Winterzwemmen

Vogels kondigen al volop het voorjaar aan. De goeddeels verdwenen sneeuw heeft de wegen en paden gezuiverd. Waar het in duinen lag opgehoopt zijn nog wat plukken over.

Op het hevigst van de korte en hevige winter was ik gaan zwemmen, de zondag dat code rood als weeralarm gold. Er waren lage temperaturen voorspeld, die samen met een stevige oostenwind voor nog veel lagere gevoelstemperaturen zouden zorgen. Daar kwam sneeuwjacht bij.

Het zou geen poolexpeditie worden, maar enige uitdaging zat er zeker in. De dag ervoor keek ik er al met spanning naar uit. Het was vooral de vraag of ik per fiets de plas kon bereiken. Eenmaal onderweg viel het mee. Ik had een iets beschuttere route gekozen. Vers gevallen sneeuw is bovendien niet glad: zolang het knerpt, gaat het goed.

Bij het veld aangekomen bleek ik niet de enige te zijn die voor de ontbering had gekozen. Er waren drie andere zwemmers.

Het water was koud als gewoonlijk, hoewel de uiteinden van mijn lijf toch iets eerder en meer pijn leken te doen. Pas bij het aankleden werd het nijpend. De kramp in mijn handen, toenemend bij gebrek aan bescherming tegen de wind, verhinderde me bijna om mijn broek dicht te knopen. Met de rits van mijn jas had ik ook moeite. Maar eenmaal al mijn kleren aan, en dat waren er veel, en met mijn handschoenen, was het goed.

We hebben nog thee gedronken en wat staan keuvelen, daarbij niet nalatend onszelf op de borst te kloppen.

Hype

Het kan bijna niemand ontgaan dat winterzwemmen wint aan populariteit. Er zijn ineens meer mensen die het aantrekkelijke ervan zien, of het een keer willen proberen. Deze activiteit kan tenminste nog onder de coronamaatregelen. De belofte bovendien van een verbeterde weerstand spreekt aan. Het aanzwengelende effect van alle media-aandacht maakt het fenomeen tot een heuse hype.

Geen krant, blad of programma laat de kans voorbijgaan er aandacht aan te besteden: De Telegraaf, NRC, Trouw, De Volkskrant (twee keer), Stadsblad Utrecht, Kampioen, Keuringsdienst van Waarde, Radar, Nieuwsuur, en deze week, waarschijnlijk niet de hekkensluiter, een item bij Jinek. Dit alles nog los van wat aan mijn aandacht is ontsnapt.

Voor ervaren winterzwemmers is er weinig nieuws aan, vooral gedoe over speciale ademhaling en oefeningen voor een warming-up vooraf. Daar maken wij, bij de plas, geen punt van: uitkleden en het water in volstaat.

Een bijdrage in De Volkskrant van Jelle Brandt Corstius is nog wel het noemen waard. Hij kreeg twee en een halve pagina om te berichten dat hij afgelopen najaar wat had geprobeerd en sinds begin dit jaar eens per week zwom. Dit verscheen begin februari, het ging dus om hooguit vier keer.

Het contrast is groot met bijvoorbeeld Kees, dit jaar 93, die sinds ongeveer zijn zeventigste de winters zwemmend trotseert. De laatste tijd doet hij dat niet meer elke dag, maar is nog vaak van de partij. Over hem zouden ze eens een reportage moeten maken, ware het niet dat hij uitgesproken wars is van zulke poeha.

Anticiperen

Tot 1993 was het, bij afwezigheid van een voetpad, verplicht om links te lopen op een weg met ander verkeer. Zo heb ik het ook geleerd, niet omdat het een regel was, maar met een reden: als je daar loopt, dus tegen de stroom van het verkeer in, kun je auto’s en fietsers op jouw weghelft zien aankomen en daarop anticiperen. Daar is geen speld tussen te krijgen.

Rechtslopers, zoals ik ze voor het gemak maar even noem, doen me denken aan de ganzen net buiten de stad langs de Vecht. Die houden zich op bij de waterkant. Soms waggelen een paar, zich van geen gevaar bewust, de weg over. Ik hoef het adjectief niet te vermelden dat vaak aan de dieren wordt toegekend.

Het schijnt voor rechtslopers onnatuurlijk te voelen om de linkerkant van de weg te gebruiken. Het zal op z’n minst onaangenaam voelen als een achteropkomende automobilist verzuimt uit te wijken en een stap in de berm dan niet tot de mogelijkheden behoort. Het is ridicuul om dit risico te blijven nemen, terwijl het eenvoudig te minimaliseren is.

