeld in het gekronkel ervoor dat ongeremd zijn weg vond.

Per keer dat ik met de camera eropuit ging, wilde ik me beperken tot één geschikte foto. Uit de beste heb ik later een selectie gemaakt en voor mezelf af laten drukken in een boekje. Een paar mensen aan wie ik dat liet zien, vonden dat ik er een grotere oplage van zou moeten maken en proberen dat in de wijk te verspreiden. Daar heb ik over nagedacht. Een uitspraak van een filosoof kwam op, dat het soms al voldoende is om een idee alleen maar te denken, meer niet. Dan ben ik hier al een stuk verder mee. Vooralsnog hou ik het erbij.

Tieners

Tijdens een wandeling zagen we op een informatiebord het antwoord: augustus 2009. Een dag eerder op de fiets naast onze jongste had ik me hardop afgevraagd wanneer de grote natuurbrand in de duinen was geweest. Daarbij dacht ik aan een jaar of vijf geleden, hij aan meer. Het bleken er dus bijna twaalf.

Minimaal zo lang hebben we de gewoonte om in de lente dit gebied te bezoeken. Melanie en ik kunnen, ons door het bebouwde gedeelte bewegend, op veel plekken vaststellen dat we daar ooit een huisje hebben gehuurd. We zijn, zou je kunnen zeggen, gevorderde Schoorlgangers.

Ineens zijn we, het hoefde geen verrassing te zijn, met twee tieners op vakantie. Misschien is dit het laatste jaar dat we ze meekrijgen op deze trip, misschien ook niet.

De te ondernemen activiteiten veranderden naar gelang hun leeftijd. De schepjes en emmertjes hoeven niet meer mee naar het strand, een vlieger kan nog wel. Het valt erg mee hoe makkelijk de jongens het huisje verlaten voor een fietstocht of een stuk wandelen. Ze hebben intussen zelf in de gaten dat een hele dag aan hun schermpje gekluisterd niet tot bevrediging leidt. De bereidheid om een gezelschapsspel te doen blijkt ook hoog.

Het is zo vanzelfsprekend en tegelijkertijd een wonder om met een veertienjarige en een zestienjarige op stap te zijn, die zich langzaam beginnen los te weken en het toch heel fijn vinden om een midweek onder de hoede van hun vader en moeder te zijn.

Ook dat gaat onherroepelijk voorbij.

–

Als dit blog je bevalt, kun je hieronder inschrijven om het te volgen.

Boos

Omdat ik zo baalde aan het eind van de middag nog naar de supermarkt te moeten, had ik me voorgenomen me te vermaken. Het laatste waar ik me aan ergerde, besloot ik, was de dikke auto die vet op de stoep stond geparkeerd. Een oude vrouw op een scootmobiel kon er met moeite langs. Terwijl ik best iets wilde slopen, een buitenspiegel bijvoorbeeld, hield ik me in.

Naast het volle fietsenrek was de paal van een verkeersbord vrij. Ik zette mijn fiets zoals altijd, al was het maar voor vijf minuten, aan de ketting. Ik wilde zeker niet degene zijn die achteraf moest zeggen: ‘Ik was maar heel even binnen…’

Het genieten kon aanvangen. Gezellig die rij voor de ingang. En kijk, er hoefde onderling geen afstand meer te worden bewaard. Binnen konden mensen rustig snuffelen in de rekken met non-essentiële spulletjes. De slalom op weg naar de twee dingen die ik ’s ochtends was vergeten, was een dans. Van pret pakte ik twee blikken bier mee. Bij de kassa vroeg een vrouw aan de caissière hoe heet de rode pepers waren. Ik had het zo naar mijn zin, dat ik niet inzat over de verloren tijd. Na het afrekenen liep ik opgewekt naar buiten.