Mijn voorkeur blijft uitgaan naar lopen aan de linkerkant. Dat deden de meeste medewandelaars ook, totdat de massa zich vorig jaar noodgedwongen tot de wandelsport bekeerde. Er is geen houden aan. Het is om de haverklap uitwijken geblazen voor een stel potentiële doodsverachters.

Ondanks de keus van de meerderheid weiger ik om van kant te wisselen, tenzij we met z’n allen afspreken dat het overige verkeer dat ook doet.

Mantra

Bij het leren mediteren, volgens de lessen die ik volgde, is het gebruik de ademhalingen te tellen. Elke uitademing is er één. Het is een oefening waarbij de aandacht kan verschuiven van wat er in je hoofd rondgaat naar wat er in je lijf gebeurt. Dat hoofd blijft een rol spelen, maar wordt minder dominant.

Na jaren training heb ik het tellen losgelaten. Af en toe doe ik het nog, als ik een krachtig middel nodig heb om erbij te blijven. Dan val ik terug op wat ik goed ken.

Een alternatief voor gevorderden is om alleen maar te zitten, verder niets, de aandacht niet op iets in het bijzonder te richten. Dat is nog te lastig voor mij om lang vol te houden, dan gaan gedachten toch met me aan de haal.

Mijn heil vind ik al een tijdje bij een mantra, van één lettergreep. Je kunt dat ook als een hulpmiddel zien, maar dan zou je het tekort doen. Het woord is de reactie op een vraag die niet met alleen het verstand kan worden beantwoord. Het vult, onhoorbaar uitgesproken bij elke in- en uitademing, volledig de ruimte. Dat te realiseren lukt me bij lange na niet altijd, het blijft ook en vooral een oefening.

Dit klinkt best vaag, en is dat vanwege de essentie misschien ook. Voor mij wordt het echter, hoe vaker ik me eraan overgeef, steeds tastbaarder. Dat geluid, of die stilte, is iets wat ik altijd bij me draag. Met mijn adem als instrument.

Keuze

Met de verkiezingen op komst was ik begonnen me te interesseren voor politiek. Het doel daarbij was vooral om kort voor de dag niet afhankelijk te zijn van Stemwijzer of Kieskompas. Mijn aanpak zou grondig zijn.

Eerst maakte ik een schifting op basis van onmogelijkheden en eerdere voorkeuren. Dat leverde een rijtje op van vier partijen. Ik plaatste hun websites bij mijn favorieten. Zo kon ik makkelijk de standpunten en programma’s vergelijken. Overzichtelijk zat.

Er bleek al gauw meer kennis nodig te zijn om gedegen afwegingen te kunnen maken. Ik dook in sociaal-economische vraagstukken, populisme in Europa en een hele reeks andere verontrustende zaken. Naast websites, online beschikbare documentaires en de krant was er De Groene, waar ik een proefabonnement op had genomen, niet geheel toevallig.

Er kwam een overdaad aan problematieken tevoorschijn, meest van enorme complexiteit. En nergens kon ik iets aan doen, ongeacht hoeveel inzicht ik erin verwierf.

Niet alleen die onmacht speelde me parten, maar ook de honger naar meer informatie nu eenmaal een tip van de sluier was opgelicht. Bovendien groeide het plichtsgevoel om me zo goed mogelijk te informeren. Alleen kon ik dat nauwelijks met mate. Als ik ermee bezig ging was het volledig, geen middenweg. Het verdreef mijn rust. En die stelt me juist in staat nog iets te betekenen in deze wereld.

Daarom heb ik de zoektocht maar gestaakt, leek me beter. Van die vier partijen zijn er wel inmiddels twee overgebleven. De laatste keus moet dan maar een mild beredeneerde gok worden.

Vlucht

Het gaat nooit vanzelfsprekend tijdens een wandeling. Diep vanbinnen blijf ik schuw als het om vreemden gaat. Daar komt bij dat voor mij ieder passeren een kleine ontmoeting is. Ik moet me bezighouden met hoe me tot de ander te verhouden. Dat uit zich meestal in de kwestie van wel of niet groeten en zo ja hoe. Ook niets zeggen is dan een besluit.