Daar ontplofte ik. Tot mijn afgrijzen staken mijn fietssleutels nog in het kettingslot. Hoe stom kon ik zijn? Te veel aandacht voor die auto gehad. Ik was boos, niet eens opgelucht, of toch een beetje, dat niemand met kwaad in de zin het had gezien.

–

Als je het nog niet gedaan hebt, kun je hieronder inschrijven en dit blog volgen.

Onderwerp

Mijn oude mentor en vriend is er slecht aan toe. Naar eigen zeggen had een windvlaag hem omver geblazen en was hij op straat beland. Dat resulteerde in een gebroken heup, op een nare plek. Een ontsteking vergiftigde zijn lichaam, waardoor hij in het ziekenhuis snel achteruitging.

Sinds die buiteling was een maand voorbijgegaan, toen zijn vrouw en Melanie elkaar tegenkwamen. Zij had geprobeerd ons te bereiken. Van het vaste nummer gaat de telefoon alleen nog over aan de kant van de beller.

Bezoek is intussen niet meer mogelijk, zo in de war is hij. Het is de man die mij altijd in de war bracht met zijn verhalen in alle richtingen. In eerste instantie raakten zijn uitweidingen kant noch wal. Later plaatsten ze me vaak voor een raadsel.

Over één ding was hij wel duidelijk: ‘Als ik zo kon schrijven als jij, zou ik het over heel andere dingen hebben.’ Een compliment en een suggestie. Misschien heeft hij gelijk. Ik zal er keer aan moeten geloven om mijn egocentrisme opzij te zetten. Ik wil nog lang door met dit blog. De koek zal een keer op zijn, wat mezelf betreft. Herhaling ligt op de loer.

Zelfs nu ik over hem begonnen ben, kom ik bij mezelf uit.

Ik hoop Hans nog te spreken, of op z’n minst te zien. Dat ik over een onderarm kan strijken, zacht in zijn hand kan knijpen en weet dat het goed is. Voor hem. Een blik is voldoende. Het is nog niet voorbij.

Geraniums

’s Ochtends zag ik een man zich laven aan een paar zonnestralen die door de ruit vielen waarachter hij zat. Ik dacht aan iemand anders op leeftijd die er genoeg aan had om alleen maar in zijn fauteuil te zitten. En ook aan nog iemand anders, ruim in de negentig, die vaak alleen maar, vanaf de elfde verdieping, naar het wuiven van de boomtoppen hoefde te kijken. ‘Ga zitten en doe je te goed aan je leven,’ stond in haar handschrift gedrukt op het bedankje na de uitvaart.

’s Avonds was de afwas al vroeg klaar. Ik wist even niet wat aan te vangen, had geen zin in boek, krant of tijdschrift. Ik kon eens doen als die man.

Gedurende het kleine uur dat ik zat kwam niemand langs op het pad voor ons huis. In het park erachter liet een vrouw haar hond uit. Er reed een scooter voorbij. Twee duiven zaten binnen mijn gezichtsveld op een tak. Getuige de plakkaten op de klinkers eronder was het hun vaste plek. Een dag eerder had ik de een boven op de ander zien klimmen. Ze hielden zich nu in op dat gebied.

De lage zon speelde met de lamp van de lantaarnpaal. Het leek of die brandde, veel feller dan normaal. Daar heb ik een foto van gemaakt. Verder niet.

Het viel niet mee om alleen maar te zitten. Het zal vast nog jaren duren eer ik dat makkelijk kan. Dit zag ik maar als voorschotje op mijn oude dag.

Vlaag

Er spande een netwerk samen van mensen die mij op een pijnlijke manier lesjes wilden leren. Keer op keer bleek ik de joker, de dwaas, de schlemiel. Elke ooit opgevangen frase, elk gebaar en iedere blik plaatste ik in een voor de gelegenheid bedachte context, waarbij ze bewijs leverden voor mijn knullige onwetendheid en voortdurende onkunde. Dit leidde tot diepe schaamte. En verdriet.