Het was altijd tamelijk rustig op mijn terrein. Aan het eind van de jaren nul, toen het nog in aanleg was, wandelde ik al in het polderpark achter onze wijk. Ik droomde mezelf pionier, zag een rol weggelegd als wegbereider, dichtte: Dit gras hier is landingsbaan. / Iedere spriet biedt plek / aan meerdere van ons. Als het ware nodigde ik mensen uit die het gebied niet kenden. Ik liet open waar de vlucht precies vandaan was.

Het is inmiddels filelopen, vooral in het weekend met goed weer,  bij gebrek aan mogelijkheid tot winkelen. Dat heb ik niet uit eigen ervaring. Ik begeef me er niet bij zulke omstandigheden. Melanie had zich er gewaagd en vertelde het me. En zij is veel milder als het gaat om drukte, ziet vooral het voordeel, namelijk dat die mensen ook lekker buiten zijn en in beweging.

Voor mij is er weinig plezier meer aan, zelfs doordeweeks, een tijdstip waarop het vroeger prima te doen was. Ik kom te veel mensen tegen.

Laat dit een les zijn: wees voorzichtig wat je wenst. Nu vlucht ik zelf. Naar dagen met regen.

Verslag

Ik ging er deze week eens voor zitten om een verslag uit te werken. Dat was vanaf het begin het plan geweest, om iets te schrijven. In de veronderstelling dat het goed zou zijn dat alsnog te doen, pakte ik mijn krabbels erbij. Mogelijk viel er nog iets te winnen, inzicht te verwerven misschien.

Het zou gaan over de opdracht die ik mezelf had gegeven: uitzoeken hoe ik voor mij persoonlijk de toekomst zie. Vraag me niet wat daar ineens de noodzaak van was.

In het kort: ik ging graven en stuitte op de bodem.

Het uitwerken van mijn aantekeningen en gedachten daarover houdt in dat ik opnieuw in de materie duik. Een volgende ontsporing ligt niet meteen op de loer, maar leuk is anders. Al had ik me bij aanvang ter motivatie wel zoiets voorgesteld, ik doe geen studie waarbij iets van mij wordt verlangd. Ik heb het in de hand.

Het zou een kans kunnen zijn gevolg te geven aan mijn behoefte om te delen, anderen te laten weten wat ik doorgemaakt heb. Wie zit daarop te wachten? Ik weet wat ik eraan heb gehad, daar hoeft niet per se iets nog aan te worden toegevoegd. Behalve dat ik het laat bij wat het is. Dat is ook wat.

Ik was dwaas. Het is nergens voor nodig dat nog eens te zijn. Het ging gewoon goed en dat gaat het weer. Daar hoef ik verder geen vragen bij te stellen. Wat is de zin ervan?

Zeker die niet.

Uitnodiging

Een goede crisis hoeft niet lang te duren. Voor mijn laatste was anderhalve week genoeg, wat overigens niets over de diepte ervan zegt. Van buiten gezien was het een manische opstoot, die veel in zich had om uit te groeien tot een psychose. Alle zeilen moesten bij om echt erg te voorkomen. Of ze moesten juist gestreken, om de vaart eruit te halen. Het was nogal een beweging waarin ik was beland.

Het is ondoenlijk, al wil ik het nog zo graag, te omvatten wat die dagen me hebben gebracht. Ik weet al niet meer wat er door me heen ging, met welke uitnodiging het universum nou precies kwam. Het is als een droom. Van het onderdompelen in die stroom herinner ik me vooral dat het ondanks de ellende een hele rijkdom in zich had.

Ik blijf daarom zoeken naar geschikte woorden. Vermoedelijk moet ik ervoor terug naar een middag bij de plas. Doorgewinterde zwemmer Willem was naar het veld gekomen en had, na wat dralen en niet om een bepaalde reden, besloten op de kant te blijven. Melani, winterzwemmer en schrijver, was onder de indruk en repte van ‘de moed om het niet te doen’. Dat klonk goed, vond ik. Zij vond het oké als ik het eens wilde gebruiken.

De frase kwam op en bleef me bij tijdens de recente verwarrende periode. In alle bescheidenheid durf ik te zeggen dat die zo kort was vanwege mijn grote moed het niet te doen, er niet op in te gaan.

Gevaar

Het ging me voor de wind. Een goed moment, dacht ik, om een zelfonderzoek te starten. Met het oog op de toekomst. Waar zou ik over 5 jaar willen zijn, of over 10? Dat was de aanvankelijke insteek.

Eerst wilde ik bedenken welke vorm het resultaat zou kunnen hebben, of ik er begeleiding bij zou zoeken en of het nou echt nodig was hiermee aan de slag te gaan. Kon het niet gewoon doorgaan zoals het ging, het ging toch goed?

Maar voor ik het goed doorhad zat ik er al middenin. Al gauw bleek het niet te gaan over de komende jaren. Ik stuitte op een fundamenteler vraag: wat beweegt me ten diepste? Wat het ook is, ik kan het niet helpen dat het me van tijd tot tijd naar deze ruige zee dirigeert.

Die meende ik gedoseerd toe te kunnen laten, onderzoek doen én gewoon doorgaan. Dat was voor de kwestie geen optie. Vragen naar fundamenten is eraan morrelen.

Intussen zit ik met de gebakken peren. Ik was mezelf al gaan voorstellen als een zeiljacht, zo’n zeewaardige schuit met een hele verzameling zeilen aan meerdere masten, dat tegen de elementen was opgewassen en zonder veel moeite zwaar weer kon doorstaan. Het jubelen daarover was bij vlagen niet van de lucht.

Er is gelukkig niet echt iets mis. Alleen kan er soms, als ik aan het begin van de nacht wakker lig, iets ongenadig in mij aan het werk gaan.

Dan denk ik weer meer aan dat papieren bootje.

Kamervragen

De stofzuiger stofzuigde niet meer naar behoren. De eerste seconden na het inschakelen werkte hij goed. Daarna begon het loeien, verscheen het rode vlakje achter het kunststof venstertje bovenop en liep de zuigkracht met forse schreden terug. Kapot, dachten we. En het is niet een tijdsgewricht waarin je apparaten laat maken. Waar zouden we heen moeten? Bovendien was een andere makkelijk besteld.

Toch nog met duurzaamheid in gedachten koos ik voor een duurder model. Aan de kwaliteit ligt het niet. Die nieuwe zuigt uitstekend en blijkt stiller te zijn en zelfs slim.

Alleen zat ik nog met die afgedankte in mijn maag, het niet eens zo oude beestje. Wegbrengen naar de stort leek me ineens zo grof. Ik wilde haar (let op de subtiele wijziging van het geslacht) toch nog een kans geven en nam contact op met een repaircafé. Daar was ze welkom en of ik dan vooraf het merk, typenummer en mankement wilde doorgeven, zodat er alvast op kon worden gestudeerd. Voor de gegevens zocht ik de handleiding. Die bladerde ik even door en ontdekte daarbij dat haperingen te maken konden hebben met volle filters. Een kwartier later ‘repareerde’ ik onze stofzuiger. Het bleek nota bene een filter te zijn dat ik vaker had gereinigd.

Dit is typisch een kwestie voor kamervragen en wellicht een parlementaire enquête. Niemand zou echter in staat zijn uit te leggen hoe het toch kon gebeuren dat een prijzig apparaat werd aangeschaft zonder degelijk onderzoek vooraf naar wat er schortte aan de oude.

Bestemming

Het was alweer even geleden dat ik naar de plas wandelde voor een duik, meestal fiets ik. Ik liep met de intentie alleen maar te wandelen, maar toch eigenlijk op zoek naar een bijzondere ervaring. Ik kon niet wachten tot die zich voordeed: een inzicht over het een of ander, een onverwacht voorval dat me met vreugde zou vervullen, een moment even alleen maar zijn en verder niets.

Intussen werkte ik er hard aan open te staan voor zoiets. Met veel geestkracht gaf ik gedachten die in de weg stonden een plek en probeerde ik ze achter me te laten. Er was overigens weinig dat me stoorde. Dat ene idee bleef echter hardnekkig aanwezig, namelijk dat ik iets van verlichting zocht, ik denk ook verlangde. Me daarop blindstarend bereikte ik niets.

Later die middag ging ik er, gezeten op mijn meditatiekussen, net zo hard mee door. Mijn adem was uiterst kalm, diep in de buik, en alles wees op een mogelijkheid, een doorbraakje. Mijn hele wezen klemde zich eraan vast. Hoewel ik ook wel geleerd heb die focus los te laten, bleef ik ermee bezig.

Een zinnetje kwam halverwege op dat ik anderhalve week eerder had meegekregen. Het werkte als een ventiel. Vriend Piet had verteld in 2004 een mail aan Iceman Wim Hof te hebben gestuurd. Hij wilde weten hoe hij in water van 10 graden het nog langer dan een kwartier zou kunnen uithouden. Het antwoord was simpel en gaat in veel situaties op: ‘Je bent er al.’