Dat was vooral ’s nachts. Overdag ervoer ik hulp, vooral van boven, zou je kunnen zeggen, maar het had ook van beneden kunnen zijn, of van opzij. Er was bijvoorbeeld een windvlaag speciaal voor mij. Niets kan de schoonheid evenaren van mystiek, die jij af en toe opmerkt, en die voor mij continu leefde.

Mooi. Tegelijk was het vreselijk, omdat ik in rap tempo grip verloor.

Het is ruim een kwarteeuw geleden dat zoiets me voor het eerst overkwam. Ik meende inmiddels voldoende te hebben geleerd om zo’n aanval te pareren. Dat heb ik ook vaak gedaan, met succes. Het was mijn kunst geworden op tijd te signaleren en adequaat te reageren.

Ik had niet gedacht nog in een psychose te raken. Mis. Want toen kwam deze, een komeet die onverwacht insloeg. Ik had hem niet zien aankomen, anders wellicht dan de oplettende lezer van dit blog.

Ik heb er een hekel aan om te spreken van cirkels die rond zijn. Er hangen altijd nog rafels aan. Toch is het bij deze zo. Klaar. Dit was echt de laatste.

Hoor ik achter in de zaal iemand schateren?

Vrij

Ik kon de invalshoek maar niet bedenken om over de kauwen te schrijven die tijdens de schemering bij de hoogste verdieping rond de flat zwermden.

Op een ochtend zag ik zomaar een viertal putters scharrelen tussen de katjes op straat. Het was mogelijk, volgens een vogelsite, de soort waar te nemen, maar niet waarschijnlijk. Ik hield me in en plaatste niets op de buurtapp.

Aan het eind van de dag maakte ik een wandeling. Op dat moment nam ik het besluit te streven zo vrij te zijn als de kauwen, hoewel het meteen te beperkt overkwam; dat eindeloos heen en weer gezwenk en steeds samen met je partner op zoek moeten naar het beste plekje op de rotswand.

In het park op de heuvel aangekomen drong tot me door dat ik hoog boven alles zweefde. Ik stond er niet lang bij stil, hield mijn pas nauwelijks in. Weer beneden vloog een wolk van meer dan twintig putters voor me op. Hun vlucht tintelde me.

Thuis heb ik nog bedacht of het geloofwaardig zou zijn de zeearend hoog boven de kauwen te laten zweven. Dat zijn snavel de volgende ochtend op de voorpagina van de krant prijkte, verraste me niet eens.

Zes doorwaakte nachten volgden. Ze waren schaamtevol, hartbrekend, angstaanjagend en soms onwaarschijnlijk in hun waarheid. Ook bemoedigend vanwege alle hulp van zowel mensen als engelen. Meer dan ooit werd ik ermee geconfronteerd dat er meer is dan wat ik doorgaans waarneem.

Zoals nu met mijn voeten weer op de grond.

Naast

In tijd gemeten stelt mijn werk als e-coach niet veel voor. Het is een vrijwilligersbaantje bij een zelfregiecentrum voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Twee ochtenden per week besteed ik eraan. Ik doe dit online thuis, ook al voordat het noodzakelijk was, solistisch ingesteld als ik ben.

Het draait bij de individuele schrijfcursus om het zogeheten herstelverhaal. Dat is voor mij vooral een goede aanleiding om in gesprek te gaan. Deelnemers maken aan de hand van vaststaande thema’s opdrachten die ze mij toesturen. Daar reageer ik op door terug te koppelen en verbredende of verdiepende vragen te stellen. En iets van mezelf te laten zien.

Mijn ervaringsdeskundigheid schuilt er niet in dat ik intussen wel weet hoe het zit, hoewel die positie makkelijk in te nemen is, en ik ontkom daar nooit helemaal aan. Het kost moeite om iets wezenlijks te delen op de momenten dat het van belang is. Het is verleidelijker achterover te leunen en alleen de ander over de brug te laten komen. Maar daarmee bereik ik maar een fractie van het gewenste, of zelfs het tegenovergestelde. Het is belangrijk echt naast iemand te gaan staan, een stukje samen op pad te gaan, en dat op afstand en in geschreven woord, best een opgaaf.

Vaak is het maar de vraag wie er vooral voor wie is. Mij wordt net zo goed iedere keer een spiegel voorgehouden. Ieder brengt het nodige in vanuit zijn of haar eigenheid. Dat is althans het ideaal om zo dicht mogelijk te naderen.

Raadsel

Er is een boek met klassieke koans, raadsels die bij beantwoording meer vereisen dan alleen het verstand. De eerste koan heb ik met goed gevolg doorlopen, zoals je het oplossen ervan ook kunt noemen. Daarna stokte het. Na een tijdje proberen en een paar gesprekken met de zenleraar heb ik de tweede gelaten voor wat die was, zoals je opgeven ook kunt noemen.

Ondertussen is er een andere puzzel die me al meer dan vijftien jaar bezighoudt. Gezien de beperkte ruimte hier hou ik het voor nu bij een gedeelte ervan.

Ik ga na in hoeverre opgevangen flarden van andermans gesprekken op mij betrekking hebben. Er zijn dagen dat ik er vatbaarder voor ben en dagen dat het meevalt. Hoe dan ook ben ik er continu alert op, of ik wil of niet.

De uitspraken die me raken bevatten in mijn beleving vrijwel altijd een verwijt. Ik ben er bovendien van overtuigd dat ik iets had kunnen doen om de incidenten, zoals ik ze maar noem, te voorkomen. Bijvoorbeeld door goed in mijn vel te zitten en evenwichtig te zijn en kalm en nog wat dingen die ik niet altijd kan controleren. Ik meen echter dat ik die controle wel moet hebben. Maar hoe?

Omdat er veel goeds naast staat, is het te dragen. Het gaat me goed. Het steekt des te meer dat de kwestie blijft zeuren, dat een oplossing uitblijft. Eerlijk gezegd, als het tot de mogelijkheden behoorde, zou ik dit raadsel ook laten voor wat het was.

–

lees ook Verwarde man, leed en herstel in 40 verhalen (verwardeman.com)

Gedrag

Eerder deze week sloeg ik met vlakke hand een vlieg dood op het keukenraam. Het dier was vanwege de tijd van het jaar nog traag geweest en daardoor een makkelijk doelwit. Vooraf had ik er niet veel over nagedacht. De beweging was bijna een reflex. Meteen daarop was ik even tevreden over de geslaagde actie, over de macht die ik had. Het kadaver bleef aan het glas plakken.

Daarna dacht ik aan de partij die volgende maand op mijn stem kan rekenen, de Partij voor de Dieren. Ja, ik zie de discrepantie. Vanuit hun gedachtegoed zou ik geen vlieg kwaad moeten doen. Dat vind ik zelf eigenlijk ook. Maar mijn gedrag blijft hardnekkig achterlopen bij mijn overtuiging.

Ik vind bijvoorbeeld ook dat vlees eten niet meer kan. Bij aanschaf in de winkel ben ik echter het leed vergeten, en wat de beesten allemaal voor mijn portie moeten eten, wat de koeien en varkens aan vervuiling schijten, hoeveel water er bij de productie komt kijken, plus de druk op landschap en omgeving. Duidelijk.

Met gemak zet ik alles keer op keer opzij voor mijn eigen welbehagen. Soms zie ik mezelf om die reden als zwak. Soms denk ik het zo nooit te redden, iets van buitenaf nodig te hebben.

Er zijn meer redenen voor mijn stemgedrag. Maar vooral zit ik te springen om politici die er zorg voor dragen dat de veestapel de komende jaren wordt gedecimeerd, dierlijk voedsel niet meer te betalen is en het goede doen een stuk makkelijker.